Ghent University

Ghent University Academic Bibliography
Not a member yet
    381023 research outputs found

    Konstruktionsgrammatik und Variation : eine Mikrotypologie universaler Irrelevanzgefüge im Gegenwartsdeutschen

    No full text

    Russian literature in Dutch newspapers (1830s-1960s) : a study in translation history

    No full text
    This dissertation examines the translation of Russian literature in Dutch newspapers between the 1830s and the late 1960s, a largely overlooked domain within translation history. The study draws on the database Russian Literature in Dutch Newspapers (RLDN), which comprises 2,359 translations linked to the Delpher platform of the National Library of the Netherlands (The Hague), providing access to digitised newspaper pages. The research is structured around a threefold analytical framework encompassing context, agents and texts. These dimensions address, respectively, the historical and institutional conditions shaping the translation process, the mediating agents—newspapers and translators—and the translations themselves. This structure is adapted from Christopher Rundle’s (2022) dimensions of translation history, with each section focusing on a distinct unit of analysis while maintaining attention to their interconnections. The first part situates the feuilleton as a structural feature of nineteenth- and early twentieth-century newspapers: serial fiction fostered habitual reading and subscriber loyalty, while offering affordable access to literature for working- and middle-class readers, thereby creating an alternative literary circuit. Practices such as cutting and binding instalments into volumes illustrate how feuilletons democratised cultural capital. Within this ecosystem, translated fiction was ubiquitous, though Russian literature occupied only a marginal position compared to English, French and German works. Newspapers often operated outside formal copyright regimes, insofar as these existed prior to the Netherlands’ accession to the Berne Convention in 1912. The absence of enforceable copyright and a loosely regulated market created a ‘translation-friendly’ environment. The second part explores how Russian literature was translated and published in Dutch newspapers against the backdrop of profound political and cultural transformations in the nineteenth and twentieth centuries. Analysis proceeds along three axes—topicality, genre and function, and the newspaper’s active role in the translation process—and demonstrates that translated fiction served as an interpretive tool for current affairs and social trends. From the 1830s onwards, feuilletons intertwined Russian narratives with broader discourses on Russia, initially framed by exoticism, later increasingly aligned with contemporary events. Fiction was mobilised to render complex realities—such as wars and social tensions—more intelligible. Editorial strategies varied: socialist newspapers deployed translations as ideological lenses, while commercial dailies favoured fashionable, reader-oriented fiction. These patterns reveal that the translation of Russian literature in the press was purposeful and context-sensitive, embedded in a dynamic news and translation culture where fiction functioned as a mediating device between literature and actuality. A vibrant translation market implies a substantial contingent of translators, though most remained largely invisible. Biographical analysis of nineteen translators uncovers a diverse and hybrid field shaped by journalism, politics, family networks and economic imperatives. Profiles range from autodidact militants to academically trained professionals. For some, newspapers extended their journalistic identity; for others, translation was a temporary strategy in precarious careers. For socialist and communist activists, translation was an ideological act, whereas freelancers and marginal figures operated more opportunistically. These findings underscore translators as active agents within networks of cultural and political exchange, and highlight the need to understand their lives and motives to grasp the role of translation in the press. Corpus analysis shows that a significant proportion of translations were repeatedly reprinted—the most striking trend in the longitudinal study. A case study employing stemmatological methods traces the transmission of a ‘viral’ text, revealing how regional and colonial newspapers frequently appropriated material from nationally circulating titles, in line with the conventions of ‘scissors-and-paste journalism’. Translations circulated with the same fluidity as news items, with reprints introducing both inadvertent and deliberate modifications that were subsequently reproduced elsewhere. This practice reflects a pragmatic strategy by newspapers with limited resources, relying on readily available content. The rapid and unrestricted circulation of newspapers, combined with a legal environment where copyright was absent or difficult to enforce, facilitated this process. While the case study cannot determine when such practices became standard or how translations were ultimately absorbed into a copyright-regulated literary field, it underscores the dynamism and complexity of textual transmission