13,619 research outputs found
Nationaal kader Kust: Naar een veilige, sterke en mooie Noordzeekust
Het Deelprogramma Kust van het Deltaprogramma (verder aangeduid als Deltaprogramma Kust) heeft tot doel te verkennen wat nodig is voor een toekomstbestendige kust, die het aangrenzend binnenland duurzaam en (kosten)efficiënt verdedigt tegen overstroming vanuit zee en die tevens ruimte biedt aan behoud en ontwikkeling van functies in de kust. Het Deltaprogramma Kust doet dit door de lange termijn veiligheidsopgaven voor de kust optimaal te verbinden aan ruimtelijke opgaven. Een breed gedragen streefbeeld van de kust zal richting geven aan de op te stellen beleidstrategieën hoe op lange maar ook op de korte termijn gewerkt gaat worden aan een klimaatbestendige en mooi ingerichte kust. Dit vraagt om een wisselwerking met andere deelprogramma\u92s, met name Waddengebied, Zuidwestelijke Delta en Rijnmond/- Drechtsteden, waar deze raken aan de Noordzeekust. De tijdshorizon van 2100 en verder is daarbij een bijzondere uitdaging. Bij de provinciale en nationale kustvisies zal men moeten omgaan met onzekerheden door uit te gaan van verschillende scenario\u92s voor klimaatverandering en ruimtelijk-economische ontwikkeling (zie paragraaf 2.3). Verschillende klimaatscenario\u92s werken door in de snelheid van zeespiegelstijging, en leiden daarmee tot verschillende veiligheidsopgaven voor de kust. Ruimtelijk-economische scenario\u92s zullen gevolgen hebben voor de mate van ruimtedruk op de kust. Het Nationaal Kader Kust moet hierbij houvast bieden. Er is voor gekozen om hiertoe een aantal bouwstenen voor een Nationale Visie Kust te schetsen (hoofdstuk 2). Deze bouwstenen bevatten een aantal principes om opgaven voor veiligheid en ruimtelijke kwaliteit te vertalen in beleid en uitvoering. Op deze wijze wil dit Nationaal Kader een basis bieden voor de opstelling van integrale lange termijn kustvisies en/of strategische agenda\u92s per provincie en ook daarvoor een inspiratiebron zijn
Author Correction: Establishment and equilibrium levels of deleterious mutations in large populations (Scientific Reports, (2019), 9, 1, (10384), 10.1038/s41598-019-46803-7)
The original version of this Article contained errors. Affiliations 1 and 2 were reversed. Secondly, Affiliation 7 was incorrectly given as ‘Institute for Cellular and Molecular Medicine, Department of Immunology, and SAMRC Extramural Unit for Stem Cell Research and Therapy, Faculty of Health Sciences, University of Pretoria, Pretoria, 0084, South Africa’. Thirdly, an affiliation was omitted for the author Michael S. Pepper, which is now listed as Affiliation 8. Fourthly, Affiliation 1 was omitted for the author Johan W. Viljoen. Finally, Augustinus J. van Zyl was incorrectly affiliated with ‘Institute for Maternal and Child Health, IRCCS ‘Burlo Garofolo’, Trieste, Italy.’ The correct author affiliations are listed below: Affiliation 1: Department of Electrical, Electronic and Computer Engineering, EBIT, University of Pretoria, Pretoria 0028, South Africa Johan W. Viljoen and J. Pieter de Villiers Affiliation 2: Development, Research and Technology Department, Hensoldt Optronics, Centu..
