809 research outputs found

    Nederlandse oud-gevangenen van kamp Buchenwald, interview 06, Otto van Gool

    No full text
    De heer Otto van Gool vertelt dat hij een fijne jeugd heeft gehad. Bij aanvang van de oorlog had hij zich als communist aangesloten bij een verzetsgroep die zich bezig hield met de bestrijding van het fascisme. Hij werd gearresteerd op 27 augustus 1941 en bracht de winter door in de gevangenis van Scheveningen. Vervolgens werd hij in het voorjaar van 1942 op transport gesteld naar Amersfoort en na een week overgebracht naar kamp Buchenwald. Zijn verblijf in Buchenwald is hij redelijk goed doorgekomen en hij heeft geen noemenswaardige vervelende dingen meegemaakt. Zijn tactiek bestond uit zich aanpassen en er voor zorgen dat hij niet opviel. Van nature legde hij gemakkelijk contact met anderen. Verder heeft veel te danken gehad aan de hulp van zijn goede vriend Nico Wijnen. In 1944 werd hij als Nacht-und-Nebel-gevangene overgebracht naar Natzweiler. Na zijn bevrijding is hij teruggegaan naar Nederland, waar hij de ontvangst als koel ervoer. Zijn herinneringen aan zijn verblijf in Buchenwald hebben geen noemenswaardige rol gespeeld in zijn verdere leven

    "She was certainly not a Rosa Luxemborg" : a biography of Cissie Gool in images and words

    No full text
    Accompanied by a DVD entitled: Cissie Gool.|Bibliography: leaves 58-63.This thesis, in both its written and filmed components explores the life of Cape politician and political activist Cissie Gool (1897-1963) against the backdrop oflocal, national and international politics as it impacted on her in both a direct and indirect way. Culled from oral and documentary sources, the historical Cissie is a representation based on memories, perceptions, biases and subjective agendas of not only the oral sources, but also the historian

    Low-pressure metamorphism during Archaean crustal growth: a low-strain zone in the northern Nagssugtoqidian orogen, West Greenland

    No full text
    One of the first detailed accounts of Precambrian supracrustal rocks in central West Greenland came from a small group of islands and skerries a few kilometres north-east of Aasiaat (Fig. 1). In 1948, K. Ellitsgaard-Rasmussen spent a few days on the islands and published a metamorphic study of their low-grade greenstones and aluminous clastic rocks (Ellitsgaard-Rasmussen 1954). He observed a striking dissimilarity between these supracrustal rocks and the grey gneisses found in most of the Aasiaat region, although the latter were at that time also assumed to be of supracrustal origin. He furthermore noted that the regional significance of the islands should be pursued, and that the island of Maniitsoq 4 km west of the small islands might hold a key to their interpretation. More than 50 years were to elapse before the islands were surveyed again in July 2003, during field work for the Ikamiut map sheet in the northern Nagssugtoqidian orogen (van Gool et al. 2002). The collision of two Archaean continents during the c. 1850 Ma Nagssugtoqidian orogeny caused intensive structural and thermal reworking at up to granulite facies grade in most of central West Greenland; see Connelly et al. (2000) and van Gool et al. (2002). The small islands north-east of Aasiaat are indeed regionally important, because they document a previously unrecognised low-grade, low-strain domain of presumed Archaean age that has largely escaped the Nagssugtoqidian orogeny, and as predicted by Ellitsgaard-Rasmussen (1954) a clue to their significance was found on Maniitsoq

    A comparison of affine region detectors

    No full text
    International audienceThe paper gives a snapshot of the state of the art in affine covariant region detectors, and compares their performance on a set of test images under varying imaging conditions. Six types of detectors are included: detectors based on affine normalization around Harris (Mikolajczyk and Schmid, 2002; Schaffalitzky and Zisserman, 2002) and Hessian points (Mikolajczyk and Schmid, 2002), a detector of ‘maximally stable extremal regions', proposed by Matas et al. (2002); an edge-based region detector (Tuytelaars and Van Gool, 1999) and a detector based on intensity extrema (Tuytelaars and Van Gool, 2000), and a detector of ‘salient regions', proposed by Kadir, Zisserman and Brady (2004). The performance is measured against changes in viewpoint, scale, illumination, defocus and image compression. The objective of this paper is also to establish a reference test set of images and performance software, so that future detectors can be evaluated in the same framework

    Multidisciplinaire richtlijn Somatische screening EPA

    No full text
    Bij de richtlijn horen 1) een wetenschappelijke onderbouwing en 2) een samenvattingskaart. Deze richtlijn beoogt ggz-professionals - in het bijzonder verpleegkundigen - te ondersteunen bij de somatische screening op gezondheidsproblemen bij mensen met een ernstige psychische aandoening, en ondersteuning te bieden bij de planning en uitvoering van vervolgactiviteiten voor preventie en tijdige diagnostiek en behandeling van somatische problemen. Gerichte leefstijlinterventies kunnen risicofactoren voor bepaalde somatische aandoeningen gunstig beïnvloeden. De richtlijn richt zich op volwassen patiënten (18-65 jaar) met een ernstige psychische aandoening of een verhoogd risico. De aanbevelingen zijn ook toepasbaar voor de POH-ggz. Medeauteurs: Marieke van Piere, Maarten Bak, Merlijn Bakkenes, Digna van der Kellen, Sonja van Hamersveld, Ronald van Gool, Katie Dermout, Titia Feldmann, Anneriek Risseeuw, Anneke Wijtsma-van der Kolk, Ingrid van Vuuren, Matthijs Rümke, Evelyn Sloots-Jongen, Paul de Heij, Richard Starmans, Cilia Daatselaar, Christine van Veen en Marleen Hermens (Werkgroep Richtlijnontwikkeling Algemene somatische screening & Leefstijl

