OverHolland
Not a member yet
    164 research outputs found

    Boekbespreking

    Full text link
    Clé Lesger Het winkellandschap van Amsterdam. Stedelijke structuur en winkelbedrijf in de vroegmoderne en moderne tijd, 1550-2000 [Amsterdam’s retail landscape: Urban structure and shops in the early modern and modern periods, 1550-2000] Hilversum: Verloren, 2013Clé LesgerHet winkellandschap van Amsterdam. Stedelijke structuur en winkelbedrijf in de vroegmoderne en moderne tijd, 1550-2000Hilversum: Verloren, 201

    Een vermaeckelijk uitzicht: Landschap en compositie in het ontwerp van Hollandse Buitenplaatsen

    Full text link
    In the seventeenth century a new fashion developed among the welltodo citizens of the Dutch Republic: owning and maintaining a country estate. This term (buitenplaats, literally ‘outside place’, in Dutch) has been defined as a substantial residence with a designed garden, garden ornaments and outbuildings. Country estates were not usually isolated structures in the landscape, but were built in clusters, as we can see from seventeenth and eighteenth century waterboard maps. In the area round Amsterdam they could be found on the banks of the River Amstel and in Watergraafsmeer, somewhat further from the city along waterways such as the Vecht, the Angstel, the Gaasp, the Gein, the Holendrecht and the Trekvaart barge canal, on Herenweg along Wijkermeer and in reclamation areas such as the  ’s Gravenland sand quarry and the Beemster, Zijpe and Purmer polders. Round Haarlem and Leiden we find country estates on the sand ridges and along the inner dunes, beyond The Hague and as far as Naaldwijk; modest country estate landscapes also developed along the Old Rhine near Leiden and along main roads out of Rotterdam, for instance in Kralingen. This widespread fashion was to affect the appearance of Holland’s seventeenth century landscape.In de zeventiende eeuw ontstond onder de bemiddelde burgers van de Republiek een nieuwe mode: het bezit en onderhoud van een buitenplaats. Een buitenplaats wordt gedefinieerd als een compositie van een aanzienlijk woonhuis met ontworpen tuin, tuinsieraden en bijgebouwen.1 Buitenplaatsen lagen meestal niet zelfstandig in het landschap, maar werden in concentraties aangelegd, zoals we op zeventiende en achttiendeeeuwse Hoogheemraadschapskaarten kunnen zien. Rond Amsterdam waren ze te vinden op de Amsteloevers en in de Watergraafsmeer, iets verder van de stad af langs rivieren als de Vecht, Angstel, Gaast, Gein, Holendrecht en de Trekvaart, aan de Herenweg langs het Wijkermeer, alsook in ontginningslandschappen als de zandafgraving van ’s Gravenland en de droogmakerijen Beemster, Zijpe en Purmer. Rond Haarlem en Leiden treffen we buitenplaatsen aan op de strandwallen en langs de binnenduinrand, voorbij Den Haag tot in Naaldwijk, maar ook langs de Rijn bij Leiden en langs uitvalswegen vanuit Rotterdam ontstaan bescheiden buitenplaatslandschappen, zoals in Kralingen. Het gaat om een wijdverbreide mode die zijn invloed had op de verschijningsvorm van het zeventiende eeuwse Hollandse landschap

    Wetenschap op de kaart: het genootschap Natura Artis Magistra en de transformatie van de Plantage in de tweede halft van de negentiende eeuw

