105,312 research outputs found

    Increased H-reflex response induced by intramuscular electrical stimulation of latent myofascial trigger points

    No full text
    BACKGROUND: Myofascial trigger points (MTrPs) present with mechanical hyperalgesia and allodynia. No electrophysiological evidence exists as to the excitability of muscle spindle afferents at myofascial trigger points MTrPs. The purpose of this current study was to explore whether an H-reflex response could be elicited from intramuscular electrical stimulation. If so, to assess the possibility of increased reflex response at MTrPs. METHODS: The H-reflex latency and the conduction velocity were first determined from electrical stimulation of the tibial nerve in 13 healthy subjects. Then an intramuscular monopolar needle electrode was inserted randomly into a latent MTrP or a non-MTrP in the gastrocnemius muscle. Electrical stimuli at different intensities were delivered via the intramuscular recording electrode to the MTrP or non-MTrP. RESULTS: The average conduction velocity (44.3 +/- 1.5 m/s) of the electrical stimulation of tibial nerve was similar (p>0.05) with the conduction velocity (43.9 +/- 1.4 m/s) of intramuscular electrical stimulation. The intramuscular H-reflex at MTrPs was higher in amplitude than non-MTrPs (p<0.001). The reflex threshold was lower for MTrPs than non-MTrPs (p<0.001). CONCLUSION: The current study provides first electrophysiological evidence that intramuscular electrical stimulation can evoke H-reflex, and that higher H-reflex amplitude and lower H-reflex threshold exist at MTrPs than non-MTrPs respectively, suggesting that muscle spindle afferents may be involved in the pathophysiology of MTrPs

    De Rekeningen der graven en gravinnen uit het Henegouwsche huis, uitgegeven door Smit (Dr H. J.)

    No full text
    Obreen Henri. De Rekeningen der graven en gravinnen uit het Henegouwsche huis, uitgegeven door Smit (Dr H. J.). In: Revue belge de philologie et d'histoire, tome 8, fasc. 4, 1929. pp. 1281-1282

    De Rekeningen der graven en gravinnen uit het Henegouwsche huis, uitgegeven door Smit (Dr H. J.)

    No full text
    Obreen Henri. De Rekeningen der graven en gravinnen uit het Henegouwsche huis, uitgegeven door Smit (Dr H. J.). In: Revue belge de philologie et d'histoire, tome 8, fasc. 4, 1929. pp. 1281-1282

    Romeinse graven aan de Sperwestraat. Onderzoek in het grafveld van Ulpa Noviomagus

    No full text
    In 2010 is op het voormalige Hartmannterrein een deel van het grafveld van de Romeinse stad Ulpia Noviomagus opgegraven. In totaal zijn resten van 49 graven onderzocht. Uit het onderzoek is gebleken dat de meeste graven sterk verstoord waren, met uitzondering van de graven die zich onder de oostelijke bebouwing bevonden. Het merendeel van de graven stamt uit de midden-Romeinse tijd, meer bepaald uit het einde van de 1e eeuw en het begin van de 2e eeuw. Hoewel geroofd, heeft de analyse van de grafinventarissen opvallende conclusies opgeleverd, met name in combinatie met de resultaten van het aangrenzende terrein dat door de universiteit is onderzocht. Verder zijn er nog twee inhumatiegraven gevonden, beide (waarschijnlijk) uit de tweede helft van de 2e eeuw tot het begin van de 3e eeuw. Bovendien zijn er nederzettingssporen aangetroffen, die helaas niet nauwkeurig te dateren waren

    Buitenring Parkstad Limburg, T5 vindplaats 10 H. Dunantstraat, Europalaan Zuid, Gemeente Brunssum. Archeologisch onderzoek: een opgraving.