    Wasserstein Divergence for GANs

    No full text
    In many domains of computer vision, generative adversarial networks (GANs) have achieved great success, among which the family of Wasserstein GANs (WGANs) is considered to be state-of-the-art due to the theoretical contributions and competitive qualitative performance. However, it is very challenging to approximate the k-Lipschitz constraint required by the Wasserstein-1 metric (W-met). In this paper, we propose a novel Wasserstein divergence (W-div), which is a relaxed version of W-met and does not require the k-Lipschitz constraint. As a concrete application, we introduce a Wasserstein divergence objective for GANs (WGAN-div), which can faithfully approximate W-div through optimization. Under various settings, including progressive growing training, we demonstrate the stability of the proposed WGAN-div owing to its theoretical and practical advantages over WGANs. Also, we study the quantitative and visual performance of WGAN-div on standard image synthesis benchmarks, showing the superior performance of WGAN-div compared to the state-of-the-art methods

    Emerging subjectivities: The differentiation-integration principle of signal processing within the visual system's hierarchy.

    No full text
    Emergerende subjectiviteiten: Het differentiatie-integratie pri ncipe van signaalverwerking binnen de hiërarchie van het visueel systeem Wanneer een deel in ons beeld ontbreekt, is ons visueel systeem toch in staat om dit ontbrekende deel te vervolledigen. Dit fenomeen noemt men “vervollediging”. Deze vaardigheid is essentieel om objecten waar te nemen in natuurlijke omgevingen, waar deze objecten gedeeltelijk bedekt, gecamoufleerd of onzichtbaar zijn ten gevolge van belichtingsomstandigheden. In dit proefschrift onderzocht ik de mechanismen van vervollediging en ontwikkelde ik een neurocomputationeel model. Dit model is gebaseerd op de analyse van gekende neurofysiologische en psychologische eigenschappen van het visueel systeem. Fundamentele principes, border-ownership (BOWN) verwerking, de “differentiatie-integratie” benadering en de diepte-lightness link werden opgenomen in het model. BOWN is een m acroscopische eigenschap van het beeld. In het model worden randen en juncties gedetecteerd en aan de hand van interacties tussen deze juncties en randen wordt een BOWN map gecreëerd. In deze map wordt met andere woorden de globale configuratie van het beeld en de verdeling en oriëntatie van de randen gereflecteerd. De BOWN map geeft zo op elke locatie het bestaan van een verschil in diepte aan. Daarom worden de BOWN signalen beschouwd als gedifferentieerde signalen van diepte. 2-D integratie wordt toegepast op de map om zo de oppervlakken te construeren. Een lightness map wordt gemaakt door 2-D integratie van een luminantie ratio map en resulteert in de zogenaamde primaire lightness map. Ten slotte wordt, door het vastleggen van de interactie tussen de dieptemap en de primaire lightness map, de waargenomen lichtintensiteit berekend. Het model werd getest aan de hand van een groot aantal variaties op de bekende Kanizsa figuur en vertoonde robuuste eigenschappen. Het model is ook in staat om een onderscheid te maken tussen verschillen in diepteperceptie (en dus lightness perceptie) van illusoire figuren enerzijds, en niet- illusoire figuren anderzijds. In de differentiatie-integratie benadering wordt één vrijheidsgraad , een offset waarde, geïntroduceerd, wat overeenkomt met het zogenaamde “anchoring” probleem in lightness perceptie. Wanneer het hele visuele veld bedekt is met een koepel die opgesplitst is in twee gebieden met verschillende achromatische kleuren, dan blijkt het lichtere gebied waargenomen te worden als wit. Wanneer het gebied kleiner wordt, wordt het waargenomen als lichter dan wit (“superwit”). Door de ontwikkeling van een dieptemap en de primaire lightness map via integratie, worden de offset waarden bepaald volgens de anchoring regels van het vis ueel systeem. Als resultaat van de onderlinge interacties, ontstaat dan de anchoring van lightness. Door de gekende perceptie van de Kanizsa figuren en zijn varianten te on derzoeken, bleek dat de anchoring regel volgens de oppervlakt egebieden toegepast zou moeten worden op de dieptemap en dat de hoogste waarde regel toegepast zou moeten worden op de primaire lightness map. Op deze manier reproduceert de lightness map het gekende anchoring fenomeen. Het model werd verder ontwikkeld om de stochastische eigenschappen van menselijke perceptie te onderzoeken zoals geobserveerd in bistabiele perceptie. In de bekende “face or vase” figuur verandert de eigenaar van de rand in de loop van de tijd. Het doel van dit project was het ontwikkelen van een stochastisch model a.d.h.v. een feedbacksysteem dat de stochastische eigenschappen aanpast en dat de gekende eigenschappen van multistabiele perceptie kan reproduceren. De structuur van het model voor de Kanizsa illusie wordt toegepast: BOWN signalen worden berekend en spatiaal geïntegreerd om de figuur en de achtergrond van de figuur te bepalen. Daarnaast worden de BOWN signalen stochastisch gemaakt en wordt top-down feedback verkregen door scheeftrekking van de verdeling van random getallen. Dit feedback systeem werkt zo dat de BOWN signalen die de figuur-achtergrond relatie op het hoger niveau ondersteunen geëxciteerd worden, terwijl de tegengestelde BOWN signalen geïnhibeerd worden. Aan de feedback wordt adaptatie en herstel van adaptatie toegevoegd. Het model vertoont schommelingen tussen de respons met het gezicht als figuur en de respons met de vaas als figuur. Het model is verder getest met onderbroken presentatie van de stimuli, alsook met gedesambigueerde figuren. Dit geeft responsen die overeenkomen met menselijke perceptie. Het menselijk visueel systeem voegt onvermijdelijk subjectieve componenten toe om de visuele wereld te vatten. Door het theoretisch kader van de BOWN computatie waarin de globale configuraties van beelden gereflecteerd wordt, door de methodologie die oppervlakken construeert vanuit BOWN signalen, door de interactie tussen de diepte en de lightness perceptie en door een dynamisch feedback systeem , verschaft mijn wer k inzicht in de mechanismen die onderliggen aan de subjectieve aard van de menselijke visuele perceptie.status: Publishe

