10,922 research outputs found

    Consumer responses to risk-benefit information about food

    No full text
    Communication about the healthiness of consuming different food products has typically involved either health messages about the associated risks or benefits. In reality, consumption decisions often involve consumers “trading-off” the risks and benefits associated with the consumption of a particular food product. If consumers are to make informed choices about food consumption, they may need to simultaneously understand both risk and benefit information associated with consuming different foods. However, it is not known how this potentially conflicting information can best be communicated. Effective risk-benefit communication is also important because, increasingly, risk assessment and regulatory decision-making is focused on risk and benefit associated with a specific food issue, which will also need to be communicated to consumers. This thesis therefore examines consumer responses to information about both risks and benefits associated with food, in order to provide insights into effective ways to communicate this information. For this purpose, three lines of research are explored: (1) consumer perceptions and responses to integrated risk-benefit metrics, (2) potential barriers to effective risk-benefit communication, and (3) consumer responses to communication about risk management practices associated with food hazards. In Chapter 2 consumer preferences regarding several integrated risk-benefit metrics describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption on health are qualitatively explored. Chapter 3 examines consumer perceptions of quality-adjusted-life-years (QALYs) as a tool for describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption, and in Chapter 4 it is examined whether integrated risk-benefit information in terms of QALYs can facilitate informed decision making for consumers, including how this information can best be presented. The research regarding potential barriers to effective risk-benefit communication focuses on optimism regarding risks and benefits associated with food consumption (Chapter 5), and on the role of initial attitudes on the occurrence of negativity effects after the provision of balanced risk-benefit information (Chapter 6). Finally, the impact of information about risk management practices associated with food hazards on consumer perceptions of food risk management quality are examined (Chapter 7). Overall, the results of this thesis provide useful insights for the development of effective risk-benefit communication, including the communication of information about integrated risk-benefit assessments, and for the development of effective ways to communicate about risk management practices associated with food hazards. <br/

    De fabels van Aisopos

    No full text
    This is a beautiful little book! How nice of Gert-Jan to inscribe it For Greg, as a souvenir of our fabulous meetings and discussions on Aesop's genre and to send it. Now I only wish I could read it! There is one fable on each page from 13 through 93, and every one has a separate moral.Language note: DutchOriginal language: grcGeselecteerd en ingeleid door Hein L. van Dolen. Vertaald door Hein L. van Dolen en Jo Fiedeldij Do

    Invloed van verwijdering van organische stof op ozonisatie

    No full text
    Gemeente Amsterdam Waterleidingbedrijf (WLB) heeft twee productielocaties, Leiduin en Weesperkarspel. In Weesperkarspel is één van de zuiveringsstappen desinfectie door middel van ozondosering. Het water dat in Weesperkarspel gezuiverd wordt, wordt gewonnen in de Bethunepolder en voorgezuiverd in Loenderveen. Hierbij wordt ozon geproduceerd uit droge lucht en wordt dan gedoseerd in een bellenkolom. Echter, door de hoge concentratie aan organisch materiaal (DOC) in het water, wordt een groot deel van de gedoseerde ozon niet gebruikt voor het beoogde doel, desinfectie, maar reageert met dit organisch materiaal. Hierbij ontstaat makkelijk afbreekbaar materiaal (AOC), dat geconsumeerd wordt door de bacteriën op de actieve koolfilters. Als dit AOC niet verwijderd wordt is het een belangrijke voedingsbron voor bacteriën in het distributienetwerk. In de zomermaanden wordt er zoveel AOC gevormd dat de actieve koolfilters te vaak verstopt raken door de biomassa en dat er dus te vaak teruggespoeld moet worden. Daarom is besloten om de ozondosering in de zomerperiode te verminderen. Echter, door deze verlaging van de ozondosis is het niet aantoonbaar dat de desinfectie op Weersperkarspel goed werkt en zal waarschijnlijk de Ct-waarde verhoogd moeten worden. In dit onderzoek is de invloed van DOC-verwijdering op de ozonisatie onderzocht. Ook is onderzocht of er een invloed is van de soort DOC die verwijderd wordt op de ozonisatie en of het mogelijk is om met een lagere ozondosering te werken wanneer de DOC-concentratie verlaagd is. Hiertoe zijn er experimenten gedaan in de proefinstallatie zonder DOC-verwijdering en met DOCverwijdering door actieve koolfiltratie en ionenwisseling. Uit het onderzoek is gebleken dat actieve koolfiltratie alle fracties van het DOC in dezelfde mate afvangt, terwijl de gebruikte ionenwisselaar vooral de humuszuren verwijderde. Dit was terug te zien in de lagere SUVA-waarden, maar ook in de DOC-karakteriseringen was dit heel duidelijk waarneembaar. In Ct, AOC- en bromaatvorming was er echter vrijwel geen verschil te zien tussen water dat was voorbehandeld met ionenwisseling of met actieve koolfiltratie. Wel was de invloed van DOC-concentratie zichtbaar op de Ct, bromaat- en AOC-vorming. Over het algemeen kon gezegd worden dat zowel Ct als bromaatvorming stijgt, naarmate er minder DOC in het water aanwezig is bij eenzelfde ozondosering. Er wordt meer AOC gevormd bij hogere ozondoseringen. Het verschil is groter bij hoge DOC-concentraties. Verder heeft een DOC-concentratie een grote invloed op de standtijd van actieve koolfilters. Bij een verlaging van de DOC-concentratie van 6 naar 4 mg/l, de wordt de standtijd van de actief koolfilters ruim 4 maal zo lang kan zijn. Dit zal nog wel met behulp van experimenten onderzocht moeten worden.Civil Engineering and Geoscience

