9,260 research outputs found

    Voeding van de oudere mens

    No full text
    Als de mens ouder wordt, treden er fysiologische veranderingen op en komen ziekte en beperkingen vaker voor. Deze veranderingen hebben onder meer effect op de energiebehoefte en op de eiwitbehoefte. Volgens de huidige inzichten is van de micronutriënten alleen de behoefte aan vitamine D verhoogd. Deze bedraagt voor 70-plussers 20 μg/dag. Voor ogenschijnlijk gezonde ouderen verandert de behoefte aan andere vitaminen en mineralen nauwelijks. Dat betekent dat bij een verlaagde energie-inneming de vitamine- en mineralendichtheid van de voeding moet toenemen. Dit kan bereikt worden door een verschuiving in de voedselkeuze, wat niet eenvoudig te bereiken is bij ouderen met weinig eetlust. Behalve fysiologische veranderingen en ziekten kunnen medicijngebruik en sociaal-psychologische problemen een effect hebben op de voedingsgewoonten. In dit hoofdstuk worden de meest gesignaleerde problemen in de voeding van ouderen besproken en er worden enkele praktische adviezen gegeven

    Energie in de wijk: Het verduurzamen van de bestaande woningvooraad als kans voor nieuwe werkgelegenheid en energie opwekken met de inwoners van Kreekhuizen als katalysator voor sociale duurzaamheid

    No full text
    Het verduurzamen van de bestaande woningvooraad als kans voor nieuwe werkgelegenheid en energie opwekken met de inwoners van Kreekhuizen als katalysator voor sociale duurzaamheid.VeldacademieArchitectureArchitecture and The Built Environmen

    De Vaart der Volkeren: Buitenlandse bedrijven en hun werknemers in Amsterdam en de rest van Nederland

    No full text
    Op basis van de analyses in dit onderzoek komen we tot de volgende conclusies: • Buitenlandse bedrijven vertegenwoordigen bijna 13 procent van de werkgelegenheid in Nederland; • De werkgelegenheid in buitenlandse bedrijven komt voor 66 procent van bedrijven met een Europese eigenaar en voor 23 procent van bedrijven met een eigenaar uit de Verenigde Staten; • In absolute aantallen zijn groothandel, detailhandel en financiële instellingen de grootste sectoren gemeten naar buitenlandse werkgelegenheid; • In vergelijking met de totale omvang van de sectoren is het aandeel van buitenland-se werkgelegenheid relatief groot bij de winning van delfstoffen, de industrie en ver-voer en communicatie; • Amsterdam gaat in Nederland onbetwist aan kop als het gaat om buitenlandse eco-nomische bedrijvigheid: o Van de totale nationale werkgelegenheid bij buitenlandse bedrijven bevindt zich 19 procent in Amsterdam en Haarlemmermeer en 28 procent in de Me-tropoolregio Amsterdam; o In Amsterdam komt de meeste buitenlandse werkgelegenheid van financiële instellingen, groothandel en holdings; o In vergelijking met de rest van Nederland vertegenwoordigen buitenlandse bedrijven een groot deel van de werkgelegenheid in Amsterdam voor financi-ele instellingen, zakelijke dienstverlening en logiesverstrekking; o Buitenlandse bedrijven trekken binnen Nederland per saldo naar Amsterdam, maar het gaat om kleine aantallen (100 in zes jaar tijd); o Veel migratie vindt plaats binnen de regio Groot-Amsterdam; • Buitenlandse bedrijven zijn na correctie voor omvang en regio gemiddeld ongeveer 30 procent productiever dan Nederlandse bedrijven in dezelfde sector; • Buitenlandse bedrijven betalen hogere lonen dan Nederlandse bedrijven; • Dit geldt ook als we alleen kijken naar werknemers die gelijktijdig of volgtijdelijk werkten bij zowel een Nederlands als een buitenlands bedrijf; • Buitenlandse bedrijven beïnvloeden de innovativiteit en productiviteit van andere be-drijven in de nabijheid (binnen de gemeente) niet méér dan een identiek Nederlands bedrijf. We vinden dus geen extra agglomeratie-effect door nabijheid (binnen de ge-meente) tot buitenlandse bedrijven of werknemers

    Alterações hemodinâmicas e eletrocardiográficas após o uso de neostigmina

    No full text
    Trabalho de Conclusão de Curso - Universidade Federal de Santa Catarina. Curso de Medicina. Departamento de Clínica Cirúrgica

