1,232 research outputs found
Samen Werken met water: Een land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst
De Deltacommissie is door de regering gevraagd advies uit te brengen over de bescherming van Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij gaat het om de vraag hoe Nederland zo ingericht kan worden dat het ook op de zeer lange termijn klimaatbestendig is, veilig tegen overstromingen, en een aantrekkelijke plaats is en blijft om te leven; wonen, werken, recreren en investeren. Daarbij was de vraag breder te kijken dan naar (water)veiligheid alleen. In de visie is daarom ook gelet op samenhang met wonen en werken, landbouw, natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. Veiligheid en duurzaamheid zijn de twee pijlers voor de strategie van de komende eeuwen. Naast bescherming tegen het water, benadrukt en benoemt het advies de kansen voor de Nederlandse samenleving. In het advies speelt "waterveiligheid" een cruciale rol. Hierbij gaat het om de bescherming tegen overstromingen en het veiligstellen van de zoetwatervoorziening. Het zekerstellen van waterveiligheid voorkomt slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting, het voorkomt schade aan economie, landschap, natuur, cultuur en reputatie. Het advies gaat ervan uit dat een veilig Nederland een collectief maatschappelijk belang is waarvoor de overheid verantwoordelijkheid neemt en blijft nemen. Het veiligheidsniveau moet tenminste een factor 10 hoger dan het huidige niveau. De aanbevelingen van de commissie leggen de nadruk op het kunnen meeontwikkelen met klimaatverandering en andere ecologische processen, ze zijn kosteneffectief en hebben een maatschappelijke meerwaarde. De aanbevelingen zijn flexibel en geleidelijk te realiseren en bevatten handelingsperspectief voor de korte termijn. Met de uitvoering ervan is Nederland in staat de effecten van klimaatverandering beter op te vangen en nieuwe kansen te creeren. De voorgestelde ingrepen in het advies moeten duurzaam zijn: bij de uitvoering ervan moet efficient gebruik worden gemaakt van water, energie en andere grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit van de leefomgeving niet alleen behouden blijft maar zelfs wordt verbeterd. Voor de uitvoering van het advies voor een klimaatbestendige inrichting van Nederland heeft de Deltacommissie het Deltaprogramma opgesteld. Dit programma wordt financieel (Deltafonds) en politiek-bestuurlijk verankerd in een vernieuwde Deltawet. De urgentie (voor uitvoering) van het advies is groot. Nederland heeft een achterstand in te lopen omdat niet wordt voldaan aan de huidige geldende normen. Bovendien zijn de normen achterhaald en moeten naar boven worden bijgesteld. Daarnaast verandert het klimaat snel, stijgt de zeespiegel waarschijnlijk sneller dan aangenomen en neemt de (extreme) variatie in rivierafvoeren naar verwachting toe. Het economisch, maatschappelijk en natuurlijk belang van Nederland is groot en groeit verder; een dijkdoorbraak heeft zeer ontwrichtende gevolgen voor heel Nederland. De Deltacommissie meent dat er rekening moet worden gehouden met een zeespiegelstijging van 0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in 2200. Het effect van bodemdaling is hierin meegenomen. Deze waarden vertegenwoordigen de mogelijke bovengrenzen; het is verstandig om hiermee rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van wat Nederland mogelijk te wachten staat. De temperatuurstijging en veranderende luchtcirculatie leiden voor de Rijn en de Maas tot afnemende zomer- en toenemende winterafvoeren. Voor de maximale afvoer van de Rijn moet rond 2100 rekening worden gehouden met ongeveer 18.000 m3/s. Voor de Maas komt dit op ongeveer 4.600 m3/s (huidige maatgevende afvoeren zijn respectievelijk: 16.000 m3/s en 3.800 m3/s). Een stijgende zeespiegel, afnemende rivierafvoeren in de zomer, langduriger droogteperioden en indringend zout water via de rivieren en het grondwater zetten de zoetwatervoorziening van het land onder druk. Dit leidt tot schadelijke gevolgen voor de drinkwater-voorziening, landbouw, scheepvaart en (koel)water gerelateerde economische sectoren. Engelse vertaling "Working together with water: A living land builds for its future" http://repository.tudelft.nl/view/ir/uuid:af79991f-31e7-47a4-a6ef-bfd54ca59c57/Civil Engineering and Geoscience
