12,720 research outputs found
The sense of a beginning : Bakhtinian dialogic criticism on 'the gospel' in Mark.
Contemporary literary approaches have caused paradigm shifts in Biblical Studies in the last two decades as it appears in a great deal of Markan studies using narrative, reader-response, deconstructive, feminist, and new historicist approaches. However, literary studies on the Gospel of Mark have not taken into account theoretical questions underlying those approaches. As a result biblical critics are driven by new trends without ever having a chance to examine the critical baggage of the approaches. Consequently, there is a gap of communication between the old and the new one. Therefore this thesis is an attempt to meet the need of enhancing the quality of critical endeavour in biblical studies. In the light of most recent competing critical theories of literature, the first contribution of this thesis is the methodological finding that Bakhtinian dialogic criticism contains the most profound philosophical and practical foundations for solving some crucial theoretical problems in contemporary literary theories. It is a critique to a Saussurian linguistic system of language which becomes the very foundation of modern and postmodern literary criticism. Bakhtinian literary theory shifts the foundation of literary criticism on linguistic signs into the creative activity of the socio-cultural production of human communication. The shift into socio-cultural reality of language communication makes the notion of 'genre' very important to unlock the problem of text and context in literary studies. Since the Gospel of Mark has fascinated most literary critics in Biblical Studies, the problem of 'genre' of this gospel is chosen as the focus of this study. Secondly, as no agreement is reached as to what 'genre' the Gospel of Mark belongs, this thesis makes its contribution to the discussion by locating the problem of 'genre' of Mark in the context of genre theories and argues that the Bakhtinian suggestion to find genre in the socio-cultural sphere by analysing artistic intercourse between narrative agents in Mark has freed the competing analysis from the unresolved problem between the kerygmatic (content oriented) approach and the analogical (form oriented) approach. To achieve finding 'genre' in the socio-cultural sphere, this thesis focuses on Bakhtinian analysis of the process of artistic intercourse between narrative agents. The narrative communicative interrelationships between narrative agents is constructed in this thesis as a 'stereophonic' Bakhtinian model of dialogic communication. This model is an original contribution of this thesis for revising the traditional two dimensional model of narrative communication. Based on this dialogical model of communication, a special role is given to the Bakhtinian 'author-creator' in the realization process of genre through the interaction of polyphonic voices. Through the interaction of voices of the author-artist and the hero we are led to discover a relatively stable type of portraying and controlling reality in Mark, known as the genre of Roman 'satire'. The closest literary affinity is Satyrica by Petronius. This narrative strategy of 'satire' in Mark has its root in the prophetic discourse of the Old Testament which is saturating the speech of the narrator, John the Immerser, the centurion, the people, and even Jesus. Finally, the whole search for Markan 'genre' culminates in the analysis of the realization of genre through the analysis of Bakhtinian chronotope. The reality of the genre of Mark is its social reality that is in its role as dpxrj/ 'beginning'. As the Gospel of Mark proclaims itself as 'a beginning', it defines its claim of socio-cultural 'authority' in early Christianity. It is this 'sense of beginning' which enables the narrating and the narrated world of Mark to interact dialogically
Endotoxemia-induced inflammation and the effect on the human brain
Introduction: Effects of systemic inflammation on cerebral function are not clear, as both inflammation-induced encephalopathy as well as stress-hormone mediated alertness have been described.Methods: Experimental endotoxemia (2 ng/kg Escherichia coli lipopolysaccharide [LPS]) was induced in 15 subjects, whereas 10 served as controls. Cytokines (TNF-?, IL-6, IL1-RA and IL-10), cortisol, brain specific proteins (BSP), electroencephalography (EEG) and cognitive function tests (CFTs) were determined.Results: Following LPS infusion, circulating pro- and anti inflammatory cytokines, and cortisol increased (P < 0.0001). BSP changes stayed within the normal range, in which neuron specific enolase (NSE) and S100-? changed significantly. Except in one subject with a mild encephalopathic episode, without cognitive dysfunction, endotoxemia induced no clinically relevant EEG changes. Quantitative EEG analysis showed a higher state of alertness detected by changes in the central region, and peak frequency in the occipital region. Improved CFTs during endotoxemia was found to be due to a practice effect as CFTs improved to the same extent in the reference group. Cortisol significantly correlated with a higher state of alertness detected on the EEG. Increased IL-10 and the decreased NSE both correlated with improvement of working memory and with psychomotor speed capacity. No other significant correlations between cytokines, cortisol, EEG, CFT and BSP were found.Conclusions: Short-term systemic inflammation does not provoke or explain the occurrence of septic encephalopathy, but primarily results in an inflammation-mediated increase in cortisol and alertness
A weak law of large numbers for m-dependent random variables with unbounded M
Statistical Methods;mathematische statistiek
Hengelo, Elderinkweg. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven
In opdracht van Gemeente Bronckhorst heeft het onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie (BAAC bv) van 25 juni tot en met 2 juli 2007 een inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven uitgevoerd te Hengelo, gemeente Bronckhorst. Aanleiding tot het onderzoek vormt de voorgenomen bouw van het gemeentehuis in het plangebied Hengelo - Elderinkweg. Hierbij zal de archeologische ondergrond vergraven worden.
