841 research outputs found
ARC-Publicaties 72
De gemeente Coevorden is van plan om op korte termijn een start te maken met de uitbreiding van de nieuwbouwwijk Molenakkers. Deze wijk ligt in het zuidwesten van Dalen. Een terrein van zeven hectare omvang dat grenst aan de huidige woonwijk, ‘De Spil’ genaamd, zal worden volgebouwd.
In februari 2002 werd door archeologisch onderzoeks- en adviesbureau De Steekproef een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) op het bestemmingsterrein uitgevoerd. Bij dit onderzoek werd de bodemopbouw door middel van een booronderzoek onderzocht. Ook werd er een veldkartering uitgevoerd.
De AAI toonde aan dat over vrijwel het gehele terrein de bodemopbouw intact was. Bovenop het natuurlijke dekzand was overal nog een laag middeleeuws esdek aanwezig. Tijdens het onderzoek werd verbrand vuursteen en een scherf aardewerk aangetroffen. Er werd besloten om op het terrein een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) uit te voeren. Dit onderzoek werd van 21 oktober tot en met 5 november 2002 uitgevoerd door ARC bv.
Conclusie:
Het AAO op ‘De Spil’ te Dalen heeft aangetoond dat dit terrein grote archeologische waarde bezit. De sporen en vondsten die in de werkputten zijn aangetroffen, geven aan dat dit terrein in de Late Bronstijd en de IJzertijd intensief door de mens is gebruikt, zowel om op te wonen en werken als om hun doden te begraven. De nabijheid van de nederzettingssporen en de grafmonumenten laat zien dat men zich hier in de prehistorie naast of in de buurt van het urnenveld vestigde. Zowel de nederzetting als het urnenveld is van aanzienlijke omvang geweest.
Op het hele terrein zijn nederzettingssporen gevonden. Deze sporen zullen nog verder doorlopen of doorgelopen hebben, gezien de bevindingen van eerdere archeologische onderzoeken in de nabije omgeving. Het urnenveld heeft zich ten noorden van ‘De Spil’ over een groot gebied uitgestrekt. Helaas is het grootste deel hiervan verloren gegaan door de bouw van de woonwijk Molenakkers.
De bewoners van het terrein in de Late Bronstijd en de IJzertijd zullen boeren zijn geweest. De resultaten van het archeobotanisch onderzoek en de aanwezigheid van stukken maalsteen geven aan dat er in en rond de nederzetting aan akkerbouw werd gedaan. De veekraal in werkput 9 is een aanwijzing voor het bedrijven van veeteelt. Hoewel de nederzettingssporen talrijk en over een groot gebied verspreid zijn, zal een nederzetting uit hoogstens twee of drie boerderijen per keer hebben bestaan, bewoond door even zoveel gezinnen. Na gemiddeld zo’n 30 a 40 jaar waren de boerderijen en bijgebouwen aan vervanging toe en werden ze een eindje verderop weer herbouwd. De doden uit de nederzetting werden gecremeerd en bijgezet in het aangrenzende urnenveld. Dit urnenveld zal er ten tijde van gebruik uit hebben gezien als een verzameling heuveltjes, met daaromheen greppeltjes.
