117,855 research outputs found

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    No full text
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed

    Square Dancing with the Stars to Enhance Dynamic Hirschman Linkages?

    No full text
    In this Presidential Address, the author takes the reader on a reconnaissance of his life and time as a regional scientist. He points out scenery he found scintillating along the way, hoping that some may pick up the banner and chew on a few of the ideas for a while. He suggests a revisit to Albert O. Hirschman’s notion of key sectors and more empirical analysis related to Marcus Berliant’s and Masahisa Fujita’s notion of knowledge creation and transfer.Presidential Address, San Antonio, Texas, March 29, 2014 (53rd Meetings of the Southern Regional Science Association

    Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis

    No full text
    We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis

    Letter from unknown writer to Jesse L. Boyce

    No full text
    Letter to Jesse L. Boyce from unknown author (possibly Jack) about the investigation into the powder magazine located in the Grand Canyon. Some personal news is included in the letter such as the writer's marriage to the daughter of C.A. Taylor, former Supervisor of Cochise County

    Dispelling the Myths Behind First-author Citation Counts

    No full text
    We conducted a full-scale evaluative citation analysis study of scholars in the XML research field to explore just how different from each other author rankings resulting from different citation counting methods actually are, and to demonstrate the capability of emerging data and tools on the Web in supporting more realistic citation counting methods. Our results contest some common arguments for the continued use of first-author citation counts in the evaluation of scholars, such as high correlations between author rankings by first-author citation counts and other citation counting methods, and high costs of using more realistic citation counting methods that are not well-supported by the ISI databases. It is argued that increasingly available digital full text research papers make it possible for citation analysis studies to go beyond what the ISI databases have directly supported and to employ more sophisticated methods

    Veranderend landschap en schuivende erven. VTN'98-2; middeleeuwse bewoning in Veldhuizen (De Meern)