    No full text
    In the eighteenth century Amsterdam more or less stopped growing. Its population fluctuated around 200,000, and there was ample room within the seventeenth-century walls for the few building projects that were carried out. Especially east of the River Amstel there were still plenty of vacant plots, and typical ‘fringe-belt elements’ such as social welfare institutions, the municipal refuse dump and industry found a place there. To the east of the Muidergracht canal, the Plantage remained a virtually unbuilt recreation area, with rented gardens and wood storage areas.2 No major spatial changes occurred there until the nineteenth century. New infrastructure, such as railway lines and canals designed to make the port of Amsterdam more accessible, gave the city a new lease of life. From the second half of the century onwards the economy revived, and the population began to grow steadily. From a low point of 180,000 in 1815, it reached 245,000 by 1850, and after 1870 it increased even more rapidly. Amsterdam was no longer able to house its citizens within its old boundaries, and the first expansion plans were drawn up.Amsterdam was in de achttiende eeuw een stad met geringe stedelijke dynamiek. Het bevolkings aantal schommelde in deze periode rond de 200.000 inwoners. Voor de weinige bouwprojecten die tot stand kwamen was nog volop ruimte binnen de zeventiende-eeuwse stadswallen beschikbaar. Vooral in het gebied ten oosten van de Amstel waren nog vele kavels onbebouwd. Hier vonden typische ‘fringe belt-elementen’ als sociale instellingen, de stadsvuilnisbelt en industrieën hun plek. Ten oosten van de Muidergracht bleef de Plantage een nagenoeg onbebouwd ontspanningsgebied met verhuurbare tuinkavels en houtwallen. Grote ruimtelijke veranderingen deden zich pas in de loop van de negentiende eeuw voor. Nieuwe infrastructurele werken, zoals de aanleg van spoorlijnen en kanalen ter verbetering van de bereikbaarheid van de Amsterdamse haven, gaven de stad een nieuwe impuls. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw trok de economie aan en zette een gestage bevolkingsgroei in. Na een dieptepunt van 180.000 inwoners in 1815 telde de stad in 1850 rond de 245.000 inwoners. Vanaf 1870 kwam de bevolkingstoename in een stroomversnelling. Dit was het moment dat de stad de bevolkingsgroei niet langer binnen haar oude grenzen kon opvangen en de eerste uitbreidingsplannen het licht zagen

    De Ruimte van de Cartografie

    Full text link
    There is a type of contemporary space which, as such, remains practically unnoticed even by those who are responsible for its creation. This could be explained by the fact that these spaces have no specific location, their essence being of a sym-bolic, conceptual kind. I’m referring to maps, the forms for the graphic representation of spatial milieu. As it will be explained below, maps are themselves places that substitute those of the represented reality; they are surrogate spaces operating primarily through analogy and abstraction. The production and use of this peculiar space have important consequences in the actual configuration of physic milieus on any scale, be it architectural, urban or territorial. Cartographic historians and critics insist in the fact that maps, whatever be their medium or the quantity of infor-mation contained in them, do not possible present the depicted milieu directly or transparently – despite the alleged objectivity of the most advanced georeferenced information systems. Instead, maps are powerful and sophisticated instruments that allow us to structure our environ-ment by ‘providing versions of truth for human minds to apprehend’. The idea of every form of spatial representation entailing the performance of a particular action over the depicted object underpins the ensuing inquiry about cartographic production and its transformational capabilities.Er bestaat een soort hedendaagse ruimte die als zodanig nauwelijks wordt opgemerkt, zelfs niet door degenen die verantwoordelijk zijn voor de creatie ervan. Dit valt te verklaren door het feit dat die ruimtes geen specifieke locatie hebben aange-zien ze in de kern symbolisch, conceptueel van aard zijn. Ik heb het over landkaarten, de vorm die wordt gebruikt voor de grafische weergave van een ruimtelijk milieu. Zoals ik hieronder zal toelichten, zijn kaarten zélf plaatsen die de plaats innemen van de weergegeven werkelijkheid, het zijn surrogaatruimtes waarvan de werking in de eerste plaats berust op analogie en abstractie. Hoe die bijzondere ruimte wordt geprodu-ceerd en gebruikt, heeft belangrijke consequen-ties voor de vormgeving van feitelijke fysieke mili-eus op elk schaalniveau, architectonisch, stedelijk of regionaal. Historici en critici van de cartografie onderstrepen het inzicht dat kaarten, ongeacht het medium of de hoeveelheid informatie die ze bevatten, het afgebeelde milieu onmogelijk recht-streeks of transparant kunnen weergeven, hoe objectief de meest geavanceerde gegeorefereerde informatiesystemen ook heten te zijn. Kaarten zijn wél krachtige en verfijnde instrumen-ten waarmee we structuur in onze omgeving kun-nen aanbrengen, want ze leveren ‘versies van de waarheid die de menselijke geest kan bevatten’. In de volgende beschouwing van de productie en het transformationele vermogen van kaarten wordt uitgegaan van de gedachte dat in elke vorm van ruimtelijke representatie het weergegeven object onvermijdelijk een bepaalde bewerking ondergaat

    Het spreidingspatroon van de steden en de infrastructuur in Hollands Noorderkwartier tot omstreeks 1700

