OverHolland
Not a member yet
    164 research outputs found

    Drie moderne campussen, drie revoluties, drie experimenten

    No full text
    Thirty years after the Second World War, architecture culture was dominated by a discourse critical of the once cherished modernism and marked by scepticism towards its canonical narrative. However, other modernisms still emerging outside Europe and America, especially in geographies that had not been battlefields of war, faced their own socio-political struggles and formed strong ties with that earlier modern movement. The legacy of modernism lived on in the so-called developing countries located in a geopolitical sphere identified with the ‘third world’. In Brazil, Mexico, Cuba, Venezuela, Colombia, Chile, Turkey, India, Iraq, Nigeria and Singapore there was a continuing interest in the pragmatic and experimental aspects of modern architecture. Economic realities justified this persistence, as did the engineering discipline’s familiar slogan of ‘maximum efficiency for minimum effort and investment’. Unlike in Europe and North America, and contrary to expectations, the industrial revolution did not materialize as expected in these countries and in some cases it can even be said that it did not occur at all.3 ‘Revolution’, on the other hand, became a popular slogan and was readily adopted by the masses. In countries like Mexico, Turkey or Cuba, the term revolution had little to do with industry. Rather, it was associated with ideology, abrupt social changes, fundamental transformations in political power, and public revolts against undemocratic governments.How successful these social revolutions were and how much the architecture they produced reflected their ideologies is debatable. Influenced by the worldview of positivism and the idea of instrumentality in applied sciences, universities established in these countries did indeed embrace revolutions, in some cases becoming the breeding ground for reformist ideologies or symbolizing their ideals in others. They were the visible symbols of newly established nation states and reflected revolutionary values.Dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog heerste in de architectuurwereld een kritische houding ten aanzien van het eens zo gekoesterde modernisme en scepsis tegenover het gangbare narratief ervan. Buiten Europa en de Verenigde Staten, met name in gebieden waar geen oorlog had gewoed, kwam nog wel anderssoortige modernistische architectuur tot stand, maar die had te maken met lokale sociaal-politieke situaties en vertoonde sterke banden met de vooroorlogse moderne beweging. De sporen daarvan leefden voort in de zogenaamde ontwikkelingslanden in geopolitieke sferen die ook wel de ‘derde wereld’ werden genoemd. In Brazilië, Mexico, Cuba, Venezuela, Colombia, Chili, Turkije, India, Irak, Nigeria en Singapore bestond aanhoudende interesse voor de pragmatische en experimentele aspecten van de moderne architectuur. Die werd gerechtvaardigd door de economische omstandigheden, en ook door het bekende devies van ingenieurs: ‘maximale efficiëntie door minimale inspanning en investering’. Anders dan in Europa en de Verenigde Staten manifesteerde de industriële revolutie zich in die landen niet zoals verwacht werd en in sommige gevallen zou je zelfs kunnen zeggen helemaal niet. ‘Revolutie’ werd daarentegen een veelgehoorde slogan die algauw door de massa werd overgenomen. In landen als Mexico, Turkije of Cuba had de term revolutie weinig van doen met industrie. Ze werd eerder geassocieerd met ideologieën, plotse maatschappelijke veranderingen, fundamentele politieke machtswendingen en volksopstanden tegen ondemocratische regeringen.Hoe geslaagd die sociale revoluties waren en in hoeverre de architectuur die eruit voortkwam een afspiegeling was van de betreffende ideologieën is de vraag. Onder invloed van een wereldwijd heersend positivisme en van de instrumentalistische oriëntatie binnen de toegepaste wetenschappen stonden universiteiten in die landen zeker welwillend tegenover revoluties, in sommige gevallen werden het voedingsbodems voor hervormingsgezinde ideologieën, in andere gevallen werden ze gezien als symbool voor de onderliggende idealen. Ze waren de zinnebeelden van pas gevormde natiestaten en een weerspiegeling van revolutionaire waarden

    Boekintroductie

    No full text
    Henk Engel introduces Autonome architectuur en de stadOntwerp en onderzoek in het onderwijs van La TendenzaDelft (KNOB and OverHolland), 2023, 341 pp.    Henk Engel introduceert Autonome architectuur en de stadOntwerp en onderzoek in het onderwijs van La TendenzaDelft (KNOB en OverHolland), 2023, 341 pp. &nbsp