Uit het proefonderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied een grote hoeveelheid sporen en vondsten voorkomt. Deze vondsten en sporen dateren in hoofdzaak uit de Bronstijd of IJzertijd. De conservering van de grondsporen is goed, omdat de sporen zijn afgedekt door een esdek
The Interleukin-6 Family Cytokine Interleukin-11 Regulates Homeostatic Epithelial Cell Turnover and Promotes Gastric Tumor Development
Meegan Howlett, Andrew S. Giraud, Helen Lescesen, Cameron B. Jackson, Anastasia Kalantzis, Ian R. Van Driel, Lorraine Robb, Mark Van der Hoek, Matthias Ernst, Toshinari Minamoto, Alex Boussioutas, Hiroko Oshima, Masanobu Oshima and Louise M. Jud
Getuigen van de storm. Opgraving Kazernekwartier/MFC-zuidelijk deel: BAAC-rapport A-16.0231
In opdracht van de gemeente Venlo heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) tussen 10 oktober 2016 en 23 januari 2017 een opgraving uitgevoerd in het
plangebied Kazernekwartier/MFC-zuidelijk deel te Blerick, gemeente Venlo.
De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van het Fort van Venlo. Door de diverse bouwactiviteiten, die met de realisatie gepaard gaan, zal een deel van de archeologische resten worden aangetast of
verstoord. Een ander deel van de resten, waaronder de buitenmuur en gracht van de vesting, zal worden ingepast en gevisualiseerd in de nieuwe inrichting. Er is daarom door de gemeente besloten om voorafgaand aan de nieuwbouw
een opgraving uit te voeren om alle historische en archeologische resten nauwkeurig te documenteren en zodoende ook bouwstenen aan te reiken voor de nieuwe inrichting. Voorafgaand aan de in dit rapport beschreven opgraving
zijn er met betrekking tot het Kazernekwartier al eerder diverse historische en archeologische onderzoeken uitgevoerd. Daarnaast zijn er nog onderzoeken geweest naar de aanwezigheid van explosieven en milieuverontreinigingen.
De opgraving besloeg de zogenoemde zones 1A en 1B uit het gemeentelijk ontwikkelingsplan voor het Fort van Venlo. Zone 1A betrof een aantal terreingedeelten buiten de muren van het fort, die ten tijde van het eerdere plan “MFC” in 2012/2013 nog niet archeologisch waren onderzocht en ook wat betreft OCE nog niet waren vrijgegeven.1 Het totale oppervlak van deze zone bedroeg 1,9 ha.
Zone 1B betrof het ontgraven en documenteren van de voormalige vestinggracht en de buitenmuur van fort Sint Michiel aan de zuidzijde van het kazerneterrein, met het oog op de toekomstige inpassing en gedeeltelijke
restauratie. De oppervlakte hiervan bedroeg 0,7 ha.
Het onderzoeksgebied (zones 1A en 1B samen) lag sinds 2013 grotendeels braak en was verder voor een klein deel nog bestraat. Ook gebouw D viel hier deels onder, maar ten tijde van het onderzoek had er nog geen sloop plaatsgevonden.
Daarnaast waren er nog bomen aanwezig, die deels gehandhaafd dienden te blijven.
Vanwege het aantreffen van een deel van de muur van één van de schuilkelders is besloten de schuilkelders, hoewel deze eigenlijk gelegen zijn in de later te onderzoeken zone 1C, in hun geheel vrij te leggen tijdens deze opgravingscampagne.
De onderzoeksvragen in het Programma van Eisen2 waren toegespitst op de al eerder aangetroffen vindplaatsen op het kazerneterrein. Hierbij was vooral veel aandacht voor de Romeinse tijd en het fort Sint Michiel. Tijdens de opgraving
werd al snel duidelijk dat de periode vóór de bouw van het fort geen sporen of vondsten heeft nagelaten. Gezien de locatie van de opgraving, ter plaatse van de muren en de grachten van het fort, zijn sporen en vondsten uit de tijd
van het fort (1641-1870) in ruime mate aanwezig. Hierbij moet opgemerkt worden dat er geen nieuwe of afwijkende feiten aan het licht zijn gekomen, de resultaten van de vooronderzoeken konden bevestigd worden. Wel zijn
alle muurdelen en grachten nauwkeurig gedocumenteerd en vastgelegd, zodat hiermee tijdens de nieuwbouw en consolidatie/restauratie rekening mee gehouden kan worden.
