560 research outputs found
A fast ethanol assay to detect seed deterioration
The most common way to test seed quality is to use a simple and reliable but time- and space-consuming germination test. In this paper we present a fast and simple method to analyse cabbage seed deterioration by measuring ethanol production from partially imbibed seeds. The method uses a modified breath analyser and is simple compared to gas chromatographic or enzymatic procedures. A modified method using elevated temperatures (40°C instead of 20°C) shortened the assay time and improved its sensitivity. The analysis showed an inverse correlation between ethanol production and seed quality (e.g. the final percentages or speed of germination and the number of normal seedlings). The increase in ethanol production was observed when cabbage seeds were deteriorated by storage under ambient conditions or hot water treatments, both of which reduced the number of normal seedlings. Premature seeds produced more ethanol upon imbibition than mature seeds. Ethanol production occurred simultaneously with oxygen consumption, indicating that lack of oxygen is not the major trigger for ethanol production
Goede bestuiving kan besdracht bij snijheester verbeteren
Aandachtspunten bij het gebruik van bijen voor de bestuiving van sierbesheesters. De laatste jaren hebben naast boomkwekerijen ook akkerbouwbedrijven zich toegelegd op de teelt van besdragende snijheesters. Een goede bestuiving is daarbij van groot belang voor de beszetting. Problemen ontstaan met name bij grote percelen met eenzelfde ras en bij bedekte teelten. Optimalisatie van de teeltomstandigheden moet vooral gericht zijn op het krijgen van bloemen van goede kwaliteit (voldoende nectar en stuifmeel); een goede vochtvoorziening en relatieve luchtvochtigheid zijn daarbij essentieel. Meer informatie in PPO-rapport nr. 413: M.E.C.M. Hop & C.C. Smeekens, Bestuiving van besheester
Kostenoverschrijdingen in transportinfrastructuurprojecten in Nederland: Implicaties voor besluitvorming
Kostenoverschrijdingen zijn een groot en aanhoudend probleem in grootschalige transportinfrastructuurprojecten. In samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft de TU Delft onderzoek uitgevoerd naar een groot aantal projecten in Nederland en heeft het de projectprestatie in Nederland vergeleken met dat in andere landen in de wereld. Dit artikel gaat in op de implicaties van deze resultaten op 1) de huidige besluitvorming van grootschalige projecten en 2) kostenschattingen. We bevelen aan dat er in het algemeen meer aandacht wordt besteed aan kostenschattingen, en specifiek raden we aan om de methode ‘Reference Class Forecasting’ te gebruiken bij het voorspellen van de kosten omdat die vermoedelijk tot aanzienlijke betere schattingen zal leiden. Het uitgevoerde onderzoek brengt naast de onderzoeken van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten, de commissie Elverding en de adviescommissie Versnelling en Verbetering Besluitvorming Infrastructuur nieuwe inzichten voor de besluitvorming en de projectprestatie van Nederlandse transportinfrastructuurprojecten.Infrastructures, Systems and ServicesTechnology, Policy and Managemen
Modelos de previsão da liberação de metais pesados em matrizes cimentícias produzidas com resíduos inorgânicos
Dissertação (mestrado) - Universidade Federal de Santa Catarina, Centro Tecnológico, Programa de Pós-Graduação em Engenharia Civil, Florianópolis, 2012Apesar de certos resíduos permitirem sua valorização como material de construção, a avaliação destes produtos quanto à liberação de contaminantes quando em presença de água se faz necessária. Este trabalho teve como objetivo avaliar modelos de lixiviação de poluentes em argamassas e concretos à base de resíduos inorgânicos. Utilizando ferramenta computacional, regressões não lineares foram realizadas para avaliar a cinética de liberação dos elementos Ca, Cl, Cu, Cd, Cr, Zn e Pb de amostras de argamassas e concretos produzidos com resíduos de construção e demolição e amostras produzidas com contaminação prévia por metais pesados (CrIII, CVI, Zn, Cd, Pb). O modelo combinado de dissolução e difusão demonstrou ser o mais adequado para a Cu, Ca, Cl, Cd, Zn e o Pb. O