OverHolland
Not a member yet
164 research outputs found
Sort by
Ontwerpen voor de Hollandse stad. Casus: Uitbreiding van het stadhuis te Gouda
De gemeente Gouda bezint zich sinds twee jaar op de herhuisvesting van het politieke en bestuurlijke centrum van de gemeente. Er is een herhuisvestingsplan gemaakt en een globaal programma van eisen vastgesteld dat betrekking heeft op in totaal 15.000 à 20.000 m2. Daarnaast is onderzoek gedaan naar tien mogelijke locaties voor de vestiging van het nieuwe stadhuis. Het gemeentebestuur heeft in juni 2004 in principe een voorkeur uitgesproken voor de stationslocatie, aan de noordzijde van het spoor.
Het is opmerkelijk dat bij het locatieonderzoek een uitbreiding in de nabijheid van het bestaande stadhuis op de markt niet onder de loep is genomen. Daaraan kleven inderdaad enige bezwaren, zoals de slechte bereikbaarheid voor auto’s en de geringe beschikbaarheid van grond. Het voornaamste bezwaar lijkt echter de situering in het hart van de historische binnenstad te zijn. Een dergelijk omvangrijk programma op deze plek zou zonder meer tot een heftige discussie over het ‘beschermd stadsgezicht’ leiden.
Het gemeentebestuur is van mening dat het nieuwe stadhuis een ‘huis voor de stad’ moet worden. De meest voor de hand liggende locatie is dan echter een plaats in het hart van de stad, waar het stadhuis zich nu dus bevindt! Het stadhuis van Gouda werd gebouwd omstreeks 1450, in laatgotische stijl. De vrije plaatsing van het gebouw, midden op de waaiervormige markt, maakt het tot een uniek monument. Achter het stadhuis is in de zeventiende eeuw, om precies te zijn in 1668, in de wand van het marktplein een nieuw waaggebouw gerealiseerd naar het ontwerp van Pieter Post (Hollands classicisme). De realisatie van de waag heeft toentertijd geleid tot een opmerkelijke wijziging van het stadsbeeld. Mede daarom is ook het waaggebouw een bijzonder monument.
Eerder al, in 1603, was aan de voorzijde van het stadhuis een nieuwe trappartij aangelegd(Cools, Hollands classicisme). In 1697 is aan de achterzijde een schavot toegevoegd (classicisme). Door de bouw van de nieuwe waag werd de civiele as ook in stedenbouwkundige zin uitgebouwd. De oude waag, die was opgenomen in de gevelrij aan de noordzijde van de Markt, werd afgebroken, evenals de twee huizen aan de westzijde hiervan met de bijbehorende bebouwing op het achtererf. Op advies van Pieter Post wilde men blijkbaar ook een nieuwe stedenbouwkundige situatie scheppen, waarbij de waag geheel vrij zou komen te staan. Aan de achterzijde van de waag werd bovendien een ruimte vrijgemaakt voor een kleiner plein, dat tot aan het water van de Zeugstraat reikt. Agrarische producten konden vanaf dat moment direct over water worden aangevoerd en na weging in de waag (en betaling van belastingen) op de markt worden aangeboden.
Stadhuis en waag vormen samen met het marktplein en het plein achter de waag een unieke monumentale groep. Gedurende de zeventiende eeuw werd het stadhuis ook intern verbouwd. De veranderingen en toevoegingen tonen aan dat het monumentale hart van de stad Gouda zich toen op een bijzondere manier heeft kunnen actualiseren. Of dat nu weer zou kunnen gebeuren, is een belangwekkende vraag. Monumentenzorg en bescherming van het historisch stadsgezicht zouden naar onze mening niet zo ver moeten gaan dat de historische binnenstad wordt ingebalsemd en nog slechts een museale en toeristische functie vervult. Het historische stadhuis en het waaggebouw – en ook twee andere monumenten: de Agnietenkapel en Hotel de Zalm – zouden in een vernieuwd bestuurlijk centrum weer een actuele functie krijgen, als men de moed zou kunnen opbrengen aan deze groep gebouwen enkele nieuwe gebouwen toe te voegen. Dat zou zelfs de bezienswaardigheid van de binnenstad van Gouda ten goede kunnen komen.