Uit de periode na het verdwijnen van het fort, ten tijde van de kazerne (1910-2003), zijn wel opvallende sporen en vondsten aanwezig. Het gaat hierbij om resten van de voormalige stormbaan en twee schuilkelders. Beide fenomenen
waren al wel bekend van luchtfoto’s en plattegronden, maar ze waren nog nooit archeologisch onderzocht. Van de stormbaan resten voornamelijk recent aandoende sporen, waarbij soms nog het hout van de palen bewaard was
gebleven. De stormbaan besloeg volgens het beschikbare kaartmateriaal een smalle strook evenwijdig aan de spoorbaan. De aanwezige resten wezen er echter op dat de stormbaan in het verleden breder van opzet is geweest.
Mogelijk hangt dat samen met de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog.
Het was eveneens bekend dat er op het kazerneterrein in totaal twaalf schuilkelders moeten zijn geweest, waarvan er nu geen enkele meer over is.
Ooggetuigen verklaren dat er enkele tenminste tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw aanwezig moeten zijn geweest. Bij eerder archeologisch onderzoek zijn deze schuilkelders niet of slechts summier opgetekend. Het was hierdoor niet
mogelijk iets te zeggen over de conserveringsgraad, opbouw/indeling of de reden voor bouw of afbraak. Het onderzoek naar de twee schuilkelders achter gebouw B heeft goede resultaten opgeleverd. Vooral de meest westelijke
schuilkelder bleek nog voor een groot deel aanwezig, waardoor de opbouw en indeling duidelijk werd, almede tot welk type de schuilkelders behoren.
De bouwdatum zal rond het begin van 1941 liggen, de afbraak moet net na de bevrijding hebben plaatsgevonden. Tal van bouwhistorische details konden worden opgetekend, zodat een vergelijking met andere schuilkelders mogelijk is. Op luchtfoto’s uit eind 1944 was te zien dat de kelders enige bomtreffers hadden, wat vrijwel zeker de reden tot afbraak was. Resten van eventuele slachtoffers zijn bij het huidige onderzoek niet aangetroffen, wel een fragment van een Duits militair identificatieplaatje. Het in de kelders aanwezige botmateriaal was dierlijk van oorsprong en wees in de richting van voedselresten.
Hoewel met name de schuilkelders nog enig vondstmateriaal opleverden, was de hoeveelheid vondsten in vergelijking met de opgravingscampagne van 2012/2013 gering. Door het intensief inzetten van metaaldetectoren (zowel bij het archeologisch als het OCE-onderzoek) was het aantal metaalvondsten nog wel aanzienlijk. De vondsten zijn overwegend van militaire herkomst, uit zowel de gebruiksperiode van het fort als van de kazerne. Ook het OCE-onderzoek leverde veel minder munitie en explosieven op dan de voorafgaande campagne, maar de ontdekking van een op scherp staande 500-ponder bom in de eerste week van het onderzoek maakte wel duidelijk dat ook deze delen van het kazerneterrein niet voor niets als risicozone bestempeld waren.
Samenvattend heeft het onderzoek voornamelijk nieuwe inzichten opgeleverd over de gebruiksperiode van de kazerne. Daarnaast werden de bevindingen uit de vooronderzoeken bevestigd en aangevuld. Hoewel niet geheel kan worden
uitgesloten dat de sporen van één of enkele Romeinse fenomenen door de latere bebouwing en gebruik in hun geheel zijn uitgewist, lijkt het vrijwel ontbreken van vondstmateriaal uit die periode op het zuidelijk deel van het kazerneterrein aan te tonen dat van een Romeinse nederzetting van enige omvang hier toch geen sprake kan zijn geweest. Vooralsnog moet daarom de kern van het Romeinse Blariacum op een andere plek worden gezocht.
