Electronic Archiving System
Not a member yet
    318455 research outputs found

    Antea Group Archeologie 2019/77

    No full text
    In mei 2019 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (IVO-O) uitgevoerd ten behoeve van het gebied Weezenland Noord te Zwolle. Uit het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied archeologische resten uit de periode vanaf het mesolithicum aanwezig kunnen zijn. Of er inderdaad sprake is van een hoge archeologische verwachting hangt echter in belangrijke mate af van de hier begraven landschappelijke situatie (fysische geografie). Als er binnen het plangebied oeverwallen en/of rivierduinen aanwezig zijn, kan uitgegaan worden van een middelhoge verwachting op archeologische resten hierop. Uit het veldonderzoek is gebleken dat er geen fijnzandige lagen aanwezig zijn op de overgang van de Formatie van Kreftenheuye naar de afzettingen van de Formatie van Nieuwkoop en Formatie van Echteld: derhalve lijkt de conclusie te rechtvaardigen dat er in het gebied geen duinvorming heeft opgetreden, dan wel dat vroeger aanwezige duinen geheel geërodeerd zijn. De grijze tot blauwgrijze kleilaag is in de boringen met uitzondering van boring 03 te interpreteren als (rivier)overstromingsklei en het gebied derhalve als rivierkomvlakte. In boring 03 is in tegenstelling tot de overige boringen een gefaseerd kleidek te herkennen: de onderzijde bestaat uit venige klei, met daarop een vrij homogene overstromingslaag van lichtbeige klei, met daarop een gelaagde sterk humeuze kleilaag. De bovenste kleilaag kan duiden op een geulvulling in een weinig tot nauwelijks watervoerende situatie waarbij organisch materiaal kon bezinken (mogelijk is hierin de laatste verlandingsfase van de restgeul te zien). De aanwezigheid van een geul kan tevens duiden op mogelijk intacte oeverwallen in de directe nabijheid (binnen tientallen meters afstand). De loop van de geul (en haar eventuele oeverwallen) kan vanwege het grofmazige (verkennende) boorgrid echter op dit moment niet gereconstrueerd worden. Op grond van bovenstaande bevindingen adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor alle ingrepen tot een diepte van 0,5 m +NAP. De archeologische verwachting op rivierduinen is immers na het uitvoeren van de veldtoets ontkracht. De archeologische verwachting op oeverwallen is alleen in de omgeving van boring 03 houdbaar gebleken. Hier is mogelijk sprake van een historische arm of restgeul van de Groote Aa, die met gelaagde klei met organisch bezinksel is verland

    Antea Group Archeologie 2018/199

    No full text
    In december 2018 en januari 2019 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek (BRL4000, protocol 4002) en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (BRL4000, protocol 4003) uitgevoerd in voorbereiding op vervangingswerkzaamheden van een lagedruk gasleiding. Op grond van de beschikbare gegevens is gebleken dat voor zover het plangebied in gemeentegrond ligt er vrijwel volledig zal worden gegraven in bestaande kabel- en leidingcunetten. Het is natuurlijk niet onmogelijk dat hierbij in de sleufwand archeologische resten zichtbaar komen, maar dit is niet heel waarschijnlijk, ook gezien de tijdens het veldbezoek geconstateerde archeologische en landschappelijke situatie. Zolang er aan de westzijde van het plangebied binnen de profilering van de bestaande kabels en leidingstrook wordt gegraven, worden daar geen resten van het café verwacht. Voor zover op grond van de boringen te reconstrueren is de eigenlijke wierde van Mensingeweer niet eerder ontstaan dan in de volle middeleeuwen en is deze af te perken binnen het perceel van de Hervormde Kerk. De werkzaamheden blijven buiten dit perceel en ook staat voor de kerk geen nieuwe huisaansluiting gepland. Voor wat betreft de huisaansluitingen in het algemeen geldt dat deze niet effectief archeologisch kunnen worden begeleid. Dit in combinatie met de geringe omvang van de ontgravingen is archeologische begeleiding voor deze sleuven, ook vanuit bestaand beleid, niet gewenst. Wij adviseren derhalve om het plangebied, te weten de vervangingswerken van bestaande gasleidingen en het vervangen van waterleidingen aan de Hoofdstraat in Mensingeweer, vrij te geven voor het aspect archeologie