    Tijdlijn Delft, Eindhoven, Twente: Drie technische universiteitscampussen vergeleken

    No full text
    Using a timeline and a network map, the development of the Twente campus and the architects involved are compared with those of the other two technical universities in the Netherlands. The Twente campus was the third in line, after Delft and Eindhoven. How do the three campuses compare in terms of urban embedding, spatial layout and building design? What are the similarities and differences, and which architectural concepts migrate between the campuses? For this comparison, we use the Delft and Eindhoven campus-atlases published in OverHolland 18/19. To understand and compare the three campuses over time, we have distinguished two periods of spatial development: 1950 – 1975: Conception and Consolidation, and 1975 – 2015: Transformation and Hybridisation.In the conception phase, we see marked differences in the spatial layout. In Delft, the campus took shape as a monofunctional ‘sector’, a separate urban district, which could be extended in two directions. Student life, i.e. student dorms and societies, remained in the existing city. The technical universities in Eindhoven and Twente were completely new. In Eindhoven, the first compact high-rise campus emerged in a park-like setting. In Twente, the first and only residential university was established, which was an educational experiment unique to the Netherlands and more in line with North American/UK examples.The spatial developments begin to converge during the second period of transformation and hybridisation. Due to stagnation in student numbers in the 1970s and 1980s, there was initially little development on the three campuses during this period. Things only started moving again after the introduction of the bachelor/master struc ture in 2002. This made it easier for international students to study in the Netherlands, leading to a significant increase in student numbers and a greater need for student accommodation and other facilities.Dit artikel presenteert aan de hand van een tijdlijn en een netwerkdiagram van de betrokken architecten en stedenbouwkundigen de ontwikkeling van de Twentse campus naast die van de twee andere Technische Universiteiten in Nederland. De Twentse campus was de derde in de rij, na Delft en Eindhoven. Hoe verhouden de drie campussen zich tot elkaar wat betreft stedenbouwkundige inbedding, ruimtelijke inrichting en gebouwontwerp? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen en welke architectonische ideeën migreren tussen de campussen? Voor deze vergelijking maken we gebruik van de campus-atlassen van Delft en Eindhoven die zijn gepubliceerd in OverHolland 18/19. Om de drie campussen te begrijpen en te vergelijken in de tijd, hebben we twee periodes van ruimtelijke ontwikkeling onderscheiden, 1960-1975: Conceptie en consolidatie, en 1975-2015: Transformatie en hybridisatie.In de eerste periode van conceptie en consolidatie zien we sterke verschillen. In Delft kreeg de campus vorm als een monofunctionele ‘sector’, een apart stadsdeel dat in twee richtingen kon worden uitgebreid. Het ‘studentenleven’, op studentenkamers en in gezelligheidsverenigingen, bleef in de stad gevestigd. De TH’s in Eindhoven en Twente waren compleet nieuw. In Eindhoven verrees de eerste compacte hoogbouwcampus in een parkachtige setting. In Twente werd de eerste en enige residentiële universiteit opgericht, een voor Nederland uniek onderwijsexperiment dat aansloot bij Angelsaksische voorbeelden.Tijdens de tweede periode van transformatie en hybridisatie beginnen de ruimtelijke ontwikkelingen naar elkaar toe te groeien. Vanwege stagnatie van de studentenaantallen in de jaren zeventig en tachtig was er aanvankelijk in deze periode weinig ontwikkeling op de drie campussen. Er komt pas weer beweging in na de invoering van de bachelor-masterstructuur in 2002. Het werd daardoor voor internationale studenten makkelijker om in Nederland te studeren en het leidde tot een aanzienlijke toename van het aantal studenten, wat meer behoefte aan studentenhuisvesting en andere voorzieningen met zich meebracht