    Graven in de Keverberg - gemeente Peel en Maas, archeologisch onderzoek: een proefsleuvenonderzoek en begeleiding van graafwerkzaamheden op het Huys Kessel te Kessel (L).

    No full text
    In 1944 vond de verwoesting plaats van Huys Kessel, ook wel kasteel Kessel of de Keverberg genoemd, gelegen in de huidige gemeente Peel en Maas. Sindsdien is herbouw een gekoesterde wens. Een eerste aanzet daartoe werd gegeven door de toenmalige gemeente Kessel, die in 1951-1958 een archeologisch en bouwhistorisch onderzoek liet uitvoeren door prof. J.G.N. Renaud in het kader van consolidatieplannen. Het kasteel werd teruggebracht naar de middeleeuwse situatie en daarmee behoed voor verder verval. Pas bij de gemeentelijke herindeling in 2009 werd herbouw concreet. In 2013 gingen de voorbereidende werkzaamheden van start, waarbij ook archeologisch onderzoek van dit Rijksmonument deel uitmaakte. In opdracht van Stichting Behoud Kasteel de Keverberg heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau van 2013 tot 2015 de graafwerkzaamheden op en rond het kasteel begeleid. Het doel daarvan was om met beperkte financiële middelen de wetenschappelijke informatie van Huys Kessel veilig te stellen. Dit geldt zowel voor het veldwerk, waarbij veel vrijwilligers hebben meegeholpen, als de uitwerking. Bij het onderzoek lag de nadruk op de oudste geschiedenis van het kasteel: de Volle Middeleeuwen. Het onderzoek heeft veel aanvullende informatie over Huys Kessel opgeleverd ten aanzien van de opgraving uit de jaren 50 van de 20e eeuw. Voor de plek van het gebouw is geen natuurlijke verhoging uitgezocht, maar een binnenbocht van de Maas, gelegen op een hooggelegen Maasterras. Al in de Prehistorie, zelfs ruim 12.000 jaar geleden, was deze plek geliefd om een tijdelijke bivak of meer permanente woning op te richten. Er heeft in de Romeinse tijd geen villa of andersoortig stenen bouwwerk gestaan, maar enkele scherven wijzen wel op rurale Romeinse bewoning in de directe omgeving. In de loop van de Vroege Middeleeuwen, met name de 10e eeuw, zien we de activiteiten toenemen, maar het is onduidelijk of hier toen al sprake was van bewoning. In de tweede helft van de 11e eeuw zien we Hendrik I, de eerste graaf van Kessel, verschijnen in historische bronnen. Vermoedelijk was hij het die hier een imponerende woontoren liet bouwen (figuur 0.1). Daartoe werd eerst een ovaal terrein bouwrijp gemaakt, waarbij een werkvloer van klei werd aangebracht. Het vervolg is niet precies helder. Het lijkt erop dat een funderingssleuf aan de rand van het terrein werd gegraven. Vervolgens werd die gedempt, waarna er een bescheiden wal overheen werd opgeworpen (figuur 0.1). Waarschijnlijk werd er een palissade op geplaatst en was het terrein omgracht. Vermoedelijk rond het midden van de 11e eeuw werd op het kale, vrijwel onbegroeide terrein een zware woontoren gebouwd. Die was opgetrokken uit Maaskeien, tufsteen en moerasijzererts, had een leien dak en een weergang met kantelen. Een binnenmuur deelde het pand in twee vertrekken, waarbij smalle lichtspleten daglicht naar binnen lieten. De ingang lag vermoedelijk op de eerste verdieping en was middels een trap over de gracht te bereiken. Opmerkelijk is dat aan de buitenkant, althans tegen de noordoostgevel, vakwerkhuizen tegen de toren stonden en dat er mogelijk ook een rosmolen en smederij op het terrein was. Het lijkt erop dat er allerhande ambachten verricht en de oogst werd verwerkt. Afval werd vooral gedumpt aan de rand van het terrein. Materiaal als bot is