Verband tussen zandinhoud van kustprofielen en posities van hoog- en laagwaterlijnen
Bij deze studie·is gebruik gemaakt van de jaarlijksehoogte- en dieptemetingen van een kleine selectie van profelen (raaien), verdeeld over de Nederlandse kust. De metingen in deze raaien zijn gedaan in een gebied tussen ±200 m landinwaarts tot ±800 m zeewaarts van de Rijksstrandpalenlijn. Op basis van deze verband vast te leggen over de laatste gegevens 20 à 25 is getracht een jaar tussen de zandinhoud en de posities van de strandlijnen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Carbon nanoparticles in lateral flow methods to detect genes encoding virulence factors of Shiga toxin-producing Escherichia coli
The use of carbon nanoparticles is shown for the detection and identification of different Shiga toxin-producing Escherichia coli virulence factors (vt1, vt2, eae and ehxA) and a 16S control (specific for E. coli) based on the use of lateral flow strips (nucleic acid lateral flow immunoassay, NALFIA). Prior to the detection with NALFIA, a rapid amplification method with tagged primers was applied. In the evaluation of the optimised NALFIA strips, no cross-reactivity was found for any of the antibodies used. The limit of detection was higher than for quantitative PCR (q-PCR), in most cases between 10 4 and 10 5 colony forming units/mL or 0.1-0.9 ng/¿L DNA. NALFIA strips were applied to 48 isolates from cattle faeces, and results were compared to those achieved by q-PCR. E. coli virulence factors identified by NALFIA were in very good agreement with those observed in q-PCR, showing in most cases sensitivity and specificity values of 1.0 and an almost perfect agreement between both methods (kappa coefficient larger than 0.9). The results demonstrate that the screening method developed is reliable, cost-effective and user-friendly, and that the procedure is fast as the total time required is <1 h, which includes amplification. © 2010 The Author(s).This work was partially supported by the Generalitat Valenciana (BEST/2009/026), the Universidad Politecnica de Valencia (PAID-00-09-2837), and by the Dutch Ministry of Agriculture, Nature and Food Quality (KennisBasis 6 programme). The authors would like to thank Dr. Eva Moller Nielsen at the Danish Veterinary Institute (Copenhagen, Denmark) for providing E. coli control strains and Dr. Lutz Geue (Friedrich-Loeffler-Institut, Wusterhausen, Germany) and Dr. Dorte Dopfer (School of Veterinary Medicine, University of Wisconsin, Madison, WI, USA) for field isolates.Noguera Murray, PS.; Posthuma-Trumpie, G.; Van Tuil, M.; Van Der Wal, F.; De Boer, A.; Moers, A.; Van Amerongen, A. (2011). Carbon nanoparticles in lateral flow methods to detect genes encoding virulence factors of Shiga toxin-producing Escherichia coli. Analytical and Bioanalytical Chemistry. 399:831-838. https://doi.org/10.1007/s00216-010-4334-zS831838399Alocilja EC, Radke SM (2003) Biosens Bioelectron 18:841–846Lazcka O, Campo FJD, Muñoz FX (2007) Biosens Bioelectron 22:1205–1217Nataro JP, Kaper JB (1998) Clin Microbiol Rev 11:142–201Meng J, Doyle MP (1998) Bull Inst Pasteur 96:151–163Karmali MA, Gannon V, Sargeant JM (2010) Vet Microbiol 140:360–370de Boer E, Beumer RR (1999) Int J Food Microbiol 50:119–130Ivnitski D, Abdel-Hamid I, Atanasov P, Wilkins E (1999) Biosens Bioelectron 14:599–624Tokarskyy O, Marshall DL (2008) Food Microbiol 25:1–12Chemburu S, Wilkins E, Abdel-Hamid I (2005) Biosens Bioelectron 21:491–499Rule G, Montagna R, Durst R (1996) Clin Chem 42:1206–1209Ngom B, Guo Y, Wang X, Bi D (2010) Anal Bioanal Chem 397:1113–1135Posthuma-Trumpie GA, Korf J, van Amerongen A (2009) Anal Bioanal Chem 393:569–582Carter DJ, Cary RB (2007) Nucleic Acids Res 35:e74Kalogianni DP, Goura S, Aletras AJ, Christopoulos