    Beeldkwaliteit campus UTwente heroverwogen

    No full text
    There is probably no university campus in the Netherlands about which more has been drawn and written than that of the University of Twente (UT). The establishment of the first and only true campus university in the Netherlands, located on a 150-hectare wooded site between Hengelo and Enschede, resulted in a rapid succession of master plans and visual quality plans. In addition, numerous articles, books and a dissertation have been published. This interest is not without reason.First of all, the history of the origins of what would become the third technical college in the Netherlands is of particular interest for the development of higher education due to its experimental nature. Secondly, hidden amongst the greenery are some of the most evocative architectural structures from the 1960s and 1970s, such as De Boerderij (The Farm) by Piet Blom, the Chemical Engineering building by Samuel van Embden and Jacques Choisy and a small canteen building by Joop van Stigt. Then there are the special student housing projects, including the mastabas, pyramids and patio complex designed by Herman Haan.Thirdly, since the construction of the campus in the 1960s, the immediate surroundings have changed to such an extent that the campus can no longer be regarded as an independent entity. Since the rapprochement between the university and the adja cent business park at the end of the last century, the municipality of Enschede and the university have developed a coherent spatial development concept.Er is waarschijnlijk geen universiteitsterrein in Nederland waaraan meer getekend en waarover meer geschreven en is dan de campus van de Universiteit van Twente (UT). De inrichting van de eerste en enige echte campusuniversiteit in Nederland, gelegen tussen Hengelo en Enschede op een bosrijk terrein van 150 hectare, heeft geleid tot elkaar in rap tempo opvolgende masterplannen en beeldkwaliteitsplannen. Daarnaast verschenen er talloze artikelen, boeken en een dissertatie.Deze belangstelling is niet zonder reden. Ten eerste is de wordingsgeschiedenis van wat destijds de derde technische hogeschool van Nederland zou worden bijzonder belangwekkend voor de ontwikkelingen van het hoger onderwijs vanwege het experimentele karakter ervan. Ten tweede liggen verscholen tussen het groen enkele van de meest tot de verbeelding sprekende architectonische objecten uit de jaren zestig en zeventig, zoals De Boerderij naar het ontwerp van Piet Blom, het gebouw voor Chemische Technologie van Samuel van Embden en Jacques Choisy en het kantinegebouwtje van Joop van Stigt. Dan zijn er nog de bijzondere studentenhuisvestingsprojecten, waaronder de zogeheten mastaba’s en piramides ontworpen door Herman Haan en het patiocomplex van dezelfde architect.Ten derde is sinds de aanleg van de campus in de jaren zestig de directe omgeving dusdanig veranderd dat de campus niet meer als een zelfstandige entiteit beschouwd kan worden. Sinds de toenadering tussen de universiteit en het aangrenzende bedrijvenpark aan het eind van de vorige eeuw, zijn de gemeente Enschede en de universiteit tot een samenhangende ruimtelijke ontwikkelingsvisie gekomen

    “Classroom without walls”: Van teaching machines tot machine learning

    No full text
    The intersection of learning, space, and technology has become a significant focus in recent years. The design of educational environments for the future has emerged as a critical concern within campus architecture. These new university buildings often bear concise brand names that are abbreviated keywords, such as ‘collaboration’, ‘creativity’, or ‘flexibility’. Notable examples include UN Studio’s ‘Echo’ and ‘Pulse’ by ector hoogstad architecten, designed as new and innovative learning centres for the TU Delft campus. Despite their different architectural qualities, these projects share a common conceptual thread—integrating space and technology to create immersive learning experiences. In light of the rise of artificial intelligence, it is essential to consider how learning spaces can be adapted to this new era. Moreover, in a data-driven society, it becomes critical to question the nature of learning itself. The origins of these inquiries can be traced back to the mid-20th century’s experimental era of cybernetics, where the convergence of human and machine learning left an unforgettable mark on architectural history.Het samenspel tussen leren, ruimte en technologie is de afgelopen jaren een belangrijk thema geworden. Het ontwerpen van onderwijsomgevingen voor de toekomst krijgt bijzondere aandacht in de architectuur van universitaire campussen. Deze nieuwe universiteitsgebouwen dragen vaak beknopte merknamen die verwijzen naar sleutelwoorden, zoals ‘samenwerking’, ‘creativiteit’ of ‘flexibiliteit’. Opvallende voorbeelden zijn UN Studio’s ‘Echo’ en ‘Pulse’ van ector hoogstad architecten, ontworpen als nieuwe en innovatieve leercentra voor de campus van de TU Delft. Ondanks hun verschillende architecturale kwaliteiten hebben deze projecten een gemeenschappelijke conceptuele rode draad: de integratie van ruimte en technologie om meeslepende leerervaringen te creëren. In het licht van de opkomst van kunstmatige intelligentie is het essentieel om na te denken over hoe leerruimtes kunnen worden aangepast aan dit nieuwe tijdperk. Bovendien wordt het in een datagestuurde maatschappij cruciaal om de aard van het leren zelf te bevragen. De oorsprong hiervan gaat terug tot het experimentele tijdperk van de cybernetica halverwege de twintigste eeuw, waar de convergentie van menselijk en machinaal leren een onvergetelijk stempel drukte op de architectuurgeschiedenis