Deze studie laat zien wat de mogelijkheden daartoe zijn. Er worden twee grote elementen aan de bestaande groep gebouwen toegevoegd: het Kwadrant, een kantoorgebouw op vier steunpunten, dat boven de daken van de bestaande bebouwing zweeft, en waarin het ambtenarenapparaat wordt gehuisvest; en de Rotonde, de centrale publiekshal met baliefuncties, die ondergronds tussen de waag en het stadhuis is geplaatst. De hoofdingang van de Rotonde is ondergebracht in de waag. Het kaasmuseum op de verdieping van dit gebouw kan worden gehandhaafd. De Agnietenkapel wordt de ingangshal van het Kwadrant en behoudt tevens haar huidige functie van tentoonstellingsruimte en gehoorzaal.
In het oude stadhuis worden de vergaderruimten op de verdiepingen verwijderd, zodat daar ruimte ontstaat voor de nieuwe raadszaal. Daartoe wordt het bestaande trappenhuis vervangen door een lift en wordt een nieuw trappenhuis gemaakt. Sanitaire voorzieningen worden in de kelder aangelegd. De huidige trouwzaal wordt gehandhaafd en de burgemeesterskamer wordt tweede trouwzaal. Hotel de Zalm krijgt de bestemming van politiek caférestaurant. De verdiepingen worden verbouwd tot fractiekamers en enkele vergaderruimten. Direct daarop aansluitend wordt aan de achterzijde van Hotel de Zalm een nieuw element geplaatst, de Trommel, waarin zich de kamers van de burgermeester en de wethouders bevinden. De Trommel staat via liften in directe verbinding met het Kwadrant.
Voor de mensen die in de uitbreiding van het stadhuis werken, is er parkeergelegenheid in de Schijf, een parkeermachine met een capaciteit van 165 auto’s die in het bouwblok tussen de Zeugstraat en de Wilhelminastraat is geplaatst. Aan de andere zijde van het Kwadrant bevindt zich een stalling voor 600 fietsen. Voor de snelle aan en afvoer van de auto’s is ter hoogte van de Lem Dulstraat een nieuwe brug voorzien over de Blekerssingel. Deze brug maakt het tevens mogelijk de verkeerscirculatie van de Nieuwmarktgarage om te keren, hetgeen de verkeersveiligheid ten goede zal komen.
Een eerste studie van de constructieve, en met name funderingstechnische aspecten van het Kwadrant wijst uit dat realisatie van dit bouwwerk geen onoverkomelijke problemen zal opleveren. Verdere studie hiervan zal worden verricht door afstudeerders van de faculteit Civiele Techniek van de TU Delft. Het realiteitsgehalte van dit voorstel betreft echter niet alleen de technische aspecten, maar allereerst de eigendomsverhoudingen. De vragen hieromtrent zullen zeker al snel verward raken met de vraag of een dergelijk gebouw eigenlijk wel toelaatbaar is in het beschermde stadsgezicht van Gouda.
Realisatie van het Kwadrant biedt naar onze mening een reële mogelijkheid om de belangrijkste gemeentelijke instelling voor het historische centrum, het stadhuis, te behouden. Het Kwadrant is niet alleen een waardige toevoeging aan de reeks stadhuiswaaggebouw, maar ook een belangrijke correctie van de wat chaotische situatie die in de loop van de tijd rond de Agnietenkapel is ontstaan. De ontwikkeling van dit voormalige kloostergebied heeft sinds de opstand van 1573 en de daaropvolgende confiscatie van de kloosters een grote dynamiek gekend. De afgelopen decennia is het winkelgebied hier enorm uitgebreid en is dit noor delijke deel van de binnenstad het zwaartepunt van de economische activiteit geworden. Het Kwadrant markeert de verbinding van het nieuwe winkelgebied met het oude handelscentrum, de markt.