    On quasi-uniform space valued semi-continuous functions

    No full text
    summary:F. van Gool [Comment. Math. Univ. Carolin. {\bf 33} (1992), 505--523] has introduced the concept of lower semicontinuity for functions with values in a quasi-uniform space (R,\Cal U). This note provides a purely topological view at the basic ideas of van Gool. The lower semicontinuity of van Gool appears to be just the continuity with respect to the topology T(\Cal U) generated by the quasi-uniformity \Cal U, so that many of his preparatory results become consequences of standard topological facts. In particular, when the order induced by \Cal U makes RR into a continuous lattice, then T(\Cal U) agrees with the Scott topology σ(R)\sigma (R) on RR and, thus, the lower semicontinuity reduces to a well known concept

    Haloperidol prophylaxis in critically ill patients with a high risk for delirium

    No full text
    Contains fulltext : 125507.pdf (Publisher’s version ) (Open Access)ABSTRACT: INTRODUCTION: Delirium is associated with increased morbidity and mortality. We implemented a delirium prevention policy in intensive care unit (ICU) patients with a high risk of developing delirium, and evaluated if our policy resulted in quality improvement of relevant delirium outcome measures. METHODS: This study was a before/after evaluation of a delirium prevention project using prophylactic treatment with haloperidol. Patients with a predicted risk for delirium of >/= 50%, or with a history of alcohol abuse or dementia, were identified. According to the prevention protocol these patients received haloperidol 1 mg/8 h. Evaluation was primarily focused on delirium incidence, delirium free days without coma and 28-day mortality. Results of prophylactic treatment were compared with a historical control group and a contemporary group that did not receive haloperidol prophylaxis mainly due to non-compliance to the protocol mostly during the implementation phase. RESULTS: In 12 months, 177 patients received haloperidol prophylaxis. Except for sepsis, patient characteristics were comparable between the prevention and the historical (n = 299) groups. Predicted chance to develop delirium was 75 +/- 19% and 73 +/- 22%, respectively. Haloperidol prophylaxis resulted in a lower delirium incidence (65% vs. 75%, P = 0.01), and more delirium-free-days (median 20 days (IQR 8 to 27) vs. median 13 days (3 to 27), P = 0.003) in the intervention group compared to the control group. Cox-regression analysis adjusted for sepsis showed a hazard rate of 0.80 (95% confidence interval 0.66 to 0.98) for 28-day mortality. Beneficial effects of haloperidol appeared most pronounced in the patients with the highest risk for delirium. Furthermore, haloperidol prophylaxis resulted in less ICU re-admissions (11% vs. 18%, P = 0.03) and unplanned removal of tubes/lines (12% vs. 19%, P = 0.02). Haloperidol was stopped in 12 patients because of QTc-time prolongation (n = 9), renal failure (n = 1) or suspected neurological side-effects (n = 2). No other side-effects were reported. Patients who were not treated during the intervention period (n = 59) showed similar results compared to the untreated historical control group. CONCLUSIONS: Our evaluation study suggests that prophylactic treatment with low dose haloperidol in critically ill patients with a high risk for delirium probably has beneficial effects. These results warrant confirmation in a randomized controlled trial. TRIAL REGISTRATION: clinicaltrial.gov Identifier: NCT01187667
    corecore