    Campus-atlas Twente

    No full text
    Like the campus-atlases for Delft and Eindhoven in OverHolland 18/19, this contribution documents the spatial design and transformation of the University of Twente (UT) campus in a series of maps and analytical drawings. The starting point for this is a comparison between the master plan of the campus from 1962, the actual situation in 1975 and the situation in 2015. These three reference dates provide a good overview of the developments that have taken place on the campus over the past few decades. The atlas therefore provides background information for the following reflections in this issue.The master plan from 1962, drawn up by Willem van Tijen and Samuel van Embden formed the framework for the first construction activities on the campus. In 1975, eleven years after the first buildings were completed, the original design ideas have crystallised and the campus has taken shape more or less as envisaged by the founders and designers from the start. Forty years later, in 2015, the campus is in the middle of a major transformation process. A general reorientation of the original design of the university and the influx of students have left their mark on the spatial form. What stands out is not just the densification of the campus but also the hybridisation; the abandonment of original functional zoning and the introduction of new design principles. In addition, various first-generation university buildings which had since seen better days have been replaced or redeveloped.Analoog aan de campus-atlassen van Delft en Eindhoven in OverHolland 18/19 wordt in deze bijdrage de ruimtelijke opzet en transformatie van de campus van de Universiteit Twente (UT) gedocumenteerd in een serie kaarten en analysetekeningen. Uitgangspunt is daarbij een vergelijking tussen het Structuurplan van de campus uit 1962, de feitelijke situatie in 1975 en die in 2015. Deze drie peilmomenten geven een goed overzicht van de ontwikkelingen van de campus in de afgelopen decennia. De atlas biedt daarmee achtergrondinformatie voor de hiernavolgende beschouwingen elders in dit nummer.Het Structuurplan uit 1962, opgesteld door Willem van Tijen en Samuel van Embden, vormde het kader van de eerste bouwactiviteiten op de campus. In 1975, elf jaar nadat de eerste gebouwen werden opgeleverd, zijn de oorspronkelijke ontwerpideeën uitgekristalliseerd en heeft de campus min of meer vorm gekregen zoals het de initiatiefnemers en ontwerpers van het eerste uur voor ogen had gestaan. Veertig jaar daarna, in 2015, bevindt de campus zich midden in een ingrijpend transformatieproces. Een algemene heroriëntatie op de oorspronkelijke opzet van de universiteit en de aanwas van studenten hebben hun sporen nagelaten in de ruimtelijke verschijningsvorm. Wat opvalt is niet alleen de ruimtelijke verdichting van de campus, maar ook de hybridisatie; het loslaten van oorspronkelijke functionele zonering en de introductie van nieuwe uitgangspunten. Ook zijn verschillende universiteitsgebouwen van de eerste generatie, die inmiddels hun beste tijd hebben gehad, vervangen of herontwikkeld