    Toekomstbestendige verharde zeeweringen

    No full text
    Een verkenning naar adaptieve oplossingen in een zandige kust, eindrapport t.b.v Deltaprogramma Kunst. Ten behoeve van het opstellen van een Nationale Visie Kust door het Deltaprogramma heeft Deltares onderzocht hoe verharde zeeweringen langs de Nederlandse Kust toekomstbestendig kunnen worden gemaakt. De achterliggende vraag hierbij was of en hoe veiligheidsoplossingen gecombineerd kunnen worden met ruimtelijke ontwikkelingen zoals stedelijke vernieuwing, recreatie en natuur en landschap. De eerste fase van het onderzoek heeft de veiligheidshorizon van 42 locaties met verharde weringen in beeld gebracht. Met de uitvoering van de versterkingsprojecten bij de \u91zwakke schakels\u92, inzet van zandsuppleties en goed onderhoud aan de keringen is de veiligheid voor vrijwel de gehele kust de komende decennia goed op orde. Bij een scenario met snelle zeespiegelstijging (35 cm tot 2050) ontstaat midden 21e eeuw mogelijk op 16 locaties een veiligheidsopgave, dat wil zeggen langs ruim 30 km verharde zeeweringen. Voor een 10-tal locaties ligt de veiligheidshorizon, bij een snelle zeespiegelstijging, in de tweede helft 21e eeuw. Voor de resterende locaties ontstaat er pas na de 21e eeuw een veiligheidsopgave. Bij matige zeespiegelstijging ligt de veiligheidshorizon verder weg. Voor alle locaties zijn, vanuit kustveiligheid bezien, mogelijke aanpassingsmaatregelen geformuleerd waarmee aan nieuwe maatgevende omstandigheden kan worden voldaan. Deze zijn geformuleerd in termen van \u91zandig\u92, \u91hard\u92 of een combinatie van deze twee. Onderzocht is is de toepasbaarheid van zowel kustlijnzorg (beheer en onderhoud) als vijf meegroeiconcepten (aanleg), te weten \u91dijk-in duin\u92, \u91zandbuffer met- strekdam\u92, \u91kunstrif\u92, \u91duin-voor-dijk\u92 en \u91zand-op-duin\u92. Deze concepten kunnen zowel meegroeien met zeespiegelstijging, als meekoppelen met ruimtelijke ontwikkelingen . Nagegaan is of deze concepten een verbinding kunnen leggen tussen de langere termijn veiligheidsopgaven en de korte termijn ruimtelijke ontwikkelingen. De vijf genoemde meegroeiconcepten zijn beoordeeld op de onderdelen veiligheid, kosten/baten en ruimtelijke kwaliteit. Dit is gedaan via een enquête onder een groep van 22 experts van waterschappen, Rijkswaterstaat, kennisinstellingen en adviesbureaus. De vijf meegroeiconcepten bieden voor de badplaatsen met een boulevard mogelijkheden en scoren beter dan het referentie concept van traditionele kustversterking (\u91hard-blijft-hard\u92). Voor de overige kusttypen met verharde zeeweringen, te weten dijk, geul en havens (zie nationaal kader kust) heeft het referentieconcept de hoogste score.Deltaprogramm

