381023 research outputs found
Sort by
Multiscale kinetic modeling of the transition of hydroprocessing from fossil to plastic-derived oils
Dit proefschrift ontwikkelt en valideert mechanistisch onderbouwde kinetische modellen voor hydroprocessing, met nadruk op een moleculair begrip van complexe koolwaterstofreacties. De focus ligt op toepassingen binnen Crude Oil to Chemicals (COTC), circulaire economie en de verwerking van plasticafval. Twee hydroconversieconfiguraties (op basis van VGO of lichte ruwe olie) worden geanalyseerd met behulp van een objectgeoriënteerd simulatiekader, waarbij geoptimaliseerde zuursterkte en temperatuur leiden tot verhoogde opbrengst aan paraffines geschikt voor stoomkraken.
De relumpte single-event microkinetiek (RSEMK) wordt vervolgens toegepast op synthetische diesel en VGO, waarbij aangepaste structurele klassen en een tweefasenmodel (gas-vast en vloeistof-vast) zorgen voor nauwkeurige productvoorspellingen. De modellen reproduceren succesvol selectiviteiten voor naftenen, aromaten en paraffines.
Vervolgens wordt de aanpak uitgebreid naar een industriële VGO-hydroconversie-eenheid, waarbij veranderingen in adsorptie- en protonatie-enthalpieën de katalysatorveroudering verklaren.
Het tweede deel richt zich op pyrolyseolie van plastic: de verzadiging van olefinen en verwijdering van stikstof worden experimenteel en kinetisch geanalyseerd met modelmengsels en echte voedingen.
Ten slotte wordt een geavanceerd HDS/HDN-model gepresenteerd, waarmee het proefschrift een krachtig instrument levert voor het optimaliseren van industriële hydroprocessing en circulaire integratie
Representative democracy at a crossroads : unpacking citizen preferences for alternative policy-making models
Towards off-grid self-sufficiency : technical and socio-economic evaluation of a circular water system based on greywater reuse
Gecentraliseerde drinkwater- en afvalwatervoorzieningen staan onder toenemende druk door klimaatverandering, verstedelijking en milieuproblemen. Tegen 2050 kan bijna de helft van de stedelijke wereldbevolking met waterschaarste te maken krijgen, terwijl een kwart nog steeds geen toegang heeft tot veilig drinkwater en bijna de helft van het afvalwater onbehandeld blijft. Om deze uitdagingen aan te pakken zijn circulaire watersystemen (CWS) nodig, die bron¬scheiding, hergebruik en terugwinning van hulpbronnen integreren. Op gebouwniveau kunnen CWS off-grid en zelfvoorzienend functioneren door grijs- en regenwater te behandelen en lokaal opgewekte energie te gebruiken. Dit proefschrift onderzoekt de technologische haalbaarheid, optimalisatiemogelijkheden en gebruikersacceptatie van dergelijke systemen, met focus op laagtechnologische biofiltratie in uiteenlopende contexten.
Het literatuuroverzicht wijst biofiltratie aan als veelbelovend, goedkoop en eenvoudig toepasbaar, maar ook beperkt door verstopping, wisselende effluentkwaliteit, gebrek aan monitoring van pathogenen en veelvuldig gebruik van synthetisch grijswater in studies. Empirische demonstraties van volledige zelfvoorziening zijn schaars en onderzoek naar adoptie blijft vaak contextgebonden.
Om dit te doorbreken werden drie pilotsystemen ontwikkeld. In Zwitserland demonstreerde “LaundReCycle 1” gesloten waterkringlopen voor waswater met 69% hergebruik en 92% COD-verwijdering, aangedreven door zonne-energie. “LaundReCycle 2” in Kaapstad combineerde bezinking, ondergedompelde biofiltratie, filtratie en UV-desinfectie. Het systeem bereikte tot 93% water- en 91,6% energiezelfvoorziening, al voldeed het effluent niet aan alle richtlijnen. Zuid-Afrikaanse gebruikers toonden hogere betalingsbereidheid en positievere attitudes dan Zwitsers, beïnvloed door ervaringen met waterschaarste. Het living lab KREIS-Haus in Zwitserland behandelde volledig huishoudelijk grijs- en regenwater en behaalde complete waterzelfvoorziening. Monitoring over acht maanden toonde naleving van normen, terwijl modellen robuustheid onder volledige bezetting bevestigden. Economisch bleek het systeem concurrerend wanneer aansluitkosten werden uitgesloten, ondanks een hoog energieverbruik.