Onderzoek naar de mogelijkheid van afsluiting van de Oosterschelde met een gedeeltelijk geprefabriceerde stormvloedkering. Deelrapport 2: Hydraulische aspekten
Dit rapport "Onderzoek naar de mogelijkheid van afsluiting van de Oosterschelde met een gedeeltelijk geprefabriceerde stormvloedkering", deelrapport 2, geeft een overzicht van het hydraulisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de studie naar de mogelijkheid van de afsluiting van de Oosterschelde met een gedeeltelijk geprefabriceerde afsluitbare stormvloedkering. Het in dit rapport vermelde onderzoek beslaat de periode oktober 1974 (tijdstip van regeringsopdracht tot studie) tot mei 1976 (tijdstip van aanbeveling). Enerzijds is het rapport een verantwoording van het uitgevoerde onderzoek, anderzijds geeft het de stand van zaken weer op het moment dat de studie naar de uitvoerbaarheid is afgesloten en het onderzoek voor het definitieve ontwerp begint. In dit deel worden de gebruikte onderzoekmethoden en gegevens beschreven, alsmede de meeste uitgevoerde onderzoeken. Van de resultaten worden slechts de belangrijkste vermeld; een vollediger beschrijving vindt plaats in een groot aantal rapporten van het Waterloopkundig Laboratorium en de Hoofdafdeling Waterloopkunde. In de tekst wordt hiernaar verwezen terwijl een opsomming van alle in het kader van de studie uitgebrachte rapporten in hoofdstuk 9 van dit deel is opgenomen. De verantwoordelijkheid voor Deelnota 2 berust bij het Waterloopkundig Laboratorium Delft en de Hoofdafdeling Waterloopkunde van de Deltadienst. Een aantal afdelingshoofden van het Waterloopkundig Laboratorium en de Hoofdafdeling Waterloopkunde hébben de samenstelling van dit rapport begeleid, dat in handen van een redactiecommissie is geweest.Deltawerken, Oosterscheld
Estudo comparativo da neoformação óssea entre parafuso de osso corticol bovino e enxerto ósseo aposicional
Tese (doutorado) - Universidade Federal de Santa Catarina, Centro de Ciências da Saúde. Programa de Pós-Graduação em Odontologia.O objetivo deste estudo foi comparar o uso de parafuso de osso cortical bovino (POCB) com o enxerto ósseo autógeno aposicional (EOAA). Portanto, 18 cães Beagle fêmeas receberam 4 POCB e 1 EOAA. Os marcadores fluorcromáticos utilizados foram, alisarina, calceína e tetraciclina. Secções de amostras dos dois grupos foram analisadas por meio da microscopia de fluorescência aos 2, 4, e 6 meses pós-operatórios. Os resultados mostram presença de osso neoformado nos dois grupos analisados. O POCB foi gradativamente substituído por osso neoformado após integrar-se ao sítio receptor, indicando propriedade osseoindutora e osseocondutora. Adicionalmente, o osso estava contínuo com o sítio receptor. O EOAA também mostrou propriedades osseoindutora e osseocondutoras. No entanto, a velocidade de deposição óssea foi menor em comparação com a velocidade de degradação do EOAA. Nos intervalos de análise, o POCB mostrou formação óssea estatisticamente significativa comparado com o EOAA. Conclui-se que o POCB apresenta menor absorção óssea comparado com o EOAA. Sugere-se o uso do POCB como alternativa quando EOAA é indicada, devido à alta absorção do EOAO no sítio cirúrgico. Purpose: Compare newly formed bone after bovine cortical bone screw placement and onlay autogenous bone graft procedure. Methods and Materials: Eighteen female Beagle dog tibias received 4 bovine cortical bone screws and an onlay autogenous bone graft. Both augmentation techniques resulted in newly formed bone. Fluorchromatic bone markers were injected in the dogs in different time intervals. Sections of the samples were analyzed by fluorescence microscopy after 2, 4, and 6 months post-operatively. The fluorchrome markers were alizarin, calceíne and tetracycline. Results: Newly formed bone was observed in sections made of samples collected from both procedures. The bovine cortical bone screw was partially present in the samples and seemed to reduce in quantity as time intervals extended. Additionally, the bone was contiguous to the receptor site. This could be attributed to the bone neoformation. The autogenous onlay bone