    Full text link
    The first printed map of the Zuiderzee and the marked navigation channels in the western part of the Wadden Sea was produced by Lucas Jans-zoon Waghenaer in 1584. It differs from nautical charts of the area published later in that  it also shows the inland waterways of Holland’s Noorderkwartier (‘Northern Quarter’). The map provides a rare picture of the infrastructure and the distribution pattern of towns and cities in the area in the late sixteenth century. Land reclama-tion would alter the map dramatically in the centuries that followed, but waterways remained the chief means of transporting both people and goods right up to the midnineteenth century. This only changed with the advent of the railways. The exact area covered by the term Noorderkwartier is a matter of debate. In this article it is used to mean the whole area north of the North Sea Canal, including West Friesland. A study of railway station sites in the area on behalf of the Province of North Holland was completed by the ‘Mapping Randstad Holland’ research group in December 2011. The main components of the current railway network in the Noorderkwartier – the railway lines and most of the station sites – are already more than a century old. This outline of the topographical development of the area reveals the distribution pattern  of towns and cities onto which the network was grafted. In addition, the numerous historical studies of the area clearly show the exceptional relationship between the geographical, socioeconomic and political/administrative factors that determined the development of the Noorderkwartier. Consultation of this extensive literature has thus yielded insights of great relevance to our research into the Randstad.De kaart van Lucas Jansz. Waghenaer uit 1584 is de eerste in druk verschenen kaart van de Zuiderzee en van de vaargeulen met betonning in het westelijke deel van de Waddenzee. Deze kaart onderscheidt zich van de zeekaarten van dit gebied die nadien zijn verschenen, doordat ook de binnenwateren van Hollands Noorderkwartier worden getoond.1 De kaart geeft een zeldzaam beeld van de infrastructuur en het spreidingspatroon van de steden in het Noorderkwartier aan het eind van de zestiende eeuw. In de eeuwen daarna verandert het kaartbeeld ingrijpend door de landaanwinning, maar tot het midden van de negentiende eeuw blijft de scheepvaart het belangrijkste middel voor het vervoer van goederen en personen. De aanleg van de spoorwegen brengt daar verandering in. Met de naam ‘Hollands Noorderkwartier’ wordt hier het hele gebied ten noorden van het Noordzeekanaal aangeduid, inclusief WestFriesland. In december 2011 werd in opdracht van de provincie Noord-Holland door de onderzoeksgroep ‘Randstad Holland in kaart’ een studie voltooid naar stationslocaties in dit gebied. De hoofdbestanddelen van het huidige spoorwegnet in het Noorderkwartier – de spoorlijnen en het merendeel van de stationslocaties – zijn al meer dan een eeuw oud.3 Deze schets van de topografische ontwikkeling van het Noorderkwartier maakt het spreidingspatroon van de steden inzichtelijk waarop het spoorwegnet werd geënt. Bovendien komt uit de grote hoeveelheid historische studies van dit gebied duidelijk naar voren hoe uitzonderlijk de verhouding is tussen geografische, sociaaleconomische en politiekbestuurlijke factoren, die de ontwikkeling van het Noorderkwartier heeft bepaald. In dit opzicht heeft het napluizen van deze omvangrijke literatuur inzichten opgeleverd die voor ons onderzoek naar de Randstad van belang zijn

    Boekbespreking

    Full text link
    Paul Brusse and Wijnand Mijnhardt (eds) Balans tussen stad en platteland (‘Striking a balance between town and country’)4 volumes, Zwolle, Waanders, 2011, 248 ppPaul Brusse en Wijnand Mijnhardt (red.) Balans tussen stad en platteland4 delen, Zwolle (Waanders) 2011, 248 pp