Wellicht zijn deze argumenten toch niet voldoende om een laatste twijfel weg te nemen, namelijk of een volgende generatie onze inzichten en overtuigingen nog wel zal delen en ons niet het verwijt zal maken het historisch erfgoed ernstig aangetast te hebben. In tegenstelling tot de gebouwen die gedurende de laatste decennia in de binnenstad zijn gebouwd, is de realisatie van het Kwadrant geen onherroepelijke ingreep. Doordat het Kwadrant zich op slechts vier steunpunten boven de bestaande bebouwing verheft, blijft deze laatste ongewijzigd intact. Al na vijftig jaar, wanneer het gebouw is afgeschreven, kan men het besluit nemen het Kwadrant weer af te breken. Zo ver zal het echter waarschijnlijk niet komen. De kans is namelijk groot dat tegen die tijd het gebouw, ondanks veranderde inzichten en overtuigingen, zal worden beschouwd als een onvervangbaar sieraad voor de stad Gouda
Jo Coenen, Alberto Ferlenga, Hans Kollhoff en Bob van Reeth: Architectonische interventies in de Europese stad
We kunnen de betekenissen van de hedendaagse stad niet zonder meer toeschrijven aan de natuurlijke opeenvolging van stedelijke feiten, vooral omdat er niets is wat hun daadwerkelijke voortbestaan garandeert. Belangrijker is echter het mechanisme van stedelijke transformatie te begrijpen en bovenal hoe we in deze kunnen handelen. We moeten niet proberen het proces van transformatie als geheel te beheersen, maar slechts de voornaamste stedelijke feiten die zich in de loop van de tijd ontwikkelen. Vragen over de betekenissen van de stad kunnen niet worden beantwoord met abstracte architectonische en typologische oplossingen, maar alleen op het niveau van een concrete stedelijke architectuur. Aldo Rossi, L’architettura della città.
Het begrip ‘stedelijke transformatie’ heeft in de loop van de tijd vele ladingen gedekt. Het behelst een niet aflatend verhaal van bulldozers, cityvorming, stadsvernieuwing, herbestemming, enzovoort. De vraag dringt zich op hoe de stad, en vooral de steeds wisselende betekenis van het project van de Europese stad, in de hedendaagse praktijk kan worden begrepen. De vier als ‘omvormers van de Europese stad’ opgevoerde protagonisten Coenen, Van Reeth, Kollhoff en Ferlenga hebben de kans gekregen om met hun architectuur binnen dit kader een rol te spelen. De betekenis van hun architectonische interventies zal hieronder worden onderzocht.
Deze vier architecten – die allen vanuit hun positie als hoogleraar binnen onderzoek en onderwijs aan dit vraagstuk werken – verrichten hun werkzaamheden binnen zogenaamde ‘masterplannen’. Masterplannen doen in verschillende vormen en maten, zoals schaal en detaillering, uitspraken over de inrichting van de openbare ruimte, het groen en de eigenschappen van de bebouwing: van straten, pleinen, plantsoenen, beplanting, bouwblokken, bouwhoogte, bebouwingstypologie en beukmaat tot en met het soort architectuur. Ze vormen zo goed testmateriaal om stedelijke architectuur te definiëren en inzicht te krijgen in de verschillende houdingen van architecten tegenover de stedenbouwkundige/stedelijke context. Hoewel allevier architecten binnen masterplannen werken, zit ieder van hen op een andere frequentie van de bovengenoemde bandbreedte.