    Campus Utopias I: Middle East Technical University Ankara, creatief herlezen

    No full text
    In collaboration with TU Delft’s Department of Architecture, the ‘Campus Utopias’ graduate research course was conducted with students from the Architecture Department of the Middle East Technical University (METU) in Ankara, in 2021. The focus of the research was the METU campus, an iconic example of modern architecture in Turkey, and the goal was to discover the intentions of its designers. As well as the architects of the campus, the term ‘designer’ was used to refer to the institutions and individuals who had been involved in the establishment of the university.The original campus, built between 1962 and 1970, was a masterpiece of urban design and architecture. Merging the urbanistic ideals developed at the International Congresses of Modern Architecture (CIAM 1928-1959) and the formal codes of the International Style with common elements of regional architecture, the campus created a unique environment. The overall design, reflected in plan schemes, infrastructural systems and construction techniques, was the outcome of post-war experimental research in architectural engineering. Another reason for its prominence, besides its material qualities and stylistic maturity as a genuine interpretation of modern architecture, were the social values crafted and disseminated by this modernist institution. Providing a sense of identity and belonging, the campus served to foster a spirit of community. Traces of desired modernity can still be found in the institutional presence of the campus, partly in its architectural image and partly in the association between this image and the democratic, liberal social life it provides.In 2021 is met masterstudenten van de afdeling architectuur van de Middle East Technical University (METU) in Ankara het onderzoeksproject ‘Campus Utopias’ uitgevoerd. Het project werd ondernomen in samenwerking met de afdeling Architectuur van de TU Delft. Focus van dit onderzoek was de campus van de Middle East Technical University (METU), een iconisch voorbeeld van moderne architectuur in Turkije. Het doel was om te achterhalen wat de intenties van de ontwerpers zijn geweest. De term ‘ontwerpers’ verwees hier naar zowel de architecten van de campus als naar de instellingen en individuele personen die bij de oprichting van de universiteit betrokken waren geweest.De oorspronkelijke campus, gebouwd tussen 1962en 1970, kan worden beschouwd als stedenbouwkundigen architectonisch meesterwerk. Doorde stedenbouwkundige idealen die voortkwamenuit de internationale congressen over modernearchitectuur (CIAM, 1928-1959)en de vormprincipesvan de International Style te combinerenmet typische elementen uit regionale bouwstijlen,ontstond een campus met een unieke ambiance. Het algehele ontwerp, zoals dat naar voren komt uit ontwerpschema’s, infrastructurele systemen en bouwtechnieken, was het resultaat van experimenteel onderzoek op het gebied van de naoorlogse architectuur. Het project is niet alleen interessant vanwege de architectonische kwaliteiten en stilistische rijpheid, maar ook vanwege de sociale waarden die deze modernistische instelling voortbracht en uitdroeg. De campus verschafte een gevoel van identiteit en verbondenheid en cultiveerde daarmee ook gemeenschapszin. Sporen van het beoogde moderne karakter zijn nog altijd te vinden in de institutionele hoedanigheid van de campus zelf, deels in het architectonische beeld ervan, deels in de associatie tussen dat beeld en het democratische, veelzijdige sociale leven dat hier mogelijk is

    Boekbespreking

    No full text
    Book review of Arne Schirrmacher / Maren Wienigk (eds.)Architectures of ScienceThe Berlin Universities and Their Development in Urban SpaceBerlin (JOVIS Verlag), 2019, 304 pp. Paoli FusiMultiple CampusSzenarien für die Universität der ZukunftBerlin (JOVIS Verlag), 2019, 450 pp.Boekbespreking van Arne Schirrmacher / Maren Wienigk (red.)Architekturen der WissenschaftDie Entwicklung der Berliner Universitäten im städtischen RaumBerlijn (JOVIS Verlag), 2019, 304 pp. Paoli FusiMultiple CampusSzenarien für die Universität der ZukunftBerlijn (JOVIS Verlag), 2019, 450 pp

    Campus Utopias II: UTwente, twaalf projecten, dertien ongelukken?

