685 research outputs found
On the origin of the Korteweg-de Vries equation
A. Honorary colloquium "Rudolf Gorenflo. Fluids from a fractional viewpoint". B. Hans Gebelein's turbulence from a stochastic viewpoint, waves of Korteweg and de Vries, cellular diffusion, etc. (A. Festkolloquium ``Rudolf Gorenflo. Fluide aus fraktionaler Sicht". B. Hans Gebeleins Turbulenz aus stochastischer Sicht, Wellen von Korteweg und de Vries, zelluläre Diffusion u.a.) (German
On the origin of the Korteweg-de Vries equation
A. Honorary colloquium "Rudolf Gorenflo. Fluids from a fractional viewpoint". B. Hans Gebelein's turbulence from a stochastic viewpoint, waves of Korteweg and de Vries, cellular diffusion, etc. (A. Festkolloquium ``Rudolf Gorenflo. Fluide aus fraktionaler Sicht". B. Hans Gebeleins Turbulenz aus stochastischer Sicht, Wellen von Korteweg und de Vries, zelluläre Diffusion u.a.) (German
Tussen kansel en katheder : Egbert de Vries als predikant en theoloog
Tekst van het openbaar college ter herdenking van dr. E. de Vries, geboren 12 maart 1933, overleden 16 oktober 1998, universitair hoofddocent Nieuwe Testament aan de ThUK van 1 september 1970 tot 31 maart 1998, uitgesproken op 19 november 1999.
Bevat bijdrage: E. de Vries, De betekenis van Rudolf Bultmann (p. 17-20). Met bibliografie
Comics and co-evolutions : a study of the dynamics in the niche of comics publishers in the Low Countries
Kuifje, Asterix, Guust Flater en de onvergetelijke Olivier B. Bommel: wie is er niet mee opgegroeid? Rudi de Vries paste de bedrijfskundige theorie van de co-evolutie toe op de ontwikkeling van de stripcultuur. Door de decennia heen hebben uitgeverijen en strips zich parallel aan elkaar ontwikkeld, waarbij ze elkaar sterk beïnvloedden. Kleine uitgeverijen waren vaak opgericht door ambitieuze, soms idealistische tekenaars en stripliefhebbers. Bijzonder is dat zij de grote, commerciële uitgeverijen hebben gedwongen zich aan te passen om te overleven. De Vries promoveert op 29 november 2012 aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Vóór de Tweede Wereldoorlog kwamen strips vooral uit Amerika, terwijl de Nederlandse strip een bijproduct was. Niet meer dan een hoekje in de krant. Na de oorlog kwamen er meer zelfstandige stripbladen en stripboeken, maar als gevolg daarvan werd de strip zelfs actief geweerd. Niet alleen hier, maar ook in België en Frankrijk. De Vries: ‘Men wilde niet vervallen in barbarij: in strips was geweld te zien en dat was schadelijk voor de kinderziel. In Nederland vaardigde het ministerie van Onderwijs zelfs een officieel decreet uit om het lezen van strips te ontmoedigen. In Frankrijk ging men nog een stapje verder door Amerikaanse strips, zoals Prins Valiant en Tarzan, van de markt te halen.’
Kuifje contra de dikke neuzen
Die ontwikkeling speelde een aantal Belgische uitgeverijen in de kaart. De spannende, maar brave verhalen van Hergé over Kuifje verschenen oorspronkelijk in een keurig katholiek tijdschrift en vonden al snel hun weg naar Frankrijk en Nederland. Ook de ‘dikke neuzen’-stijl van Dupuis, uitgeverij van striptijdschrift Robbedoes werd snel populair. Goscinny en Uderzo, de scheppers van Asterix, lieten zich erdoor inspireren. De Vries: ‘Er ontstond een felle concurrentiestrijd tussen de Belgische uitgeverijen en daardoor stimuleerden ze elkaars productie.’ Tekenaars als Hergé (Kuifje), Morris (Lucky Luke), Peyo (Smurfen) en Franquin (Guust Flater) kregen zo de kans invloed uit te oefenen op de manier waarop de stripcultuur zich ontwikkelde.