    Fish fatty acids and mental health in older people

    No full text
    Background It has been suggested that the intake of fish and marine n-3 polyunsaturated fatty acids could protect against age-related cognitive decline and impaired mental well-being. However, results from observational studies are inconclusive and data from randomized controlled trials in older people without clinical dementia or depression are scarce. The objective of this thesis was to investigate the effect of daily supplementation with eicosapentaenoic acid (EPA) and docosahexaenoic acid (DHA) on cognitive performance and mental well-being in an older non-clinical population. We also examined the effect of fish oil on gene expression profiles in white blood cells to identify early changes in pathways possibly related to mental health. Furthermore, we assessed the association of fish and EPA+DHA intake with mental health in different aging populations. Methods The effect of low and high doses of EPA+DHA (400 and 1,800 mg per day, respectively) on cognitive performance, several measures of mental well-being, and gene expression was examined in a 26-week randomized, double-blind, placebo-controlled trial. This study was conducted in 302 individuals aged 65 years or older with no clinical diagnosis of dementia or depression. Furthermore, the cross-sectional association between fatty fish and EPA+DHA intake with cognitive performance and the association with cognitive change during 6 years of follow-up was assessed in 1,025 aging US men who participated in the Veterans Affairs Normative Aging Study (NAS). In addition, the associations of EPA+DHA and fish intake with depressive symptoms and dispositional optimism were assessed in 644 free-living Dutch subjects with a history of myocardial infarction. Results Daily intake of low or high doses of EPA+DHA did not affect cognitive performance, mental well-being, anxiety, or quality of life, after 13 or 26 weeks of intervention. However, treatment with EPA+DHA for 26 weeks altered gene expression in white blood cells to a more anti-inflammatory and more anti-atherogenic profile. In elderly US men we found no association of fatty fish or EPA+DHA intake with cognitive performance or 6-year cognitive change. Intake of EPA+DHA was positively associated with dispositional optimism in subjects with a history of myocardial infarction. There was also a tendency for less depressive symptoms with a higher EPA+DHA or fish intake, but this association was no longer statistically significant after controlling for confounders. Conclusion Supplemental intake of EPA+DHA is unlikely to have a short-term impact on cognitive performance or mental well-being of older people without a clinical diagnosis of dementia or depression. Whether long-term intake of EPA+DHA and fish could be beneficial to the maintenance of cognitive performance or mental well-being of older people in Western populations still needs to be established. <br/

    Een numerieke methode voor het berekenen van de grondwaterpotentialen in een zeedijk, rustende op een ondergrond, die slechts tot geringe diepte doorlatend is.

    No full text
    I n h o u d : §1 Theoretische grondslagen van de numerieke methode; dikte watervoerend pakket in het dijkslichaam constant. §2 De berekening van de waterbeweging in een dijkslichaam volgens de in § 1 beschreven methode, §3 De numerieke methode met variabele dikte van het watervoerend pakket. §4 De stabiliteit van het rekenproces §5 Vergelijking van de resultaten van de beide rekenmethoden. §6 Vergelijking van de berekeningsresultaten met de meetresultaten in een plaatvormig elektrisch analogie model. 5 bijlagen en 2 tabellen.Deltawerke

    Changes in intervertebral disc morphology persist 5 mo after 21-day bed rest

    No full text
    As part of the nutrition- countermeasures (NUC) study in Cologne, Germany in 2010, seven healthy male subjects underwent 21 days of head-down tilt bed rest and returned 153 days later to undergo a second bout of 21-day bed rest. As part of this model, we aimed to examine the recovery of the lumbar intervertebral discs and muscle cross-sectional area (CSA) after bed rest using magnetic resonance imaging and conduct a pilot study on the effects of bed rest in lumbar muscle activation, as measured by signal intensity changes in T2-weighted images after a standardized isometric spinal extension loading task. The changes in intervertebral disc volume, anterior and posterior disc height, and intervertebral length seen after bed rest did not return to prebed-rest values 153 days later. While recovery of muscle CSA occurred after bed rest, increases (P 0.016) in multifidus, psoas, and quadratus lumborum muscle CSA were seen 153 days after bed rest. A trend was seen for greater activation of the erector spinae and multifidus muscles in the standardized loading task after bed rest. Greater reductions of multifidus and psoas CSA muscle and greater increases in multifidus signal intensity with loading were associated with incidence of low back pain in the first 28 days after bed rest (P 0.044). The current study contributes to our understanding of the recovery of the lumbar spine after 21-day bed rest, and the main finding was that a decrease in spinal extensor muscle CSA recovers within 5 mo after bed rest but that changes in the intervertebral discs persist

    Ondersteunen van het zelfregulerend ontwikkelen van competenties in groepen binnen het technasium