graft was gradationally substituted after integrated in the receptor site faster than the newly formed bone, suggesting an osseoinduction and osseoconduction characteristic. The newly formed bone was highly cellular, showing the presence of osteocytes and osteoclasts. Two months postoperatively, the cortical bovine bone screw technique showed statistically significant bone formation compared to the onlay bone graft. This finding was confirmed after 4 and 6 month interval analyses. Conclusion: The bovine cortical bone screw showed to be highly osteoinductive. The authors suggest its use compared to the onlay autogenous grafts for bone graft augmentation procedures. The bovine cortical screw used for bone augmentation showed to be a better solution in long terms compared to the onlay autogenous bone graft procedure, due to the higher bone resorption in the onlay graft surgical site
West-Friese Archeologische Notities 60
Het stationsgebied in Hoorn zal samen met het gebied Pelmolenpad worden ontwikkeld tot de ‘Poort van Hoorn’. Momenteel wordt gewerkt aan het nieuwe bestemmingsplan voor het stationsgebied. Daarin zijn ook de nieuwe bouwvlakken vastgelegd die in de toekomst zullen worden ontwikkeld. Op een aantal plaatsen staat nieuwbouw in de planning.
Het plangebied ligt grotendeels net buiten het historisch centrum van de stad Hoorn. Het was
lang in gebruik als weideland, gelegen tussen het Keern en de Koepoortsweg. Bovenop het Keern werd in de 15de eeuw voor het eerst een houten stadspoort gebouwd. De poort werd later vervangen door een stenen poort. Begin 16de eeuw vond een stadsuitbreiding plaats, waarbij een nieuwe stadsgracht met poorten en torens werd aangelegd binnen het plangebied.
Vanaf het einde van de 19de eeuw is het gebied opnieuw ingericht en omgevormd tot stationsgebied.
Binnen het plangebied zijn resten aanwezig horende bij de loop van het Keern, de Noorderpoortsgracht, een deel van de stadsmuur, de Admiraliteitstoren, een waterpoort (met sluisje), een stenen beer met monnik, historische (bebouwde) percelen ten noorden van de gracht, een singel met bomen en de koeien- en paardenmarkt. In onderhavig bureauonderzoek ligt de nadruk op de nieuwe (nu nog niet bebouwde) bouwvlakken die volgens de beleidskaart
archeologie nog niet volledig zijn vrijgesteld met betrekking tot het aspect archeologie. Van bovengenoemde structuren vallen het Keern en de historische percelen ten noorden van de gracht samen met de nieuwe bouwvlakken in het stationsgebied. Gezien de hoge archeologische waarde en de te verwachten structuren binnen delen van
het plangebied, wordt geadviseerd om de bouwwerkzaamheden in de noordwesthoek van het plangebied (bouwvlak 1) en ten zuiden van het spoor naast de huidige fietsenwinkel (bouwvlak 2) archeologisch te laten begeleiden. Binnen het bouwvlak in de zuidoosthoek van het plangebied (bouwvlak 3) dient een archeologische opgraving te worden uitgevoerd. Buiten de op de advieskaart aangegeven vlakken die nader onderzocht dienen te worden, blijft het
vigerend beleid van kracht. Eventuele verdere ingrepen dienen apart te worden getoetst
West-Friese Archeologische Notities 47
In opdracht van de gemeente Hoorn is in de zomer van 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, ten behoeve van de geplande rioolwerkzaamheden in de wijken Hoorn Noord en Venenenlaankwartier in Hoorn, gemeente Hoorn. Voor een deel van het plangebied (de Venenlaan, de Boelisstraat en de Van Beijerenstraat) is in 2018 reeds een Archeologische Quickscan opgesteld. In de Quickscan werd geconcludeerd dat nader archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus op deze locaties noodzakelijk is. Er werd geadviseerd om een bureauonderzoek en
archeologische begeleiding uit te voeren. Inmiddels is het plangebied vergroot tot twee gehele wijken
gelegen in het noordelijk deel van de stad Hoorn
Análise da influência da morfologia porosa de implantes de titânio no processo de crescimento ósseo