Ballonstrips
In tegenstelling tot zijn Belgische collega’s, maakte de Nederlandse striptekenaar Marten Toonder geen gebruik van de oorspronkelijk Amerikaanse ballonstrips. Zijn studio bleef grote tekstblokken maken die onder de tekeningen staan. ‘Mede daardoor heeft de Bommelstrip een literaire status gekregen. Op een gegeven moment zijn de tekeningen zelfs sterk verkleind ten opzichte van de tekst om ze in de vorm van literaire paperbacks aan de man te kunnen brengen’, aldus De Vries.
Nichemarkt
De opkomst van de strip was vanaf de jaren zestig ook in Nederland niet meer te stuiten. Na verloop van tijd verloor het striptijdschrift terrein en werd het stripalbum steeds populairder. Het laatste decennium loopt de belangstelling voor de traditionele strip terug. De Vries: ‘Kinderen lezen minder strips dan vroeger en volwassen stripliefhebbers kiezen voor niches. Jonge, ambitieuze tekenaars en stripfans spelen daar sterk op in door zelf kleine uitgeverijen te beginnen, volledig gericht op een bepaalde niche, zoals SF, fantasie, historische of erotische strips. De grote uitgeverijen moesten zich aanpassen of hebben zich teruggetrokken. In Nederland is van die groten alleen Sanoma overgebleven.’
Kansen voor literaire strips
In Frankrijk en België horen strips bij het cultureel erfgoed en zijn ze een belangrijk exportproduct. In Japan is de stripcultuur zelfs big business. De Vries noemt de literaire strip of ‘graphic novel’ als nieuwe niche, die ook in Nederland lijkt aan te slaan en zelfs in aanmerking komt voor subsidies. ‘De stripwereld is van oudsher een mannenwereld, maar vrouwen zijn in deze niche in opkomst. Een mooi voorbeeld is het werk van Barbara Stok. Ook zie je vaak dat tekenaars literaire albums in hun vrije tijd tekenen. Jean-Marc van Tol, een van de tekenaars van Fokke & Sukke, heeft een kleine uitgeverij opgericht om jonge tekenaars een kans te geven.’
Nederlandse stripcultuur blijft achter
De Nederlandse stripcultuur loopt internationaal nog steeds achter. Historische ontwikkelingen verklaren waarom strips zo sterk zijn gegroeid in België en Frankrijk. Nederlandse uitgevers waren sneller tevreden met vertalingen van strips uit het buitenland. De Vries: ‘Er zijn nog andere redenen waarom strips klein zijn gebleven in Nederland, die echter minder makkelijk te achterhalen zijn. Ik vermoed dat onze calvinistische inslag er ook mee te maken heeft.’