    Vierhonderd jaar stadswording in het mondingsgebied van de Schelde

    Full text link
    The Dutch province of Zeeland has an unusually large number of large and small towns, including Zierikzee, Brouwershaven, Veere, Middelburg, Vlissingen (formerly known in English as Flushing), Goes, Tholen, Hulst, Axel, Oostburg, Sluis and Aardenburg. These developed over a period of some four hundred years, from the eleventh to fourteenth centuries. Since most of these towns declined economically at the end of the Middle Ages, some are fairly well preserved, while others are now just modest local centres. It takes some imagination to realise that what is now often considered a peripheral, largely agricultural province was once one of the most urbanised parts of the Northern Netherlands. How did so many towns develop there, and what kind of towns were they?De provincie Zeeland is bijzonder rijk aan steden en stadjes, zoals Zierikzee, Brouwershaven, Veere, Middelburg, Vlissingen, Goes, Tholen, Hulst, Axel, Oostburg, Sluis en Aardenburg. Deze ontstonden in een periode van ongeveer vierhonderd jaar, van de elfde tot en met de veertiende eeuw. Omdat in een groot aantal van deze plaatsen na de middeleeuwen de economie stagneerde, zijn ze voor een deel vrij gaaf bewaard gebleven en voor een ander deel teruggevallen tot bescheiden streekcentrum. Het vergt enige verbeeldingskracht om een provincie die tegenwoordig dikwijls als overwegend agrarisch en perifeer wordt weggezet, te beschouwen als een van de meest verstedelijkte gebieden van de Noordelijke Nederlanden. Hoe was het mogelijk dat daar zoveel steden tot stand kwamen? En wat voor steden waren het eigenlijk

    Boekbespreking

    Full text link
    Jerzy Gawronski (ed.)Amsterdam Ceramics: a city’s history and an archaeological ceramics catalogue 1175-2011 Amsterdam, Bas Lubberhuizen, 2012, 336 pp. Peter Jan KnegtmansAmsterdam: een geschiedenis (‘Amsterdam: a history’)Amsterdam, SUN, 2011, 440 pp.   Peter Jan Knegtmans Amsterdam: een geschiedenis (‘Amsterdam: a history’) Amsterdam, SUN, 2011, 44Jaap Evert Abrahamse en Jan van DoesburgJerzy Gawronski (red.)Amsterdam Ceramics. A city’s history and an archaeological ceramics catalogue 1175-2011 Amsterdam (Bas Lubberhuizen) 2012, 336 pp.P.J. KnegtmansAmsterdam. Een geschiedenisAmsterdam (SUN) 2011, 440 pp.   Peter Jan Knegtmans Amsterdam: een geschiedenis (‘Amsterdam: a history’) Amsterdam, SUN, 2011, 4

    Harvesting: Kleineschalige publieke interventies in de stadswijk

    No full text
    The economic crisis and changing conditions in the Netherlands have rapidly put an end to large-scale district development. Now that urban renewal – long an excuse for radical intervention in deprived nineteenth- and twentieth-century city districts – no longer seems feasible, we face the question of where to go from here. For lack of investment capacity, housing corporations, private investors and local authorities will have to convert their ‘building development’ strategies into ‘devel-oping management’. They must now involve local parties and private initiative in a new task: the intelligent programming (or reprogramming) and management of the public realm and district facilities. The physical and social logic of the existing city is inevitably the underlying structuring geometry for these more modest forms of district development. This article will explore a specific reading of the city district that offers new opportunities for alternative programming and management of public space. Since 2007 we have worked for various clients on strategies for city districts, and in each case we have looked at the potential of what is already there.1 The resulting method assesses public structures not only in formal terms but also in terms of their use, and translates the results into design interventions in public space. In 2011 we put these insights into practice in Zomerzone (‘Zomer Zone’), a district in the eastern part of the Dutch city of Haarlem – one of the problem districts dubbed krachtwijken (‘power districts’) by former housing minister Ella Vogelaar. Typical features are its isolated location and its fragmented structure. After explaining the method, which includes both analysis and design, we will describe Zomerzone in the light of it. How are public-space struc-tures organised here, and how are they related to use? What are the opportunities for public inter-vention in such districts? And how can existing features be expanded into interventions that enhance identity?De crisis en de veranderende verhoudingen heb-ben in Nederland in hoog tempo korte metten gemaakt met de grootschalige wijkaanpak. Nu stedelijke vernieuwing, lange tijd een excuus voor radicaal ingrijpen in de bestaande stadswijk, niet langer haalbaar blijkt te zijn, rijst de vraag: hoe nu verder? Bij gebrek aan investeringskracht zullen corporaties, private investeerders en gemeenten hun strategie van bouwend ontwikkelen omvor-men naar ontwikkelend beheer. Zij moeten lokale partijen en private initiatiefnemers betrekken bij de nieuwe opgave: het slim (her)programmeren en beheren van het publieke domein en de wijkvoorzieningen. De logica van de bestaande stad, zowel fysiek als sociaal, vormt onvermijdelijk de structurerende onderlegger voor deze meer bescheiden vormen van wijkaanpak. Deze beschouwing exploreert een specifieke lezing van de stadswijk, die nieuwe kansen biedt voor alter-natieve programmering en beheer van de open-bare ruimte. Sinds 2007 werken wij voor verschillende opdrachtgevers aan strategieën voor stadswijken, waarbij we telkens de potentie onderzoeken van het bestaande. Daaruit is een methode voortgekomen die de publieke structuren niet alleen formeel, maar ook wat betreft hun gebruik inventariseert en de uitkomsten vertaalt in ontwerpingrepen in de openbare ruimte. In 2011 zijn deze inzichten toegepast in een visie op de Zomerzone, een wijk in Haarlem-Oost, destijds een van de  ‘krachtwijken’ van minister Vogelaar. Karakteris-tiek voor deze wijk zijn haar geïsoleerde ligging en haar gefragmenteerde structuur. Na een uiteenzetting van de methode, die bestaat uit een analyse- en een ontwerpgedeelte, zullen we aan de hand hiervan de casus Zomer-zone beschrijven. Hoe zijn hier openbare-ruimte-structuren georganiseerd en hoe zijn ze gerela-teerd aan het gebruik? Welke kansen liggen er voor publieke interventies in dit soort wijken? Hoe kunnen bestaande elementen uitgebouwd worden tot ingrepen die de identiteit versterken