Tese (doutorado) - Universidade Federal de Santa Catarina, Centro Tecnológico, Programa de Pós-graduação em Ciências e Engenharia de Materiais, Florianópolis, 2013.O tecido ósseo está sempre suscetível a lesões, causadas por agentes externos ou patologias, onde em alguns casos a intervenção cirúrgica para instalação de implantes se faz necessária. Dentre os biomateriais utilizados como sustentação para a regeneração óssea, os implantes porosos processados a base de titânio apresentam uma combinação de fatores que viabilizam o seu emprego, entre eles, apropriadas propriedades químicas e mecânicas. Além da biocompatibilidade, a caracterização estrutural desses materiais é de relevante importância, pois suas características morfológicas também influenciam o processo de regeneração óssea. Este projeto tem como objetivo principal a caracterização de dois grupos de implantes de titânio com morfologias porosas distintas, além da avaliação do crescimento ósseo em suas fases porosas, uma vez que as amostras foram implantadas em tecidos ósseos de coelhos. As análises estruturais e de quantificação óssea foram realizadas por meio da análise de imagens tridimensionais adquiridas com a microtomografia de raios X. As amostras foram processadas por meio da técnica da metalurgia do pó, usando Titânio puro grau 1 como matéria prima e bicarbonato de amônio como agente gerador de poros. Diferentes granulometrias e proporções dos pós utilizados asseguraram diferenças morfológicas entre os dois grupos de implantes. As amostras foram implantadas em tíbias de coelhos, onde os períodos de permanência no tecido ósseo de 7, 14, 21, 28 e 35 dias foram respeitados para a avaliação do processo osseointegrativo. Foram analisados os parâmetros estruturais de porosidade, tamanho de poros e conexões, número de coordenação, permeabilidade, área superficial e grau de esfericidade dos poros de cada grupo. As correlações investigadas entre a fração de poros ocupada por osso e os parâmetros físicos indicaram a influência da morfologia porosa no processo de reparação óssea. Os resultados encontrados contribuirão para a otimização de biomateriais porosos direcionando o seu processamento para atingir propriedades que melhorem o desempenho dos implantes Bone tissue is susceptible to injuries induced by pathologies or accidents. In some cases, a surgical intervention to implant devices is necessary. Biomaterials are often used as scaffolds to bone recuperation. To be applied as a scaffold, porous titanium implants are a good choice due to their chemical and mechanical properties. Besides the biocompatibility, biomaterial implants must to offer other structural parameters which permit the bone ingrowth process. In this work, two groups of porous titanium implants were processed by powder metallurgy with distinct pore morphology. Pure titanium and ammonium bicarbonate (as pore former) were used in the samples processing. Different quantities and grain sizes of the powders provided different pore morphology for the groups. The implants were introduced into rabbits bone tissues for 7, 14, 21, 28 and 35 days. Therefore, the aim of this work is to characterize the pore phase of the titanium porous implants, and also to quantify the pore fraction occupied by neo-bone formation. The measurements were accomplished by means of X-ray microtomography image analysis. Structural parameters such as porosity, pore size, throat size, interconnectivity, permeability, surface area and pore sphericity were analyzed. The correlations between bone neoformation data and structural parameters indicate the influence of the pore shape on osseointegration process. The results of this work can be useful to improve the porous biomaterial processing
Handboek bouwen onder de Omgevingswet
De Omgevingswet vormt een enorme stimulans van het denken over de fysieke leefomgeving, en zorgt voor integratie van verschillende omgevingsrechtelijke domeinen zoals ruimte, milieu, water en grondbeleid. De inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de komende jaren de aandacht vragen van beoefenaars van het publiekrechtelijk bouwrecht. De nieuwe instrumenten van de wet maar ook het overgangsrecht zullen voor het eerst in de praktijk worden gebruikt en tot nieuwe, nog onvoorziene vragen leiden.Dit handboek vormt een vertrekpunt voor de omgevingsrechtjurist bij beantwoording van deze vragen en beschrijft hoe de regelgeving voor het bouwen zal luiden na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het