Alberto Ferlenga (Italië), architect, hoogleraar architectonisch ontwerpen aan het IUAV in Venetië en vooral criticus, toont met de geschiedenis die het Novoliterrein – op de plaats van de oude Fiatfabriek bij Florence – heeft doorlopen, een voorbeeld van een planproces dat zo verstrikt is geraakt in de strijd tussen politieke belangen en vakopvattingen dat de jonge architecten die de plannen uiteindelijk mogen uitvoeren nauwelijks nog een handvat hebben. Dit heeft geleid tot een verzameling min of meer modieuze woongebouwen. Jo Coenen (Nederland) is een regisseur van de stad die als zodanig nadrukkelijk de samenhang tussen stedenbouw en architectuur nastreeft en die ook persoonlijk bewaakt. Opvallend is dat de architectuur van de door hem ontworpen gebouwen – de parels in het plan – zich onttrekt aan het traditionalistische vocabulaire dat uit zijn stedenbouwkundige plannen spreekt. bOb van Reeth
(België) opereert vaak op het schaalniveau tussen gebouw en buurt. Zijn ingrepen betreffen kleinschalige invullingen, waarbij hijzelf tegelijkertijd optreedt als stedenbouwer en als architect. Met Coenen deelt hij de behoefte het karakter van een plek vast te leggen door middel van architectuur. Zijn handschrift is op zoek naar eenvoud verregaand ontwikkeld. Hans Kollhoff (Duitsland) is de meest conventionele en ambachtelijke architect van dit viertal. Voor hem ligt de nadruk op de tektoniek, de relatie tussen de architectonische constructie en de logica van materialen en detaillering. Op het Delftse symposium stelde hij expliciet dat hij al sinds zijn studietijd aan de hand van deze elementen bezig is een consistent oeuvre op te bouwen, waarbij de aansluiting tussen het gebouw en het maaiveld even cruciaal is als de naden in de gevelbekleding
Landschap vol steden. Over het ontstaan van de Nederlandse steden en hun plattegronden van de elfde tot de vijftiende eeuw
Van de elfde tot de vijftiende eeuw werden in Europa minstens een paar duizend steden aange-legd in allerlei soorten en maten. Ook het grootste deel van de steden die wij tegenwoordig in Neder-land kennen, stamt uit die tijd. Evenals in de rest van Europa was de diversiteit hier groot. Het is helaas niet eenvoudig om op basis van de stads-historische literatuur inzicht te krijgen in het stads-wordingsproces in de Nederlanden tussen onge-veer 1100 en 1400, laat staan om een overzicht te krijgen van de stadsplanning in die periode.
De afgelopen decennia werd er in Nederland wel vrij veel stadshistorisch onderzoek gedaan, maar zelden vergelijkend of synthetiserend.Vooral binnen de disciplines van de middeleeuwse en economische geschiedenis en de archeologie is veel aandacht besteed aan bijvoorbeeld stadsrech-ten, stadskernonderzoek en aan economische en sociale ontwikkelingen vanaf de late Middeleeu-wen. Daarnaast is inmiddels een aanzienlijk aantal stadsmonografieën verschenen.
Het ontbreekt echter aan overzichtswerken. Bovendien is de aandacht in het onderzoek erg ongelijk verdeeld: steden in Holland werden vaker onderzocht dan bijvoorbeeld die in Gelderland, en de grote steden zijn vaker bekeken dan de kleine. Verder valt op dat veel studies eerder ingaan op de periode nadat een plaats tot stad was uitgegroeid, dan op de periode van de stadswording zelf. In het verlengde hiervan kan worden opgemerkt dat voorzover er aan theorievorming is gedaan binnen de Nederlandse stadsgeschiedenis, deze vooral betrekking heeft op de stadsontwikkeling in de periode na de stadswording. Aan de planning van steden, aan de vorm en aanleg van stadsplatte-gronden, is in het algemeen weinig aandacht geschonken.
Daarom wil ik hier proberen een overzicht te geven van de stadswording in Nederland. Nadat ik kort een theoretisch en methodologisch kader heb geschetst, concentreer ik me op twee aspecten. Ten eerste wil ik op grond van de wijze waarop de stadswording plaatsvond een aantal groepen Nederlandse steden onderscheiden, die ik ‘steden-landschappen’ noem. Ten tweede zal ik trachten inzicht te bieden in de verschillen en overeenkom-sten in de plattegronden van deze groepen steden. Het verspreidingspatroon van steden in het land-schap en de stadsplattegronden vormen dus het uitgangspunt. De centrale vraag is: hoe zien die stedenpatronen en stadsplattegronden eruit en hoe is dat zo gekomen?Van de elfde tot de vijftiende eeuw werden in Europa minstens een paar duizend steden aange-legd in allerlei soorten en maten. Ook het grootste deel van de steden die wij tegenwoordig in Neder-land kennen, stamt uit die tijd. Evenals in de rest van Europa was de diversiteit hier groot. Het is helaas niet eenvoudig om op basis van de stads-historische literatuur inzicht te krijgen in het stads-wordingsproces in de Nederlanden tussen onge-veer 1100 en 1400, laat staan om een overzicht te krijgen van de stadsplanning in die periode.