modelo de dissolução mostrou ser adequado ao Cálcio. O modelo de difusão pura demonstrou superestimar os valores de liberação de todos os metais estudados. O fenômeno da dissolução demonstrou influenciar o ensaio de tanque (NEN7375), devendo ser considerado no cálculo da mobilidade dos metais nas matrizes cimentícias. Ainda verificou-se a influência da dimensão do agregado na lixiviação dos elementos das matrizes cimentícias.Abstract : Although certain residues permit its reuse as building material, the evaluation of such products concerning the release of contaminants when in the presence of water is necessary. This study aimed to evaluate leaching models for contaminants in mortars and concrete samples produced with inorganic wastes. Using computational tool, nonlinear regressions were performed to evaluate the release kinetics of Ca, Cl, Cu, Cd, Cr, Zn and Pb in mortars and concrete samples produced with construction and demolition waste and samples pre-contaminated with heavy metals (CrIII, CVI, Zn, Cd Pb).The combined model of dissolution and diffusion proved to be the most suitable for Cu, Ca, Cl, Cd, Zn and Pb. The dissolution model showed to be suitable for Calcium. The simple diffusion model overestimated the release of all metals studied. The phenomenon of dissolution was found to influence the Tank Test (NEN7375) and should be considered in calculating the mobility of metals in cement matrices. In addition, the influence of aggregate size on the leaching of elements from cementitious matrices was studied
Magnetic switching modes for exchange spring systems ErFe<sub>2</sub>/YFe<sub>2</sub>/DyFe<sub>2</sub>/YFe<sub>2</sub> with competing anisotropies
The magnetization reversal processes of [10nm ErFe2/nYFe2/4nm DyFe2/nYFe2] multilayer films with a (110) growth axis and a variable YFe2 layer thickness n are investigated. The magnetically soft YFe2 compound acts as a separator between the hard rare earth (RE) ErFe2 and DyFe2 compounds, each of them bearing different temperature dependent magnetic anisotropy properties. Magnetic measurementsof a system with n = 20nm reveal the existence of three switching modes: an independent switching mode at low temperatures, an ErFe2 spin flop switching mode at medium high temperatures,and an YFe2 dominated switching mode at high temperatures. The measurements are in qualitative agreement with the findings of micromagnetic simulations which are used to illustrate the switching modes. Further simulations for a varied YFe2 layer thickness n ranging from 2 to 40nm are carried out. Quantitative criteria are defined to classify the reversal behavior, and the resultant switching modes are laid out in a map with regard to n and the temperature T. A new coupled switching mode emerges above a threshold temperature for samples with thin YFe2 separation layers as a consequence of the exchange coupling between the magnetically hard ErFe2 and DyFe2 layers. It reflects the increasing competition of the two conflicting anisotropies to dominate the magnetic switching states of both RE compounds under decreasing n
Micro-invasieve behandeling van approximale cariës: de infiltratietechniek
In 2009 is een micro-invasieve behandelstrategie geïntroduceerd als mogelijk alternatief voor de aanpak van beginnende approximale laesies. Cariësinfiltratie is gebaseerd op de toepassing van een kunsthars die door capillaire krachten kan binnendringen in de poreuze structuur van het gedemineraliseerde glazuur. Het is een curatieve behandeloptie met een minimaal-invasief concept: zonder boren, zonder verdoving en zonder onnodige schade aan gezond tandweefsel. Vroegdiagnostiek op basis van een goede anamnese, een cariësrisico-inschatting, een nauwkeurige klinische inspectie van een plaquevrije dentitie en bitewings, is met betrekking tot deze techniek van groot belang. Indicatie en toepassing van cariësinfiltratie worden besproken, evenals de uitkomsten van onderzoek naar de effectiviteit van deze behandeling
Kostenoverschrijdingen in transportinfrastructuurprojecten in Nederland en wereldwijd: Kenmerken en determinanten van kostenoverschrijdingen