    Antea Group Archeologie 2019/104

    No full text
    In mei 2019 heeft Antea Group een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen uitgevoerd aan de Oliemuldersweg te Groningen. Het veldonderzoek betreft een beperkt aantal boringen, maar deze boringen lijken te bevestigen dat de Hunze op deze plaats heeft gelopen en dat de bocht in de oude Jacobijnerweg inderdaad verband houdt met de vroegere Hunze. De Hunzebedding bevindt zich ter plaatse van boring 04 en een oeverwal of oeverwalachtige zone, in de buitenzijde van de meander, ligt ten noorden hiervan ter plaatse van boring 02. De boringen bevestigen ook de gereconstrueerde ligging van de Hunze op de bodemkaart van Clingeborg. Wij adviseren verder om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingreep. Er is geen intacte top van een oeverwal aangetroffen en ook zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen. De dieper gelegen vegetatiehorizonten kunnen archeologisch relevant zijn, maar deze liggen met 1,6 m –mv dieper dan de voorgenomen ingrepen. De gemeentelijk archeologe heeft kennis genomen van de bevindingen en conclusies van dit onderzoek en is akkoord met het advies. Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1

    Antea Group Archeologie 2018/140

    No full text
    Aan de noordzijde van het plangebied bevinden zich met name zandige kleien die als oeverwal worden beschouwd. Verder naar het zuiden worden de kleien zwaarder en verschijnt er in de ondergrond veen. Dit zijn de komafzettingen plaatselijk doorsneden door geulen. De top van het veen (onder de klei) is op meerdere plaatsen geërodeerd. Er zijn tijdens het verkennend veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ter hoogte van de boerderijplaats die wordt gekruist door het tracé is een karterend booronderzoek uitgevoerd. De bouwvoor bevat hier bijmenging met puin, kalk en houtskool, maar geen noemenswaardige hoeveelheden aan andere bijmenging. Wel is er in één boring (boring 29) een mogelijke ophooglaag van plaggen vastgesteld. Deze bevatte geen bijmengingen. Op basis van het booronderzoek wordt aanbevolen het verkennend onderzochte deel van het tracé vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Ter hoogte van de oude boerderijplaats is in één boring een mogelijke plaggenlaag vastgesteld. Aanbevolen wordt de aanlegwerkzaamheden ter plaatse van de boerderijplaats archeologisch te begeleiden waarbij er in de aan te leggen sleuf een profiel kan worden aangelegd. Hiermee zal duidelijkheid worden verkregen omtrent de aard en eventuele datering van de plaggenlaag

    Antea Group Archeologie 2018/159

    No full text
    Er zijn tijdens het veld werk 4 vindplaatsen aangetroffen; twee vuursteenvindplaatsen (vindplaatsen 1 en 2 ), een zandophoging die een mogelijke grafheuvel is (vindplaats 3) en vindplaats 4 met ontginningsgreppels uit de nieuwe tijd. Deze vindplaatsen wijken elk af van de specifieke verwachting zoals in het PvE is beschreven. De oorspronkelijke onderzoeksmethodiek en –vragen sluiten niet goed aan bij de aangetroffen vindplaatsen. Daarom zijn in overleg met de bevoegde overheid enkele aanvullingen op het PvE geschreven. Er is verspreid over een groot deel van het begeleide tracé in werkput west bewerkt vuursteenmateriaal aangetroffen. Het bewerkte vuursteen is gevonden in lagen die door de Tjonger zijn afgezet. Gedeeltelijk is dit materiaal ook tussen iets grindig zand met natuurlijke stukken vuursteen aangetroffen (geërodeerd morenemateriaal). Het is mogelijk dat de vuurstenen artefacten resten zijn van door de rivier opgeruimde c.q. verspoelde vindplaatsen. Er zijn echter ook aanwijzingen dat op de rivierzandkop activiteiten zijn ontplooid: de aangetroffen haardkuilen en een tweetal vuurstenen afslagen die evident van hetzelfde stuk vuursteen afkomstig zijn (vindplaatsen 1 en 2). Deze laatste vondsten (V103.1 en V104.1) wijzen erop dat vuursteen ter plekke is bewerkt. In totaal zijn bij vindplaatsen 1 en 2 slechts respectievelijk vier en zeven fragmenten bewerkt vuursteen aangetroffen. Daarnaast zijn er twee en vier haardkuilen gevonden. Bij vindplaats 2 is verder een runderwervel gevonden. Het is onduidelijk of het bewerkte vuursteenmateriaal en de haardkuilen van vindplaatsen 1 en 2 elk een homogene groep vormen. Met andere woorden, zijn de vindplaatsen op één moment ontstaan of gaat het om losse, mogelijke deels verspoelde vondsten, die toevallig op de locatie terecht zijn gekomen. Vindplaats 3 ligt op een dekzandkop op een locatie die op historisch kaartmateriaal als ‘begraafplaats’ is aangeduid. Het betreft een op de natuurlijke zandkop gelegen prefect ronde antropogene zandophoging met een pakket opgebracht veen. In de top van de zandophoging bevindt zich een spoor met houtskool materiaal. Dit zou kunnen wijzen op een crematiegraf. Vindplaats 3 is niet nader gedocumenteerd. Vindplaats 4 bevindt zich op een aantal verspoelde dekzandkoppen en bestaat uit een groot aantal ontginningsgreppels die haaks op of parallel aan de huidige liggen aan de huidige Tjonger. De greppels en de bij behorende sporen zullen daarom van na de kanalisering rond 1885 zijn. De ontginningsgreppels zijn in het arme dekzand gegraven en gevuld met venige grond om de grond te verbeteren. Omdat de vindplaats van geringe waarde wordt geacht zijn de sporen, in overleg met de bevoegde overheid, enkel globaal vastgelegd en is slechts een deel afgewerkt. Op basis van de bovenstaande conclusies wordt gesteld dat vindplaats 3 onvoldoende is onderzocht voor een waardering. In potentie is het echter een behoudenswaardige vindplaats. Er wordt daarom aanbevolen deze vindplaats een voorlopig behoudenswaardige status te geven. Vindplaatsen 1, 2 en 4 worden niet behoudenswaardig geacht, mede omdat ze bij de graafwerkzaamheden zijn vernietigd. Het is goed mogelijk dat deze vindplaatsen zich buiten de huidige ingrepen voorzetten. Er wordt aanbevolen bij eventuele volgende ingrepen in de directe omgeving van deze vindplaatsen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van vergelijkbare archeologische resten