Gebruikersacceptatie werd onderzocht via enquêtes bij 496 respondenten en 76 bezoekers van het KREIS-Haus. Milieubewustzijn voorspelde consequent de bereidheid tot acceptatie en betaling. Directe ervaring verhoogde de steun voor CWS. Het gebruik van regenwater als drinkwater kreeg de meeste aanvaarding, terwijl nutriëntenkringlopen zoals composttoiletten minder draagvlak hadden. Ongeveer de helft van de respondenten stond open voor beperkt onderhoud, maar het beheer van composttoiletten werd meestal afgewezen.
De synthese benadrukt verdere ontwikkelpaden: optimalisatie van laagtechnologische biofilters met nieuwe media zoals biochar, ontwikkeling van goedkope real-time monitoring, aanpassing van wet- en regelgeving, en gebruiksvriendelijke oplossingen voor opslag en behandeling van afvalstromen. Living labs zoals het KREIS-Haus spelen een sleutelrol in het verbinden van technologie, governance en gebruikerservaring. Door experimenten, pilots en socio-economisch onderzoek in Zwitserland en Zuid-Afrika te combineren, levert dit werk een bijdrage aan het inzicht hoe off-grid, zelfvoorzienende CWS ontworpen en ingebed kunnen worden in de bredere duurzaamheidstransitie
Hybrid PZT-silicon photonics : advancing nonlinear and electro-optic functionalities for integrated photonic devices
Non scholae sed vitae? The cognitive transfer effects of studying classical languages in flemish secondary education
Dit doctoraatsonderzoek is ontsproten uit het vraagstuk of Vlaamse leerlingen die in het secundair onderwijs voor een klassieketalenrichting kiezen (i.e., een studierichting met Latijn en/of Grieks) hier al dan niet bijzondere voordelen van ondervinden op vlak van met name Nederlandse moedertaalvaardigheid en algemeen-cognitieve vaardigheden.
Het onderwijzen en leren van antieke talen in een moderne wereld staat al decennia of zelfs eeuwen ter discussie, en in vele landen wordt er duchtig gedebatteerd over de waarde van deze traditie (cf. Hoofdstuk 1). Enkele regelmatig aangehaalde argumenten pro komen erop neer dat het studeren van een klassieke taal nuttig zou zijn voor een reeks cognitieve vaardigheden, zowel talige als niet-talige. Ondanks een lange geschiedenis van onderzoek en een overweldigende hoeveelheid anekdotisch en tentatief bewijs dat Latijn leren een gunstig effect heeft op moedertaalvaardigheid, gold dit naar hedendaagse methodologische standaarden nog niet als wetenschappelijk bewezen (cf. Hoofdstuk 2). Een manier om de kwestie te bekijken is vanuit de cognitief-psychologische theorie van “transfer” tussen cognitieve domeinen (cf. Hoofdstuk 3). De structurele complexiteit van Latijn en Oudgrieks, samen met het feit dat ze niet als levende talen worden onderwezen, maakt het theoretisch alvast plausibel dat klassieketalenstudie cognitieve transfer zou kunnen teweegbrengen.
Deze dissertatie brengt verslag uit van een grootschalige empirische studie naar de transferwaarde van klassieke talen, waarbij over een periode van drie jaar de cognitieve ontwikkeling van leerlingen Latijn en Grieks werd opgevolgd en vergeleken met die van leerlingen in andere algemene studierichtingen met doorstroomfinaliteit. Zoiets was in Vlaanderen nog nooit eerder gebeurd, en in het buitenland slechts in beperktere mate. Voor deze studie waren geschikte meetinstrumenten niet zomaar voorhanden. Daarom heb ik een Nederlandse taaltest ontwikkeld voor mijn doelgroep, voortbouwend op bestaande materialen (cf. Hoofdstuk 4). Ook heb ik meegewerkt aan de ontwikkeling van een algemeen-cognitieve test voor jongeren (Ch-ICAR, cf. Hoofdstuk 5), al werd uiteindelijk besloten voor deze studie een reeds bestaande intelligentietest te gebruiken (COVAT-3). Onderzoek verrichten in een schoolcontext is een enorme logistieke onderneming, maar de uitdagingen waarmee onderzoekers te maken krijgen zijn weinig bekend en worden dikwijls onderschat. Vandaar heb ik een praktische gids geschreven op basis van zowel literatuuronderzoek als eigen ervaringen (cf. Hoofdstuk 6).