goed geconserveerd en geeft inzicht in de vleesconsumptie: vooral varken, schaap, schaap/geit en in mindere mate rund stonden op het menu. Daarnaast werd jachtwild gegeten, zoals edelhert, ree, haas en gevogelte. Vis is niet aangetroffen, maar werd wel met netten gevangen. Een paar benen glissen werd gebruikt om ijspret te beleven of zich op de bevroren Maas voort te bewegen (visvangst?). Tevens werden paarden gehouden. Het feit dat het een burcht betreft en de aanwezigheid van jachtwild wijst er op dat de elite hier woonde. De toren werd rond het midden van de 12e eeuw gedeeltelijk gesloopt. De wal werd met leem en lemig zand opgehoogd, waarna het binnenterrein werd tot een platform opgevuld. Deze eerste motte was ongeveer 4,5 m hoog en had een ovaal plateau. Het restant van de woontoren stond in het hart van deze motte en het muurwerk stak op sommige plekken een kleine meter boven het oppervlak uit. De motte werd volop gebruikt, waarbij twee dunne leeflagen zijn gevormd. Duizenden goed geconserveerde botfragmenten en zadenresten geven inzicht in de voedselvoorziening. Het vlees bestond vooral uit kleine schapen en/of geiten en varken. Ook nu speelden runderen slechts een bescheiden rol. Daarnaast werden kippen, tamme gans (en tamme eend?) op het kasteel gehouden. De bewoners aten ook vis, zoals snoek, baars, blankvoorn en barbeel. Er werd door hen gejaagd op wild, zoals edelhert, ree, haas en konijn, eend en gans. Paleo-ecologische resten zijn goed bewaard, maar bescheiden in diversiteit. Mogelijk werd er graan op de motte verwerkt (dorsen?). Ondanks deze overduidelijke aanwijzingen voor gebruik, zijn bewoningssporen, zoals paalsporen, schaars. Wellicht is de stenen torenmuur als fundering gebruikt voor een gebouw. Van een zware steenbouw is echter geen sprake en het contrast met de gesloopte woontoren is dan ook opmerkelijk. Graaf Hendrik II (1129-1144) of Walter I van Kessel (1139-1158) liet de toren slopen en de eerste motte opwerpen. Ongeveer 50 jaar later, rond 1200, werd de motte verhoogd. Deze uitgebreide motte torende nu 9 m hoog boven het landschap uit en had een ovaal plateau van ongeveer 34x28 m. De motte werd bekroond met een grote, ovale bucht met ringmuur die een plein van ongeveer 28x24 m omgaf. De funderingen van dit château à motte bestaan uit grondbogen van kiezelbeton. Tegen de ringmuur was een weergang gebouwd, waarover de verdedigers van de burcht zich snel konden verplaatsen. Het oudste bouwdeel op de motte bestond uit een deels onderkelderd bouwwerk van ongeveer 8,0x8,25 m met aan de zuidzijde een poortdoorgang. Er zijn aanwijzingen dat dit bouwdeel in aanleg ouder is dan de ringmuur. Beide behoren waarschijnlijk tot één en dezelfde bouwcampagne, maar het werk is gefaseerd uitgevoerd. De poortdoorgang vormde de oorspronkelijke ingang van de burcht. Die lag dus niet in de noordwestelijke zijde, tussen twee halfrond uitgebouwde torens. De ligging van de ingang en de datering van het oostelijke bouwdeel ten opzichte van de ringmuur zijn twee belangrijke aanvullingen op het onderzoek van Renaud. De motte werd omgeven door een monumentale gracht. Graaf Hendrik III (1172-1188) of Hendrik IV van Kessel (1190-1236) kan worden aangewezen als de bouwer van de burcht. Nadien werd het binnenplein verder ingebreid met woonvertrekken. Rond het midden van de 13e eeuw werd de oostvleugel in noordelijke richting verlengd tot aan de ringmuur. Tevens werd de kelder uitgebreid en besloeg nu de hele oostvleugel. Pas toen kon een onderkelderde, grote zaal op de