    Antea Group Archeologie 2018/171

    No full text
    In oktober 2018 heeft Antea Group een archeologische opgraving, variant begeleiding uitgevoerd in het plangebied voor de verlegging van middenspanningskabels aan de zuidzijde van de A12 bij de Edisonstraat te Zevenaar, gemeente Zevenaar. Het bijgaande rapport betreft de uitwerking van deze begeleiding die werd uitgevoerd onder BRL 4000, protocol 4004, KNA 4.1. In werkput 3 is een loopgraaf aangetroffen die bestaat uit een dubbele ingraving. Deze wordt geïnterpreteerd als een smalle loopgraaf in het westen met aansluitend aan de oostzijde hiervan een munitieopslagkamer of een toegang daar naar toe. De structuur is op last van de Duitse bezetter aangelegd en is reeds aanwezig op RAF-luchtfoto 3112 van flight 304 run 01 gemaakt op 21 december 1944. De stelling kon dienst doen in een grondoffensief, maar er zijn geen aanwijzingen dat dit deel van de stelling na aanleg ook daadwerkelijk is gebruikt. De bekende gevechtshandelingen in de omgeving vonden vooral plaats met luchtbombardementen en afweergeschut. De structuur bestond verder (voor zover bekend) niet uit gebouwde structuren, maar slechts uit ontgravingen. Deze zijn naderhand ontmanteld door deze te dempen. In eerste instantie is gedempt met een weinig lokaal aanwezig materiaal, zoals bouwvoor en grindig grof zand. Pas later is tot het maaiveld gedempt met een aangevoerde partij zand/klei, vervuild met enig gres en hoogovenslakken. Deze vrij algemene bijmenging maakt een nadere datering van de demping niet mogelijk