Noten:
1 Van der Weerden 2015.
2 Hessing et al. 2016
M & L Jaargang 9/2
GeneriekGeert Van der Linden Het kasteeldomein Breivelde: een landschapstuin te Zottegem (Grotenberge). [The castle estate of Breidvelde: a landscape garden at Zottegem (Grotenberge).]Mede door de toegewijde inzet van opeenvolgende bezitters, veranderde de 19de-eeuwse Grotenbergse Warande op slechts enkele decennia tijd, van een bebost domein voor jacht en visvangst, stapsgewijze in één der fraaiste Vlaamse landschapsparken. Sinds 1970 overgenomen door de gemeente Zottegem en voor publiek opengesteld, zou Breivelde onvoorbereid geconfronteerd worden met een versnelde aftakeling, tot de bescherming als landschap in 1982. Dat een nauwgezette inventarisatie en evaluatie vooralsnog kunnen leiden tot een herstel, weet Geert Van der Linden sindsdien als geen ander te verzekeren.Mark Derez Een plein voor een bibliotheek. Bij de heraanleg van het Monseigneur Ladeuzeplein te Leuven. [A square to a library: renewal of the lay-out of the Mgr. Ladeuzesquare in Louvain.]Gedragen door de omvang van de inzet, de grootsheid van het décor, maar meer nog de dimensie van de figuranten reikt Mark Derezs genesis van het Leuvense Ladeuzeplein haast aan het epos: een schoolvoorbeeld te meer van stedebouw als speelbal tussen politieke opponenten, tussen wetenschap en volksvermaak.De tragische banaliteit van het finale resultaat staan dan ook in schril contrast met de uitonzderlijke duur en het brilliante pathos van de voorafgaande debatten.Anne-Marie Delepiere en Martine Huys Heesters ofte huyzekens van plaisance te Brugge.
[Shrubberies or Huizekens van plaisance in Bruges.]Links gelaten door de om zich heen tastende Brugse binnenstad roepen ze slechts ten dele willekeurig het beeld op van nu eens follies, dan weer geminiaturiseerde buitenplaatsen.Veilig geborgen, her en der in moestuinen gespreid, werd er het eesteren alvast als hoogste kunst bedreven.Wat heimweeïg naar alweer vergane geneugten voeren Anne-Marie Delepierre en Martine Huys ons mee naar wat hiervan nog standhield.M&L Binnenkran
The Gospel on the Margins: The Ideological Function of the Patristic Tradition on the Evangelist Mark
In spite of the virtually unanimous patristic opinion that the evangelist Mark was the interpreter of Peter, one of the most prestigious apostolic founding figures in Christian memory, the Gospel of Mark was mostly neglected in the patristic period. Not only is the text of Mark the least well represented of the canonical Gospels in terms of the number of patristic citations, commentaries and manuscripts, the explicit comments about the evangelist Mark reveal some ambivalence about its literary or theological value. In my survey of the reception of Mark from Papias of Hierapolis until Clement of Alexandria, I will argue that the reason why the patristic writers were hesitant to embrace the Gospel of Mark was that they perceived the text to be amenable to the Christological beliefs and social praxis of rival Christian factions. The patristic tradition about Mark may have little historical basis, but it had an important ideological function in appropriating the text in the name of an apostolic authority from the margins or periphery
Basisboek MVO: maatschappelijk verantwoord ondernemen. - 3e, volledig herziene dr.
Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) heeft een prominente plaats ingenomen in de dagelijkse praktijk van veel bedrijven. In deze herziene druk van het Basisboek MVO geven redacteuren Lars Moratis en Mark van der Veen samen met vele auteurs een actueel en compleet overzicht van trends, theorie en praktische ervaringen. Het Basisboek MVO bevat bijdragen van onder meer wetenschappers, ondernemers, beleidsmakers en politici met een duidelijke visie op de successen, maar ook de beperkingen, van MVO, de raakvlakken met managementgebieden en de implementatie ervan. Het Basisboek MVO is bedoeld voor iedereen die zich van de ‘basics’ van MVO op de hoogte wil stellen en actuele ontwikkelingen op het vakgebied wil begrijpen
Maastricht, Ambyerveld, Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven
Van 10 tot en met 27 september 2007 is een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd in het plangebied Ambyerveld, te Amby gemeente Maastricht.
Tijdens dit onderzoek zijn drie vindplaatsen gevonden. Het gaat om twee vindplaatsen met nederzettingssporen en een grafveld.
De nederzettingssporen bestaan uit vier sporen verspreid over twee vindplaatsen. Vindplaats I bestaat uit één afvalkuil met een diameter van 1,29 meter en een diepte van 0,30 meter. De vindplaats is te dateren in de eerste helft van de Vroege IJzertijd.
Vindplaats III bestaat uit twee afvalkuilen met een diameter van 1,30 en 1,40 meter en een diepte van 0,26 en 0,30 meter en een klein kuiltje met een diameter van 0,46 meter en een diepte van 8 cm. De sporen van vindplaats III zijn te dateren in de Late Bronstijd of Vroege IJzertijd.
Tijdens het archeologische onderzoek op het Ambyerveld zijn vier urnen en vijf losse crematies opgegraven. Eén van de graven had een bijgift in de vorm van een klein potje. Het urnenveld heeft een geschatte oppervlakte van 65 bij 31 meter en is te dateren tussen de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd
- …