De afgelopen decennia werd er in Nederland wel vrij veel stadshistorisch onderzoek gedaan, maar zelden vergelijkend of synthetiserend.Vooral binnen de disciplines van de middeleeuwse en economische geschiedenis en de archeologie is veel aandacht besteed aan bijvoorbeeld stadsrech-ten, stadskernonderzoek en aan economische en sociale ontwikkelingen vanaf de late Middeleeu-wen. Daarnaast is inmiddels een aanzienlijk aantal stadsmonografieën verschenen.
Het ontbreekt echter aan overzichtswerken. Bovendien is de aandacht in het onderzoek erg ongelijk verdeeld: steden in Holland werden vaker onderzocht dan bijvoorbeeld die in Gelderland, en de grote steden zijn vaker bekeken dan de kleine. Verder valt op dat veel studies eerder ingaan op de periode nadat een plaats tot stad was uitgegroeid, dan op de periode van de stadswording zelf. In het verlengde hiervan kan worden opgemerkt dat voorzover er aan theorievorming is gedaan binnen de Nederlandse stadsgeschiedenis, deze vooral betrekking heeft op de stadsontwikkeling in de periode na de stadswording. Aan de planning van steden, aan de vorm en aanleg van stadsplatte-gronden, is in het algemeen weinig aandacht geschonken.
Daarom wil ik hier proberen een overzicht te geven van de stadswording in Nederland. Nadat ik kort een theoretisch en methodologisch kader heb geschetst, concentreer ik me op twee aspecten. Ten eerste wil ik op grond van de wijze waarop de stadswording plaatsvond een aantal groepen Nederlandse steden onderscheiden, die ik ‘steden-landschappen’ noem. Ten tweede zal ik trachten inzicht te bieden in de verschillen en overeenkom-sten in de plattegronden van deze groepen steden. Het verspreidingspatroon van steden in het land-schap en de stadsplattegronden vormen dus het uitgangspunt. De centrale vraag is: hoe zien die stedenpatronen en stadsplattegronden eruit en hoe is dat zo gekomen
Book Review
Wim Denslagen Romantisch modernisme: Nostalgie in de monumentenzorgAmsterdam (SUN) 2004, 255 pp.
Andrés Duany, Elizabeth Plater-Zyberk, Robert Alminana (red.)The new civic art: Elements of Town PlanningNew York (Rizzoli) 2003, 416 pp.Wim Denslagen Romantisch modernisme: Nostalgie in de monumentenzorgAmsterdam (SUN) 2004, 255 pp.
Andrés Duany, Elizabeth Plater-Zyberk, Robert Alminana (red.)The new civic art: Elements of Town PlanningNew York (Rizzoli) 2003, 416 pp
Randstad Holland in kaart
In Randstad Holland in kaart wordt het urbanisatieproces van het gebied van de Randstad Holland in vier fasen in beeld gebracht: 1850 (kaart 002a), 1940 (kaart 003a), 1970 (kaart 004a) en 2000
(kaart 005a). Op elke kaart is de stand van de verstedelijking weergegeven door een aanduiding van het bebouwde gebied en de verschillende infrastructuurstelsels: waterwegen, spoorwegen, verkeerswegen en straten. In de atlas wordt ten slotte de toestand in 2000 weergegeven, een situatie die het sediment vormt van de vier opeenvolgende urbanisatiefasen.1
Er is gekozen voor een ‘morfologische periodisering’ op grond van vier soorten stedelijk weefsel die in de ontwikkeling van de Hollandse steden kunnen worden onderscheiden.2 Deze typen zijn ook nu nog duidelijk herkenbaar in specifieke stadsdelen: de ‘grachtenstad’ is kenmerkend voor de periode tot 1850, de ‘stratenstad’ voor de periode 1850 tot 1940, de ‘open stad’ voor de periode 1940 tot 1970 en de ‘clusterstad’ voor de periode na 1970.
Een eerste versie van delen van deze kaarten werd gemaakt voor de studie De naoorlogse stad. Een hedendaagse ontwerpopgave.3 De voltooiing van de kaarten maakt deel uit van het onderzoeksprogramma Urban Architecture van de afdeling Architectuur, TU Delft. Dit onderzoek richt zich op de interactie tussen stedelijke morfologie en gebouwtypologie. In theoretisch opzicht ligt de nadruk op mogelijke verbanden tussen stadsanalyse en architectonisch ontwerp. Omdat stadsvernieuwing en herstructurering van de bestaande steden de belangrijkste taken zijn van het moment en de nabije toekomst; is een goed begrip van het veld waarin wordt ingegrepen van cruciaal belang.