    No full text
    Drienerlo, the campus of the University of Twente (UT), represents one of the most interesting episodes in Dutch modern architecture and town planning. Moreover, its importance is not limited to that alone: the realisation of the campus in Twente was an integral part of a socio-pedagogical experiment. Perhaps for this very reason, the campus grew into a contact zone for different generations of Dutch modernists from Willem van Tijen (1894- 1974) and Samuel van Embden (1904-2000) to the Forum group.Forum is a Dutch architectural review that in the period 1959-1963, with Jaap Bakema, Aldo van Eyck, Herman Hertzberger and others on its editorial board, was the birthplace of so-called ‘structuralism’, for which non-Western building forms served as models, such as North African casbahs, Indian pueblos and Egyptian mastabas and pyramids. ‘The Story of Another Idea’ with which the first issue of the then-new Forum editorial office opened, nr. 7 1959, turned against the ‘functionalism’ of the older generation of modernists and elicited a wave of reactions, including a harsh critique by Van Tijen.All the same, it is precisely the open master plan for de TH Twente of Van Tijen and Van Embden (1962) that ultimately provided a veritable testing ground for a range of architectural ideals and approaches. Not only do the leading examples of modern architecture on campus bear witness to this but also a host of unrealised plans, such as Oswald Mathias Ungers’ entry to the competition for student housing (1963) and the only partially implemented structuralist plans for the centre of the campus by Piet Blom and Bert Smulders (1966), the building for Applied Mathematics, Computing Centre, Social Sciences and Electrical Engineering by Leo Heijdenrijk and Jos Mol (1969) and the pyramids and mastabas for student housing by Herman Haan (1970).Drienerlo, de campus van de Universiteit vanTwente (UT), vertegenwoordigt een van de interessantsteepisodes in de Nederlandse modernearchitectuur en stedenbouw. Bovendien beperkthet belang ervan zich niet alleen daartoe: derealisatie van de campus in Twente was integraalonderdeel van een socio-pedagogisch experiment. Misschien juist daarom groeide de campus uit tot een contact zone tussen verschillende generaties Nederlandse modernisten, van Willem van Tijen (1894-1974) en Samuel van Embden (1904-2000) tot de Forum-groep.Forum is een Nederlands architectuurtijdschrift dat in de periode 1959-1963, met onder anderen Jaap Bakema, Aldo van Eyck en Herman Hertzberger in de redactie, de bakermat was van het zogeheten structuralisme, waarvoor niet-westerse bouwvormen model stonden, zoals Noord-Afrikaanse kasba’s, Indiaanse pueblo’s en Egyptische mastaba’s en piramides. ‘Het verhaal van een andere gedachte’ waarmee het eerste nummer van de toen nieuwe Forum-redactie opende, keerde zich tegen het ‘functionalisme’ van de oudere generatie modernisten en ontlokte een golf van reacties, waaronder een niet malse kritiek van Van Tijen.Toch is het juist het open Structuurplan voor de TH Twente (1962) van Van Tijen en Van Embden dat uiteindelijk een ware proeftuin opleverde voor een scala van architectonische idealen en benaderingen. Niet alleen de toonaangevende staaltjes moderne architectuur op de campus getuigen daarvan, maar ook een keur van ongerealiseerde plannen, zoals de inzending voor de prijsvraag voor studentenhuisvesting (1963) van Oswald Mathias Ungers en de slechts ten dele uitgevoerde structuralistische plannen voor het centrum van de campus (1966) van Piet Blom en Bert Smulders, het gebouw voor Toegepaste Wiskunde, Rekencentrum,  Maatschappijwetenschappen en Elektrotechniek (1969) vanLeo Heijdenrijk en Jos Mol en de piramiden en mastaba’s voor studentenhuisvesting (1970) van Herman Haan

    Watersysteem en stadsvorm in Holland : Een verkenning in kaartbeelden: 1575, 1680, 1900 en 2015