within the press.Dit proefschrift onderzoekt de vertaling van Russische literatuur in Nederlandse kranten tussen de jaren 1830 en het einde van de jaren 1960, een tot dusver onderbelicht domein binnen de vertaalgeschiedenis. Het onderzoek baseert zich op de database Russian Literature in Dutch Newspapers (Russische Literatuur in Nederlandse Kranten, RLDN), die 2.359 vertalingen omvat en gekoppeld is aan het Delpher-platform van de Koninklijke Bibliotheek (Den Haag, NL) dat de digitale krantenpagina’s heeft ontsloten. Het onderzoek ontleent zijn structuur aan een drievoudig analytisch kader dat context, actoren en teksten omvat. Deze dimensies hebben respectievelijk betrekking op de historische en institutionele context die de voorwaarden scheppen voor het vertaalproces in brede zin, de bemiddelende actoren—kranten en vertalers—en de vertalingen zelf. Deze structuur is afgeleid van Christopher Rundle’s (2022) dimensies van vertaalgeschiedenis, waarbij elke sectie een afzonderlijke analyse-eenheid centraal stelt en tegelijk oog houdt voor hun onderlinge verwevenheid. Het eerste deel situeert het feuilleton als structureel element van de negentiende- en vroegtwintigste-eeuwse pers: seriële fictie stimuleerde gewoontelezen en versterkte de getrouwheid van abonnees, maar bood ook betaalbare toegang tot literatuur voor arbeiders- en middenklasselezers, waardoor een alternatief literair circuit ontstond. Praktijken zoals het knippen en inbinden van afleveringen tot boeken tonen hoe feuilletons cultureel kapitaal democratiseerden. Binnen het ecosysteem van het feuilleton was vertaalde fictie alomtegenwoordig, al nam Russische literatuur slechts een marginale plaats in vergeleken met Engelse, Franse en Duitse werken. Kranten opereerden vaak buiten formele auteursrechtregimes, voor zover die al bestonden in de periode voor 1912 toen Nederland toetrad tot de Conventie van Berne. De afwezigheid van afdwingbare auteursrechten en een nauwelijks gereguleerde markt creëerden een ‘vertaalvriendelijke’ context. Het tweede deel gaat na hoe Russische literatuur in Nederlandse kranten werd vertaald en gepubliceerd, tegen de achtergrond van ingrijpende politieke en culturele veranderingen van de 19e en 20e eeuw. De analyse verloopt langs drie assen—actualiteit, genre en functie, en de actieve rol van de krant in het vertaalproces—en laat zien dat vertaalde fictie maar diende als instrument om de actualiteit en maatschappelijke tendensen te duiden. Vanaf de jaren 1830 verweefden feuilletons Russische verhalen met het bredere discours over Rusland, aanvankelijk vanuit een interesse in het ‘exotische’, later steeds sterker gekoppeld aan actuele gebeurtenissen. Fictie werd ingezet om complexe realiteiten, zoals oorlogen en sociale spanningen, begrijpelijker te maken. Redactionele strategieën varieerden: socialistische kranten gebruikten vertalingen als ideologisch venster, terwijl commerciële dagbladen kozen voor modieuze, publieksgerichte fictie. Deze patronen tonen dat de vertaling van Russische literatuur in de pers doelgericht en contextgevoelig was, ingebed in een dynamische nieuws- en vertaalcultuur waarin fictie fungeerde als bemiddelend medium tussen literatuur en actualiteit. Een levendige vertaalmarkt impliceert een aanzienlijk contingent vertalers, hoewel de vertalers van feuilletons grotendeels anoniem bleven. Biografische analyse van negentien vertalers onthult een divers en hybride veld waarin journalistiek, politiek, familiebanden, maar ook economische factoren van betekenis waren. Profielen van vertalers variëren van autodidacte militanten tot academisch geschoolde professionals. Voor sommigen was de krant een verlengstuk van hun journalistieke identiteit; voor anderen een tijdelijke strategie in een instabiele carrière. Voor militanten van socialistische en communistische bewegingen lag vertaling in het verlengde van hun ideologische engagement, terwijl freelancers of vertalers aan de rand van het literaire veld eerder opportunistisch opereerden. Deze bevindingen tonen dat vertalers actieve agenten waren in een netwerk van culturele en politieke uitwisseling, en dat inzicht in hun levens en motieven essentieel is om de rol van vertaling in de pers te begrijpen. De analyse van het corpus toont dat een aanzienlijk deel van de vertalingen herhaaldelijk werd herdrukt—de meest opvallende trend in de longitudinale studie. Een casestudy, gebaseerd op stemmatologische methoden, volgt de transmissie van een ‘virale’ tekst en onthult hoe regionale en koloniale kranten veelvuldig materiaal overnamen van landelijk verschijnende titels, in lijn met de conventies van ‘knip-en-plakjournalistiek’. Vertalingen circuleerden met dezelfde flexibiliteit als nieuwsberichten, waarbij herdrukken zowel onbedoelde als opzettelijke wijzigingen introduceerden die zich verder verspreidden. Deze praktijk weerspiegelt een pragmatische strategie van kranten met beperkte middelen, die teruggrepen op beschikbare content. Hoewel het op basis van deze casestudy niet mogelijk is om het exacte moment van standaardisering of de latere integratie van vertalingen in een auteursrechtelijk gereguleerd literair veld vast te stellen, onderstreept het onderzoek de dynamiek en complexiteit van teksttransmissie binnen de pers