Verder bevat deze dissertatie een aanvullende studie naar de lesmethode Latijn in Vlaanderen (cf. Hoofdstuk 7). Uit een breed opgezette enquête wordt voor het eerst duidelijk dat de meerderheid van de leraren een versie gebruikt van de zogenaamde reading method, maar dat de hoeveelheid aandacht voor grammatica en de manier van teksten lezen sterk variëren. De eigenlijke studie naar transfer wordt beschreven in de laatste twee hoofdstukken. Hoofdstuk 8 bevat de details van de methode en statistische resultaten. Hoofdstuk 9 biedt een volledige en genuanceerde bespreking van de bevindingen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor transfer naar niet-talige vaardigheden, maar de resultaten suggereren wel dat Latijn leren inderdaad bevorderlijk kan zijn voor Nederlandse taalvaardigheid. Dit onderzoek leert echter weinig over individuele verschillen in de mate van transfer, en verder onderzoek is nodig om meer uitsluitsel te bieden over welke taalaspecten vatbaar zijn voor transfer.This doctoral research originated from the question whether or not Flemish pupils who choose to study classical languages (i.e., Latin and/or Greek) in secondary education experience any extraordinary benefits thereof, especially in terms of native Dutch language proficiency and general-cognitive abilities.
The teaching and learning of ancient languages in a modern world has been a matter of dispute for decades or even centuries, and in many countries the value of this tradition is heavily debated (cf. Chapter 1). Some frequently cited arguments pro imply that studying a classical language would be useful for a range of cognitive skills, linguistic and non-linguistic. Despite a long history of research and an overwhelming amount of anecdotal and tentative evidence that learning Latin has a positive effect on native language skills, according to present-day methodological standards this had not yet been scientifically proven (cf. Chapter 2). One way to approach the issue is through the cognitive-psychological theory of "transfer" between cognitive domains (cf. Chapter 3). The structural complexity of Latin and Ancient Greek, combined with the fact that they are not taught as living languages, makes it theoretically plausible that classical language study could lead to cognitive transfer.
This dissertation reports on a large-scale empirical study on the transfer value of classical languages, in which over a three-year period the cognitive development of Latin and Greek pupils was tracked and compared with that of pupils in other general, academically-oriented study options. In Flanders, such a study had never been performed before, and abroad only to a more limited extent. Measuring instruments appropriate for this study were not readily available. Therefore, I developed a Dutch language test for my target group, building on existing materials (cf. Chapter 4). I also contributed to the development of a general-cognitive test for youngsters (Ch-ICAR, cf. Chapter 5), although ultimately an existing intelligence test was decided on for this study (COVAT-3). Conducting research in a school setting is a major logistical undertaking, but the challenges researchers face are not well-known and are often underestimated. Hence, I wrote a practical guide based on both a review of literature and personal experiences (cf. Chapter 6).
