OverHolland
Not a member yet
    164 research outputs found

    Het Oostelijk Havengebied van Amsterdam en het spoorwegtracé

    Get PDF
    De constante transformaties van de stad en de daarbijbehorende architectonische vraagstukken zijn een zeer interessant studieonderwerp. Met bij-zondere aandacht voor de Hollandse stad komen deze thema’s uitgebreid aan de orde in het onder-zoeksprogramma Urban Architecture MIT van de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Dit onder-zoeksprogramma richt zich in het bijzonder op het bestuderen van de relatie tussen stedelijke trans-formaties en architectonische interventies. Dankzij een aanpak waarin onderwijs- en onderzoeksacti-viteiten met elkaar worden verweven, kunnen stu-denten en docenten in de afstudeerateliers van Hybrid Buildings / Urban Architecture werken aan actuele veranderingen op een aantal cruciale loca-ties in de Randstad. In dit artikel worden enkele resultaten van een van deze ateliers besproken. Eerst komen de algemene thematieken die te maken hebben met de projectlocatie aan de orde. Vervolgens geef ik een toelichting op het door de studenten voorge-stelde masterplan en ik eindig met een presentatie van een aantal individueel uitgewerkte projecten.De constante transformaties van de stad en de daarbijbehorende architectonische vraagstukken zijn een zeer interessant studieonderwerp. Met bij-zondere aandacht voor de Hollandse stad komen deze thema’s uitgebreid aan de orde in het onder-zoeksprogramma Urban Architecture MIT van de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Dit onder-zoeksprogramma richt zich in het bijzonder op het bestuderen van de relatie tussen stedelijke trans-formaties en architectonische interventies. Dankzij een aanpak waarin onderwijs- en onderzoeksacti-viteiten met elkaar worden verweven, kunnen stu-denten en docenten in de afstudeerateliers van Hybrid Buildings / Urban Architecture werken aan actuele veranderingen op een aantal cruciale loca-ties in de Randstad. In dit artikel worden enkele resultaten van een van deze ateliers besproken. Eerst komen de algemene thematieken die te maken hebben met de projectlocatie aan de orde. Vervolgens geef ik een toelichting op het door de studenten voorge-stelde masterplan en ik eindig met een presentatie van een aantal individueel uitgewerkte projecten

    Een ‘tolerante’ stedenbouw: De esthetiek van de Raadhuisstraat in Amsterdam (1895-1899)

    Get PDF
    Vanaf het midden van de negentiende eeuw waren de snelle groei van steden en de opkomst van nieuwe vormen van verkeer en mobiliteit aanleiding tot de aanleg van winkelstraten en stadsboulevards, niet alleen in Europese, maar ook in tal van Amerikaanse steden. Meestal konden die pas worden gerealiseerd na ingrijpende stadsdoorbraken die vroegen om een nieuwe vorm van stedelijke planning. Daarbij waren niet alleen verkeerstechnische belangen in het geding, maar ook die van stedelijke commercie, openbare hygiëne en stadsesthetiek. Bovendien bood een meer systematische aanpak van stadsplanning, een nieuwe maatschappelijke elite uit de wereld van bestuur, economie en cultuur een instrument om de stedelijke ruimte tot drager te maken van politieke en sociale waarden. Model bij uitstek voor dergelijke ingrijpende stadsoperaties was het door Baron Haussmann en Napoleon III ontworpen, nieuwe stratenplan van Parijs, met als sluitstuk de als één uniform bouwwerk opgevatte, Avenue de l’Opéra (1878). Hoewel weinig steden zich een dergelijke kostbare straataanleg konden permitteren, is de invloed uit Parijs op tal van hoofdsteden omstreeks 1900 merkbaar. Zo is in NoordAmerika de CityBeautiful Movement een prachtig voorbeeld van een op Parijs georiënteerde, bestuurlijke en stedenbouwkundige doctrine die richting heeft gegeven aan incidentele projecten van stedelijke vernieuwing in steden als Chicago, Philadelphia en Washington DC. In de tweede helft van de negentiende eeuw vonden er in tal van Europese hoofdsteden vergelijkbare operaties plaats die, hoewel in architectonische zin wellicht minder strak geregisseerd dan die van Parijs, niettemin indrukwekkende en leerrijke voorbeelden zijn van stedelijke reconstructie omstreeks 1900. Recentelijk heeft Schubert gewezen op de betekenis van de stadsdoorbraak van KingswayAldwych in London (1889-1935) en Daniele Regis op die van de Via Diagonale in Turijn (1885-95). Opmerkelijk is dat, internationaal gezien, tot nu toe weinig aandacht is besteed aan de vele initiatieven tot verbetering en verfraaiing van de Amsterdamse binnenstad in dezelfde periode. Daar heeft de brandmerking van Berlages plannen voor AmsterdamZuid (1901-1917) als het begin van een sociale stedenbouw in Nederland, geleid tot de onderwaardering van het grootscheepse project van ‘haussmannisering’ van de Amsterdamse binnenstad, met als kernstuk: de aanleg en bebouwing van de Raadhuisstraat achter het Paleis op de Dam (1895-1899). Een in de Nederlandse context grootschalig bouwproject met tal van esthetische, economische en technische implicaties die tezamen een fascinerend beeld geven van de opkomst omstreeks 1900 van de moderne Groszstadt als uitkomst van de wisselwerking tussen de stad als intellectueel idee en als fysiek artefact