    Horizontal links in the constructional network and their role in constructional contamination : connections between Dutch krijgen-constructions

    No full text
    In this dissertation, we investigated the intricacies of the phenomenon of constructional contamination, which is the effect whereby one grammatical construction influences a subset of instances of another construction in its realization due to (coincidental) formal similarity between both constructions. This was done through an extensive empirical study of two cases of grammatical alternation in Dutch: (i) the alternation between the [Aux+Part] and [Part+Aux] word order in receptive and resultative verb clusters with krijgen ‘to get’ and (ii) the variation between the prepositions van ‘from/by’ and door ‘through/by’ in the prepositional phrase encoding the agent of the receptive construction. We studied potential contamination effects in these alternations in two national varieties of Dutch, viz. Belgian Dutch and Netherlandic Dutch, and with a range of methodological approaches, viz. corpus studies, an acceptability survey, sentence embeddings generated by a large language model and a psycholinguistic priming experiment. (i) The mechanism underlying contamination. In earlier work on contamination, the phenomenon was explained as the consequence of language users storing unanalyzed strings of a contaminating construction as exemplar chunks, which they later recycle in a target construction. Construction grammar assumes that formally similar constructions are connected in the minds of language users, so the question rises if these so-called “horizontal links” contribute to contamination, as a complementary mechanism to chunking-related processes. We indeed found several indications for this. For example, contamination also occurs in cases where constructions do not exhibit exact string similarity, but are only similar at a more schematic level. In another case, a reverse contamination effect was found, meaning that the alternant for which chunks are supposedly stored is actually avoided in the target construction. (ii) Lectal variation in contamination. We have shown that contamination effects can differ between national varieties. More specifically, it was found that contamination occurs with a more restricted set of verbs in Netherlandic Dutch compared to Belgian Dutch, and that in the latter variety, contamination occurs more easily based on abstract similarity. We explained this as a consequence of weaker horizontal links between certain constructions in Netherlandic Dutch, and, tentatively, as a consequence of the relatively more exemplar-based nature of Netherlandic Dutch, which might result in stronger horizontal links at lower levels (i.e. less abstract) in the constructional taxonomy. (iii) Bidirectionality of contamination. We confirmed the hypothesis that contamination is bidirectional in nature. However, we have also shown that it is not necessarily symmetric: contamination effects can, in some pairs of constructions, occur more easily in one direction than the other. (iv) Contamination affects acceptability judgments. We have shown that the effects of constructional contamination extend beyond language production: if language users evaluate the acceptability of instances of a construction, they might be influenced by the connections that construction has with formally similar constructions in their minds. (v) Contamination shapes grammar. We have demonstrated that contamination is very likely blocking the [Aux+Part]-order in resultative clusters. This indicates that, in some cases, connections between constructions can better explain tendencies in grammar than postulated grammatical properties of constructions.In dit proefschrift hebben we de werking van het verschijnsel constructionele contaminatie nader onderzocht, i.e. het effect waarbij een grammaticale constructie een subset van instantiaties van een andere constructie beïnvloedt in hun realisatie door een (toevallige) formele gelijkenis tussen beide constructies. Dit gebeurde via een uitgebreide empirische studie van twee grammaticale alternanties in het Nederlands: (i) de alternantie tussen de [Aux+Part] en [Part+Aux] woordvolgordes in receptieve en resultatieve werkwoordsclusters met krijgen en (ii) de variatie tussen de voorzetsels van en door in de voorzetselconstituent die het agens van de receptieve constructie uitdrukt. We onderzochten potentiële contaminatie-effecten bij deze alternanties in twee nationale variëteiten van het Nederlands, namelijk Belgisch-Nederlands en Nederlands-Nederlands, en met behulp van een aantal verschillende methoden, namelijk corpusonderzoek, een acceptabiliteitsstudie, sentence embeddings gegenereerd door een large language model en een psycholinguïstisch primingexperiment. (i) Het mechanisme achter contaminatie. In eerder onderzoek naar contaminatie werd het fenomeen verklaard als het gevolg van taalgebruikers die ongeparsete strings van een contaminerende constructie opslaan als “exemplar chunks” en die die chunks later recycleren in een targetconstructie. De constructiegrammatica veronderstelt dat formeel gelijke constructies geconnecteerd zijn in het hoofd van taalgebruikers. Bijgevolg stelt zich de vraag of die zogenaamde “horizontale links” bijdragen aan constructionele contaminatie, als een mechanisme complementair aan chunking-gerelateerde processen. We hebben inderdaad verschillende indicaties daarvoor gevonden. Zo vonden we ook contaminatie in constructieparen die geen exacte stringgelijkenis vertonen, maar die alleen gelijk zijn op een schematischer niveau. Voor een ander constructiepaar werd een omgekeerd contaminatie-effect gevonden, waarbij de alternant waarvoor er vermoedelijk chunks zijn opgeslagen net vermeden wordt in de targetconstructie. (ii) Lectale variatie in contaminatie. We hebben aangetoond dat contaminatie-effecten kunnen verschillen tussen nationale variëteiten. Meer bepaald bleek dat contaminatie in het Nederlands-Nederlands voorkomt bij een beperktere set van werkwoorden in vergelijking met het Belgisch-Nederlands, en dat in die laatste variëteit contaminatie makkelijker gebeurt tussen constructies die enkel op een abstract niveau gelijkenis vertonen. We hebben dit verklaard als het gevolg van minder sterke horizontale links tussen bepaalde constructieparen in het Nederlands-Nederlands, en, tentatief, als het gevolg van de relatief meer exemplar-gebaseerde aard van het Nederlands-Nederlands, waardoor de sterkste horizontale links zich mogelijk bevinden op lagere niveaus (i.e. minder abstract) in de constructionele taxonomie. (iii) Bidirectionaliteit van contaminatie. We hebben de hypothese dat contaminatie een bidirectioneel fenomeen is bevestigd. Tegelijk stelden we vast dat contaminatie-effecten niet per se symmetrisch zijn: contaminatie kan bij sommige constructieparen makkelijker in de ene dan in de andere richting optreden. (iv) Contaminatie beïnvloedt acceptabiliteitsoordelen. We hebben aangetoond dat de effecten van constructionele contaminatie niet alleen in taalproductie spelen: als taalgebruikers de acceptabiliteit van instantiaties van een constructie beoordelen, kunnen ze beïnvloed worden door de connecties die die constructie heeft met andere, vormgelijke constructies in hun hoofd. (v) Contaminatie beïnvloedt de grammatica. We hebben gedemonstreerd dat contaminatie hoogstwaarschijnlijk de [Aux+Part]-volgorde blokkeert in resultatieve werkwoordsclusters. Dit wijst erop dat in sommige gevallen bepaalde grammaticale fenomenen beter verklaard kunnen worden door de connecties tussen constructies dan door gepostuleerde grammaticale eigenschappen van constructies