    Full text link
    In 1901, the Polderkaart van de landen tusschen Maas en IJ (Polder map of the lands between Maas and IJ) appeared in print. This large coloured wall map was the work of W.H.Hoekwater of Charlois, a teacher by profession.The map had an educational purpose: Hoekwater wanted to show just what a ‘singular country’ this low-lying area of the Netherlands was, built and maintained through the ‘sheer willpower and genius of earlier and current inhabitants’. His explanatory notes consist of a brief technical introduction and, most notably, a summary and description of the storage drainage systems and associated hydraulic engineering works, with tables showing the different water levels. Hoekwater had two versions of his explanatory notes printed, one for municipal, polder and water boardadministrators and one for school children.Hoekwater’s map showed the hydraulic engineering works in the area between the rivers Maas and IJ, and how those entities discharged into the waters outside the dyke system. Hoekwater had drawn the map on his own initiative, without having been commissioned to do so by a district water board or any other organisation. Since the sixteenth century, large wall maps of various water board districts had been made at the behest of dyke and polder boards. Those older maps show the territory of the relevant water board complete with watercourses and the main ngineering works under its control. None of those maps transcends the level of scale of a single water board district. But it is not just its scale that makes Hoekwater’s unique. Hoekwater depicts the entire water system and its operation in an innovative way, using colour schemes to enable viewers to follow the flow of water. Erratum Rowin van Lanen is erroneously not listed as author of 'Water system and city form in Holland'. Note 1 on page 47 should read: This research was a collaboration between the Cultural Heritage Agency and the Faculty of Architecture at Delft University of Technology. The texts were written by Jaap Evert Abrahamse, Menne Kosian and Reinout Rutte; they serve as explanatory notes to the maps, which were compiled by Otto Diesfeldt and Iskandar Pané on the basis of a historical GIS created by Menne Kosian and Rowin van Lanen, and expanded under the supervision of Yvonne van Mil by Thomas van den Brink and Arnoud de Waaier. The writing of this text would not have been possible without the cooperation of Guus J. Borger, who provided critical comments on an earlier version, of which grateful use was made.In 1901 verscheen de Polderkaart van de landen tusschen Maas en IJ in druk. Deze monumentale gekleurde wandkaart was vervaardigd door W.H. Hoekwater, afkomstig uit Charlois, van beroep onderwijzer. De kaart had een educatief doel: Hoekwater wilde laten zien hoezeer laag Nederland ‘een eigenaardig land’ was, aangelegd en in stand gehouden door ‘wilskracht en genie der vroegere en tegenwoordige bewoners’. In zijn toelichting geeft Hoekwater een korte technische inleiding, maar vooral een opsomming en beschrijving van de boezemsystemen en bijbehorende kunstwerken, met tabellen van de verschillende waterstanden. Hoekwater had twee versies van zijn toelichting laten drukken, één voor gemeente-, polder- en waterschapsbesturen en één voor scholieren.Op zijn kaart liet Hoekwater onder meer zien uit welke waterstaatkundige eenheden het gebied tussen Maas en IJ bestond en hoe die eenheden uitboezemden op de uitenwateren. Hoekwater had de kaart op eigen initiatief getekend, zonder opdracht van een hoogheemraadschap of enige andere organisatie. Sinds de zestiende eeuw zijn van diverse hoogheemraadschappen grote wandkaarten gemaakt in opdracht van de colleges van dijkgraaf en heemraden. Die oudere kaarten tonen het grondgebied van het betreffende hoogheemraadschap met de daarin gelegen waterlopen en de belangrijkste kunstwerken die het in beheer had. Geen van die kaarten overstijgt het schaalniveau van een enkel hoogheemraadschap. Maar de kaart van Hoekwater is niet alleen vanwege zijn schaal een uniek document. Hoekwater laat het complete watersysteem en het functioneren ervan zien op een innovatieve manier. Via de kleurschakeringen op de kaart is de loop van het water te volgen.  Erratum Rowin van Lanen is abusievelijk niet vermeld als auteur van ‘Watersysteem en stadsvorm in Holland’. Noot 1 op pagina 47 moet luiden: Dit onderzoek was een samenwerking tussen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft. De teksten zijn geschreven door Jaap Evert Abrahamse, Menne Kosian en Reinout Rutte; deze dienen als toelichting bij de kaarten, die werden samengesteld door Otto Diesfeldt en Iskandar Pané op basis van een historisch GIS dat werd gemaakt door Menne Kosian en Rowin van Lanen, en onder leiding van Yvonne van Mil uitgebreid door Thomas van den Brink en Arnoud de Waaier. Het schrijven van deze tekst was niet mogelijk geweest zonder de medewerking van Guus J. Borger, die een eerdere versie van kritisch commentaar voorzag, waarvan dankbaar gebruik is gemaakt

    114

    full texts

    164

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    OverHolland
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