    Team X revisited: Bijdrage aan conferentie

    Get PDF
    Eind 2005 werd het lang verwachte overzicht van het werk van Team X gepresenteerd in een grote tentoonstelling in het NAi, vergezeld van een al even groot boek. Sinds de publicatie in 1999 van het speciale nummer van OASE (nr. 51) over het werk van Peter en Allison Smithson, hebben Max Risselada en Dirk van den Heuvel bijna al hun energie gestoken in de creatie van deze gebeurtenis. Bij de afsluiting van de tentoonstelling hebben zij tenslotte ook nog een conferentie georganiseerd onder de titel Keeping the language of modern architecture alive; een titel die misschien enig licht werpt op de wat naïeve drijfveer achter deze hele onderneming. De eerste vraag die natuurlijk gesteld moet worden, is: over welke taal zou het dan moeten gaan? De taal van Plan Pampus van Van den Broek en Bakema (1964), de taal van het reconstructieplan voor de Nieuwmarkt van Van Eyck en Bosch (1970), of moeten we andere mogelijkheden in overweging nemen, die Team X te buiten gaan? Ik doel op het postmodernisme, dat zich in de marge van deze presentatie van Team X ophoudt.   Eind 2005 werd het lang verwachte overzicht van het werk van Team X gepresenteerd in een grote tentoonstelling in het NAi, vergezeld van een al even groot boek. Sinds de publicatie in 1999 van het speciale nummer van OASE (nr. 51) over het werk van Peter en Allison Smithson, hebben Max Risselada en Dirk van den Heuvel bijna al hun energie gestoken in de creatie van deze gebeurtenis. Bij de afsluiting van de tentoonstelling hebben zij tenslotte ook nog een conferentie georganiseerd onder de titel Keeping the language of modern architecture alive; een titel die misschien enig licht werpt op de wat naïeve drijfveer achter deze hele onderneming. De eerste vraag die natuurlijk gesteld moet worden, is: over welke taal zou het dan moeten gaan? De taal van Plan Pampus van Van den Broek en Bakema (1964), de taal van het reconstructieplan voor de Nieuwmarkt van Van Eyck en Bosch (1970), of moeten we andere mogelijkheden in overweging nemen, die Team X te buiten gaan? Ik doel op het postmodernisme, dat zich in de marge van deze presentatie van Team X ophoudt.  In dit verband zijn sommige van de in het boek opgenomen interviews met leden van Team X, die stammen uit de vroege jaren negentig, interessant. Het meest onthullend is het interview met Giancarlo de Carlo. Ook al was het postmodernisme naar zijn mening al doodgelopen, toch is zijn oordeel erover vol rancune. Zoals hij het ziet, ‘nam het postmodernisme uiteenlopende vormen aan en had het twee uitersten, het ene fascistisch van karakter, het andere vaag anarchistisch. De vaaganarchistische stroming bestond in de Verenigde Staten (niet in Italië) en bezat de verdienste dat zij architecten dwong na te denken over eclecticisme, over de redenen voor die aandrang om niethomogene talen te mengen of te combineren’. Voor De Carlo was het debat over het postmodernisme niet iets dat simpelweg was begonnen na de publicatie van The language of PostModern Architecture door Charles Jencks in 1977. Voor De Carlo greep de hele kwestie terug op twintig jaar daarvoor, toen het opnieuw binnenhalen van klassieke vormen in de ontwerpen van sommige studenten voor hem aanleiding was daar een scherpe kritiek op te schrijven. Een onafgebroken oorlog tegen het formalisme, niet alleen tegen deze revolte van de ‘zuilenaren’ (colonnisti), zoals hij ze noemde, maar in de eerste plaats tegen het formalisme in de moderne architectuur, de International Style, dat was het voornaamste doel van de medewerking van De Carlo aan Casabella Continuità onder leiding van Ernesto Rogers.  Aangezien ik meer geïnteresseerd ben in architectuur dan in de ‘family business’ van Team X, lijkt mij de vraag naar de lotgevallen van de taal van moderne architectuur relevant, vooral omdat daarbij ook de Nederlandse bijdrage in het geding is aan datgene dat door Peter Smithson op het laatste congres van CIAM in Otterlo (1959) werd aangeduid als: ‘de noodzaak om een werkelijk nieuw formeel vocabulaire uit te vinden – een nieuwe architectuur’. Toentertijd leek deze oproep des te dringender, aangezien de Engelse kunsthistoricus John Summerson duidelijk had gemaakt dat wat er in feite ontbrak in de moderne architectuur nu juist een ‘architecturale taal’ was, of, in de woorden van Walter Gropius: ‘een optische “sleutel” … als een objectieve gemeenschappelijke noemer van het ontwerpen’; iets wat zou kunnen voorzien ‘in de onpersoonlijke basis als een eerste vereiste voor algemeen begrip’, iets wat zou kunnen dienen ‘als de controlerende instantie binnen de creatieve daad’. Herlezing van een groot aantal geschriften over moderne architectuur bracht Summerson tot de conclusie dat vanuit een betrokkenheid bij sociale factoren enkel het programma algemeen werd geaccepteerd als bron van eenheid in het ontwerpen. Zodra het op de vorm aankwam, was de moderne architectuurtheorie niet in staat een gemeenschappelijk antwoord te geven, en tegen het einde van de jaren vijftig was het ook niet mogelijk om uit de architectuurpraktijk een uniform beeld af te leiden, zoals Hitchcock en Johnson vijfentwintig jaar eerder hadden gedaan in The International Style.  