    Nederlandse architectuur in China

    Full text link
    China is greatly interested in Dutch architecture and seeks to strengthen the scientific, cultural and professional exchange and international cooperation in the realm of the creative industries. This is why the China Central Academy of Fine Arts in Beijing has invited the Delft University of Technology to create an exhibition presenting an overview of developments in Dutch architecture and Dutch design from the last century. With the exhibition Hundred Years of Dutch Architecture. From Berlage to Koolhaas, which opened on May 15th of 2009, the correlation of ideas of Dutch architecture in the past and the present was shown.1 The exhibition contributed to the growing demand for Dutch Design in the context of urban planning, housing, applied arts and architecture in China. From an international point of view, Dutch twentiethcentury architecture holds a strong position. For this reason Prof. Ir. Leen van Duin of Delft University of Technology and Prof. Lu Pinjing of the China Central Academy of Fine Arts (CAFA), both believing in the intensification and extension of educational, scientific and cultural exchange, thought it would be a good idea to present some highlights of contemporary Dutch architecture in the prestigious CAFA Art Museum in Beijing, designed by Arata Isosaki. In the educational programs of both their faculties the idea of continuity is important. The programs strive to achieve a finely tuned balance between convention and invention in design and the creative industry.China is zeer geïnteresseerd in de Nederlandse architectuur en wil de wetenschappelijke, culturele en professionele uitwisseling en internationale samenwerking op het gebied van de creatieve industrie versterken. De China Central Academy of Fine Arts (CAFA) in Beijing heeft daarom de Technische Universiteit Delft uitgenodigd een tentoonstelling samen te stellen die een overzicht biedt van de ontwikkelingen in de Nederlandse architectuur en het ‘Dutch Design’ in de afgelopen eeuw. Met de tentoonstelling Honderd jaar Nederlandse architectuur. Van Berlage tot Koolhaas, die op 15 mei 2009 werd geopend, wordt de ideeënrijkdom van de Nederlandse architectuur in heden en verleden in samenhang getoond. De tentoonstelling vormt zo een stimulans voor de groeiende vraag naar het Nederlandse ontwerp in de context van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, kunst(nijverheid) en architectuur. De Nederlandse architectuur van de twintigste eeuw staat internationaal gezien hoog aangeschreven. Daarom vonden prof. ir. Leen van Duin van de TU Delft en prof. Lu Pinjing van de Central Academy of Fine Arts (CAFA) in Bejing, die allebei hoge verwachtingen hebben van de onderwijskundige, wetenschappelijke en culturele uitwisseling, het een goed idee om enkele hoogtepunten van de eigentijdse Nederlandse architectuur te presenteren in het prestigieuze CAFA Art Museum in Beijing van de architect Arata Isosaki. In hun faculteiten neemt de idee van continuïteit een belangrijke plaats in. Beide opleidingen streven naar een subtiel evenwicht tussen conventie en inventie in het ontwerp en de creatieve industrie

    114

    full texts

    164

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    OverHolland
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