TK, Chanos MG, Christofidou M, Skoutelis A, Ioannou PC, Panagiotopoulos E (2007) Anal Biochem 361:169–175Litos IK, Ioannou PC, Christopoulos TK, Traeger-Synodinos J, Kanavakis E (2009) Biosens Bioelectron 24:3135–3139Blažková M, Koets M, Rauch P, van Amerongen A (2009) Eur Food Res Technol 229:867–874Mens PF, van Amerongen A, Sawa P, Kager PA, Schallig HD (2008) Diagn Microbiol Infect Dis 61:421–427Gordon J, Michel G (2008) Clin Chem 54:1250–1251Aldus CF, van Amerongen A, Ariens RM, Peck MW, Wichers JH, Wyatt GM (2003) J Appl Microbiol 95:380–389Capps KL, McLaughlin EM, Murray AW, Aldus CF, Wyatt GM, Peck MW, van Amerongen A, Ariens RM, Wichers JH, Baylis CL, Wareing DR, Bolton FJ (2004) J AOAC Int 87:68–77van Amerongen A, Koets M (2005) In: van Amerongen A, Barug D, Lauwaars M (eds) Rapid methods for biological and chemical contaminants in food and feed. Wageningen Academic Publishers, Wageningen, pp 105–216Moreira BG, You Y, Behlke MA, Owczarzy R (2005) Biochem Biophys Res Commun 327:473–484Nielsen EM, Andersen MT (2003) J Clin Microbiol 41:2884–2893Huijsdens XW, Linskens RK, Mak M, Meuwissen SGM, Vandenbroucke-Grauls CMJE, Savelkoul PHM (2002) J Clin Microbiol 40:4423–4427Koets M, Sander I, Bogdanovic J, Doekes G, van Amerongen A (2006) J Environ Monit 8:942–946van Amerongen A, Wichers JH, Berendsen LBJM, Timmermans AJM, Keizer GD, van Doorn AWJ, Bantjes A, van Gelder WMJ (1993) J Biotechnol 30:185–195O’Keeffe M, Crabbe P, Salden M, Wichers J, van Peteghem C, Kohen F, Pieraccini G, Moneti G (2003) J Immunol Methods 278:117–126Posthuma-Trumpie GA, Korf J, van Amerongen A (2008) Anal Bioanal Chem 392:1215–1223Chang LL, Shepherd D, Sun J, Ouellette D, Grant KL, Tang XC, Pikal MJ (2005) J Pharm Sci 94:1427–1444Geue L, Segura-Alvarez M, Conraths FJ, Kuczius T, Bockemuhl J, Karch H, Gallien P (2002) Epidemiol Infect 129:173–185Eurachem/CITAC (2003) EURACHEM/CITAC Guide: The expression of uncertainty in qualitative testing. LGC, Teddington, Middlesex, UK, p 22Ellison SLR, Fearn T (2005) Trac-Trends Anal Chem 24:468–476Gilchrist JM (2009) J Clin Microbiol 62:1045–1053Landis JR, Koch GG (1977) Biometrics 33:159–174Mackinnon A (2000) Comput Biol Med 30:127–134Mil’man BL, Konopel’ko LA (2004) J Anal Chem 59:1128–1141AOAC (2006) Final report and executive summaries from the AOAC International Presidential Task Force on best practices in microbiological methodology. AOAC International, Gaithersburg, Maryland, USA, p 20
Het effect van brandingsruggen op de kust van Egmond aan Zee
In dit onderzoek wordt een gedeelte van de Hollandse kust beschouwd, namelijk het kustvak nabij Egmond aan Zee. In dit kustvak doet zich een vreemd verschijnsel voor; wanneer de mate van kustvooruitgang en kustachteruitgang langs de kust wordt uitgezet blijkt een golfachtig patroon op te treden met een kenmerkende golflengte van 2 km. Verder komen er in het kustvak nabij Egmond aan Zee een tweetal brandingsruggen voor. De meest zeewaartse brandingsrug komt voor op een waterdiepte van NAP -3,5 m tot NAP -4 m, de meest landwaartse brandingsrug ligt op een waterdiepte van NAP -1,5 m tot NAP -2 m. Deze twee brandingsruggen maken een hoek met de kustlijn van circa 9º. In deze studie wordt gezocht naar de invloed van de scheef op de kust staande brandingsruggen op het langstransport en welke invloed dit heeft op het erosie-sedimentatie-patroon van het kustvak. Allereerst is er nagegaan wat de invloed is van brandingsruggen op het langstransport met behulp van het simulatieprogramma Unibest-LT. Er zijn 15 tot 20 dwarsprofielen gemaakt met ieder een zelfde brandingsrug op een andere plaats. Unibest-LT veronderstelt deze dwarsprofielen uniform in langsrichting. Voor elk dwarsprofiel is het langstransport gegenereerd. Door nu alle dwarsprofielen naast elkaar