In tegenstelling tot de jaren waarin de moderne architectuur vorm had gekregen, had de functionalistische doctrine zich in de jaren vijftig werkelijk over de hele wereld verspreid. Daarbij had ze echter als stijl haar consistentie verloren. Allerlei vormen van regionalisme staken de kop op. Binnen die groeiende pluriformiteit merkte James Stirling (in Regionalism and Modern Architecture) echter een aanmerkelijk verschil op tussen de houdingen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan: ‘de Oude Wereld exploiteerde en vervormde haar traditionele middelen en methoden, terwijl de Nieuwe Wereld nieuwe technieken uitvond en een passende expressie van moderne ideeën ontwikkelde.’ Zelfs de oude meesters van de moderne architectuur in Europa hadden hun onvoorwaardelijke vertrouwen in de technologische vooruitgang verloren. Het rustieke stadhuis in Saynätsolo van Alvar Aalto (19491952) en Maison Jaoul van Le Corbusier (19521956) waren uitgesproken manifestaties van deze mentaliteitsverandering. Pampus als het Ontwerp voor de Nieuwmarkt deel uit van de regionalistische trend: ten eerste door in de vormgeving van het (geheel kunstmatige) landschap de kenmerken van het Nederlandse waterland te integreren; ten tweede door het stedelijk weefsel en de traditionele gebouwtypologie van de Nederlandse steden tot uitgangspunt van het ontwerp te nemen. Plan Pampus suggereert echter de mogelijke synthese van regionalisme en technologische vooruitgang waar Stirling op hoopte, terwijl een dergelijke synthese in het Nieuwmarktontwerp moeilijk te vinden is. Binnen het bereik van de Nederlandse architectuur en de stedenbouw is het veelbetekenend dat het bij deze plannen niet alleen maar gaat om alternatieve visies op hetzelfde onderwerp. De plannen werden ontworpen met een tussentijd van vijf jaar. Plan Pampus en het Ontwerp voor de Nieuwmarkt laten op een uiterst dramatische wijze zien hoe radicaal het denken over de architectuur van de stad in de tweede helft van de jaren zestig is veranderd. Na de periode van wederopbouw, waarin alle aandacht was gericht op stedelijke uitbreidingsplannen, werden de historische centra van de Nederlandse steden geconfronteerd met de omvangrijke gevolgen van de stadsontwikkeling. In Amsterdam veroorzaakte de aanleg van de Metro, na felle debatten over de vestiging van de Nederlandse Bank op het Frederiksplein en het nieuwe Stadhuis op het Waterlooplein, een ware volksopstand. De geoliede planologiemachine kwam tot stilstand en alleen Van Eyck en Bosch boden een uitweg aan, door het futuristische enthousiasme van Plan Pampus te verruilen voor een nostalgische reconstructie van de stad. Vanaf dat moment traden de sluimerende ideologische tegenstellingen binnen de gemeenschap van de Team Xarchitecten in het volle daglicht. Na 1970 had het werk van Van den Broek en Bakema geen betekenis meer voor het stadsontwerp in Nederland. Aldo van Eyck daarentegen groeide uit tot de spraakmakende architect van een alternatieve aanpak van architectuur en ste denbouw, maar dat gebeurde pas nadat zijn werk een opvallende verandering had ondergaan. Na de eerste signalen in zijn ontwerp voor het stadhuis van Deventer (1966) markeerde het ontwerp voor de Nieuwmarkt, met het bijbehorende manifest Stadskern als donor, een definitieve verschuiving.  Tegen het jaar 1970 was de Nederlandse moderne architectuur in een verwarrende toestand beland. Terwijl de traditionalistische architecten van de Delftse School in toenemende mate de vormentaal van de moderne architectuur absorbeerden, gaf Van Eyck, een van de exponenten van de moderne architectuur, steeds meer de voorkeur aan de vormentaal van de traditionele Nederlandse steden. De ambiguïteit van deze situatie doet denken aan de discussies op het congres van Otterlo in 1959, die gingen over de taal van de moderne architectuur en de traditie, of, in mogelijk duidelijker termen: over utopie en sociaalrealisme