Het AAO heeft slechts een zeer klein deel van de totaal aanwezige archeologie op ‘De Spil’ gedocumenteerd. Ongetwijfeld zijn op het terrein veel meer resten van de nederzetting en het urnenveld aanwezig. Met name het restant van het urnenveld dat nog op het terrein aanwezig is, is van belang. De aanbeveling aan de gemeente Coevorden luidt dan ook om de archeologie die op ‘De Spil’ aanwezig is, te beschermen, zodat dit belangrijke deel van het bodemarchief van Dalen intact kan blijven. Indien dit niet mogelijk is, wordt aanbevolen op het totale terrein een uitvoerig archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren
Cities as incubators for citizen’s agency: Biographies of (Dis)Connection: the case of Sheffield
Architecture and The Built EnvironmentUrbanis
Evaluación de la produción de foraje de Cnidoscolus aconitifolium (Mill) L.M. Johnst, Moringa oleífera (Lam) y Leucaena leucocephala (Lam) de Wit, para banco proteico en Pacora, San Francisco Libre, Nicaragua
El presente trabajo se realizo en la comunidad de Pacora, San Francisco Libre, Managua, donde los habitantes tradicionalmente, han utilizado la crianza de ganado menor (cerdos, cabras, gallinas, patos, Peliguey y otros) para satisfacer en cierta medida sus necesidades alimenticias y económicas por la pobreza que caracteriza la comunidad. Con este estudio se presenta una opción de utilizar las tierras que no pueden ser aprovechadas con cultivos tradicionales, empleando especies forestales cuyo sistema radicular y funciones fisiológicas son muy diferente a los cultivos tradicionales, permitiendo su sobrevivencia, calidad nutritiva, el manejo agronómico y el potencial de incorporar estos forrajes en la dieta de animales domésticos. Se evalúa la producción de biomasa total y comestible, la sobrevivencia y los agentes biológicos que afectan a las especies de Quelite (Cnidoscolus aconitifolium (Mill) L.M.Johnst), Marango (Moringa oleífera) Lam, y Leucaena (Leucaena leucocephala (Lam) de wit), estableciéndose en parcelas de 10.5 m2 La mayor producción de biomasa verde total la obtuvo Moringa oleífera (Lam) con 15,991 kg ha-1 en la primera poda (7 meses de establecido el ensayo) y en la segunda poda (12 meses de establecido el ensayo) con 34,873 kg ha-1. Esta misma especie mostró los mejores rendimientos de biomasa seca total en la primera poda con 4,181 kg ha-1, pero en la segunda poda fue superada por la especie Leucaena leucocephala (Lam) de wit, con 6,782 kg ha-1. La mayor producción de biomasa verde comestible en la primera poda la obtuvo Cnidoscolus aconitifolium (Mill) L. M.Johnst con 9,491 kg ha-1 y en la segunda poda con 25,553 kg ha-1, Esta misma especie mostró los mayores rendimientos en biomasa seca comestible con 1,790 kg ha-1 en la primera poda y 5,817 kg ha-1 en la segunda poda. Los mayores porcentajes de sobrevivencia (100%), en la primera poda fueron obtenidos por la especie Leucaena leucocephala (Lam) de wit, Cinco meses después esta misma especie mostró rendimientos de 100% de sobrevivencia. Los agentes biológicos (insectos) encontrados en el ensayo no ocasionaron daños a las plantas que incurrieran en la producción y la calidad de la biomasa obtenida en el estudio
Ultrastructure of the body wall of three species of Grania (Annelida: Clitellata: Enchytraeidae) [Elektronisk resurs] : Body wall ultrastructure of Grania
The body wall of three species of Grania, including the cuticle, epidermis and the musculature, are studied using TEM. The cuticle is similar to previously studied enchytraeids, with an orthogonal grid pattern of collagen fibers. This pattern is also seen in Crassiclitellata, which has been suggested as the sister taxon of Enchytraeidae. Variation of epicuticular and fiber zone patterns seen in Naididae (formerly Tubificidae and Naididae) seem to be lacking in Enchytraeidae. The fiber thickness, however, varies between Grania species and may be a phylogenetically informative character. The epidermis consists of supporting cells, secretory cells and sensory cells. Basal cells, typical for Crassiclitellata, were not observed. The clitellum of Grania seems to consist of two types of gland cells, which develop from regular epidermal tissue. It is possible that more cell types exist in different regions of the clitellum, however. The body wall musculature is arranged somewhat differently from that of closely related taxa; this refers to the reduction of circular and outer, triangular longitudinal muscle fibers, while the inner, ribbon-shaped longitudinal muscle fibers are well-developed. A search was conducted for the cause of the peculiar green coloration of Grania galbina De Wit and Erse´us 2007, and it was concluded that neither cyanobacteria nor epidermal pigment granules were present in the fixed material
Evaluación de la producción de forraje de Moringa oleifera (Lam), Cnidoscolus aconitifolium (Mill) L.M. Johnst y Leucaena leucocephala (Lam) de Wit, para banco proteico en Pacora, San Francisco Libre, Managua
El presente trabajo se realizo en la co
munidad de Pacora San Francisco Libre,
Managua. El objetivo de este fue evaluar
la producción de biomasa comestible
para la alimentación de ganado menor, y ev
aluar la sobrevivencia para cada
especie, las especies utilizadas en el ensayo fueron: Marango
(Moringa oleífera)
Lam, Quelite (
Cnidoscolus aconitifolium
(Mill)
L.M.Johnst)
y Leucaena
(Leucaena
leucocephala
(Lam)
de wit).