te zetten en de bijbehorende langstransporten, in een transportzone van 100 tot 150 m uit de kust, erbij te zetten, ontstaat er een kust met een hierop scheefstaande brandingsrug. Het verschil in langstransport langs die kust veroorzaakt erosie of sedimentatie van de kust. Het langstransport neemt af naarmate de brandingsrug dichter bij de kust ligt. Indien de brandingsrug verder dan 600 m uit de kust ligt dan verdwijnt de invloed van deze brandingsrug op het langstransport. Uit de simulaties kwam ook naar voren dat de netto transport richting over het gehele profiel van noord naar zuid is gericht maar dat het netto transport dat plaatsvindt in een zone van 100 tot 150 m uit de kust een noordwaartse richting heeft. Uit de invloed van de brandingsruggen op het langstransport is bepaald wat de invloed van de scheefstaande brandingsrug is op het kustgedrag. Er blijkt sedimentatie plaats te vinden daar waar de brandingsrug het dichtst bij de kust ligt en waar de brandingsrug een hoek maakt met de kust die open staat naar het zuiden toe. Bij de overgang tussen twee brandingsruggen treedt erosie op. Vervolgens is met behulp van de gegevens uit het JARKUS-bestand de karakteristieke kustlijn en de karakteristieke brandingsrugligging bepaald voor het kustvak nabij Egmond aan lee. De karakteristieke kustlijn is bepaald met een kuberingsmethode. Hierbij is een bovengrens van NAP +2 m en een ondergrens van NAP -2 m aangehouden. De positie van de gemiddelde kustlijn in de tijd maakt een golfachtige beweging met een periode van ongeveer 10 jaar. Er blijkt dat in 41% van de onderzochte raaien sedimentatie plaatsvindt, in 44% van de raaien erosie plaatsvindt en dat 15% van de raaien nauwelijks voor- of achteruitgaan. De brandingsruggen bewegen in de tijd van de kust af, verdwijnen uiteindelijk, waarbij er weer een nieuwe brandingsrug ontstaat bij de kust. Deze periode duurt ongeveer 20 jaar. De uitkomsten uit de berekeningen met Unibest-LT zijn vervolgens vergeleken met de verwerkte gegevens uit het JARKUS-bestand. Allereerst zijn de jaarlijkse kustmetingen uitgezet per jaar, waarbij de kust is "rechtgetrokken" door de relatieve brandingsrugligging te bepalen. Vervolgens is de relatieve brandingsrugligging samen met het erosie-sedimentatie-verloop van de kustlijn in een grafiek gezet. Na het middelen van de relatieve brandingsrugligging ontstond er een rustiger beeld van de brandingsrugligging. Uit deze grafieken blijkt dat voor 14 verschillende jaren een periode van sedimentatie samenvalt met een ligging van de brandingsrug dicht bij de kust en een hoek van de brandingsrug met de kust die open staat naar het zuiden toe. Echter voor 7 verschillende jaren blijkt een periode van erosie ook samen te vallen met een brandingsrug dicht bij de kust en een hoek van de brandingsrug met de kust die open staat naar het zuiden toe. Vervolgens is getracht om in het verloop van de kust per raai een overeenkomst te vinden met de uitkomsten van de simulaties met Unibest-LT. Hiervoor is het gemiddelde kustlijnverloop uitgezet per raai. Uit alle grafieken met het gemiddeld kustlijnverloop zijn vier raaien gekozen die een duidelijke periode van sedimentatie laten zien en zijn er vier raaien gekozen die een periode van erosie laten zien. Voor de periodes van erosie en sedimentatie is bepaald wat de brandingsrugligging is. Deze brandingsrugliggingen zijn in een grafiek gezet met de periode van sedimentatie en erosie. De brandingsrugliggingen van naastgelegen raaien zijn ook in deze grafiek uitgezet. In 6 verschillende jaren blijkt een periode van sedimentatie overeen te komen met de uitkomsten van de simulaties met Unibest-LT, maar in 8 verschillende jaren blijkt een periode van erosie ook samen te gaan met een ligging van de brandingsrug dicht bij de kust en een hoek tussen de kustlijn en de rug die open staat naar het zuiden toe. Als slotconclusie van dit onderzoek kan gezegd worden dat er zeker overeenkomsten zijn gevonden tussen de uitkomsten van de simulaties met Unibest-LT en het JARKUS-bestand. De conclusie dat een periode van sedimentatie altijd gepaard gaat met een brandingsrugligging dicht bij de kust en een hoek tussen de brandingsrug en de kust die open staat naar het zuiden, gaat niet op.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Versteiling van de Hollandse Kust