    De metamorfose van Bankside Power Station tot Tate Modern in Londen

    Get PDF
    In dit artikel1 worden de formele manieren geanalyseerd waarop architecten de verbouwing hebben benaderd van een leegstaand, niet beschermd en desondanks historisch belangrijk industriegebouw. Bijna een eeuw na dato is de ‘radicale breuk met het verleden van de modernisten’ onder zowel oudere als jongere architecten nog steeds een levende mythe, ondanks de vele overtuigende argumenten die tegen een degelijke historische interpretatie van de modernisten in stelling werden gebracht. Het antwoord op deze mythe was de ‘erfgoedcultus’ van de monumentenbeschermers die na de Tweede Wereldoorlog ontstond, en die uitmondde in de huidige musealisering, niet alleen van individuele gebouwen, maar ook van complete historische stadscentra. Gedurende de laatste vijftig jaar hebben de aanhangers van de mythe en die van de cultus twee kampen gevormd, die tegengestelde belangen lijken te huldigen in hun benadering van de gebouwde omgeving. Het feit dat het ontwerp voor de verbouwing van het Bankside Power Station tot de Tate Gallery voor moderne kunst positieve kritieken heeft gekregen van beide zijden, zowel van toonaangevende architectuurcritici als van monumentenbeschermers, roept echter de vraag op of de strijdbijl misschien begraven is. De instructie voor de ontwerpprijsvraag voor de verbouwing van de elektriciteitscentrale vermeldt dat het gebouw geen beschermde status geniet, een open uitnodiging aan architecten om flink in het gebouw in te grijpen.. De voorstellen van zes architecten haalden de shortlist voor de tweede ronde. Een analyse van deze voorstellen (zie hieronder) leverde een verrassend resultaat op: de oude vorm van het gebouw bleek bepalend, in de zin dat die de vorm van het nieuwe direct beïnvloedde, hoe de conceptuele retoriek van de afzonderlijke architecten ook luidde. Daarmee wordt een vraag opgeroepen die nader onderzoek behoeft: hebben de aanhangers van de erfgoedcultus gewonnen of was het altijd al eerder een strijd in woorden dan in daden geweest, zoals gebruikelijk bij mythes

    Boekbespreking

    Get PDF
    Wouter Reh, Clemens Steenbergen en Diederik Aten Zee van land. De droogmakerij als atlas van de Hollandse landschapsarchitectuur Amsterdam (Architectura & Natura) 2005, 340 pp.Wouter Reh, Clemens Steenbergen en Diederik Aten Zee van land. De droogmakerij als atlas van de Hollandse landschapsarchitectuur Amsterdam (Architectura & Natura) 2005, 340 pp

    Groei en krimp in de Hollandse stad

    Get PDF
    Het onderzoek naar de Hollandse stad van de elfde tot de vijftiende eeuw is voornamelijk gericht op individuele steden of op één aspect uit het stadswordingsproces, bijvoorbeeld de stadsrech-ten.1 In het onderzoek naar de Hollandse stad vanaf de vijftiende eeuw wordt over het algemeen veel meer aandacht besteed aan het verkrijgen van overzicht. Het wordt gekenmerkt door een aantal studies naar stedensystemen, waarin wordt getracht de ontwikkeling van de Hollandse steden in hoofdlijnen te typeren.2 De aandacht in deze studies gaat vooral uit naar economische en demografische ontwikkelingen. Deze zal ik in de eerste paragraaf kort samenvatten aan de hand van een aantal kaartjes. De rest van dit artikel is gewijd aan ruimtelijke patronen – stedenland-schappen en stadsplattegronden – en aan steden-bouw. De ontwikkeling van sociaal-economische stedensystemen kan mooi worden vergeleken met de ontwikkeling van stadsplattegronden en de ste-denlandschappen zoals ik die eerder formuleerde op grond van de manier waarop de stadswording plaatsvond.3 In aansluiting op mijn artikel over de stadswording in Nederland van de elfde tot de vijf-tiende eeuw wil ik hier eerst ingaan op groei en krimp die van de vijftiende tot de negentiende eeuw optraden binnen de stedenlandschappen en dan op de gevolgen daarvan voor de stadsplatte-gronden en de stedenbouw. Tevens wordt een ver-gelijking gemaakt met de ontwikkelingen buiten Holland, bijvoorbeeld in Brabant en Gelderland. Opgemerkt moet worden dat er in de perio-de van de vijftiende tot de negentiende eeuw bijna geen steden meer bij kwamen.4 Bijna alle steden die wij tegenwoordig kennen, zijn ontstaan van de elfde tot de vijftiende eeuw. Voor de periode van de vijftiende tot de negentiende eeuw moeten de ontwikkelingen worden gezocht in de uitbreiding en krimp van een bepaald deel van de bestaande steden, en in de groeiende betekenis van bepaalde stedenlandschappen en het inboeten aan belang van andere. Om een beter inzicht te krijgen in het feno-meen stadsuitbreiding en ten behoeve van een goede aansluiting bij het vorige artikel begin ik mijn overzicht in de veertiende eeuw. Daar zit nog iets achter: het onderscheid dat vaak wordt gemaakt tussen de middeleeuwen en de nieuwe tijd is geforceerd. Veeleer vallen er doorlopende lijnen te ontdekken in de stedenbouw, vanuit de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw door naar de vijftien-de, zestiende en zeventiende eeuw. Dat zal zo blij-ken.Het onderzoek naar de Hollandse stad van de elfde tot de vijftiende eeuw is voornamelijk gericht op individuele steden of op één aspect uit het stadswordingsproces, bijvoorbeeld de stadsrechten.1 In het onderzoek naar de Hollandse stad vanaf de vijftiende eeuw wordt over het algemeen veel meer aandacht besteed aan het verkrijgen van overzicht. Het wordt gekenmerkt door een aantal studies naar stedensystemen, waarin wordt getracht de ontwikkeling van de Hollandse steden in hoofdlijnen te typeren.2 De aandacht in deze studies gaat vooral uit naar economische en demografische ontwikkelingen. Deze zal ik in de eerste paragraaf kort samenvatten aan de hand van een aantal kaartjes. De rest van dit artikel is gewijd aan ruimtelijke patronen – stedenlandschappen en stadsplattegronden – en aan stedenbouw. De ontwikkeling van sociaaleconomische stedensystemen kan mooi worden vergeleken met de ontwikkeling van stadsplattegronden en de stedenlandschappen zoals ik die eerder formuleerde op grond van de manier waarop de stadswording plaatsvond.3 In aansluiting op mijn artikel over de stadswording in Nederland van de elfde tot de vijftiende eeuw wil ik hier eerst ingaan op groei en krimp die van de vijftiende tot de negentiende eeuw optraden binnen de stedenlandschappen en dan op de gevolgen daarvan voor de stadsplattegronden en de stedenbouw. Tevens wordt een vergelijking gemaakt met de ontwikkelingen buiten Holland, bijvoorbeeld in Brabant en Gelderland. Opgemerkt moet worden dat er in de periode van de vijftiende tot de negentiende eeuw bijna geen steden meer bij kwamen.4 Bijna alle steden die wij tegenwoordig kennen, zijn ontstaan van de elfde tot de vijftiende eeuw. Voor de periode van de vijftiende tot de negentiende eeuw moeten de ontwikkelingen worden gezocht in de uitbreiding en krimp van een bepaald deel van de bestaande steden, en in de groeiende betekenis van bepaalde stedenlandschappen en het inboeten aan belang van andere. Om een beter inzicht te krijgen in het fenomeen stadsuitbreiding en ten behoeve van een goede aansluiting bij het vorige artikel begin ik mijn overzicht in de veertiende eeuw. Daar zit nog iets achter: het onderscheid dat vaak wordt gemaakt tussen de middeleeuwen en de nieuwe tijd is geforceerd. Veeleer vallen er doorlopende lijnen te ontdekken in de stedenbouw, vanuit de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw door naar de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw. Dat zal zo blijken