betreft daarbij het bouwen in ruime zin, waaronder de betekenis van regelgeving voor natuur, erfgoed, grondbeleid en milieukwaliteit. Daarbij is ook een tweede, omvangrijke stelselwijziging betrokken namelijk die van de private kwaliteitsborging op grond van de Wet kwaliteitsborging.Eén en ander resulteert in een handboek waarin al het nieuwe recht en het bijbehorende overgangsrecht met betrekking tot het bouwen systematisch wordt behandeld en waarmee de lezer wegwijs wordt gemaakt in het nieuwe wettelijk stelsel in algemene zin en meer specifiek de wet- en regelgeving voor het bouwen. Kortom: een ‘Handboek Bouwen onder de Omgevingswet’.Dit boek is bedoeld voor een ieder die zich met het omgevingsrecht bezig houdt, zowel binnen het onderwijs als de (bouw)praktijk
Handboek bouwen onder de Omgevingswet
De Omgevingswet vormt een enorme stimulans van het denken over de fysieke leefomgeving, en zorgt voor integratie van verschillende omgevingsrechtelijke domeinen zoals ruimte, milieu, water en grondbeleid. De inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de komende jaren de aandacht vragen van beoefenaars van het publiekrechtelijk bouwrecht. De nieuwe instrumenten van de wet maar ook het overgangsrecht zullen voor het eerst in de praktijk worden gebruikt en tot nieuwe, nog onvoorziene vragen leiden.Dit handboek vormt een vertrekpunt voor de omgevingsrechtjurist bij beantwoording van deze vragen en beschrijft hoe de regelgeving voor het bouwen zal luiden na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het betreft daarbij het bouwen in ruime zin, waaronder de betekenis van regelgeving voor natuur, erfgoed, grondbeleid en milieukwaliteit. Daarbij is ook een tweede, omvangrijke stelselwijziging betrokken namelijk die van de private kwaliteitsborging op grond van de Wet kwaliteitsborging.Eén en ander resulteert in een handboek waarin al het nieuwe recht en het bijbehorende overgangsrecht met betrekking tot het bouwen systematisch wordt behandeld en waarmee de lezer wegwijs wordt gemaakt in het nieuwe wettelijk stelsel in algemene zin en meer specifiek de wet- en regelgeving voor het bouwen. Kortom: een ‘Handboek Bouwen onder de Omgevingswet’.Dit boek is bedoeld voor een ieder die zich met het omgevingsrecht bezig houdt, zowel binnen het onderwijs als de (bouw)praktijk
Handboek bouwen onder de Omgevingswet
De Omgevingswet vormt een enorme stimulans van het denken over de fysieke leefomgeving, en zorgt voor integratie van verschillende omgevingsrechtelijke domeinen zoals ruimte, milieu, water en grondbeleid. De inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de komende jaren de aandacht vragen van beoefenaars van het publiekrechtelijk bouwrecht. De nieuwe instrumenten van de wet maar ook het overgangsrecht zullen voor het eerst in de praktijk worden gebruikt en tot nieuwe, nog onvoorziene vragen leiden.Dit handboek vormt een vertrekpunt voor de omgevingsrechtjurist bij beantwoording van deze vragen en beschrijft hoe de regelgeving voor het bouwen zal luiden na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het betreft daarbij het bouwen in ruime zin, waaronder de betekenis van regelgeving voor natuur, erfgoed, grondbeleid en milieukwaliteit. Daarbij is ook een tweede, omvangrijke stelselwijziging betrokken namelijk die van de private kwaliteitsborging op grond van de Wet kwaliteitsborging.Eén en ander resulteert in een handboek waarin al het nieuwe recht en het bijbehorende overgangsrecht met betrekking tot het bouwen systematisch wordt behandeld en waarmee de lezer wegwijs wordt gemaakt in het nieuwe wettelijk stelsel in algemene zin en meer specifiek de wet- en regelgeving voor het bouwen. Kortom: een ‘Handboek Bouwen onder de Omgevingswet’.Dit boek is bedoeld voor een ieder die zich met het omgevingsrecht bezig houdt, zowel binnen het onderwijs als de (bouw)praktijk
Vírus entéricos em moluscos bivalves: estudos sobre a desinfecção de ostras e água do mar em um sistema de depuração