Deze afstudeeropdracht betreft het onderzoek naar het mogelijke versteilen van de Hollandse kust. Het versteilen van de kust is het verdiepingsverschijnsel waarbij de dieptelijnen kustwaarts verschuiven. Deze verschuivingen van de dieptelijnen gaan gepaard met zandverlies op dieper water waardoor het kustprofielletterlijk steiler wordt. Dit verdiepingsverschijnsel wordt in het onderzoek gedefmieerd als "versteiling van de kust". Uitspraken met betrekking tot het versteilen van het kustprofiel bepalen in grote mate het te hanteren handhavingsbeleid van de kustlijn. Verkeerde conclusies daarover kunnen ernstige gevolgen met zich meebrengen. Het verdiepen van het bodemprofiel op dieper water kan samen met het kustwaarts verschuiven van de dieptelijnen in de toekomst leiden tot toenemende erosie op de ondiepe oever en het strandgedeeite langs de gehele Hollandse kust. In hoeverre werkelijke verdieping optreedt is aan de hand van de beschikbare metingen van het diepe kustgedeeite onderzocht. De beschikbare metingen van het diepe kustgedeeite zijn de doorlodingen. Voor het afleiden van de verdiepingstrends is gebruik gemaakt van een lineaire trendanalyse, waarbij de trendlijnen zijn berekend uit de doorlodingen via de kleinste kwadraten methode. Dit zijn de oorspronkelijke trends die direct zijn afgeleid uit de doorlodingen. In dit onderzoek is een analyse gemaakt van de grootte en het karakter van de meetfouten in de doorlodingsgegevens. Op basis hiervan is vervolgens onderzocht wat de invloed van deze meetfouten is op de betrouwbaarheid van uitspraken over mogelijk optredende kustversteiling. Het onderzoek is gedaan op basis van doorlodingsgegevens, met 8 meetwaarnemingen over de periode van 1965 tot 1997. Met behulp van simulaties, gebaseerd op de statistische karakteristieken van de meetfouten in de doorlodingen, worden nieuwe meetwaarden gegenereerd. Door middel van de simulaties kunnen de verdiepingstrends opnieuw uit deze meetwaarden worden afgeleid. Bij het simuleren van nieuwe meetwaarden wordt rekening gehouden met de meetfout in de doorlodingen. De vraag hierbij is of de opnieuw berekende trends de oorspronkelijke trends benaderen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Evidence for the decay B0→J/ψω and measurement of the relative branching fractions of meson decays to J/ψη and J/ψη′
First evidence of the B 0 → J / ψ ω decay is found and the B s 0 → J / ψ η and B s 0 → J / ψ η ′ decays are studied using a dataset corresponding to an integrated luminosity of 1.0 fb -1 collected by the LHCb experiment in proton-proton collisions at a centre-of-mass energy of sqrt(s) = 7 TeV. The branching fractions of these decays are measured relative to that of the B 0 → J / ψ ρ 0 decay:frac(B (B 0 → J / ψ ω), B (B 0 → J / ψ ρ 0)) = 0.89 ± 0.19 (stat) - 0.13 + 0.07 (syst),frac(B (B s 0 → J / ψ η), B (B 0 → J / ψ ρ 0)) = 14.0 ± 1.2 (stat) - 1.5 + 1.1 (syst) - 1.0 + 1.1 (frac(f d, f s)),frac(B (B s 0 → J / ψ η ′), B (B 0 → J / ψ ρ 0)) = 12.7 ± 1.1 (stat) - 1.3 + 0.5 (syst) - 0.9 + 1.0 (frac(f d, f s)), where the last uncertainty is due to the knowledge of f d / f s, the ratio of b-quark hadronization factors that accounts for the different production rate of B 0 and B s 0 mesons. The ratio of the branching fractions of B s 0 → J / ψ η ′ and B s 0 → J / ψ η decays is measured to befrac(B (B s 0 → J / ψ η ′), B (B s 0 → J / ψ η)) = 0.90 ± 0.09 (stat) - 0.02 + 0.06 (syst)