noordvleugel worden gebouwd. Op het westelijke deel van het binnenplein werd een grote mergelstenen waterput gebouwd. Vermoedelijk liet de laatste graaf van Kessel, Hendrik V (1254-1285) deze bouwactiviteiten uitvoeren. In 1279 kwam de burcht in bezit van de graaf van Gelre, Reinoud I (1271-1326). Wellicht achtte hij het nodig om die een weerbaarder karakter te geven door de bouw van een grote toren op de noordoosthoek. Deze toren werd rond het midden van de 14e eeuw gebouwd. Die verleende de burcht niet alleen de status, maar onderstreepte tevens de militaire betekenis. Mogelijk werd toen de gracht gedempt en legde men een grote waterkuil op het neerhofterrein aan. In de late 14e eeuw/vroege 15e eeuw werd een nieuwe ingang gebouwd: de Maastoren. Die zal een militaire functie hebben gehad en was niet voor niets op de Maas georiënteerd. In de tweede helft van de 15e eeuw en de 16e eeuw werden verdere inbreidingsplannen uitgevoerd (figuur 0.2). Midden op het binnenplein werd een kleine traptoren gebouwd. Van daaruit kon men zowel de oost- als de noordvleugel bereiken. In dezelfde periode werd het hele noordelijke deel van het binnenplein onder dak gebracht. De burcht kreeg steeds meer het karakter van een statig huis dan van een burcht. Het middeleeuwse, militaire bouwwerk werd geleidelijk getransformeerd tot een adellijke woning: Huys Kessel. Mogelijk nog in de 16e eeuw zijn zeven voorraadkelders aan de oostkant tegen de motte gebouwd. Aan de noordrand van het terras werd een klein, onderkelderd torentje gebouwd. Gedurende de 16e eeuw heeft Huys Kessel geleden onder oorlogshandelingen van de Tachtigjarige Oorlog. In elk geval heeft een brand (1579?) veel vernield. Vermoedelijk verdween de traptoren rond deze periode. Tevens raakte toen de waterput in onbruik, waarna een nieuwe werd gebouwd. In de 17e eeuw werd de weg naar de Maastoren veranderd in een statige opgang. Tevens werd een nieuwe toegang vanaf het terras naar de wijnkelder gerealiseerd. Kort na 1650 heeft op het binnenplein de bouw van de zuidvleugel met onderkeldering plaatsgevonden. Nadien vonden nog diverse kleinschalige verbouwingen plaats, waarvan de bekendste is uitgevoerd door de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid in 1922. De resultaten van het onderzoek zijn niet alleen van plaatselijke betekenis, maar ook van regionaal en zelfs landelijk belang. Bepaalde onderzoeksgegevens zijn reeds benut en verwerkt in de herbouw van Huys Kessel. Zo zijn verschillende muurdelen van de 11e eeuwse woontoren in het zicht gebracht en zijn twee 17e eeuwse kelders toegankelijk gemaakt. Als klap op de vuurpijl werd in de zomer van 2015 de grafkist van vrijwel zeker baron Frits van Keverberg ontdekt. In één van de kelders zou het skeletmateriaal kunnen worden tentoongesteld. In de toekomst kunnen naar mogelijkheden worden gezocht om bepaalde vondstgroepen nader te laten uitwerken, bijvoorbeeld door studenten in het kader van hun master-opleiding. Gegevens van het onderzoek van Renaud kunnen verder worden uitgezocht en de voormalige bewoners kunnen worden geïnterviewd om een sfeerbeeld van de laatste bewoning van het kasteel te scheppen. Er zijn goede mogelijkheden om in het kasteel de geschiedenis en ontwikkeling van het dorp en het kasteel in het bijzonder op het algemene publiek over te brengen in de vorm van tentoonstellingen, wandelroutes, folders, publieksvriendelijke publicatie(s) of toneelvoorstellingen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van informatieborden en oude afbeeldingen