In Nederland komen kostenoverschrijdingen minder vaak voor en is de gemiddelde overschrijding lager dan in andere landen. Het grootste deel van de kostenoverschrijding komt voor in de fase voor de start van de bouw. De gemiddelde kostenoverschrijding is het kleinst voor spoorwegen gevolgd door wegen en kunstwerken. Spoorwegen en bruggen in Nederland presteren beter dan projecten in andere Noordwest Europese landen of projecten in andere geografische gebieden. Bij het verklaren van kostenoverschrijdingen dient de geografische locatie meegenomen te worden. Kleine projecten hebben de grootste gemiddelde kostenoverschrijding maar in netto totale overschrijding dragen grote projecten het meeste bij. Wereldwijd onderzoek laat zien dat kostenoverschrijdingen groot zijn voor alle projectgroottes. De lengte van de implementatiefase en voornamelijk de lengte van de fase voor de start van de bouw is een belangrijke determinant voor de mate van kostenoverschrijdingen. Dit nieuwe inzicht kadert (in ieder geval voor Nederland) het probleemgebied van kostenoverschrijdingen af.Infrastructures, Systems and ServicesTechnology, Policy and Managemen
V-15.0158
BAAC bv heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) in juli 2015 uitgevoerd in het plangebied Beukstraat 15 te Drunen. Aanleiding voor het onderzoek is het plan nieuwbouw te realiseren op een bouwkavel met dubbelbestemming archeologie. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zeer waarschijnlijk in een vlakte van verspoelde dekzanden ligt, waarin zich vanaf de late middeleeuwen een (zwarte of bruine) enkeerdgrond heeft ontwikkeld. Er zijn geen bekende archeologische waarden in het plangebied aanwezig. In het noordelijke deel van het plangebied ligt een oude toegangsweg naar de separate akkers binnen het grootschalige akkercomplex “de Brake”. Mogelijk dat zich hier boerderijen en/of nederzettingen hebben bevonden voorafgaand aan de vervaardiging van bekend historisch kaartmateriaal. Binnen het plangebied bestaat een middelhoge kans op het aantreffen van resten vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd B (complextypen: jacht- en/of verzamelaarskampement; nederzetting, off-site structuren die te maken hebben met de ingebruikname van het akkercomplex ”de Brake”). De kans op het aantreffen van archeologische resten uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd B die samenhangen met de ontwikkeling van het grootschalige akkergebied “de Brake” wordt het grootst geacht. Uit het veldonderzoek blijkt dat de middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd B binnen het plangebied gehandhaafd kan blijven. Resten van voor de plaggenbemesting kunnen vanaf 65 cm –mv worden aangetroffen. Archeologische resten uit de (late middeleeuwen en/of de) nieuwe tijd worden alleen rondom de noordelijke toegangsweg naar het akkercomplex “de Brake” verwacht. Resten kunnen hier in principe direct onder de huidige bouwvoor worden aangetroffen vanaf 35 cm -mv. Ter plekke van de voormalige bebouwing kan de verwachting worden bijgesteld naar een lage tot middelhoge verwachting. De kans is hier relatief groot dat het oorspronkelijke maaiveld door latere bouwwerkzaamheden en/of de aanleg van het esdek is vergraven tot onbekende diepte. De kans op het aantreffen van ondiepe sporen is niet al te groot. Diepere sporen zoals waterputten en/of kuilen kunnen hier nog wel worden verwacht. Gezien de verwachte verstoringen tot in de C-horizont van het onderliggende dekzand en/of fluvioperiglaciale afzettingen adviseert BAAC om bij bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 30 cm –mv in het noordelijke deel en dieper dan 65 cm –mv in het overige deel van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit advies is niet overgenomen door de gemeente Heusden. Het plangebied is vrijgegeven, aangezien de plangrenzen kleiner zijn dan de vrijstellingsgrens voor archeologisch vervolgonderzoek
Onderwijs en arbeidsmarkt in MKBA's