Furthermore, this dissertation contains a complementary study on Latin teaching method in Flanders (cf. Chapter 7). A broad-based survey has shown for the first time that the majority of teachers use a version of the so-called reading method, but that the amount of emphasis placed on grammar and the way in which texts are read vary considerably. The actual study on transfer is described in the final two chapters. Chapter 8 presents the details of the method and statistical results. Chapter 9 discusses the findings in their full detail and nuance. No indications have been found for transfer to non-linguistic abilities, but the results do suggest that learning Latin can indeed be beneficial for Dutch language proficiency. This research reveals little about individual differences in the degree of transfer, however, and further research is needed to reach definitive conclusions about which language aspects are susceptible to transfer
Therapeutic potential of PPARα-ERRα crosstalk in mitigating metabolic dysfunction-associated steatotic liver disease progression
Fretting fatigue in heterogeneous materials
In het huidige werk worden verschillende eindige-elementenmodellen ontwikkeld om rekening te houden met materiaalheterogeniteit, met als doel de nauwkeurigheid van het schatten van de levensduur van scheurinitiatie bij frettingsvermoeiing te verbeteren. Het introduceren van microholtes en insluitsels in het numerieke model verhoogt het aantal elementen aanzienlijk, waardoor de adoptie van multi-schaalanalyse noodzakelijk is om de berekeningskosten te verminderen. Daarnaast wordt het gedrag van scheurpropagatie onderzocht onder uit-fase-belastingsomstandigheden, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de invloed van de locaties van microholtes op het gedrag van scheurinitiatie onder uit-fase-belastingen. Bovendien wordt de invloed van restspanningen op zowel de initiatie- als propagatiefasen van scheuren onderzocht. In het hele onderzoek wordt de Critical Plane-methode gebruikt om het scheurinitiatiegedrag te bestuderen, en het Extended Maximum Tangential Stress-criterium wordt toegepast om het scheurpropagatiepad en de levensduur te voorspellen
Impacts of climatic fluctuations on the habitat suitability of the Cetartiodactyla in the Kunlun-Pamir plateau
De invloed van klimaatverandering op de wereldwijde verspreiding van soorten is een complexe en dringende kwestie, vooral in droge gebieden, die gevoeliger zijn voor klimaatverandering. De kwetsbaarheid van de ecosystemen van het Kunlun-Pamir Plateau, een aangrenzende regio van het Tibetaans Plateau, maakt het bijzonder kwetsbaar voor klimaatverandering. Deze regio herbergt een verscheidenheid aan ecosystemen, waaronder alpine graslanden, woestijnen en gletsjers, die een belangrijke habitat vormen voor zeldzame en bedreigde soorten. Evenhoevigen, een belangrijke soortgroep in de regio, zijn gevoelig voor milieuveranderingen, waardoor ze een belangrijke indicator zijn voor het bestuderen van de gevolgen van klimaatverandering. In de afgelopen jaren is de Kunlun Pamir regio niet alleen uitgedaagd door klimaatverandering, maar is het ook significant beïnvloed door antropogene activiteiten. Er zijn echter relatief weinig studies uitgevoerd naar veranderingen in de verspreiding van soorten in de regio, waardoor ons begrip van biodiversiteitsbehoud en ecosysteemherstel in de regio beperkt is. Het Global Biodiversity Framework voor de periode na 2020 stelt als doel om tegen 2030 ten minste 20 procent van de aangetaste ecosystemen te herstellen om de biodiversiteit en de ecosysteemdienstverlening te verbeteren. Deze studie is bedoeld om de hiaten in bestaand onderzoek op te vullen en wetenschappelijk bewijs en praktische richtlijnen te bieden voor het bereiken van dit wereldwijde doel door diepgaande veranderingen in de verspreiding van soorten in de Kunlun Pamir-regio te analyseren.
Op basis van de meest kritische factoren met betrekking tot de verspreiding van soortenrijkdom in Aeolus, onderzoekt dit artikel de veranderingen in habitatgeschiktheid van Aeolus en zes specifieke soorten in de Kunlun Pamir regio onder huidige en toekomstige klimaatscenario's door het combineren van geïntegreerde modellering. Dit artikel (1) analyseert de ruimtelijke en temporele kenmerken van het klimaat in de Kunlun Pamir-regio vanuit het perspectief van bioklimatologische variabelen; (2) vergelijkt de habitatgevolgen in de Kunlun Pamir-regio; (4) kwantificeert de belangrijkste factoren die de verspreiding van de Artiodactyla in de Kunlun Pamir-regio beïnvloeden; en (5) onderzoekt de veranderingen in de habitatgeschiktheid van de Artiodactyla en zes specifieke soorten onder de huidige en toekomstige klimaatscenario's in de Kunlun Pamir-regio