In de praktijk kan Randstad Holland in Kaart als kader dienen voor meer gedetailleerde studies van afzonderlijke steden.4 De kaarten van de Randstad vormen dan ook slechts een eerste stap in het onderzoek dat de verstedelijking van de Randstad als verschijnsel inzichtelijk wil maken door niet alleen het geheel te bekijken, maar ook naar de lagere schaalniveaus van de samenstellende delen. Als eerste stap in deze verbinding van studies op regionale schaal en de stadsanalyse van afzonderlijke steden zijn hier van de negen van oudsher belangrijkste steden — Amsterdam, Haarlem, Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam, Dordrecht, Gouda en Utrecht — gegevens verzameld over bevolkingsaantallen. De oppervlakten van het bebouwde gebied zijn berekend met behulp van de kaarten (zie tabellen).In Randstad Holland in kaart wordt het urbanisatieproces van het gebied van de Randstad Holland in vier fasen in beeld gebracht: 1850 (kaart 002a), 1940 (kaart 003a), 1970 (kaart 004a) en 2000
(kaart 005a). Op elke kaart is de stand van de verstedelijking weergegeven door een aanduiding van het bebouwde gebied en de verschillende infrastructuurstelsels: waterwegen, spoorwegen, verkeerswegen en straten. In de atlas wordt ten slotte de toestand in 2000 weergegeven, een situatie die het sediment vormt van de vier opeenvolgende urbanisatiefasen.1
Er is gekozen voor een ‘morfologische periodisering’ op grond van vier soorten stedelijk weefsel die in de ontwikkeling van de Hollandse steden kunnen worden onderscheiden.2 Deze typen zijn ook nu nog duidelijk herkenbaar in specifieke stadsdelen: de ‘grachtenstad’ is kenmerkend voor de periode tot 1850, de ‘stratenstad’ voor de periode 1850 tot 1940, de ‘open stad’ voor de periode 1940 tot 1970 en de ‘clusterstad’ voor de periode na 1970.
Een eerste versie van delen van deze kaarten werd gemaakt voor de studie De naoorlogse stad. Een hedendaagse ontwerpopgave.3 De voltooiing van de kaarten maakt deel uit van het onderzoeksprogramma Urban Architecture van de afdeling Architectuur, TU Delft. Dit onderzoek richt zich op de interactie tussen stedelijke morfologie en gebouwtypologie. In theoretisch opzicht ligt de nadruk op mogelijke verbanden tussen stadsanalyse en architectonisch ontwerp. Omdat stadsvernieuwing en herstructurering van de bestaande steden de belangrijkste taken zijn van het moment en de nabije toekomst; is een goed begrip van het veld waarin wordt ingegrepen van cruciaal belang.
In de praktijk kan Randstad Holland in Kaart als kader dienen voor meer gedetailleerde studies van afzonderlijke steden.4 De kaarten van de Randstad vormen dan ook slechts een eerste stap in het onderzoek dat de verstedelijking van de Randstad als verschijnsel inzichtelijk wil maken door niet alleen het geheel te bekijken, maar ook naar de lagere schaalniveaus van de samenstellende delen. Als eerste stap in deze verbinding van studies op regionale schaal en de stadsanalyse van afzonderlijke steden zijn hier van de negen van oudsher belangrijkste steden — Amsterdam, Haarlem, Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam, Dordrecht, Gouda en Utrecht — gegevens verzameld over bevolkingsaantallen. De oppervlakten van het bebouwde gebied zijn berekend met behulp van de kaarten (zie tabellen)
Boekbespreking
Hans Ibelings
Onmoderne architectuur
Hedendaagse traditionalisme in Nederland Rotterdam (NAi) 2004, 144 pp.Hans Ibelings
Onmoderne architectuur
Hedendaagse traditionalisme in Nederland Rotterdam (NAi) 2004, 144 pp
Voorwoord
OverHolland is een uitgave van de afdeling Architectuur van de faculteit Bouwkunde, TU Delft. Het is de bedoeling van de redactie om per jaar twee cahiers te doen verschijnen. Het veld van architectonisch onderzoek dat in deze reeks aan de orde wordt gesteld, betreft zowel het typologisch en morfologisch stadsonderzoek als het vraagstuk van architectonische interventies in de context van de Hollandse steden. Het eerste cahier is een verkenning van de problematiek en doet verslag van de conferentie ‘Transfor-mers of the European city’, met bijdragen van de architecten Jo Coenen, Alberto Ferlenga, Hans Kollhoff en Bob van Reeth.