    Doorbraakvrije dijken: Opzet doorbraakvrije zeedijken en voorlopige conclusies sterkte binnentaluds bij golfoverslag

    No full text
    In het kader van WV21 wordt door Deltares en een werkgroep gekeken naar doorbraakvrije dijken. Er wordt gekeken naar de definitie van doorbraakvrij en daarnaast naar hoe doorbraakvrije dijken er zouden moeten uitzien ten opzichte van de huidige dijken. In dit kader is aan Van der Meer Consulting gevraagd specifiek uitwerking te geven aan doorbraakvrije zee- en meerdijken en is gevraagd voorlopige conclusies op te stellen naar aanleiding van de proeven met de golfoverslagsimulator omtrent de sterkte van binnentaluds van dijken tegen golfoverslag. Deze uitwerking en het maken van voorlopige conclusies is gedaan door meerdere personen/bedrijven hierbij te betrekken, namelijk de projectgroep voor de proeven bij de Boonweg in Friesland en de proeven in Zeeland (Deltares zelf, Infram, Royal Haskoning en Alterra) en Infram ten aanzien van doorbraakvrije zeedijken. Vanuit observaties van de golfoverslagproeven (zie appendix 1 voor een fotorapportage met beschrijving) is één hoofdconclusie met betrekking tot doorbraakvrije dijken naar voren gekomen. Gesteld wordt dat het aannemelijk lijkt dat een binnentalud van klei met gras bij een overslag van 30 l/s per m of minder nooit door erosie zal bezwijken. Dit betekent dat in veel extremere omstandigheden dan de huidige maatgevende belasting, een huidige zee- of meerdijk niet door overslag zal bezwijken. Om het faalmechanisme infiltratie door golfoverslag en afschuiven van het binnentalud uit te sluiten, dient een doorbraakvrije zee- of meerdijk een binnentalud van 1:3 te hebben. Als kostenalternatief kan ook gekeken worden naar een binnentalud van 1:5. Omdat de huidige zee- en meerdijken al voor hoge stormvloeden en hoge golven zijn of worden ontworpen, lijkt het relatief gezien geen grote ingreep om deze dijken bestand te maken voor een veel zwaardere storm met een veel kleinere kans van voorkomen. En deze dijk zodoende doorbraakvrij te maken. Als meer golfoverslag wordt toegestaan in zeer extreme omstandigheden (tot ver boven de huidige maatgevende omstandigheden), en wanneer een zee- of meerdijk moet worden verbeterd, dan is het niet een grote stap om deze dijk, ook voor de komende 50 jaar, doorbraakvrij te maken. Bekledingen moeten dan iets dikker worden dan wat nu volgt uit het huidige ontwerpproces en ze moeten iets hoger op het talud worden aangebracht en de dijk moet mogelijk iets hoger

    Nieuwe verbinding N69, gemeenten Valkenswaard, Bergeijk en Veldhoven Archeologisch vooronderzoek: een karterend en waarderend onderzoek door middel van boringen en zeefvakken