    Towards a better understanding of personality diversity in autistic and non-autistic youth : mapping structures, patterns, and variation

    No full text

    Responses of calanoid and harpacticoid copepods to rising temperatures : a multigenerational perspective

    No full text
    Climate change poses a major global challenge, yet long-term effects on key marine invertebrates remain unclear. This dissertation investigates how rising water temperatures, both gradual and sudden, affect the nutritional value, reproduction, and molecular responses of pelagic and benthic copepods. Experiments on Acartia tonsa showed that gradual warming allows acclimation without major changes in fatty acid profiles, though DNA methylation patterns reveal molecular adjustments. In contrast, sudden heat spikes reduce omega-3 levels and nutritional quality, indicating acute stress. A second experiment on Nitocra spinipes confirmed that gradual warming enables partial multigenerational adaptation, while sudden temperature stress leads to reproductive failure. However, reproductive capacity recovered when normal conditions were restored, highlighting epigenetic resilience. Fatty acid composition was also altered, with decreases in DHA under warming. A dedicated heatwave simulation showed species-specific responses, with N. spinipes potentially relying more on epigenetic mechanisms than A. tonsa, though high mortality limited certainty. Overall, gradual warming promotes acclimation through reversible epigenetic changes, while sudden heat events pose immediate risks to copepod health and food web stability. Understanding transgenerational plasticity and epigenetic stress markers is crucial for predicting ecosystem responses under future climate scenarios