CPB en PBL werken aan een leidraad voor maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) voor alle terreinen van overheidsbeleid. Sinds het jaar 2000 is een groot aantal MKBA’s uitgevoerd van transportbeleid, in het bijzonder infrastructuurprojecten. Op andere gebieden worden meer incidenteel MKBA’s uitgevoerd, waardoor de ervaring met MKBA’s op deze terreinen nog beperkt is. Binnen de wetenschappelijke begeleidingscommissie van de algemene MKBA leidraad zijn vragen gerezen over de toepasbaarheid van de leidraad op het sociale domein, in het bijzonder de terreinen onderwijs en arbeidsmarkt. Deze vragen betreffen onder meer de kwaliteit van effectschattingen die aan MKBA’s ten grondslag liggen en de wijze waarop effectschattingen kunnen worden ‘vertaald’ in kosten en baten. Naar aanleiding van deze vragen benadrukken CPB en PBL het belang van effectschattingen in de leidraad en geven zij een enkel voorbeeld. Dit blijkt echter niet voldoende om de zorgen weg te nemen. Dit was aanleiding voor een nadere verkenning van de toepasbaarheid van MKBA’s op het sociale domein. Deze actie is gericht op MKBA’s van hoge kwaliteit en op draagvlak. De verkenning is uitgevoerd via gesprekken van voorzitter Carl Koopmans met de meest bij deze onderwerpen betrokken leden van de commissie: Pierre Koning (arbeidsmarktdeskundige) en Dinand Webbink (onderwijsexpert). In deze gesprekken is gezamenlijk gezocht naar mogelijkheden om de kwaliteit van toepassing van de leidraad op het sociaal domein te borgen. Op basis van de gesprekken is deze notitie geschreven. De notitie is tot stand gekomen tijdens de laatste fase van het opstellen van de MKBA leidraad. Als volgende stap schrijft de wetenschappelijke begeleidingscommissie een second opinion. Voorzien is dat in een volgend stadium zogenaamde ‘werkwijzers’ worden opgesteld voor respectievelijk arbeidsmarkt en onderwijs waarin de MKBA leidraad verder wordt uitgewerkt op deze terreinen. De auteurs van de leidraad kunnen delen van deze notitie overnemen in de leidraad. Mogelijk zullen onderdelen van deze notitie deel uitmaken van de second opinion. En ten slotte vormt de notitie een voorzet voor de werkwijzers. De notitie gaat afzonderlijk in op belangrijke aspecten. Vervolgens worden aanbevelingen geformuleerd
Nederzettingssporen en vondstcomplexen in Bennekom-Streekziekenhuis uit de midden-bronstijd tot de midden-ijzertijd, ca. 1500 tot 500 v.Chr.
Op verzoek van de gemeente Ede en Stichting Opella heeft Archol BV uit Leiden een definitief archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie Streekziekenhuis in Bennekom, gemeente Ede. Bij de bouw van het oude ziekenhuis in de jaren ’50 zijn in de bouwputten vondsten gedaan uit het (laat) neolithicum en de ijzertijd. Deze vondsten en verschillende vooronderzoeken gaven aan dat de kans op het aantreffen van archeologische waarden binnen het plangebied hoog was. Op basis hiervan heeft het bevoegd gezag (gemeente Ede) een selectiebesluit genomen. Dit resulteerde in de opgraving binnen het plangebied van 1,5 ha in de zomer van 2006 en 0,1 ha in
april/mei 2007. Hierbij zijn 52 putten aangelegd.
Een groot deel van de opgegraven vindplaats is verstoord door de gebouwen van het voormalige ziekenhuis. Dit resulteert in een vrij fragmentarisch beeld van het prehistorische nederzettingsterrein. De meeste huisplattegronden zijn incompleet en de onderlinge samenhang is onduidelijk. De conservering van de sporen is vaak matig tot slecht te noemen, niet alleen door de recente verstoringen en de zure bodem, maar ook door een grote hoeveelheid bioturbatie (mollengangen etc.). In totaal zijn 2358 sporen gecoupeerd van o.a. 30 spiekers, 6 huizen/bijgebouwen en 6 palenrijen.
Naast sporen van twee erven uit de midden-bronstijd, zijn voornamelijk sporen en vondsten uit de late bronstijd/vroege ijzertijd aangetroffen, waarbij veruit het grootste deel van de vondsten afkomstig is uit een aantal goed gedateerde grote kuilen, silo's en waterputten. Opmerkelijk hierbij is de aanwezigheid van een houten constructie naast een van de twee waterputten, onderin een enorme kuil (diameter 16 m). De functie van de constructie is onduidelijk en een deel resteert in situ (dit was tijdens het onderzoek onbereikbaar door de aanwezigheid van een zeldzame boom). Verder zijn onderzocht: een aantal middeleeuwse houtskoolmeilers en een greppel die mogelijk deel uit maakt van een middeleeuwse landweer, een crematiegraf uit de late ijzertijd/vroeg Romeinse tijd, een fragment van een kringgreppel (datering onbekend) en drie loopgraven en een stelling uit de Tweede Wereld oorlog
- …