    No full text
    Ten westen van Utrecht wordt sinds 1997 gewerkt aan Leidsche Rijn, de grootste VINEX-locatie van Nederland. In dit gebied bevindt zich de stroomrug van de Oude Rijn, met aan weerszijden uitgestrekte komgebieden. Ten westen van De Meern heeft de Oude Rijn tot in de derde eeuw na Chr. een zuidelijke zijrivier gekend. Deze leidde tot het ontstaan van de ca. 4 km lange Heldammer stroomrug, die vanaf de IJzertijd bewoond is geweest. In de eerste eeuw na Chr. werd de zijrivier geïntegreerd in de Romeinse rijksgrens. De afgelopen veertien jaar zijn bij opgravingen op de zuidoever van de rivier onder meer Romeinse wachttorens, wegen, nederzettingen, een moerasbrug en een loskade opgegraven. Na het vertrek van de Romeinse legers bleef de Heldammer stroomrug er eeuwenlang onbewoond bij liggen. Hij kwam vermoedelijk in de elfde eeuw als onderdeel van de polder Bijleveld te liggen binnen de vroegste ontginningen in het Nedersticht. De stroomrug werd van oost naar west doorsneden door een wetering, die de kopse kant vormde van zogeheten cope-ontginningen. Deze langgerekte kavels hadden een lengte van ca. 1250 m, een breedte van ca. 110 m en waren aan de achterzijde begrensd door een tweede wetering, die als ontginningsbasis van een nieuwe reeks cope-ontginningen diende. De boerderijen waren gesitueerd aan de kopse zijde van de kavels en lagen zodoende in de directe omgeving van de wetering. Het deel van de Heldammer stroomrug ten zuiden van de wetering (op de plek van de huidige Leidsche Rijn) maakte onderdeel uit van een gebied dat reeds eeuwen bekend staat als Veldhuizen. De oudste middeleeuwse bewoning in dit gebied dateert uit de twaalfde eeuw. De twaalfde-eeuwse erven in Veldhuizen die eind jaren ’90 bekend waren, lagen nagenoeg alle direct ten zuiden van de Leidsche Rijn, terwijl diverse dertiende- en veertiende-eeuwse erven enkele honderden meters zuidelijker waren gelegen. Een blik op de bodemkaart leerde dat de twaalfde-eeuwse erven midden op de stroomrug lagen, terwijl de zuidelijke erven langs de rand hiervan waren gesitueerd. Dit leidde op dat moment tot de theorie dat door de grootschalige ontwatering van het gebied als gevolg van de cope-ontginningen de bodem in het komgebied was ingeklonken en de stroomrug dientengevolge duidelijk zichtbaar werd als een hoge rug in het landschap. Het laaggelegen komgebied was vanaf ca. 1250 alleen nog geschikt om als grasland te dienen, als gevolg waarvan de boerderijen ten behoeve van een efficiëntere bedrijfsvoering verschoven naar de overgang van bouwland naar grasland. In het voorjaar van 1998 werden tijdens ontgrondingswerkzaamheden diverse archeologische sporen en een grote hoeveelheid IJzertijdaardewerk aangetroffen op een perceel direct ten zuiden van de Leidsche Rijn. In de herfst van dat jaar werd een kleine opgraving uitgevoerd, waarbij rekening werd gehouden met de aanwezigheid van een kleine huisplaats uit de IJzertijd. Er werd echter een deel van een achtererf uit de late Middeleeuwen blootgelegd. De boerderij zelf stond vermoedelijk net ten noordoosten van het opgravingsterrein en kwam zodoende niet in beeld. Wel werden drie opeenvolgende greppels uit de twaalfde eeuw aangetroffen, die vermoedelijk deze boerderij hebben omgeven. In de vulling van deze greppels werd namelijk een grote hoeveelheid materiaal gevonden. In de zuidelijke helft van het opgravingsterrein werd een zesroedige hooiberg aangetroffen, waar omheen een kringgreppel lag. In de kringgreppel bevonden zich acht diepe kuilen, die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het vangen van muizen en ander ongedierte ter bescherming van het gewas, dat lag opgeslagen in de hooiberg. Ook werd een ingegraven pot gevonden, die vermoedelijk eenzelfde functie heeft gehad, al werden geen muizenbotjes aangetroffen in de vulling ervan. Rond de kringgreppel lag een kromme greppel, die in relatie met de hooiberg lijkt te zijn aangelegd. Deze greppel vormde vermoedelijk de begrenzing van het achtererf, aangezien hierbuiten geen sporen werden waargenomen. Ten zuiden en oosten van de hooiberg werden diverse paalkuilen aangetroffen, waarvan er vier behoorden tot een kleine, rechthoekige spieker. Van de overige (paal)kuilen kon de functie niet worden vastgesteld, maar het is goed mogelijk dat ze eveneens tot spiekers hebben behoord. Vermoedelijk had de zone binnen de kromme greppel een specifieke functie, waarschijnlijk voor de opslag van de oogst. Het aangetroffen aardewerk bestaat nagenoeg volledig uit twaalfde-eeuws materiaal en is grotendeels afkomstig uit de vulling van de drie greppels, die vermoedelijk rondom de boerderij hebben gelegen. De ingegraven pot dateert echter waarschijnlijk uit de eerste helft van de veertiende eeuw en betreft mogelijk een latere toevoeging aan de hooiberg. Op basis van deze opgraving in combinatie met een hernieuwde bestudering van de reeds overige informatie omtrent de middeleeuwse bewoning op de Heldammer stroomrug is de theorie over de verschuiving van de erven naar de rand van de stroomrug als gevolg van reliëfinversie gedetailleerder uitgewerkt. Deze verschuiving heeft inderdaad plaatsgevonden, maar voltrok zich aan de oostzijde van Veldhuizen aanzienlijk vroeger dan aan de westzijde. Dit heeft vermoedelijk te maken met de oriëntatie van de zuidelijke begrenzing van de stroomrug, die tot gevolg had dat aan de oostzijde van Veldhuizen het grasland aanzienlijk verder verwijderd lag van de oorspronkelijke erven langs de ontginningswetering dan aan de westzijde

    Sarah L. Blum Author Visit - Warrior Nurse: PTSD and Healing

    No full text
    Hear Sarah L. Blum, author of Women Under Fire: Abuse in the Military, discuss her newest book, Warrior Nurse: PTSD and Healing followed by a Q&A and book signing. Sarah L. Blum is a decorated Vietnam veteran who served as an operating room nurse during the intense fighting of 1967. In recognition of her service, she was awarded the Army Commendation Medal. Sponsored by CWU Veterans Center and CWU Libraries.https://digitalcommons.cwu.edu/libraryevents/1252/thumbnail.jp

    Lillian L. Lambert, Author, Speaker, and Entrepreneur

    No full text
    Lillian L. Lambert, Author, Speaker, and Entrepreneu

    Letter to Alfred L. Shoemaker, February 10, 1948

    No full text
    A handwritten letter from an unknown author addressed to Alfred L. Shoemaker, dated February 10, 1948. Within, the author discusses the Pennsylvania Dutch word for Ash Wednesday, along with traditions associated with this day.https://digitalcommons.ursinus.edu/shoemaker_documents/1118/thumbnail.jp
    corecore