Tese (doutorado) - Universidade Federal de Santa Catarina, Programa de Pós-Graduação em Biotecnologia, Florianópolis, 2010Patógenos virais humanos têm sido associados a muitos episódios de gastrenterites, bem como a doenças relacionadas ao consumo de moluscos contaminados. O risco pode ser reduzido por um tratamento destes moluscos visando sua auto-limpeza previamente a sua comercialização. A depuração de moluscos reduz os níveis de microrganismos presentes na carne, diminuindo a chance de uma potencial infecção associada ao seu consumo in natura. Em um sistema de depuração, a água do mar pode ser recirculada pelo menos por 24 horas e, durante este ciclo, a água é tratada química ou fisicamente para eliminar a contaminação por microrganismos. Neste trabalho, um sistema fechado de depuração de moluscos foi testado para eliminar os patógenos virais em ostras. Além disso, a capacidade do cloro livre em inativar esses vírus, bem como a estabilidade viral em água do mar, com e sem radiação U.V. foram investigadas. Para os ensaios de depuração, ostras (Crassostrea gigas) foram artificialmente contaminadas em aquários, contendo água do mar semeada com Vírus da Hepatite A (HAV) e Adenovírus Humano (HAdV5). Em seguida, as ostras foram colocadas no tanque de depuração, e foram analisadas após 48h, 72h e 96h. Em cada amostragem, o trato gastrointestinal das ostras foi homogeneizado e processado visando a eluição das partículas virais. Para os estudos de desinfecção pelo uso do cloro, água do mar natural e artificial foram semeadas com Norovírus Murino 1 (MNV-1), HAdV2 e Poliomavírus JC (JCPyV) e tratadas com uma concentração inicial de cloro livre de 2,5 mg/l, por 60min. Para os ensaios de estabilidade viral em água do mar e desinfecção viral por luz U.V., 300L de água do mar foram semeadas com o HAV, MNV-1 e HAdV2 e tratados com U.V. (36W), em um mini-tanque de depuração, com recirculação por 120h. Um litro de água do mar foi coletado a cada 24h em até 120h e as amostras de água foram tratadas pelo método de floculação com leite acidificado para adsorção e concentração das partículas virais. O monitoramento viral nos tecidos das ostras e água do mar foi avaliado por métodos moleculares (PCR e q(RT)-PCR), e por métodos de cultura celular associados a métodos moleculares ou imunológicos (ICC-PCR, RT-PCR ICC, IFA, Citometria de Fluxo e Ensaio de Placas de Lise). A detecção por PCR, em amostras de ostras, mostrou que o genoma de HAdV5 foi detectado em todos os períodos de amostragem, e o genoma do HAV foi detectado até 72 h. Os testes envolvendo viabilidade viral por ICC-PCR, demonstraram uma inativação viral progressiva, nas ostras, ao longo das 96h de recirculação de água do mar tratada com luz U.V. Nos ensaios de desinfecção por cloro, após 30 minutos de tratamento de água do mar, foi observada uma redução de ~2log10 e ~3log10 para MNV-1 e HAdV2, respectivamente, com base nos resultados q(RT) PCR. Quando a infecciosidade viral foi analisada, uma redução de mais de 4log10 foi observada para MNV-1, enquanto HAdV2 apresentou uma redução de ~ 2.3log10, mantendo-se infeccioso após 60 minutos. JCPyV apresentou em média uma redução de 1,6 log10, quando avaliado por qPCR. Não houve diferenças na cinética de desinfecção viral observadas em água do mar natural e artificial. Para os ensaios de estabilidade viral em água do mar tratada ou não com luz U.V., com base nos resultados q(RT)-PCR, foram observadas cinéticas diferentes para cada vírus em 120 horas de contato. Reduções de ~ 5log10 e 3log10, em 120h, para HAdV2 e HAV, respectivamente; para MNV-1, foi observada uma redução de ~4,5 log10 em 72h sob tratamento com luz U.V. Apesar da detecção do genoma, HAdV2 foi capaz de permanecer infeccioso até 72h, de acordo com resultados de ICC-RT-PCR. Ensaios envolvendo estabilidade viral sem radiação U.V. demonstraram uma redução progressiva da carga viral ao longo das 120h de recirculação de água do mar para os três vírus (~ 2log10 para HAdV2; ~ 2,5 log10 para HAV e ~ 3log10 para MNV-1). Esta cinética diferente provavelmente está associada às espécies de cloro presentes, ao tempo de contato com a radiação U.V. e a características estruturais peculiares de cada um dos vírus. A diminuição natural da carga viral pode ser devido à existência de fatores ambientais, tais como força iônica e compostos encontrados naturalmente na água do mar. Este trabalho confirmou que HAdV é um patógeno viral particularmente resistente e exige mais tempo para