    No full text
    In opdracht van ARCADIS Nederland B.V. heeft RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de geplande aanleg van de Grenscorridor N69 in de gemeenten Valkenswaard, Bergeijk en Veldhoven. Het onderzoek bestond uit vier fasen: een karterend booronderzoek, een waarderend booronderzoek, het graven van zeefvakken en het zetten van aanvullende boringen en zeefvakken. Het primaire doel van dit onderzoek was het toetsen en aanvullen van de gespecifi ceerde archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied, waarbij het in eerste instantie ging om het (al dan niet) vaststellen van de aanwezigheid van archeologische resten. Voorts diende het onderzoek zich te richten op de aard, omvang en waarde van archeologische resten. Tussen december 2015 en november 2016 is een karterend en waarderend booronderzoek verricht in de deelgebieden F, G, H, I en L. Daarbij zijn in 37 boringen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen vastgesteld. Vervolgens zijn op 33 locaties zeefvakken gegraven. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt: - deelgebied F: zes locaties met boorvondsten zijn onderzocht, maar er zijn geen vuursteenvindplaatsen in de zeefvakken aangetroffen. Deelgebied F kan volledig worden vrijgegeven omdat de archeologische resten in dit deelgebied niet behoudenswaardig zijn. - deelgebied G: drie locaties met boorvondsten zijn onderzocht, waarbij in de zeefvakken één vuursteenvindplaats is aangetroff en. Deze niet-behoudenswaardige vindplaats G1 is een kampement uit het Mesolithicum. Er heeft geen intensieve vuursteenbewerking plaatsgevonden en er is weinig (jacht) gereedschap vervaardigd of gerepareerd. Er zijn honderden microlithische klingetjes en de stekerafslag- achtige stukken geproduceerd, maar met welk doel is onduidelijk. Mogelijk heeft op twee plekken vuur gebrand. De niet-behoudenswaardige vindplaatsen G2 en G3 wijzen er op dat naast vuursteenconcentraties met honderden artefacten, ook losse vondsten voorkomen. Deelgebied G kan volledig worden vrijgegeven omdat de archeologische resten in dit deelgebied niet behoudenswaardig zijn. - deelgebied H: 22 locaties met boorvondsten zijn onderzocht, maar er zijn geen behoudenswaardige vuursteenvindplaatsen in de zeefvakken aangetroff en. De niet-behoudenswaardige vindplaats H7 wijst er op dat naast vuursteenconcentraties met honderden artefacten, ook losse vondsten voorkomen. Het overgrote deel van deelgebied H kan worden vrijgegeven van verder onderzoek omdat de archeologische resten in dit deelgebied overwegend niet behoudenswaardig zijn. Dit geldt echter niet voor locatie H1. Hier dient vanwege een middeleeuwse scherf nog een waarderend onderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). - deelgebied I: in de karterende boringen zijn geen vondsten aangetroffen. Deelgebied I kan volledig worden vrijgegeven. - deelgebied L: in de karterende boringen zijn geen vondsten aangetroff en. Deelgebied L kan volledig worden vrijgegeven

    Spinoza's beeld van de natuur in het raadsgesprek

    No full text
    De scriptie onderzoekt in hoeverre Spinoza’s beeld van de natuur een bijdrage kan leveren aan de theorie en praktijk van het humanistisch raadsgesprek, met name aan de begrippen aanvaarden en vrijheid daarin. De humanistisch geestelijk verzorger helpt mensen met gebeurtenissen of situaties waar vaak een onvermijdelijk element inzit, zoals dood, ziekte, verlies, onvermogen of geweld. We noemen iets onvermijdelijk als de cliënt er zelf geen invloed op kan hebben. De vraag is dan in hoeverre de cliënt kan omgaan met deze situaties en er verantwoordelijkheid voor kan nemen, als hij geen enkele invloed heeft op deze situatie. Een deel van het antwoord ligt erin besloten hoe de cliënt de gebeurtenis beziet, aanvaardt of kent. Spinoza beschrijft in de Ethica de samenhang tussen menselijke vrijheid, een gedetermineerde natuur en kennen. Volgens Spinoza kan de mens vrijheid verwerven door het leren kennen van de natuur en haar wetmatigheden. De scriptie onderzoekt Spinoza’s beeld van de natuur aan de hand van de Ethica en aan de hand van het werk van Gilles Deleuze en Theo Zweerman over Spinoza. In de scriptie wordt uiteindelijk onderzocht wat de consequenties zijn van de inpassing in het humanistisch raadswerk van centrale begrippen uit Spinoza’s beeld van de natuur voor de dilemma’s rond aanvaarden en vrijheid

    Gemeente Peel en Maas Archeologisch onderzoek: een proefsleuvenonderzoek en begeleiding van graafwerkzaamheden op het Huys Kessel te Kessel (L)