Morfologische effecten van de aanleg van de Kustlocatie
In deze studie zijn de effecten van de aanleg van de Kustlocatie op de waterbeweging en de morfologie bestudeerd. De studie is verkennend van aard omdat voor de Kustlocatie nog weinig onderzoek is verricht op het gebied van de morfologie. Om de effecten te bestuderen wordt gebruik gemaakt van het DELFT3D-systeem van het Waterloopkundig Laboratorium. Hiermee zijn een tweetal berekeningen uitgevoerd: - Initiele berekeningen, waarbij een keer een golf-, stromings- en transportberekening is uitgevoerd over de lengte van een getij. De berekening heeft plaatsgevonden voor de initiele bodem en levert resultaten van de bovengenoemde processen. - Morfodynamische berekeningen, waarbij de bovenbeschreven reeks meerdere malen wordt doorlopen tot een jaar is bereikt. Het resultaat van deze berekeningen is de bodemverandering na een jaar. De volgende drie gebiedsconfiguraties zijn bestudeerd: -TO Huidige situatie. Deze situatie dient als controle van de waterbeweging en het zandtransportmodel. -T1 MV2 inclusief verlengde Noorderdam + bijbehorende zandwinningen. Deze gebiedsconfiguratie dient als referentiesituatie. De MV2 wordt verondersteld aanwezig te zijn bij de aanleg van de Kustlocatie. -B MV2 + Kustlocatie met evenwichtsprofiel + bijbehorende zandwinningen. Er zijn verschillende randvoorwaarden toegepast: bij de TO-, T1 en T3-situatie gemiddeld getij, golven en wind uit 5 richtingen. Bij de B-situatie zijn tevens berekeningen uitgevoerd met springtij, extreme golven behorende bij ZW-storm en NW-storm met een windsnelheid van 15 m/s. Voor de jaargemiddelde conditie is bij de wind- en golfschematisatie een vijftal sectoren toegepast met voor iedere sector een representatieve golf en wind. De wind is hierbij geschematiseerd tot alleen kustlangse windsnelheden met een aangepaste windschuifspanning. De schematisatie van de golven is gebaseerd op het jaarlijks zandtransport bij de kust van Delfland, waarbij de vijf golfcondities tezamen een vergelijkbaar jaarlijks sedimenttransport geven als wanneer alle voorkomende golfcondities worden beschouwd. Het getij is voor de jaargemiddelde conditie geschematiseerd tot een morfologisch getij. Hierbij is het jaargemiddelde getij verhoogd met 10%. De getij-randvoorwaarden zijn omgezet van een tijdreeks naar harmonische componenten. De belangrijkste conclusies uit de studie zijn: De effecten van de Kustlocatie (met evenwichtsprofiel) op de morfologie en de waterbeweging beperken zich over een termijn van een jaar in langsrichting tot de directe omgeving van de Kustlocatie. Bij Wassenaar zijn de effecten nauwelijks meer merkbaar. Ter hoogte van de Kustlocatie treden buiten de NAP -10 m dieptelijn grotere sedimenttransporten op ten opzichte van de referentiesituatie. Uit de berekeningen is niet op te maken tot hoever deze effecten in zeewaartse richting reiken. In het kustvak tussen de kopdam en binnendam in het zuiden van de Kustlocatie treden grote zuidwaarts gerichte transporten op. Hierdoor treedt in dit kustvak herverdeling van het zand op. Bij Loswal Noord vindt in het zuidwesten jaarlijks over een groot gebied erosie (0,1 m) plaats, door de getijstroming die meer uit de kust wordt geduwd. Ten noorden van de noorddam treedt grote aanzanding op, buiten de vaargeul naar Scheveningen. Het zand dat hier bezinkt is voor een deel afkomstig van de vooroever van de Kustlocatie (buiten de NAP -10 m). Een ander deel is afkomstig van het brandingstransport van het centrale gedeelte van de Kustlocatie-kust. In de zone tot NAP -6 m wordt 50% van het brandingstransport door de noorddam effectief tegengehouden. Doordat aanzanding op diepere delen plaatsvindt is er ten noorden van Scheveningen een beperkte aanvoer van zand. Hierdoor treedt in dit gebied sterke erosie op ten opzichte van de referentiesituatie.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Recycling van kunststofafval: Achtergronden en een inventarisatie van scheidingsmethoden