Se utilizo un diseño de parcelas simples.
En el análisis de varianza realizado a las variables evaluadas con (P<0.05) se
encontraron diferencias significativa
s y altamente significativas.
La mayor producción de biomasa verde tota
l a partir de 50 cm del suelo la obtuvo
la especie
Moringa oleífera
(Lam) con 15,991Kg/ha en la
primera poda y en la
segunda poda con 34,873Kg/ha. Esta mism
a especie mostró los mejores
rendimientos de biomasa seca total en la
primera poda con, 4,181Kg/ha pero en
la segunda poda fue super
ada por la especie
Leucaena leucocephala
(Lam)
de
wit
con 6,782Kg/ha.
La mayor producción de biomasa verde come
stible en la primera poda la obtuvo
la especie Quelite con 9,491Kg/ha y
en la segunda poda con 25,553Kg/ha, Esta
misma especie mostró los mayores rendimi
entos en biomasa seca comestible con
1,790Kg/ha en la primera poda
y 5,817Kg/ha en la segunda poda.
Los mayores porcentajes de sobrevivencia
(100%), en la pr
imera poda (7 meses
de establecido el ensayo) f
ueron obtenidos por la especie
Leucaena leucocephala
(Lam)
de wit
, (100%). Cinco meses después, esta misma especie mostró
rendimientos de 100% de sobrevivencia.
Los agentes biológicos (insectos) enc
ontrados en el ensayo no ocasionaron
daños a las plantas que pudieran incurrir en la producción y la calidad de la
biomasa obtenida en el estudio
Evaluación de la producción de biomasa en banco proteico de Cnidoscolus aconitifolium (Mill) L.M, Moringa oleífera (Lam) y Leucaena leucocephala (Lam) de Wit) para alimento animal ante el cambio climático en el C.E.V.T Finca Las Mercedes, UNA, Managua, 2017-2018
El presente estudio se realizó en el Centro de Experimentación y Validación Tecnológico Finca Las Mercedes, UNA Managua, donde se evaluó la producción de biomasa de las especies Quelite (Cnidoscolus aconitifolium (Mill) L.M), Marango (Moringa oleífera (Lam)) y Leucaena (Leucana leucocephala (Lam) de Wit)), al realizar dos podas. El objetivo del estudio evaluar la cantidad de biomasa que se produce al realizar dos podas en las especies de las tres especies como alternativa de alimentación animal en condiciones de trópico seco.
La mayor producción de biomasa verde total en la primera poda la obtuvo la especie Cnidoscolus aconitifolium con una cantidad de 26,572 kg/ha seguida de la especie Moringa oleífera con 8,952 kg/ha. Con respecto a la biomasa comestible la mayor producción la obtuvo la especie Cnidoscolus aconitifolium con una cantidad de 26,572 kg/ha respectivamente, la Moringa oleífera con 2,667 kg/ha. En el caso de la especie Leucana leucocephala no se obtuvo producción de biomasa debido al ataque severo que sufrió de agentes biológicos.
En la segunda poda la mayor producción de biomasa verde total la obtuvo nuevamente la especie Cnidoscolus aconitifolium con un total de 62,666 kg/ ha seguida de la especie Moringa oleífera con 5,350 kg/ha. Con respecto a la biomasa comestible la mayor producción la obtiene la especie Cnidoscolus aconitifolium con un total de 62,666 kg/ha, la Moringa oleífera con 2398 kg/ha. Siendo la especie Cnidoscolus aconitifolium la que mostró un mejor rendimiento de biomasa verde total y biomasa comestible en la primera y segunda poda.
El mejor porcentaje de sobrevivencia en la primera poda lo obtuvo la especie Cnidoscolus aconitifolium con un 100% seguido del Moringa oleífera con 95%, en la segunda poda nuevamente el Cnidoscolus aconitifolium demostró un mejor porcentaje con un 95%, la Moringa oleífera disminuyó obteniendo un 75% y la Leucana leucocephala con 0% de sobrevivencia.
Se realizó monitoreo, captura e identificación de agentes biológicos para conocer el daño que estos causaban a las plantas de los cuales fueron el Zompopo (Atta sp) y la Iguana (Iguana iguana) quienes causaron mayores daños principalmente a la planta Leucana leucocephala.