    No full text
    In 1944 vond de verwoesting plaats van Huys Kessel, ook wel kasteel Kessel of de Keverberg genoemd, gelegen in de huidige gemeente Peel en Maas. Sindsdien is herbouw een gekoesterde wens. Een eerste aanzet daartoe werd gegeven door de toenmalige gemeente Kessel, die in 1951-1958 een archeologisch en bouwhistorisch onderzoek liet uitvoeren door prof. J.G.N. Renaud in het kader van consolidatieplannen. Het kasteel werd teruggebracht naar de middeleeuwse situatie en daarmee behoed voor verder verval. Pas bij de gemeentelijke herindeling in 2009 werd herbouw concreet. In 2013 gingen de voorbereidende werkzaamheden van start, waarbij ook archeologisch onderzoek van dit Rijksmonument deel uitmaakte. In opdracht van Stichting Behoud Kasteel de Keverberg heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau van 2013 tot 2015 de graafwerkzaamheden op en rond het kasteel begeleid. Het doel daarvan was om met beperkte financiële middelen de wetenschappelijke informatie van Huys Kessel veilig te stellen. Dit geldt zowel voor het veldwerk, waarbij veel vrijwilligers hebben meegeholpen, als de uitwerking. Bij het onderzoek lag de nadruk op de oudste geschiedenis van het kasteel: de Volle Middeleeuwen

    Kuasa Perempuan Bercadar Dalam Novelakulah Istri Teroris Karya Abidah El Khalieqy (Analisis Wacanateun a. Van Dijk)

    No full text
    The novel of “Akulah Istri Teroris” is the 14th masterpiece from Abidah El Khalieqy as a man letter that raises the theme of terrorist wife life which is always stereotyped by society including for those who wear the veil. It results to them who are still trying in winning their rights as women. This novel is so attractive to be observed because it bases on the reality and most of people still do not it yet so that we can know about the ideology and discourse construction that wants to deliver by the author. This research used a qualitative research with discourse approach of Teun A. Van Dijk. Van Dijk divides it into three dimensions: Textual dimension that examines the structure of text, the view of social cognition, understanding and mental awareness of the author and also social context according to the discourse that grows among of society. The result shows that all the information within the sentences of the novel have coherence and unity so that it creates shape and meaning. In addition, all the information wrap with attractive and simple language style. Discourse analysis that developed by Van Dijk found that this novel becomes one of media for representing the condition of terrorist wife who always get the stigma from various complexities issues but these women show the reader about the fortitude and strength to raise them up from adversity. Novel “Akulah Istri Teroris” merupakan karya ke-14 dari seorang sastrawan Abidah El Khalieqy yang mengangkat tema kehidupan istri teroris yang selalu distereotipkan oleh masyarakat termasuk di dalamnya mereka yang menggunakan cadar. Sehingga mereka terus berusaha untuk merebut hak-haknya sebagai perempuan. Novel ini menarik untuk diteliti karena berdasarkan realitas yang terjadi dan belum banyak diketahui masyarakat luas, sehingga dari sisi kita dapat mengetahui ideologi dan konstruksi wacana yang ingin disampaikan oleh pengarang.Penelitian ini menggunakan penelitian yang bersifat kualitatif dengan pendekatan wacana Teun A. Van Dijk. Van Dijk membaginya kedalam tiga dimensi, yaitu dimensi teks yakni meneliti struktur dalam teks, kognisi sosial yang merupakan pandangan, pemahama dan kesadaran mental pengarang, dan konteks sosial yakni terkait wacana yang berkembang dalam masyarakat.Hasil penelitian menunjukkan bahwa setiap informasi dalam kalimat pada novel “Akulah Istri Teroris” adalah saling berhubungan dan memiliki unsur-unsur koherensi sehingga terbentuklah struktur wacana berupa bentuk dan makna. Selain itu informasi dikemas dalam gaya bahasa yang menarik dan sederhana. Tokoh digambarkan memiliki karakter yang kuat. Analisis wacana yang dikembangkan Van Dijk menemukan informasi bahwa novel “Akulah Istri Teroris” merupakan salah satu media untuk merepresentasikan tentang keadaan istri teroris yang selalu mendapat stigmatisasi dari berbagai rumitnya permasalahan yang terjadi, namun para perempuan ini memiliki ketegaran dan kekuatan untuk bangkit dari keterpurukan
    corecore