In deze scriptie wordt kort ingegaan op de verschillende aspecten van de recycling van kunststoffen. Hierbij wordt de nadruk gelegd op technieken die gebruikt worden voor het scheiden van kunststofmengsels. Eerst worden diverse algemene methoden besproken die worden gebruikt voor de scheiding van componenten uit afval en later worden de specifieke technieken behandeld die bij de recycling van kunststoffen worden toegepast. Voor zover mogelijk worden voorbeelden uit Europa aangehaald. Er worden hoeveelheden van Nederlandse afvalstromen gegeven met de nadruk op huisvuil, dat de meest gecompliceerde afvalstroom is. Ook komen andere methoden voor het hergebruik van kunststof, zoals pyrolyse, verbranding en mengsels, aan de orde. Enkele belangrijke technieken zijn: luchtclassificatie en elektrostatische, drijf-zink en ballistische technieken. De toepasbaarheid van de verschillende methoden is sterk afhankelijk van de te scheiden afvalstroom. Het blijkt dat knelpunten van de recycling liggen bij de economische haalbaarheid van de te gebruiken scheidingsmethoden. Belangrijk zijn ook de afnemers van het gerecyclede materiaal.Applied SciencesScheikundige Technologie en der Materiaalkund
Reconstructie van de ontwikkeling van de Hollandse kust in de laatste 2500 jaar
Onderzoekskader In het kader van het KUST*2000 programma van Rijkswaterstaat wordt onder meer onderzoek gedaan naar de grootschalige en lange-termijn ontwikkeling van de Nederlandse kust. Een goed begrip van de lange-termijn ontwikkeling van onze huidige kust in het verleden is essentieel voor het inzicht in de gevolgen van grootschalige ingrepen in de kustzone. Het doel van het hier gerapporteerde onderzoek is het in detail vaststellen van de grootschalige en lange-termijn trend in de ontwikkeling van de Hollandse kust tussen Zandvoort en Den Haag gedurende de afgelopen 2500 jaar. De volgende vragen zijn hierbij van belang: 1. Wat is de natuurlijke lange-termijn ontwikkeling van de Hollandse kust gedurende de afgelopen 2500 jaar: netto aanzanding of netto erosie? Wat is de omvang in tijd van de fluctuaties rond deze grootschalige trend? 2. Wat zijn de sturende factoren en belangrijkste processen die hierin een rol spelen? 3. Kunnen we de conclusies met betrekking tot de lange-termijn ontwikkeling van de kust bij Haarlem extrapoleren naar de rest van de Hollandse kust? 4. Past de ontwikkelingstrend van de laatste 30 jaar in deze natuurlijke ontwikkeling of is het effect van menselijk ingrijpen hierin dominant? Activiteiten In het kader van dit project zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Integratie van de kennis van de ontwikkeling van de strandwallenkust tussen Haarlem en Monster door middel van literatuurstudie; 2. Aanvulling en verfijning van het tijdsframe van de afzettingen van de uitbouwende Hollandse kust, met name voor de laatste 2500 jaar, door middel van nieuwe boringen en dateringen; 3. Aanvulling van deze gegevens met grondradaronderzoek waarmee de werkelijke opbouw van de ondergrond vast te stellen is. Resultaten -Lange termijn ontwikkeling Gedurende de laatse 2500 jaar komt er een einde aan de uitbouw (en dus netto aanzanding) van de kust van Holland. De kust moet in de Romeinse tijd of kort daarna zijn meest westelijke ligging bereikt hebben. Hierna begon de terugtrekking, waarbij zeewaarts uitstekende delen van de kust opgeruimd