 
Architectonisch ontwerp en stadsanalyse
Het veld van typologisch en morfologisch stadsonderzoek zoals wij dat thans opvatten, is in de jaren zestig helder gedefinieerd en tot ontwikkeling gebracht door een groep jonge Italiaanse architecten die in de jaren zeventig internationaal bekend is geworden onder de naam Tendenza.1 In een terugblik hierop in Casabella schrijft Massimo Scolari in 1985:
‘For a whole generation urban analysis and the concept of typology have represented, from the early Venetian research of Saverio Muratori untill the studies in the Venetian area by Aldo Rossi, Carlo Aymonino and Constantino Dardi, an ideological and a design point of reference. (…) This position, which Tafuri was to define “typological criticism”, and which found in Rossi’s Architecture of the city a true manifest, took part to the difficult ‘Sixtyeight’ period next to the most progressive ideas of the Movimento Studentesco, which had recognized its qualities of moral firmness and of critique of the ancien regime.’
Het morfologisch en typologisch stadsonderzoek is in de afgelopen decennia voor veel architectuurscholen een vanzelfsprekende zaak geworden. Het is tot op zekere hoogte uitgegroeid tot een zelfstandig gebied van wetenschappelijk onderzoek. De oprichting in 1998 van het ‘International Seminar on Urban Form’ getuigt daarvan. Tegelijkertijd realiseren we ons dat de verbinding van het architectonisch ontwerpen met het typomorfologisch stadsonderzoek minder vanzelfsprekend is. In een interview in hetzelfde nummer van Casabella zegt Aldo Rossi:
‘Urban and typological studies have been important issues in my formation. More generally I believe that they are an important and fundamental aspect in the formation of an architect. The architecture of the city is no longer just the title of a book but a way of studying and understanding architecture in any part of the world. Obviously nobody discovers anything new but rather brings to light some disciplinary aspects: architects have always studied the city but this inquiry had, so to speak, got dusty. (…) To think however that typomorphological studies represent the main vehicle of architecture could be another way of narrowing down the freedom of training for the young architect. (…) Teaching must help this training, or at least not hinder it by continually creating new myths, as functionalism did or as typomorphological analysis runs the risk of doing.’
Het is duidelijk dat Rossi in deze terugblik de betekenis van het stadsonderzoek relativeert. Hij zet uiteen dat het stadsonderzoek alleen van belang is in een meeromvattend programma voor de opleiding tot architect. Dit meeromvattend programma heb ik elders ‘het wetenschappelijk en didactisch project van Tendenza’ genoemd. Als we het geheel van de activiteiten in de jaren zestig en zeventig die onder deze noemer kunnen worden gevat, in ogenschouw nemen, dan kan een aantal stappen worden onderscheiden. De ontwikkeling van een programma voor het typologisch en morfologisch stadsonderzoek is daar één van, het uitwerken van een ontwerptheorie een andere. Ook wordt dan duidelijk dat het laatste niet tot een gemeenschappelijk resultaat heeft geleid, maar in verschillende aanzetten van de betrokken architecten is blijven steken. Toen Giorgio Grassi tijdens een lezing in Delft in 1977 gevraagd werd wat hij van Tendenza dacht, antwoordde hij:
‘(…) naar mijn mening kunnen we met dit woord alleen een ideologische en architectonische eenheid aanduiden van mensen die blijk geven van dezelfde interesse in architectuur, stad, historischanalytische studies, enzovoort. Hun onderzoek van het ontwerp kan dan ook onderling zeer verschillend zijn.’ 7
Dat was aan het eind van de jaren zeventig. Het wetenschappelijk en didactisch project van Tendens was toen in feite uiteengevallen in verschillende autobiografische richtingen. Tegelijkertijd werd het Italiaanse werk overschaduwd door een normatief, historiserend contextualisme à la Rob Krier. Rond 1980 heeft Rem Koolhaas daartegen terecht stelling genomen. Bij gelegenheid van de tentoonstelling OMA drawings at the Architectural Association in Londen in 1981, verklaarde Koolhaas:
‘OMA has been concerned with the preservation and revision of the tradition of socalled functionalism – exemplified by Leonidov, Melnikov, the “Berlin” Mies, the Wright of Broadacre City, the Hood of Rockefeller Center (…) In the “new” historicist and typological architectures, culture will be at the mercy of a cruel Procrustean arsenal that will censor certain “modern activities” with the excuse that there is no room for them, while other programs will be revived artificially, simply because hey fit the forms and types that have been resurrected.’8
Toch is ook voor OMA de stedelijke context de maat der dingen die te gebeuren staan – weliswaar niet van de architectonische vormen, maar van ‘the programmatic imagination to make new insertions in an existing livedin world; insertions that would acknowledge and enhance the context they find, and which at best would provoke subtle mutations, in the tradition of modernity’.9
De stellingname van OMA raakte met name binnen de faculteit Bouwkunde van de TU Delft een gevoelige snaar. De oude ideologische strijd tussen traditionalisme en modernisme werd hierdoor opnieuw geactiveerd. In die situatie werden in Delft de eerste typologische studies en morfologische stadsanalyses geïnitieerd.10 De vraag naar de verbanden tussen ontwerp en stadsanalyse is in Delft vanaf het begin een open vraag gebleven. Het experiment staat in Nederland sinds lang in hoog aanzien. Vanuit een wetenschappelijk standpunt gezien lijkt dat een groot voordeel te zijn. Toch getuigt het experimentalisme mijns inziens eerder van een voorkeur voor pragmatische oplossingen en het systematisch uit de weg gaan van theoretische vragen die zowel voor de architectuur als voor het wetenschappelijk onderzoek onontbeerlijk zijn.
Ik wil daarom herinneren aan een tekst uit 1966 waarin Rossi voor het eerst expliciet de relatie tussen analyse en ontwerp aan de orde stelde. In Architettura per i musei gaat hij in op verschillende aspecten van de wijze waarop het ontwerpen als individuele handeling – met inbegrip van het subjectieve element dat daaraan eigen is – kan worden gedacht in relatie tot de architectuur als collectief gegeven, met een eigen geschiedenis die haar neerslag heeft gevonden in steden en hun monumenten, maar ook in nietgerealiseerde ontwerpen, traktaten en handboeken.11
Een architectuurschool kan volgens Rossi niet zonder een ontwerptheorie. In veel gevallen echter wordt zo’n theorie slechts beschouwd als een rationalisatie achteraf van bepaalde ontwerphandelingen. Rossi stelt daartegenover dat een ontwerptheorie moet worden beschouwd als een moment van een architectuurtheorie:
Voor we over een theorie van het ontwerpen kunnen spreken, zullen we ons eerst moeten afvragen wat we onder architectuur verstaan en zullen we een definitie van architectuur moeten geven. Vervolgens zullen we aandacht moeten besteden aan de criteria waaraan het architectonisch ontwerpen behoort te voldoen en tevens aan de verhouding van ontwerpen en geschiedenis van de architectuur. Kortom, we moeten ons richten op datgene dat ons een concreet begrip verschaft van de architectuur, namelijk de stad, de geschiedenis en de monumenten.12
Dit zijn vragen waarmee we nog steeds te maken krijgen als we over mogelijke verbanden tussen stadsanalyse en architectonisch ontwerp willen spreken. Door de stad op te vatten als het veld waarbinnen de architectuur opereert en betekenis krijgt, heeft Rossi tegelijkertijd het begrip ‘monument’ aangereikt als sleutel voor het onderzoek naar de grondslagen van de architectuur. In het monument wordt de complexe samenhang getoond tussen de architectonische vormen en de geschiedenis, en overleeft de architectonische vorm de oorspronkelijke aanleiding van zijn constructie. Wat permanent is, is de vorm die zich openstelt voor veranderende functies en betekenissen