    Drivers and barriers to farmers’ intention to adopt orange-fleshed sweet potatoes in Ethiopia

    No full text
    In Ethiopië blijft voedsel- en voedingsonzekerheid een structureel en hardnekkig probleem. Biofortificatie-gewassen, zoals de oranjevlezige zoete aardappel (orange-fleshed sweet potato, OFSP), bieden een veelbelovende en duurzame mogelijkheid om micronutriëntentekorten – met name vitamine A-deficiëntie, die miljoenen kinderen en volwassenen treft – terug te dringen. Toch stuit de verspreiding van OFSP bij kleinschalige boeren op aanzienlijke barrières van gedragsmatige, structurele en systeemgebonden aard. Het doel van dit proefschrift is meer inzicht te verwerven in de determinanten en obstakels die de adoptie van OFSP beïnvloeden, en zo bij te dragen aan de kennisbasis voor de bevordering van biofortificatie-gewassen ter verbetering van voedselzekerheid en ter bestrijding van micronutriëntentekorten. Dit onderzoeksdoel sluit nauw aan bij de mondiale ontwikkelingsagenda’s, in het bijzonder de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) 2 (Geen honger), 3 (Goede gezondheid en welzijn) en 12 (Verantwoorde consumptie en productie), die het beëindigen van honger, de verbetering van voeding en de bevordering van duurzame landbouwsystemen centraal stellen. Het onderzoek wordt opgebouwd rond vier kerndoelstellingen, die inspelen op bestaande kennislacunes omtrent OFSP-adoptie en die concrete inzichten opleveren voor beleidsontwikkeling en opschaling in ontwikkelingslanden. Het eerste deel van het onderzoek omvat een systematische review van 24 studies, gepubliceerd tussen 2012 en 2022 in Azië en Afrika, die factoren analyseren die de acceptatie en adoptie van biofortificatie-gewassen bepalen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen acceptatie (de bereidheid een gewas te omarmen, bijvoorbeeld vanwege de erkende nutritionele voordelen) en adoptie (de daadwerkelijke teelt). De review brengt de belangrijkste determinanten van adoptie in kaart: sociaaleconomische kenmerken (opleiding, inkomen, bedrijfsomvang), institutionele factoren (toegang tot krediet en voorlichtingsdiensten), psychologische en cognitieve factoren (kennis, attitude) en agronomische kenmerken (opbrengst, ziekte- en droogteresistentie). De bevindingen zijn niet eenduidig, wat de noodzaak onderstreept van verdere theoretische onderbouwing en meer onderzoek naar gedragsmatige en psychologische dimensies van adoptie. Het tweede onderzoeksdeel analyseert surveydata van 370 Ethiopische boeren om de drijfveren en barrières voor adoptie-intentie van OFSP te achterhalen. Hiervoor wordt het Motivation–Opportunity–Ability (MOA)-raamwerk toegepast, dat adoptiefactoren systematisch onderbrengt in drie dimensies. Motivatie verwijst naar de gepercipieerde agronomische en nutritionele voordelen van OFSP; opportuniteit omvat externe randvoorwaarden zoals toegang tot krediet, marktverbindingen en beleidssteun; vaardigheid (ability) betreft interne capaciteiten zoals kennis, teeltvaardigheden en toegang tot inputs. De resultaten benadrukken de cruciale rol van institutionele factoren: kredietverlening, voorlichtingsondersteuning en stimulerend beleid bevorderen adoptie aanzienlijk. Samenwerking tussen microfinancieringsinstellingen en voorlichtingsdiensten kan daarbij een hefboom vormen. Daarnaast blijken kennis en vaardigheden onmisbaar voor duurzame adoptie. Ook de perceptie van gezondheidsvoordelen en marktpotentieel beïnvloedt de motivatie van boeren sterk. Deze analyse biedt daarmee concrete beleidsaanbevelingen, zoals doelgroep-specifieke training, beleidsmaatregelen ter versterking van inst