werden. Het begin van grootschalige duinvorming vanaf de 8e eeuw doet vermoeden dat de erosie van de Hollandse kust toen begonnen is of veel aanzienlijker geworden is dan daarvoor. De oorzaak voor deze erosie is niet duidelijk. Het Jonge Duinzand is rijk aan schelpgruis, hetgeen suggereert dat dit zand afkomstig moet zijn van de onderwateroever. Rond 1300 AD was de deha van de Oude Rijn bij Katwijk opgeruimd, hetgeen gepaard ging met een forse erosie. Ten zuiden van Katwijk was de terugtrekking minder, zij het niet verwaarloosbaar. Ten noorden van Katwijk was de afslag klein tot nihil. Het einde van de Jonge Duinvorming wordt rond 1600 AD geplaatst. Nadien zijn er slechts locale en kleinschalige veranderingen opgetreden. Registraties van de kustligging over ca. de afgelopen eeuw tonen een uitbouw van de gemiddeld laagwaterlijn tussen Egmond en Scheveningen. Gedurende deze periode trad er op de hele onderwateroever van de Hollandse kust beneden NAP- 8m zandverlies op, met uitzondering van de omgeving van IJmuiden en Scheveningen (effect havendammen). Het overgrote deel van dit verlies vindt plaats ten noorden van IJmuiden. Ten zuiden van IJmuiden zijn de zandverliezen gering en is de kust min of meer stabiel. Fluctuaties op de ontwikkelingstrend van de kust blijken onder meer uit afzettingen van zo'n 300 tot 400 jaar voor heden direct onder de huidige strandafzettingen. Rond die tijd heeft een aanzienlijk erosie van het strand plaatsgevonden (de hoogwaterlijn lag toen 100 tot 200 m verder zeewaarts), waarna er weer verticale opbouw plaatsvond. -Factoren en processen De erosie van de onderwateroever van de terugtrekkende kust was grotendeels voltooid vóór de uitbouw van de strandwallen. Dit houdt in dat de opbouw van de strandwallen gevoed moeten zijn met zand uit een andere bron. Waarschijnlijk speelt langstransport hierbij een belangrijke rol. In de afzettingen van de uitbouwende kust bij Haarlem neemt de omwerking van de afzettingen in met name de brandingszone toe in zeewaartse richting. Dit hangt waarschijnlijk samen met de afname in uitbouwsnelheid. De afwisseling van strandwallen en strandvlaktes tijdens de uitbouw van de kust kan wijzen op schommelingen in de aanvoer van sediment per tijdseenheid. Het voorkomen van transgressieve elementen in de uitbouwende serie, zoals bijv. washovers, duidt op schommelingen rond de trend van uitbouw. Het gaat hier waarschijnlijk echter om kleinschalige en kortdurende gebeurtenissen, veroorzaakt door bijvoorbeeld stormen. -Uniformiteit ontwikkeling Hollandse kust Uit vergelijking van de profielen bij Haarlem en Wassenaar blijkt dat de ontwikkeling van beide gebieden niet direct vergelijkbaar is. De ontwikkelingen bij Wassenaar staan onder invloed van de ontwikkeling van de monding van de Oude Rijn. De uitbouw ging hier aanzienlijk sneller. Nadien is hier een sterke erosie opgetreden, samenhangend met het opruimen van de Oude Rijn delta. De ontwikkeling van het gebied bij Haarlem verloopt langzamer. De uitbouw van de kust is hier aanzienlijk langer doorgegaan. Vervolgens is er veel minder erosie opgetreden dan bij Wassenaar. -Rol menselijke ingrijpen Gedurende de laatste 30 jaar is de kustnabije zone van het hier beschouwde deel van de Hollandse kust ten noorden van Katwijk min of meer stabiel of aanzandend, terwijl het deel ten zuiden van Katwijk eroderend is. Dit is in overeenstemming met het beeld dat naar voren komt uit de ontwikkeling over de laatste 2500 jaar. Lokaal verstoren de effecten van met name de aanleg van havendammen dit beeld. Daarnaast leidt het vasthouden van de waterlijn en de zeereep, door middel van respectievelijk strandsuppleties en beplanting, waarschijnlijk tot een verstoring van het natuurlijk kustprofïel.005.60044/01.03 Programma Kust 200
- …