inativação. Estes dados serão úteis para a otimização de desinfecção da água nos tanques de depuração de moluscos.Viruses have been linked to nearly all episodes of gastroenteritis as well as outbreaks of illnesses related to consumption of contaminated shellfish. The risk may be reduced by appropriate treatment following harvesting as well as by depuration, which is a method that reduces the levels of microorganisms present in mollusk meat, decreasing the potential for infections associated with mollusk consumption in natura. In a depuration system, seawater may be recirculated for at least 24h, and during this cycle, the water must be chemically or physically treated to eliminate microbial contamination. In this work, a shellfish depuration closed system was tested to eliminate viral pathogens from oysters. Moreover, the chlorine capability to inactivate these viruses, as well as the viral stability and disinfection in seawater with and without U.V. irradiation were investigated. For depuration assays, oysters (Crassostrea gigas) were first artificially contaminated in aquariums containing seawater seeded with Hepatitis A virus (HAV) and Human Adenovirus (HAdV5). Then, the oysters were placed into the depuration tank, and were harvested after 48h, 72h and 96h. After each sampling, the gastrointestinal tracts were homogenized and the viral particles were eluted. To chorine disinfection assays, natural and artificial seawater were seeded with selected viruses (Murine Norovirus 1, MNV-1; HAdV2; JC Polyomavirus, JCPyV) and treated by adding initial free chlorine concentration of 2.5mg/l for up to 60min. For the stability assays, 300L of natural seawater were seeded with HAV, MNV-1 and HAdV2, and treated by 36W U.V. lamp, into the mini depuration tank, with recirculation, for up to 120h. One liter of viral seeded seawater was harvested every 24h and viral particles were concentrated by flocculation method using skimmed milk. The kinetics of viral decay in oysters and seawater was evaluated by molecular techniques (PCR and q(RT)-PCR), and by cell culture associated with molecular and immunological methods to access the viral infectivity (ICC-PCR, ICC RT-PCR, IFA, Flow Cytometry and Plaque Assay). The molecular detection by PCR for both viruses showed that the presence of HAdV5 genome was positive in all of the sampling periods, and the HAV genome was detected until 72 h. The tests involving viral viability by ICC-PCR, demonstrated a progressive viral inactivation along the 96h of seawater recirculation under U.V. light irradiation. After 30 minutes of treatment of natural seawater a ~2log10 and ~3log10 reduction where observed for MNV-1 and HAdV2, respectively, based on q(RT)PCR results. When viral infectivity was analyzed, a reduction of more than 4log10 was observed for infectious MNV-1, while HAdV2 presented ~2.3log10 reduction, remaining infective viruses present after 60 minutes. JCPyV presented a average reduction of 1,6 log10, analysed by qPCR. No differences in the disinfection kinetics have been observed between natural and artificial seawater. Based on qPCR results, the kinetics observed were different for each virus, reaching, at 120h of contact time, ~5log10 and ~3log10 reduction for HAdV2 and HAV, respectively; for MNV-1, was observed a ~4,5log10 reduction at 72h under U.V. treatment. Despite the genome detection, HAdV2 was able to remain infectious only up to 72h, according ICC-RT-PCR results. Assays involving viral stability without U.V. irradiation, demonstrated a progressive reduction of viral load along the 120h of seawater recirculation for three viruses (~2log10 for HAdV2; ~2,5log10 for HAV and ~3log10 for MNV). This different kinetics is probably associated to the chlorine species present, the contact time with the U.V. radiation and structural characteristic of each virus. The natural decreasing of viral load can be due to the existence of environmental factors, such as ionic strength and compounds naturally found in seawater. This work confirmed that HAdV is a particularly a resistant viral pathogen and requires longer periods for inactivation. These data will be subsequently useful to plan water disinfection in shellfish depuration tanks
- …