The idea behind this dissertation is testing the added value of combinations of concepts from already existing theories for organization studies. In this case this is done from an overarching, co-evolutionary perspective. The co-evolutionary theory offers insight into the long term interaction between organizations in the same industry, and the products developed by these organizations. Lacunas in this theory are filled up in this dissertation, by means of a study into publishers of comics in the Netherlands and Belgium. Firstly these lacunas concern the differences between societal identities, secondly the variety of organizations in the same branch, and thirdly the influence of individuals. More specifically, co-evolutionary research into cultural industries has hardly paid attention to the relationship between evolutions of the cultural supply and changes of value systems within organizations. On several levels drastic changes have taken place in the comics branch, which makes this industry a pre-eminent subject for co-evolutionary research. Concepts from organizational ecology, institutional logics and art sociology have been integrated for this purpose. Comics have developed into a multiform cultural medium. Simultaneously the interaction between artists and publishers, and the competition between publishers in both countries have led to a differentiated industrial branch. Historical processes and differences in identity have led to a stronger position for comics in Belgium than in the Netherlands. The dissertation illustrates that a confrontation between concepts from existing theories can lead to their improvement and nuance, as well as to a better understanding of contextual factors that influence the effectiveness of organizations
Comics and co-evolutions:a study of the dynamics in the niche of comics publishers in the Low Countries
Kuifje, Asterix, Guust Flater en de onvergetelijke Olivier B. Bommel: wie is er niet mee opgegroeid? Rudi de Vries paste de bedrijfskundige theorie van de co-evolutie toe op de ontwikkeling van de stripcultuur. Door de decennia heen hebben uitgeverijen en strips zich parallel aan elkaar ontwikkeld, waarbij ze elkaar sterk beïnvloedden. Kleine uitgeverijen waren vaak opgericht door ambitieuze, soms idealistische tekenaars en stripliefhebbers. Bijzonder is dat zij de grote, commerciële uitgeverijen hebben gedwongen zich aan te passen om te overleven. De Vries promoveert op 29 november 2012 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Vóór de Tweede Wereldoorlog kwamen strips vooral uit Amerika, terwijl de Nederlandse strip een bijproduct was. Niet meer dan een hoekje in de krant. Na de oorlog kwamen er meer zelfstandige stripbladen en stripboeken, maar als gevolg daarvan werd de strip zelfs actief geweerd. Niet alleen hier, maar ook in België en Frankrijk. De Vries: ‘Men wilde niet vervallen in barbarij: in strips was geweld te zien en dat was schadelijk voor de kinderziel. In Nederland vaardigde het ministerie van Onderwijs zelfs een officieel decreet uit om het lezen van strips te ontmoedigen. In Frankrijk ging men nog een stapje verder door Amerikaanse strips, zoals Prins Valiant en Tarzan, van de markt te halen.’ Kuifje contra de dikke neuzen Die ontwikkeling speelde een aantal Belgische uitgeverijen in de kaart. De spannende, maar brave verhalen van Hergé over Kuifje verschenen oorspronkelijk in een keurig katholiek tijdschrift en vonden al snel hun weg naar Frankrijk en Nederland. Ook de ‘dikke neuzen’-stijl van Dupuis, uitgeverij van striptijdschrift Robbedoes werd snel populair. Goscinny en Uderzo, de scheppers van Asterix, lieten zich erdoor inspireren. De Vries: ‘Er ontstond een felle concurrentiestrijd tussen de Belgische uitgeverijen en daardoor stimuleerden ze elkaars productie.’ Tekenaars als Hergé (Kuifje), Morris (Lucky Luke), Peyo (Smurfen) en Franquin (Guust Flater) kregen zo de kans invloed uit te oefenen op de manier waarop de stripcultuur zich ontwikkelde. Ballonstrips In tegenstelling tot zijn Belgische collega’s, maakte de Nederlandse striptekenaar Marten Toonder geen gebruik van de oorspronkelijk Amerikaanse ballonstrips. Zijn studio bleef grote tekstblokken maken die onder de tekeningen staan. ‘Mede daardoor heeft de Bommelstrip een literaire status gekregen. Op een gegeven moment zijn de tekeningen zelfs sterk verkleind ten opzichte van de tekst om ze in de vorm van literaire paperbacks aan de man te kunnen brengen’, aldus De Vries. Nichemarkt De opkomst van de strip was vanaf de jaren zestig ook in Nederland niet meer te stuiten. Na verloop van tijd verloor het striptijdschrift terrein en werd het stripalbum steeds populairder. Het laatste decennium loopt de belangstelling voor de traditionele strip terug. De Vries: ‘Kinderen lezen minder strips dan vroeger en volwassen stripliefhebbers kiezen voor niches. Jonge, ambitieuze tekenaars en stripfans spelen daar sterk op in door zelf kleine uitgeverijen te beginnen, volledig gericht op een bepaalde niche, zoals SF, fantasie, historische of erotische strips. De grote uitgeverijen moesten zich aanpassen of hebben zich teruggetrokken. In Nederland is van die groten alleen Sanoma overgebleven.’ Kansen voor literaire strips In Frankrijk en België horen strips bij het cultureel erfgoed en zijn ze een belangrijk exportproduct. In Japan is de stripcultuur zelfs big business. De Vries noemt de literaire strip of ‘graphic novel’ als nieuwe niche, die ook in Nederland lijkt aan te slaan en zelfs in aanmerking komt voor subsidies. ‘De stripwereld is van oudsher een mannenwereld, maar vrouwen zijn in deze niche in opkomst. Een mooi voorbeeld is het werk van Barbara Stok. Ook zie je vaak dat tekenaars literaire albums in hun vrije tijd tekenen. Jean-Marc van Tol, een van de tekenaars van Fokke & Sukke, heeft een kleine uitgeverij opgericht om jonge tekenaars een kans te geven.’ Nederlandse stripcultuur blijft achter De Nederlandse stripcultuur loopt internationaal nog steeds achter. Historische ontwikkelingen verklaren waarom strips zo sterk zijn gegroeid in België en Frankrijk. Nederlandse uitgevers waren sneller tevreden met vertalingen van strips uit het buitenland. De Vries: ‘Er zijn nog andere redenen waarom strips klein zijn gebleven in Nederland, die echter minder makkelijk te achterhalen zijn. Ik vermoed dat onze calvinistische inslag er ook mee te maken heeft.
Comics and co-evolutions:a study of the dynamics in the niche of comics publishers in the Low Countries
Kuifje, Asterix, Guust Flater en de onvergetelijke Olivier B. Bommel: wie is er niet mee opgegroeid? Rudi de Vries paste de bedrijfskundige theorie van de co-evolutie toe op de ontwikkeling van de stripcultuur. Door de decennia heen hebben uitgeverijen en strips zich parallel aan elkaar ontwikkeld, waarbij ze elkaar sterk beïnvloedden. Kleine uitgeverijen waren vaak opgericht door ambitieuze, soms idealistische tekenaars en stripliefhebbers. Bijzonder is dat zij de grote, commerciële uitgeverijen hebben gedwongen zich aan te passen om te overleven. De Vries promoveert op 29 november 2012 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Vóór de Tweede Wereldoorlog kwamen strips vooral uit Amerika, terwijl de Nederlandse strip een bijproduct was. Niet meer dan een hoekje in de krant. Na de oorlog kwamen er meer zelfstandige stripbladen en stripboeken, maar als gevolg daarvan werd de strip zelfs actief geweerd. Niet alleen hier, maar ook in België en Frankrijk. De Vries: ‘Men wilde niet vervallen in barbarij: in strips was geweld te zien en dat was schadelijk voor de kinderziel. In Nederland vaardigde het ministerie van Onderwijs zelfs een officieel decreet uit om het lezen van strips te ontmoedigen. In Frankrijk ging men nog een stapje verder door Amerikaanse strips, zoals Prins Valiant en Tarzan, van de markt te halen.’ Kuifje contra de dikke neuzen Die ontwikkeling speelde een aantal Belgische uitgeverijen in de kaart. De spannende, maar brave verhalen van Hergé over Kuifje verschenen oorspronkelijk in een keurig katholiek tijdschrift en vonden al snel hun weg naar Frankrijk en Nederland. Ook de ‘dikke neuzen’-stijl van Dupuis, uitgeverij van striptijdschrift Robbedoes werd snel populair. Goscinny en Uderzo, de scheppers van Asterix, lieten zich erdoor inspireren. De Vries: ‘Er ontstond een felle concurrentiestrijd tussen de Belgische uitgeverijen en daardoor stimuleerden ze elkaars productie.’ Tekenaars als Hergé (Kuifje), Morris (Lucky Luke), Peyo (Smurfen) en Franquin (Guust Flater) kregen zo de kans invloed uit te oefenen op de manier waarop de stripcultuur zich ontwikkelde. Ballonstrips In tegenstelling tot zijn Belgische collega’s, maakte de Nederlandse striptekenaar Marten Toonder geen gebruik van de oorspronkelijk Amerikaanse ballonstrips. Zijn studio bleef grote tekstblokken maken die onder de tekeningen staan. ‘Mede daardoor heeft de Bommelstrip een literaire status gekregen. Op een gegeven moment zijn de tekeningen zelfs sterk verkleind ten opzichte van de tekst om ze in de vorm van literaire paperbacks aan de man te kunnen brengen’, aldus De Vries. Nichemarkt De opkomst van de strip was vanaf de jaren zestig ook in Nederland niet meer te stuiten. Na verloop van tijd verloor het striptijdschrift terrein en werd het stripalbum steeds populairder. Het laatste decennium loopt de belangstelling voor de traditionele strip terug. De Vries: ‘Kinderen lezen minder strips dan vroeger en volwassen stripliefhebbers kiezen voor niches. Jonge, ambitieuze tekenaars en stripfans spelen daar sterk op in door zelf kleine uitgeverijen te beginnen, volledig gericht op een bepaalde niche, zoals SF, fantasie, historische of erotische strips. De grote uitgeverijen moesten zich aanpassen of hebben zich teruggetrokken. In Nederland is van die groten alleen Sanoma overgebleven.’ Kansen voor literaire strips In Frankrijk en België horen strips bij het cultureel erfgoed en zijn ze een belangrijk exportproduct. In Japan is de stripcultuur zelfs big business. De Vries noemt de literaire strip of ‘graphic novel’ als nieuwe niche, die ook in Nederland lijkt aan te slaan en zelfs in aanmerking komt voor subsidies. ‘De stripwereld is van oudsher een mannenwereld, maar vrouwen zijn in deze niche in opkomst. Een mooi voorbeeld is het werk van Barbara Stok. Ook zie je vaak dat tekenaars literaire albums in hun vrije tijd tekenen. Jean-Marc van Tol, een van de tekenaars van Fokke & Sukke, heeft een kleine uitgeverij opgericht om jonge tekenaars een kans te geven.’ Nederlandse stripcultuur blijft achter De Nederlandse stripcultuur loopt internationaal nog steeds achter. Historische ontwikkelingen verklaren waarom strips zo sterk zijn gegroeid in België en Frankrijk. Nederlandse uitgevers waren sneller tevreden met vertalingen van strips uit het buitenland. De Vries: ‘Er zijn nog andere redenen waarom strips klein zijn gebleven in Nederland, die echter minder makkelijk te achterhalen zijn. Ik vermoed dat onze calvinistische inslag er ook mee te maken heeft.