    Boekbespreking

    Get PDF
    Antonio MonestiroliThe Metope and the Triglyph. Nine lectures in architectureAmsterdam (SUN) 2005, 166 pp.Antonio MonestiroliThe Metope and the Triglyph: Nine lectures in architectureAmsterdam (SUN) 2005, 166 pp

    Voorwoord

    No full text
    OverHolland stelt de samenhang van en de wisselwerking tussen gebouw en stad aan de orde binnen de context van het Hollandse stadslandschap. De stad wordt hiertoe begrepen in haar materiële hoedanigheid, als artefact opgebouwd uit concrete elementen, zoals gebouwen en infrastructuren. In deze benadering is vooral de architectonische voorstelling van de stad, zoals die in verschillende, al dan niet uitgevoerde, ontwerpen voor de stad naar voren komt, object van studie en analyse. Het onderzoek dat wij presenteren analyseert de stad primair als een ‘architectonische constructie’.In het vorige cahier van OverHolland stond het verband centraal tussen de grotere schaal van de Randstad en de kleinere schaal van haar samenstellende delen: de individuele Hollandse steden. In vervolg op zijn eerdere artikel over de stadswording in Nederland tijdens de middeleeuwen bespreekt Reinout Rutte in het voor u liggende cahier van OverHolland de stedelijke ontwikkeling in de periode van de veertiende tot de negentiende eeuw. Hierbij relateert hij de economische en demografische verschijnselen van groei en krimp aan de ruimtelijke ontwikkeling van stadslandschappen en stadsplattegronden in deze periode.Wat betreft de afzonderlijke steden staat in dit en het volgende cahier de stad Amsterdam centraal. Zo analyseren Henk Engel en Esther Gramsbergen in hun bijdrage de totstandkoming van het eerste beursgebouw in Amsterdam in relatie tot de vorming van het centrum rond de Dam. Zij brengen twee reeksen feiten met elkaar in verband die gewoonlijk alleen los van elkaar worden bestudeerd: de ontwikkeling van publieke gebouwen en de morfologische ontwikkeling van de stad. Het tot stand brengen van openbare gebouwen voor stadsbestuur en handel levert een nieuw gezichtspunt op met betrekking tot de stadswording en de verdere stappen in het proces van verstedelijking. Met de reconstructie van de wordingsgeschiedenis van het centrum van Amsterdam is bovendien een aantal bijzondere kenmerken van de Hollandse stad aan het licht gebracht.Roberto Cavallo en Dirk Zuiderveld onderzoeken in hun artikel de opmerkelijke serie transformaties die het huidige Paradisogebouw aan de Weteringschans heeft doorgemaakt. In 1879 gebouwd als thuisbasis van het kerkgenootschap van de Vrije Gemeente is het gebouw vandaag de dag een internationaal befaamde poptempel. Dit is een typerend voorbeeld van permanentie en bestendigheid van stedelijke feiten in een continu veranderende stad.In een bijdrage van het masteratelier Hybrid Buildings van de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft worden enkele architectonische studies gepresenteerd die verschillende mogelijkheden beproeven om de spoorzone aan de oostzijde van Amsterdam om te vormen van een barrière tot een element van transitie. Een reeks studies van bebouwingsvormen langs, onder en boven het spoor is uitgewerkt in architectonische ontwerpen.Dit cahier van OverHolland wordt afgesloten met de rubriek Polemen, waarin François Claessens het architectuurtheoretische en didactische gehalte van het boek The Metope and the Triglyph van Antonio Monestiroli bespreekt, en Guus Borger de publicatie van Wouter Reh, Clemens Steenbergen en Diederik Aten over droogmakerijen en het Hollandse polderlandschap kritisch t