    Antea Group Archeologie 2016/165

    No full text
    In de periode september tot en met november 2015 heeft Antea Group archeologische begeleiding met beperkte verstoring (onder KNA3.3) uitgevoerd op de wierde Niehove, gemeente Zuidhorn (Gr.). Bij het realiseren van de huisaansluitingen zijn kleine ontgravingsputjes op de wierde aangelegd. De wierde van Niehove is een archeologisch monument dat de status heeft van Rijksmonument (AMK-terrein 5339; Rijksmonumentnummer 522157). Tijdens de aanleg van de huisaansluitingen is getracht een minimale bodemverstoring te bewerkstelligen door de bestaande leidingen te laten liggen en vooral de laspunten te vernieuwen. Vanwege de geringe omvang van het onderzoek kan hiermee geen dekkende bewoningsgeschiedenis van de wierde Niehove worden opgesteld. Het onderzoek beperkte zich tot een aantal ‘kijkgaten’ op verspreid gelegen locaties. Hierbij zijn diverse waarnemingen gedaan die een aanvulling zijn op de kennis omtrent deze wierde. Eén profiel (P.11) in de periferie van de wierde vertoonde een opvallende gelaagdheid die in het veld als bijzonder is herkend en die door middel van een (smalle) pollenbak is verzameld. De pollenbak is gewaardeerd. De gelaagdheid bestaat uit een brandlaag (S907) van verbrande vegetatie, een overstromingslaagje (S906) en een vegetatieniveau (S905). Het vegetatieniveau wijst op een natuurlijk marien milieu en op schaarse menselijke aanwezigheid. Verdere analyse bleek vanwege de kleine omvang van het monster niet mogelijk. Hierdoor kon bijvoorbeeld geen koolstofdatering van de verkoolde plantenresten worden uitgevoerd, waarmee we nu geen exacte datering kunnen geven van de brand op die op de wierde heeft gewoed. Indien de stratigrafische gegevens in het veld juist zijn geïnterpreteerd, betekent dit dat zowel S1 als S910 uit de eerste eeuw na Chr. dateren (midden Romeinse tijd) en dat daarmee het samenstel van S905-907 eveneens dateert in de eerste eeuw na Chr

    Antea Group Archeologie 2016/190

    No full text
    In de periode maart tot november 2015 heeft Antea Group een archeologische begeleiding uitgevoerd van graafwerkzaamheden in delen van de Nieuwe Boteringestraat, de Grote Leliestraat, de Grote Rozenstraat, de volledige lengte van de Noorderbinnensingel, de Grote en de Kleine Appelstraat, en de Grote en de Kleine Kruisstraat te Groningen. Aanleiding voor het onderzoek is de vervanging van aanwezige gas-, elektriciteits- en waterleidingen in de straten waarbij tot maximaal 1,2 m-mv. diep werd gegraven. Door de werkwijze van de kabelsanering, waarbij werd gewerkt in veelal smalle en vrij ondiepe sleufjes die al meerdere malen open waren geweest, was de archeologische zichtbaarheid en dus de waarnemingskans vrij laag. Op bepaalde punten kwamen echter toch restanten muurwerk (waar in het verleden door kabelleggers omheen gewerkt was) bloot te liggen en werden her en der wat grotere en diepere gaten aangelegd, bijvoorbeeld op de oversteken van de grotere straten in de wijk. In overleg met de gemeentelijk archeoloog en de civiele aannemers is de intensiteit van de begeleiding aan deze werkwijze aangepast. Een groot deel van de uitgevoerde veldinspecties had als hoofddoel om de voortgang van de aannemer in de gaten te houden en te overleggen over de planning van de komende dagen om zo de waarnemingskansen te optimaliseren. Door deze regelmatige contacten kregen de veldploegen van de aannemer gaande het project steeds beter inzicht op welke momenten ze de archeoloog moesten oproepen. Inhoudelijk heeft het project geen grote verrassingen opgeleverd, alle aangetroffen vondsten en sporen passen naadloos in het beeld van de 17e-eeuwse stadsuitbreiding en de geleidelijke invulling daarvan met woningen in de eeuwen die daarop volgden. De aangetroffen sporen bestonden uit bestratingsresten, muurresten, stenen afvoergootjes en afvallagen. De volgende vondstcategorieën zijn aangetroffen: aardewerk, bouwmateriaal, dierlijk bot, schelp, glas, natuursteen, leer, textiel en hout. Deze vondsten kunnen typologisch geplaatst worden in de periode van de 16e tot en met de 20e eeuw, hetgeen overeenkomt met de verwachting voor dit deel van de Groninger binnenstad. De conservering van het vondstmateriaal is goed, alhoewel het merendeel van de vondsten vrij gefragmenteerd is

    Antea Group Archeologie 2018/67

    No full text
    Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem in het grootste deel van het plangebied bestaat uit een poldervaaggrond met een dunne ploegvoor op de kwelderwal en in geen enkele boring zijn duidelijke aanwijzingen voor wierdelagen of bewoningslagen aangetroffen. In boring 01 en 02 is onder de ploegvoor een humeuze laag van circa 10 cm dikte aanwezig die wordt geïnterpreteerd als een vroegere (moes)tuin die naderhand in gebruik genomen is als akkergrond. Als zodanig is een moestuin wel een onderdeel van het historisch erf, maar archeologische resten worden hier verder niet verwacht