    No full text
    In opdracht van de Provincie Limburg heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in november 2013 een archeologische opgraving uitgevoerd in verband met de aanleg van Buitenring Parkstad Limburg in de gemeente Brunssum. Het primaire doel van deze opgraving was het veiligstellen van de wetenschappelijke informatie van deze vindplaats die tijdens archeologisch vooronderzoek is aangetroffen (behoud ex situ). Het onderzoeksgebied ligt op een naar het noordwesten georiënteerde afbraakwand, op circa 120 m ten oosten van het beekdal van de Merkelbeker Beek. Van nature heeft zich in de löss een radebrikgrond ontwikkeld, die in het centrale deel van het onderzoeksgebied nog volledig intact is. In het oostelijke deel, dat hoger op de afbraakwand ligt, is de radebrikgrond volledig geërodeerd. Richting het westen wordt de radebrikgrond doorsneden door een oude erosiegeul, waarin verschillende lagen colluvium zijn afgezet. Binnen dit colluvium heeft opnieuw bodemvorming plaatsgevonden. In de top van dit oude colluvium zijn twee crematiegraven aangetroffen. Het eerste graf is gevonden tijdens het vooronderzoek in 2009, het tweede graf tijdens de opgraving. Ter hoogte van de erosiegeul is het onderzoeksgebied in de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd opnieuw afgedekt door colluvium. Het eerste graf bevat drie secundaire, onverbrande bijgiften: een kruik, een bord en een beker. Op basis van het aardewerk kan het graf gedateerd worden in de eerste helft van de 2e eeuw na Chr. Naast deze secundaire bijgiften zijn er ook primaire bijgiften gevonden die aan de dode op de brandstapel zijn meegegeven. Het gaat om de persoonlijke opsmuk van de dode, zoals een tinnen armband, een bronzen haarspeld, brokjes glas van mogelijk een zalf- of parfumflesje en schoenspijkertjes. In het graf is slechts 40 gram botmateriaal verzameld. Uit crematieonderzoek blijkt dat er twee individuen in het graf aanwezig zijn, waaronder een kind van 3 tot 6 jaar oud. Op basis van de grafinhoud kan gesteld worden dat minstens één van de individuen vrouwelijk is geweest. De grafinhoud is volledig onderzocht ten behoeve van macroresten, maar dit heeft geen resultaat opgeleverd. Naast het graf zijn ook nog twee brandkuilen aangetroffen die vermoedelijk samenhangen met het begrafenisritueel. Ten zuidwesten hiervan zijn in 2012 nog enkele kuilen met een houtskoolrijke vulling gevonden op stratigrafisch hetzelfde niveau als de Romeinse graven. Ze zijn niet als brandkuil gedefinieerd, maar mogelijk kunnen ze aan de Romeinse graven gerelateerd worden. De opgraving op vindplaats 10 heeft nog slechts één bijkomend crematiegraf opgeleverd. Voor de rest zijn er geen archeologische sporen aangetroffen. Het graf heeft eveneens een bord, een beker en een kruik als secundaire bijgift. Primaire bijgiften zijn hier niet aanwezig. Alleen zijn verschillende spijkerfragmenten aangetroffen die wellicht afkomstig zijn van de lijkbaar waarop de dode was opgebaard. Uit houtskoolanalyse blijkt dat eik is gebruikt bij het verbrandingsproces. Op basis van het fysisch antropologisch onderzoek behoort het graf aan een vrouw tussen de 20 tot 30 jaar oud. Er zijn geen pathologische afwijkingen vastgesteld. Vanwege het voorkomen van de kruik van het type Hofheim 51 kan het graf gedateerd worden aan het eind van de 1e eeuw na Chr. Ook hier is de volledige grafinhoud en de inhoud van de recipiënten onderzocht om na te gaan of er voedselresten aanwezig zijn. In de kruik zijn klompjes verkoold, bewerkt plantaardig voedsel aangetroffen, maar de SEM-analyse hiervan heeft helaas niets opgeleverd. De ligging van de graven nabij de Merkelbeker Beek is geen onbekend verschijnsel. Graven zijn dikwijls langs depressies of in de nabijheid van beekdalen gelokaliseerd. Daarbij liggen ze doorgaans ook in de nabijheid van een hoofdweg of binnen een straal van circa 250 m van de nederzetting. Het is echter niet bekend tot welke nederzetting de graven behoren. Circa 300 m ten noordwesten van de graven liggen resten van een (inheemse) nederzetting uit de Romeinse tijd. Deze situeren zich op de zuidoostflank van de Merkelbeker Beek. Op deze manier keken de bewoners uit op de graven van hun dierbaren. De graven kunnen echter ook nog tot een nog niet ontdekte nederzetting horen. Dit zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen

    Nederzettingssporen en graven aan de Nijmeegse Marialaan

    No full text
    Tijdens de in 2010 uitgevoerde opgraving aan de Marialaan zijn de crematiegraven van een man en een vrouw uit het einde van de vroege bronstijd en/of het begin van de midden-bronstijd gevonden binnen een door een greppel afgegrensd ovaal terrein. Mogelijk stammen twee kuilenclusters uit de-zelfde tijd, al kunnen ze ook van iets jongere datum zijn. In de 1e eeuw na Chr. wordt het terrein opnieuw in gebruik genomen en maakt het onderdeel uit van een landelijke nederzetting. Uit die periode stammen de plattegronden van een huis en enkele bijgebouwen die als opslagplaats gediend hebben. Na het verlaten van de nederzetting, vermoedelijk in de tijd dat de nabijgelegen stad Ulpia Novioma-gus is gebouwd, lijkt het terrein eeuwenlang niet gebruikt te zijn, al kan niet uitgesloten worden dat het een agrarische functie heeft gehad. Door scherven van aardewerk en metaalvondsten die met de bemesting op de akkers zijn verspreid weten we dat het terrein vanaf de late 13e eeuw zeker als zo-danig heeft gediend. In de 18e eeuw wordt het terrein opnieuw ingericht door het te verkavelen. Uit die tijd stamt een perceelsscheiding