    Het eerste beursgebouw en de vorming van het centrum van Amsterdam

    Get PDF
    In een artikel over de Royal Exchange te Londen schreef ene Arthur Stratton in 1917: ‘A city without an Exchange lacks a centre: it is like a wheel without a hub. In times not remote the exchange was the recognized place of assembly for all merchants, where day by day they met to transact their business. It thus played a large part in the communal life of a city, and the extend and architectural character of the Exchange were in some measure an indication of the commercial enterprise and prosperity of the citizens.’1 In 1611 verscheen aan het Rokin het eerste beursgebouw van Amsterdam. Het was het grootste openbare gebouw, in ‘Hollandse renaissance’stijl, dat in opdracht van het stadsbestuur tot stand was gekomen. Het kleurrijke gebouw bestaat helaas niet meer: in 1836 werd het gesloopt wegens de slechte bouwkundige staat.2 Hiermee ging een van de interessantste stedelijke gebouwen uit de Nederlandse geschiedenis verloren. Marius van Nieuwkerk noemt in zijn boek Hollands gouden glorie het beursgebouw zelfs ‘het zenuwcentrum van de gehele internationale economie’.In een artikel over de Royal Exchange te Londen schreef ene Arthur Stratton in 1917: ‘A city without an Exchange lacks a centre: it is like a wheel without a hub. In times not remote the exchange was the recognized place of assembly for all merchants, where day by day they met to transact their business. It thus played a large part in the communal life of a city, and the extend and architectural character of the Exchange were in some measure an indication of the commercial enterprise and prosperity of the citizens.’1 In 1611 verscheen aan het Rokin het eerste beursgebouw van Amsterdam. Het was het grootste openbare gebouw, in ‘Hollandse renaissance’stijl, dat in opdracht van het stadsbestuur tot stand was gekomen. Het kleurrijke gebouw bestaat helaas niet meer: in 1836 werd het gesloopt wegens de slechte bouwkundige staat.2 Hiermee ging een van de interessantste stedelijke gebouwen uit de Nederlandse geschiedenis verloren. Marius van Nieuwkerk noemt in zijn boek Hollands gouden glorie het beursgebouw zelfs ‘het zenuwcentrum van de gehele internationale economie’

    De Europese stad. Architectonische interventies en stedelijke transformaties Een internationale conferentie in Delft en Antwerpen