    No full text
    Door middel van het vak Onderzoek &amp; Ontwerpen, opgezet door de Stichting Technasium, ontwikkelen leerlingen vakoverstijgende competenties. Het is noodzakelijk dat leerlingen deze competenties zelfregulerend leren ontwikkelen; dit verhoogt de effectiviteit van het leerproces. Doel van het onderzoek was om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van praktische handvatten, voor leerlingen en docenten, om het zelfregulerend ontwikkelen van competenties in groepen binnen het technasium te kunnen ondersteunen.De ontwikkelde handvatten bestaan uit een combinatie van een Competentiemonitor en een POP-formulier (persoonlijk ontwikkelplan). De Competentiemonitor wordt gebruikt om de ontwikkeling van de leerling visueel in kaart te brengen, over een langere periode, om sterke en zwakke punten te identificeren en leerdoelen te kiezen. Voor deze Competentiemonitor is gebruik gemaakt van een indeling in zes competentieclusters, en twintig daaronder gegroepeerde competenties, zoals opgesteld door de Stichting Technasium (Van den Brink, 2016). Het POP-formulier ondersteunt het leerproces tijdens een projectperiode door middel van prompting op drie momenten tijdens het project, volgens de drie fasen (forethought-, performance- en self-reflection phase) van het cyclisch proces van zelfregulatie volgens Zimmerman (2000).Het onderzoek is gedeeltelijk uitgevoerd in samenwerking met de Stichting Technasium. De methode is getoetst in de lespraktijk op het technasium van het Calandlyceum in Amsterdam, door middel van design-based research (DBR). Met het oog op triangulatie is gebruik gemaakt van een mixed-methods opzet. Voor het kwantitatieve deel van het onderzoek is dezelfde anonieme vragenlijst drie keer afgenomen onder 200 technasiumleerlingen van het Calandlyceum. De interventiegroep (3e en 5e klas) heeft gedurende twee projectperiodes (kwartalen) gewerkt met de nieuwe methode, en de controlegroep (2e, 4e en 6e klas) heeft gewerkt met de methode die voorheen al werd gebruikt op het Calandlyceum. Het kwalitatieve deel van het onderzoek bestond uit semi-gestructureerde interviews met 16 leerlingen van de interventiegroep over hun ervaring met het werken met de nieuwe methode, en groepsgesprekken met 8 leerlingteams, waarin hun leerproces en het ingevulde POP-formulier werden besproken.Uit de resultaten blijkt dat de methode een positieve invloed heeft op alle vier gemeten dimensies: (1) metacognitieve kennis over de competentie-ontwikkeling, (2) attitude jegens werken aan competentieontwikkeling met aangereikte methode, (3) volgen van drie stappen van cyclisch proces volgens Zimmerman (2000) en (4) intensiteit van samenwerken ten behoeve van persoonlijke leerdoelen. Resultaten van het kwalitatieve onderzoek hebben de resultaten van het kwantitatieve deel van het onderzoek bevestigd. Belangrijke aspecten van de methode zijn de specifieke gedragsbeschrijvingen in de monitor, visuele weergave van het niveau van competenties en de progressie van de ontwikkeling, structuur en prompts in het POP-formulier en het daardoor effectiever in groepsverband samen kunnen werken aan de persoonlijke ontwikkeling – leerdoelen werden (in de succesvolle gevallen) binnen het team bij de start besproken en de taakverdeling werd hierop aangepast door de teamleider.Het praktisch nut van, onder andere, de theorie van Zimmerman (2000) is bevestigd door de gemeten positieve effecten van de methode. De methode is geschikt voor de O&amp;O-lespraktijk. In de discussie worden aanbevelingen gedaan voor doorontwikkeling van de Competentiemonitor en inzet van de methode in de lespraktijk.Applied Sciences | Science Education and Communicatio

    Prevention of bone loss during 56 days of strict bed rest by side-alternating resistive vibration exercise

    No full text
    Bed rest is a recognized model for muscle atrophy and bone loss in space flight and in clinical medicine. We hypothesized that whole body vibration in combination with resistive exercise (RVE) would be an effective countermeasure. Twenty healthy male volunteers underwent horizontal bed rest for 56 days and were randomly assigned either to a group that performed RVE 11 times per week or to a group that underwent bed rest only (Ctrl). Bone mineral content (BMC) was assessed by peripheral quantitative computed tomography (pQCT) in the tibia and the radius and by dual x-ray absorptiometry (DXA) in the hip and lumbar spine at baseline and at regular intervals during bed rest and a 12-month follow-up. RVE appeared to protect muscle size and function, and it also prevented bone loss (p-values between b0.001 and 0.01). Bone losses were largest in the distal tibia epiphysis, where BMC declined from 421.8 mg/mm (SD 51.3) to 406.6 mg/mm (SD 52.7) in Ctrl, but only from 411.1 mg/mm (SD 56.6) to 409.6 mg/mm (SD 66.7) in RVE. Most of the BMC losses were recovered by 12-month follow-up. Analyses showed that the epiphyseal cortex, rather than spongiosa, depicted the most pronounced changes during bed rest and recovery. These results suggest that the combined countermeasure applied in this study is effective to prevent bone losses from the tibia. This underlines the importance of mechanical usage for the maintenance of the human skeleton
    corecore