Palabras claves: Biomasa, Biomasa verde comestible, Biomasa seca
A heavy mind, a heavy body? An epidemiological study on the association between mood disorders and body weight
Soils and grassland types of the Serengeti Plain (Tanzania) : their distribution and interrelations
De Serengeti Plain maakt deel uit van een zeer oude versneden hoogvlakte die tijdens het Pleistoceen overdekt is door aeolische afzettingen van vulkanische assen met een sterk alkalisch karakter; de assen waren afkomstig van de Ngorongoro Highlands.Het klimaat is semi-aride en wordt gekenmerkt door een droge en natte tijd.De jaarlijkse neerslag varieert van ca 400 mm in het zuid oostelijk tot ca 800 mm in het noord-westelijk deel van de Serengeti Plain. Lokale verschillen in regenval in combinatie met de bijzondere aard van het moedermateriaal hebben geresulteerd in een aanzienlijk aantal verschillende bodemtypen met bijzondere eigenschappen zoals thixotropie, hoge omwissel capaciteit van de kleifracties, hoge zoutconcentraties in vele profielen, vorming van calcic en petrocalcic horizonten.De Serengeti Plain is bedekt door grasland waarin vrijwel geen bomen voorkomen. Binnen het grasland kunnen, op basis van de graslengte en botanische samenstelling, 3 hoofdzones worden onderscheiden, te weten het zogenaamde korte, halflange en lange grasland.De grenzen van deze hoofdzones bleken in grote lijnen overeen te komen met die tussen drie belangrijke, zogenaamde bodemlandschappen.In de hoofdstukken 2.1, 2.2 en 2.3 van deel II zijn een aantal bodem eigenschappen zoals textuur, structuur, physische en chemische eigenschappen van de gronden binnen de drie bodemlandschappen uitvoerig beschreven. Uit de overzichten is gebleken dat de factor regenval, van zeer grote invloed is op de bodemgesteldheid; samenhangend met de verschillen in regenval blijken gronden in het zuidoosten lemig, zwak ontwikkeld, zout en alkalisch en kalkrijk te zijn; in het noordwesten zijnde gronden kleiig, minder zout en alkalisch en tot flinke diepten ontkalkt en vertonen een sterke profiel ontwikkeling.De factorenverzouting (mate en type) en alkaliteit bleken van grote invloed op de botanische samenstelling van het grasland te zijn Naast belangrijke regionale verschillen -zoals bijvoorbeeld tussen de drie bodemlandschappen komen veelvuldig belangrijke verschillen in de verzoutingstoestand op korte afstand voor, waarbij de ligging van de betreffende profielen binnen een toposequentie van groot belang bleek. Binnen de drie hoofdzones van het grasland worden dan ook velerlei patronen aangetroffen.Een veel voorkomend patroon is dat van scherp omgrensde plekken van langere en kortere grassen of van graslandtypen met een hoge bedekkingsgraad of een lage bedekkingsgraad. De mate van verzouting en/of alkaliteit van de ondergrond bleek hier duidelijk gecorreleerd met genoemde patronen: kort gras en/of lagere bedekkingsgraad doorgaans bij hogere zoutgehaltes, terwijl het tegengestelde zich voordeed bij lage zoutconcentraties.De over korte afstand gevonden verschillen in verzouting bleken vaak samen te hangen met termietenactiviteit. Een uitvoerige beschrijving van dit verschijnsel is gegeven in hoofdstuk 3.Ook de productie van de diverse graslandtypen is vermoedelijafhankelijkk in hoge mate direct of indirect afhankelijk van mate van verzouting en alkaliteit.Het ligt in de bedoeling in deel III (in voorbereiding) aandacht aan dit aspect te besteden.Het laatste hoofdstuk betreft de bodem classificatie; classificatie geschiedde aan de hand van het Amerikaanse systeem (Soil Taxonomy).Hierbij deden zich diverse moeilijkheden voor, welke een gevolg waren van- het in onvoldoende mate rekening houden (in Soil Taxonomy) met het voorkomen van prairiegronden in tropische streken;- de aard van het moedermateriaal, dat in een aantal opzichten duidelijk afwijkt van vulkanische assen elders in de wereld.<p/
Evaluación de la producción de forraje de Cnidoscolus aconitifolium(Mill) L.M. Johnst, Moringa oleifera (Lam) y Leucaena leucocephala (Lam) de Wit, para banco protéico en Pacora, San Francisco Libre, Nicaragua
El presente trabajo se realizo en la comunidad de Pacora,
San Francisco Libre, Managua, donde los habitantes