    Antea Group Archeologie 2017/178

    No full text
    De voorliggende rapportage behandelt de uitkomsten van het karterend booronderzoek dat Antea Group in november 2017 heeft uitgevoerd. Bij een karterend booronderzoek wordt ten opzichte van een verkennend booronderzoek in een dichter boorgrid onderzocht wat bodemopbouw is en of zich in het plangebied archeologische vindplaatsen of archeologische indicatoren bevinden. Resulaten Voor gebied 1 geldt dat de podzolbodem matig intact is. Door het vermoedelijke gebruik van het terrein als gronddepot is de podzolbodem nog matig intact aanwezig. In het resterende profiel zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Voor gebied 2 geldt dat er een gevarieerde bodemopbouw is aangetroffen die een weerspiegeling is van een eveneens gevarieerd landschap ten tijde van de vroege prehistorie. Op de drie vermoedelijke dekzandruggen in dit gebied is de middelste in het bijzonder goed bewaard gebleven. In een meerderheid van de boringen is nog een laag restveen aanwezig die het volledig intacte podzolprofiel afdekt. Kennelijk heeft deze dekzandrug in de 20e eeuw weinig last gehad van verploeging en bodembewerkingen. Voor de verbetering van de grond is gekozen voor egalisatie en ophoging. Door deze egalisatie is een afvoerloze laagte, voorheen vermoedelijk een vennetje met langdurig hoogstaand water tussen twee dekzandruggen, opgevuld. Op de middelste dekzandrug zijn in boring 74 archeologische indicatoren aangetroffen (verkoold hout en bewerkt vuursteen) die mogelijk duiden op een kampement of woonplaats uit de periode laat-paleolithicum tot en met het neolithicum (RD-coördinaten van boring 74: 189.738/546.482). In de loop van het neolithicum zal het gebied echter onbewoonbaar zijn geraakt en is zelfs op de dekzandrug veengroei opgetreden. Voor gebied 3 geldt dat het beperkte aantal boringen weinig nieuwe inzichten in de bodemopbouw of het landschap heeft opgeleverd. De bodem met podzolprofiel is matig tot goed intact, maar er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Advies De geplande waterloop langs de westzijde van de verbindingszone loopt door het gebied van vindplaats 1. De aanleg van de andere geplande waterloop en het naastgelegen ondiepe water zal de intacte dekzandrug ook verstoren, maar op die plaatsen zijn bij het karterend booronderzoek geen vindplaatsen is aangetroffen. Door planaanpassing is het mogelijk om de westelijke waterloop te onderbreken ter hoogte van vindplaats 1 en de watervoerende functie door de andere aan te leggen (oostelijker gelegen) waterloop over te laten nemen. Als planaanpassing evenwel niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd om eerst een waarderend onderzoek uit te voeren (volgens KNA-protocol 4003a; proefputten in een verdichtend grid, bijvoorbeeld 5 bij 5 m) om de vindplaats exact te begrenzen, waarna binnen die begrenzing volledig opgegraven dient te worden (volgens KNA-protocol 4004 Opgraven). Voor het overige deel van de middelste dekzandrug in gebied 2 geldt dat deze in bodemkundig opzicht bijzonder intact is gebleven, maar dat er bij het karterend onderzoek geen vindplaats aangetroffen is. De mogelijkheid op een eventuele kleine vindplaats die tussen de mazen van het gehanteerde boorgrid valt, blijft nog wel bestaan. Wij adviseren daarom om waar mogelijk de ondiepe ingrepen (zoals het afgraven van teelaardelaag) hier te beperken tot boven de restveenlaag (dus niet dieper dan 0,3-0,35 m – mv), zodat slechts bij het graven van de (oostelijke) waterloop de dekzandrug zal worden doorsneden. Voor het deel van het plangebied tussen de Schoterweg en de gekanaliseerde Tjonger (geen onderdeel van dit karterend booronderzoek) blijft het advies naar aanleiding van het eerdere verkennende booronderzoek van kracht : te weten een archeologische begeleiding op basis van een goedgekeurd Programma van Eisen. De bovenstaande adviezen dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid, in deze de gemeente De Friese Meren. Zij neemt vervolgens een selectiebesluit. Indien het werk als ontgronding kwalificeert, is de provincie de bevoegde overheid en nemen provincie en gemeente een gezamenlijk besluit omtrent de archeologische aspecten van de te verlenen vergunning. In het ontwerp voor het bestemmingsplanprocedure is vindplaats 1 ingepast. Hiermee is bescherming in situ van vindplaats 1 bewerkstelligd en is daar geen nader onderzoek nodig

    1

    full texts

    318,455

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Electronic Archiving System
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