    Graven langs de Merkelbeker Beek; Buitenring Parkstad Limburg, T5 vindplaats 10

    No full text
    In opdracht van de Provincie Limburg heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in november 2013 een archeologische opgraving uitgevoerd in verband met de aanleg van Buitenring Parkstad Limburg in de gemeente Brunssum. Het primaire doel van deze opgraving was het veiligstellen van de wetenschappelijke informatie van deze vindplaats die tijdens archeologisch vooronderzoek is aangetroffen (behoud ex situ). Het onderzoeksgebied ligt op een naar het noordwesten georiënteerde afbraakwand, op circa 120 m ten oosten van het beekdal van de Merkelbeker Beek. Van nature heeft zich in de löss een radebrikgrond ontwikkeld, die in het centrale deel van het onderzoeksgebied nog volledig intact is. In het oostelijke deel, dat hoger op de afbraakwand ligt, is de radebrikgrond volledig geërodeerd. Richting het westen wordt de radebrikgrond doorsneden door een oude erosiegeul, waarin verschillende lagen colluvium zijn afgezet. Binnen dit colluvium heeft opnieuw bodemvorming plaatsgevonden. In de top van dit oude colluvium zijn twee crematiegraven aangetroffen. Het eerste graf is gevonden tijdens het vooronderzoek in 2009, het tweede graf tijdens de opgraving. Ter hoogte van de erosiegeul is het onderzoeksgebied in de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd opnieuw afgedekt door colluvium. Het eerste graf bevat drie secundaire, onverbrande bijgiften: een kruik, een bord en een beker. Op basis van het aardewerk kan het graf gedateerd worden in de eerste helft van de 2e eeuw na Chr. Naast deze secundaire bijgiften zijn er ook primaire bijgiften gevonden die aan de dode op de brandstapel zijn meegegeven. Het gaat om de persoonlijke opsmuk van de dode, zoals een tinnen armband, een bronzen haarspeld, brokjes glas van mogelijk een zalf- of parfumflesje en schoenspijkertjes. In het graf is slechts 40 gram botmateriaal verzameld. Uit crematieonderzoek blijkt dat er twee individuen in het graf aanwezig zijn, waaronder een kind van 3 tot 6 jaar oud. Op basis van de grafinhoud kan gesteld worden dat minstens één van de individuen vrouwelijk is geweest. De grafinhoud is volledig onderzocht ten behoeve van macroresten, maar dit heeft geen resultaat opgeleverd. Naast het graf zijn ook nog twee brandkuilen aangetroffen die vermoedelijk samenhangen met het begrafenisritueel. Ten zuidwesten hiervan zijn in 2012 nog enkele kuilen met een houtskoolrijke vulling gevonden op stratigrafisch hetzelfde niveau als de Romeinse graven. Ze zijn niet als brandkuil gedefinieerd, maar mogelijk kunnen ze aan de Romeinse graven gerelateerd worden. De opgraving op vindplaats 10 heeft nog slechts één bijkomend crematiegraf opgeleverd. Voor de rest zijn er geen archeologische sporen aangetroffen. Het graf heeft eveneens een bord, een beker en een kruik als secundaire bijgift. Primaire bijgiften zijn hier niet aanwezig. Alleen zijn verschillende spijkerfragmenten aangetroffen die wellicht afkomstig zijn van de lijkbaar waarop de dode was opgebaard. Uit houtskoolanalyse blijkt dat eik is gebruikt bij het verbrandingsproces. Op basis van het fysisch antropologisch onderzoek behoort het graf aan een vrouw tussen de 20 tot 30 jaar oud. Er zijn geen pathologische afwijkingen vastgesteld. Vanwege het voorkomen van de kruik van het type Hofheim 51 kan het graf gedateerd worden aan het eind van de 1e eeuw na Chr. Ook hier is de volledige grafinhoud en de inhoud van de recipiënten onderzocht om na te gaan of er voedselresten aanwezig zijn. In de kruik zijn klompjes verkoold, bewerkt plantaardig voedsel aangetroffen, maar de SEM-analyse hiervan heeft helaas niets opgeleverd. De ligging van de graven nabij de Merkelbeker Beek is geen onbekend verschijnsel. Graven zijn dikwijls langs depressies of in de nabijheid van beekdalen gelokaliseerd. Daarbij liggen ze doorgaans ook in de nabijheid van een hoofdweg of binnen een straal van circa 250 m van de nederzetting. Het is echter niet bekend tot welke nederzetting de graven behoren. Circa 300 m ten noordwesten van de graven liggen resten van een (inheemse) nederzetting uit de Romeinse tijd. Deze situeren zich op de zuidoostflank van de Merkelbeker Beek. Op deze manier keken de bewoners uit op de graven van hun dierbaren. De graven kunnen echter ook nog tot een nog niet ontdekte nederzetting horen. Dit zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    No full text
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed

    Alzey-Zutphen. Een onderzoek naar het rijksleen te Alzey van de graven van Zutphen

    No full text
    Contains fulltext : 178896pub.pdf (Publisher’s version ) (Open Access)H. Verdonk Alzey-Zutphen. Een onderzoek naar het rijksleen te Alzey van de graven van Zutphen Den Haag:Sdu Uitgevers ,2012 978901239072
    corecore