tradicionalmente, han utilizado la crianza de ganado menor
(cerdos, cabras, gallinas, patos, Peliguey y otros) para satisfacer
en cierta medida sus necesidades alimenticias y económicas
por la pobreza que caracteriza la comunidad. Con este estudio
se presenta una opción de utilizar las tierras que no pueden ser
aprovechadas con cultivos tradicionales, empleando especies
forestales cuyo sistema radicular y funciones fisiológicas
son muy diferente a los cultivos tradicionales, permitiendo su
sobrevivencia, calidad nutritiva, el manejo agronómico y el
potencial de incorporar estos forrajes en la dieta de animales
domésticos. Se evalúa la producción de biomasa total y
comestible, la sobrevivencia y los agentes biológicos que
afectan a las especies de
Quelite
(
Cnidoscolus aconitifolium
(Mill)
L.M.Johnst),
m
arango
(Moringa oleífera)
Lam,
y
Leucaena
(Leucaena leucocephala
(Lam)
de wit),
estableciéndose en parcelas de 10.5 m
2
La mayor producción
de biomasa verde total la obtuvo
Moringa oleífera
(Lam) con
15,991 kg ha
-1
en la primera poda (7 meses de establecido
el ensayo) y en la segunda poda (12 meses de establecido el
ensayo) con 34,873 kg ha
-1
. Esta misma especie mostró los
mejores rendimientos de biomasa seca total en la primera poda
con 4,181 kg ha
-1
, pero en la segunda poda fue superada por la
especie
Leucaena leucocephala
(Lam)
de wit,
con 6,782 kg ha
-1
. La mayor producción de biomasa verde comestible en la
primera poda la obtuvo
Cnidoscolus aconitifolium
(Mill)
L.
M.Johnst
con 9,491 kg ha
-1
y en la segunda poda con 25,553 kg
ha
-1
, Esta misma especie mostró los mayores rendimientos en
biomasa seca comestible con 1,790 kg ha
-1
en la primera poda
y 5,817 kg ha
-1
en la segunda poda. Los mayores porcentajes
de sobrevivencia (100%), en la primera poda fueron obtenidos
por la especie
Leucaena leucocephala
(Lam)
de wit
, Cinco
meses después esta misma especie mostró rendimientos de
100% de sobrevivencia. Los agentes biológicos (insectos)
encontrados en el ensayo no ocasionaron daños a las plantas
que incurrieran en la producción y la calidad de la biomasa
obtenida en el estudio
Systematics of Grania (Clitellata: Enchytraeidae), an interstitial annelid taxon
In between the grains of sand on the ocean floor, there exists a world which few people are aware of. Representatives of almost all animal phyla can be found here. The clitellate family Enchytraeidae is in the marine interstitial environment represented in large part by species of a genus called Grania, which are long slender worms found in marine sands throughout the world. This thesis is a study on the systematics of these worms. The body wall of Grania is searched for phylogenetically informative morphological characters. It is found that the cuticular morphological variation seen in naidids is absent, but the collagen fiber thickness varies between Grania species. Also, the circular and outer, triangular longitudinal musculature is reduced compared to that of closely related taxa while the inner, ribbon-shaped longitudinal muscle fibers are well-developed, possibly an adaptation to interstitial life. The Grania-fauna of the Great Barrier Reef is investigated, with four new species described and Grania trichaeta re-described. The phylogenetic position of Grania within the family Enchytraeidae is elucidated by molecular means, where Lumbricillus arenarius is shown to be a close relative of a monophyletic Grania. Within the genus, a molecular phylogeny is inferred of a sample of 19 species, showing considerable morphological homoplasy, while geographical distribution is concordant with the phylogeny. Thus, we combine morphology with geography, while using the DNA-based tree as a backbone constraint, to estimate a phylogeny of all 71 currently described species within the genus. Finally, the genetic variation within Scandinavian species of Grania is studied with the resulting find of a cryptic species, and the realization that although intraspecific variation generally is low, deviant individuals exist. Within this study, we also infer a phylogeny of the Scandinavian species of Grania, which seems to be a monophyletic group, and discuss their morphological character evolution
- …