    No full text
    Eind oktober 2004 vormden de steden Delft en Antwerpen het decor voor de conferentie van de EAAE (European Association for Architectural Education) over de ‘Europese stad’. Deze internationale conferentie, die gezamenlijk georganiseerd werd door de Technische Universiteit Delft en het Hoger Instituut voor Architectuurwetenschappen Henry van de Velde, richtte zich op de wisselwerking tussen ‘Architectonische Interventies & Stedelijke Transformaties’, zowel in het heden als in het verleden. De organisatoren van de conferentie vertrokken vanuit de volgende stelling:  ‘De geschiedenis van de westerse architectuur is nauw verbonden met de ontwikkeling van de Europese stad. Van de Oudheid tot de gotiek, tot de tijd van de renaissance, de barok en het classicisme, en tot in het industriële tijdperk, bepaalden de opeenvolgende stedelijke bouwstijlen de karakteristieke samengestelde vorm van de Europese stad.’ De conferentie onderzocht de rol en de invloed van architectonische projecten op de formele identiteit van de Europese stad. Daartoe werden de volgende vragen gesteld:  ‘Op welke wijze leveren architectonische interventies een bijdrage tot en katalyseren ze het proces van transformatie en vernieuwing van de bestaande stedelijke gebieden, zowel in het verleden als in het heden? Welke programma’s, typologieën en architectuurstijlen anticiperen op deze onafgebroken processen van stedelijke transformatie in Europa? Maar ook: kan het architectonisch begrip van een “Europese stad” nog blijven bestaan in een tijd van voortschrijdende globalisatie, of is het inmiddels een anachronisme geworden?’ Op de conferentie werden ongeveer vijftig papers gepresenteerd door beroepsdeskundigen en onderzoekers uit zowel Europa als de Verenigde Staten en uit verschillende ruimtelijke disciplines: architectuur, stedenbouw, geografie, planologie enzovoort. De presentatie van de papers vond plaats in Delft tijdens de eerste twee dagen van de conferentie, in twaalf parallelle sessies, conform drie centrale thema’s: 1. typomorfologisch onderzoek; 2. ontwerpend onderzoek; 3. theoretische studies. Papers over het eerste thema behandelden plananalytische studies van stedelijke gebieden in Europese steden, die de samenhang tussen de stedelijke morfologie en de typologie van gebouwen onderzoeken. Aan bod kwamen vragen als: welke zijn de typologische en morfologische elementen, die kenmerkend zijn voor de specifieke vorm van de Europese stad? Welke invloed hebben transformaties van de stedelijke morfologie op de typologie van gebouwen en omgekeerd? Door middel van casestudies richtten de presentaties zich op de verschillen in stedelijke schaal en bouwstijlen: de relatie tussen stad en grondgebied; de relatie tussen het stedelijke blok en de openbare gebouwen of woonhuizen; de morfologische ontwikkeling van bepaalde Europese steden.  Papers over het tweede thema bevatten ontwerpstudies voor stedelijke gebieden in Europese steden die de ruimtelijke potentie voor transformatie en vernieuwing onderzoeken door middel van concrete ontwerpvoorstellen of met andere woorden ‘architectonische interventies’. Tijdens deze sessies werden de volgende vragen behandeld: welke gebouwtypologieën, ’programma’s en architectonische beeldtalen kunnen bijdragen tot de vernieuwing van stedelijke gebieden? Hoe kan een verband worden gelegd tussen nieuwe architectonische interventies en de bestaande stedelijke en bebouwingsstructuren? De presentaties lieten niet alleen architectonische projecten zien maar ook stedelijke en landschappelijke projecten. Het thema ‘Ontwerpend onderzoek’ werd voor het eerst besproken op de EAAEconferentie in Delft in 2000. Gezien het aantal inschrijvingen voor dit onderwerp, is ‘Ontwerpend onderzoek’ inmiddels een volwaardige en geaccepteerde vorm van archi regering door de toezegging van een grote financiële bijdrage aan het project. Verschillende gerenommeerde onderzoekers/ontwerpers spraken de conferentie toe: dr. Anne VernezMoudon (hoogleraar aan de Universiteit van Washington in Seattle en voorzitter van het International Seminar on Urban Form – ISUF); Anthony Vidler (decaan van de Cooper Union in New York); Jo Coenen (architect en hoogleraar in Delft), dr. Piet Lombaerde (hoogleraar in Antwerpen) en Bernardo Secchi (stedenbouwkundige en hoogleraar in Venetië). Zij reflecteerden over de thema’s en vragen van de conferentie, zowel vanuit hun praktijkervaring als vanuit hun functie als docent en onderzoeker aan de universiteit. Hoewel ze de vraagstukken vanuit een verschillend perspectief bekijken, delen deze architecten/theoretici de overtuiging dat we door architectonische interventies onze steden voortdurend opnieuw vormgeven en transformeren.  Op de derde dag van de conferentie vertrokken de deelnemers in de vroege ochtend naar Antwerpen. Op het Henry van de Velde Instituut vond een plenaire slotzitting plaats, waarbij de voorzitters van de verschillende sessies hun conclusies formuleerden en bespraken met de deelnemers, wat resulteerde in een gezamenlijke conferentieverklaring. ’s Middags vond een excursie plaats onder leiding van André Singer, CEO van ontwikkelingsbedrijf Project, naar verschillende locaties in en om de stad waar nieuwe architectonische projecten worden uitgevoerd en toekomstige ontwikkelingen gepland zijn. De bezochte locaties waren: het spoorwegemplacement Noord (Secchi); het Koninklijk Entrepot (Kollhoff); het ‘EilandjeKattendijkdok’ (verschillende projecten in uitvoering) en het Gerechtsgebouw (Rogers). Na een receptie aangeboden door viceburgemeester Van Campenhout in het historische stadhuis van Antwerpen was er een afscheidsdiner in het verbouwde oude klooster Elzenveld. Het klooster vormde het volmaakte decor voor de afsluiting van vier intensieve maar bevredigende studiedagen. Er werden veel nieuwe contacten gelegd en nieuwe vrienden gemaakt, en oude contacten werden hernieuwd. Hoewel de discussies scherp waren en de meningen soms zeer uiteenliepen, was iedereen het erover eens dat het zowel een intellectueel als sociaal stimulerende gebeurtenis was geweest. Sommige deelnemers maakten al plannen voor een vervolg op deze conferentie. Alle papers en voordrachten van deze conferentie zijn opgenomen in de inmiddels gepubliceerde ‘proceedings’.Eind oktober 2004 vormden de steden Delft en Antwerpen het decor voor de conferentie van de EAAE (European Association for Architectural Education) over de ‘Europese stad’. Deze internationale conferentie, die gezamenlijk georganiseerd werd door de Technische Universiteit Delft en het Hoger Instituut voor Architectuurwetenschappen Henry van de Velde, richtte zich op de wisselwerking tussen ‘Architectonische Interventies & Stedelijke Transformaties’, zowel in het heden als in het verleden. De organisatoren van de conferentie vertrokken vanuit de volgende stelling:  ‘De geschiedenis van de westerse architectuur is nauw verbonden met de ontwikkeling van de Europese stad. Van de Oudheid tot de gotiek, tot de tijd van de renaissance, de barok en het classicisme, en tot in het industriële tijdperk, bepaalden de opeenvolgende stedelijke bouwstijlen de karakteristieke samengestelde vorm van de Europese stad.’ De conferentie onderzocht de rol en de invloed van architectonische projecten op de formele identiteit van de Europese stad. Daartoe werden de volgende vragen gesteld:  ‘Op welke wijze leveren architectonische interventies een bijdrage tot en katalyseren ze het proces van transformatie en vernieuwing van de bestaande stedelijke gebieden, zowel in het verleden als in het heden? Welke programma’s, typologieën en architectuurstijlen anticiperen op deze onafgebroken processen van stedelijke transformatie in Europa? Maar ook: kan het architectonisch begrip van een “Europese stad” nog blijven bestaan in een tijd van voortschrijdende globalisatie, of is het inmiddels een anachronisme geworden?’ Op de conferentie werden ongeveer vijftig papers gepresenteerd door beroepsdeskundigen en onderzoekers uit zowel Europa als de Verenigde Staten en uit verschillende ruimtelijke disciplines: architectuur, stedenbouw, geografie, planologie enzovoort. De presentatie van de papers vond plaats in Delft tijdens de eerste twee dagen van de conferentie, in twaalf parallelle sessies, conform drie centrale thema’s: 1. typomorfologisch onderzoek; 2. ontwerpend onderzoek; 3. theoretische studies. Papers over het eerste thema behandelden plananalytische studies van stedelijke gebieden in Europese steden, die de samenhang tussen de stedelijke morfologie en de typologie van gebouwen onderzoeken. Aan bod kwamen vragen als: welke zijn de typologische en morfologische elementen, die kenmerkend zijn voor de specifieke vorm van de Europese stad? Welke invloed hebben transformaties van de stedelijke morfologie op de typologie van gebouwen en omgekeerd? Door middel van casestudies richtten de presentaties zich op de verschillen in stedelijke schaal en bouwstijlen: de relatie tussen stad en grondgebied; de relatie tussen het stedelijke blok en de openbare gebouwen of woonhuizen; de morfologische ontwikkeling van bepaalde Europese steden.  Papers over het tweede thema bevatten ontwerpstudies voor stedelijke gebieden in Europese steden die de ruimtelijke potentie voor transformatie en vernieuwing onderzoeken door middel van concrete ontwerpvoorstellen of met andere woorden ‘architectonische interventies’. Tijdens deze sessies werden de volgende vragen behandeld: welke gebouwtypologieën, ’programma’s en architectonische beeldtalen kunnen bijdragen tot de vernieuwing van stedelijke gebieden? Hoe kan een verband worden gelegd tussen nieuwe architectonische interventies en de bestaande stedelijke en bebouwingsstructuren? De presentaties lieten niet alleen architectonische projecten zien maar ook stedelijke en landschappelijke projecten. Het thema ‘Ontwerpend onderzoek’ werd voor het eerst besproken op de EAAEconferentie in Delft in 2000. Gezien het aantal inschrijvingen voor dit onderwerp, is ‘Ontwerpend onderzoek’ inmiddels een volwaardige en geaccepteerde vorm van archi regering door de toezegging van een grote financiële bijdrage aan het project. Verschillende gerenommeerde onderzoekers/ontwerpers spraken de conferentie toe: dr. Anne VernezMoudon (hoogleraar aan de Universiteit van Washington in Seattle en voorzitter van het International Seminar on Urban Form – ISUF); Anthony Vidler (decaan van de Cooper Union in New York); Jo Coenen (architect en hoogleraar in Delft), dr. Piet Lombaerde (hoogleraar in Antwerpen) en Bernardo Secchi (stedenbouwkundige en hoogleraar in Venetië). Zij reflecteerden over de thema’s en vragen van de conferentie, zowel vanuit hun praktijkervaring als vanuit hun functie als docent en onderzoeker aan de universiteit. Hoewel ze de vraagstukken vanuit een verschillend perspectief bekijken, delen deze architecten/theoretici de overtuiging dat we door architectonische interventies onze steden voortdurend opnieuw vormgeven en transformeren.  Op de derde dag van de conferentie vertrokken de deelnemers in de vroege ochtend naar Antwerpen. Op het Henry van de Velde Instituut vond een plenaire slotzitting plaats, waarbij de voorzitters van de verschillende sessies hun conclusies formuleerden en bespraken met de deelnemers, wat resulteerde in een gezamenlijke conferentieverklaring. ’s Middags vond een excursie plaats onder leiding van André Singer, CEO van ontwikkelingsbedrijf Project, naar verschillende locaties in en om de stad waar nieuwe architectonische projecten worden uitgevoerd en toekomstige ontwikkelingen gepland zijn. De bezochte locaties waren: het spoorwegemplacement Noord (Secchi); het Koninklijk Entrepot (Kollhoff); het ‘EilandjeKattendijkdok’ (verschillende projecten in uitvoering) en het Gerechtsgebouw (Rogers). Na een receptie aangeboden door viceburgemeester Van Campenhout in het historische stadhuis van Antwerpen was er een afscheidsdiner in het verbouwde oude klooster Elzenveld. Het klooster vormde het volmaakte decor voor de afsluiting van vier intensieve maar bevredigende studiedagen. Er werden veel nieuwe contacten gelegd en nieuwe vrienden gemaakt, en oude contacten werden hernieuwd. Hoewel de discussies scherp waren en de meningen soms zeer uiteenliepen, was iedereen het erover eens dat het zowel een intellectueel als sociaal stimulerende gebeurtenis was geweest. Sommige deelnemers maakten al plannen voor een vervolg op deze conferentie. Alle papers en voordrachten van deze conferentie zijn opgenomen in de inmiddels gepubliceerde ‘proceedings’

    114

    full texts

    164

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    OverHolland
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