    Networks and topology : identification and theoretical characterization of atrial arrhythmia mechanisms

    No full text
    Dit proefschrift onderzoekt hartritmestoornissen, met speciale aandacht voor atriumfibrilleren, een aandoening die steeds vaker voorkomt bij een vergrijzende bevolking en een grote impact heeft op gezondheid en levenskwaliteit. Het werk richt zich op de elektrische processen in het hart die deze stoornissen veroorzaken en in stand houden, en ontwikkelt nieuwe methoden om ze beter te begrijpen en te behandelen. De studie combineert klinische data, computersimulaties en wiskundige analysetechnieken om elektrische activatiepatronen in de boezems van het hart in kaart te brengen. Een belangrijke bijdrage is de ontwikkeling van nieuwe signaalanalyse­methoden om abnormale elektrische kringlopen (re-entry) te detecteren. Daarnaast wordt aangetoond dat deze kringlopen volgens vaste topologische regels optreden, zelfs onder chaotische omstandigheden. Verder introduceert het proefschrift een nieuwe indeling van elektrische golven in het hart, wat helpt verklaren waarom ritmestoornissen blijven bestaan of verdwijnen na behandelingen zoals ablatie of cardioversie. De resultaten leveren nieuwe inzichten op die kunnen bijdragen aan effectievere en beter gerichte therapieën voor hartritmestoornissen

    A molecular dance : deciphering the dynamic mechanisms of GDP-sugar epimerases

    No full text
    Deze thesis heeft als doel essentiële inzichten te bekomen in de substraat- en regiospecificiteit van CEP1 door middel van een multidisciplinaire benadering die biochemische karakterisering combineert met computationele methoden zoals moleculaire dynamica-simulaties, met speciale aandacht voor de onderbelichte GDP-suikerepimerasen. De bevindingen zijn bedoeld om toekomstige CEP1-engineeringinitiatieven te gidsen en bij te dragen aan de ontwikkeling van op maat gemaakte epimerasen, waardoor de weg wordt gebaand voor enzymatische productie van zeldzame suikers. In Hoofdstuk 1 verkennen we de basisconcepten van dit werk via een uitgebreide literatuurstudie over NDP-suikers, CEP1 en technieken voor enzymengineering. Het introduceert ook computationele strategieën, waaronder moleculaire dynamica en QM/MM-simulaties, om een kader te bieden voor de redenering in de daaropvolgende hoofdstukken. Hierop voortbouwend presenteert Hoofdstuk 2 een nieuwe GDP-hexose 4-epimerase met opmerkelijke promiscuïteit ten aanzien van GDP-hexosen en zowel D- als L-suikergroepen (bijvoorbeeld GDP-L-fucose), waardoor het NS-4E-repertoire wordt uitgebreid. Dit hoofdstuk bespreekt ook de diversiteit van NDP-componenten in NS-4Es, die hoofdzakelijk beperkt zijn tot UDP-suikers. Om de mechanistische basis van de GDP-hexose 4-epimerase te begrijpen, onthult Hoofdstuk 3 de kristalstructuur ervan en maakt het gebruik van moleculaire dynamica-simulaties en mutagenese om interacties tussen substraat en enzym te onderzoeken, evenals het rotatiemechanisme van het keto-intermediair. Hoofdstuk 4 bouwt voort op deze inzichten door de substraatspecificiteit van het enzym voor GDP-D-mannose te verbeteren, met integratie van dynamische gegevens om bestaande modellen op basis van sequentie en structuur te verfijnen, en een nieuwe classificatie voor NS-4E voor te stellen. Dit legt de basis voor Hoofdstuk 5, dat de complexiteiten van dubbele epimerisatie in GDP-mannose 3,5-epimerase aanpakt, een enzym dat D- en L-suikers met elkaar verbindt. We zullen de directionaliteit ervan en de regeneratie van katalytische residuen verduidelijken met behulp van QM/MM en biochemische karakterisering. Ten slotte vat Hoofdstuk 6 deze bevindingen samen, met een algemeen overzicht en toekomstperspectieven voor CEP1-engineering. Het streeft er ook naar om eerdere bevindingen te koppelen aan onopgeloste vragen, om nieuwsgierigheid te wekken naar deze ingewikkelde maar bewonderenswaardige enzymen

    62,615

    full texts

    381,023

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Ghent University Academic Bibliography
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