Comics and co-evolutions:a study of the dynamics in the niche of comics publishers in the Low Countries
Kuifje, Asterix, Guust Flater en de onvergetelijke Olivier B. Bommel: wie is er niet mee opgegroeid? Rudi de Vries paste de bedrijfskundige theorie van de co-evolutie toe op de ontwikkeling van de stripcultuur. Door de decennia heen hebben uitgeverijen en strips zich parallel aan elkaar ontwikkeld, waarbij ze elkaar sterk beïnvloedden. Kleine uitgeverijen waren vaak opgericht door ambitieuze, soms idealistische tekenaars en stripliefhebbers. Bijzonder is dat zij de grote, commerciële uitgeverijen hebben gedwongen zich aan te passen om te overleven. De Vries promoveert op 29 november 2012 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Vóór de Tweede Wereldoorlog kwamen strips vooral uit Amerika, terwijl de Nederlandse strip een bijproduct was. Niet meer dan een hoekje in de krant. Na de oorlog kwamen er meer zelfstandige stripbladen en stripboeken, maar als gevolg daarvan werd de strip zelfs actief geweerd. Niet alleen hier, maar ook in België en Frankrijk. De Vries: ‘Men wilde niet vervallen in barbarij: in strips was geweld te zien en dat was schadelijk voor de kinderziel. In Nederland vaardigde het ministerie van Onderwijs zelfs een officieel decreet uit om het lezen van strips te ontmoedigen. In Frankrijk ging men nog een stapje verder door Amerikaanse strips, zoals Prins Valiant en Tarzan, van de markt te halen.’ Kuifje contra de dikke neuzen Die ontwikkeling speelde een aantal Belgische uitgeverijen in de kaart. De spannende, maar brave verhalen van Hergé over Kuifje verschenen oorspronkelijk in een keurig katholiek tijdschrift en vonden al snel hun weg naar Frankrijk en Nederland. Ook de ‘dikke neuzen’-stijl van Dupuis, uitgeverij van striptijdschrift Robbedoes werd snel populair. Goscinny en Uderzo, de scheppers van Asterix, lieten zich erdoor inspireren. De Vries: ‘Er ontstond een felle concurrentiestrijd tussen de Belgische uitgeverijen en daardoor stimuleerden ze elkaars productie.’ Tekenaars als Hergé (Kuifje), Morris (Lucky Luke), Peyo (Smurfen) en Franquin (Guust Flater) kregen zo de kans invloed uit te oefenen op de manier waarop de stripcultuur zich ontwikkelde. Ballonstrips In tegenstelling tot zijn Belgische collega’s, maakte de Nederlandse striptekenaar Marten Toonder geen gebruik van de oorspronkelijk Amerikaanse ballonstrips. Zijn studio bleef grote tekstblokken maken die onder de tekeningen staan. ‘Mede daardoor heeft de Bommelstrip een literaire status gekregen. Op een gegeven moment zijn de tekeningen zelfs sterk verkleind ten opzichte van de tekst om ze in de vorm van literaire paperbacks aan de man te kunnen brengen’, aldus De Vries. Nichemarkt De opkomst van de strip was vanaf de jaren zestig ook in Nederland niet meer te stuiten. Na verloop van tijd verloor het striptijdschrift terrein en werd het stripalbum steeds populairder. Het laatste decennium loopt de belangstelling voor de traditionele strip terug. De Vries: ‘Kinderen lezen minder strips dan vroeger en volwassen stripliefhebbers kiezen voor niches. Jonge, ambitieuze tekenaars en stripfans spelen daar sterk op in door zelf kleine uitgeverijen te beginnen, volledig gericht op een bepaalde niche, zoals SF, fantasie, historische of erotische strips. De grote uitgeverijen moesten zich aanpassen of hebben zich teruggetrokken. In Nederland is van die groten alleen Sanoma overgebleven.’ Kansen voor literaire strips In Frankrijk en België horen strips bij het cultureel erfgoed en zijn ze een belangrijk exportproduct. In Japan is de stripcultuur zelfs big business. De Vries noemt de literaire strip of ‘graphic novel’ als nieuwe niche, die ook in Nederland lijkt aan te slaan en zelfs in aanmerking komt voor subsidies. ‘De stripwereld is van oudsher een mannenwereld, maar vrouwen zijn in deze niche in opkomst. Een mooi voorbeeld is het werk van Barbara Stok. Ook zie je vaak dat tekenaars literaire albums in hun vrije tijd tekenen. Jean-Marc van Tol, een van de tekenaars van Fokke & Sukke, heeft een kleine uitgeverij opgericht om jonge tekenaars een kans te geven.’ Nederlandse stripcultuur blijft achter De Nederlandse stripcultuur loopt internationaal nog steeds achter. Historische ontwikkelingen verklaren waarom strips zo sterk zijn gegroeid in België en Frankrijk. Nederlandse uitgevers waren sneller tevreden met vertalingen van strips uit het buitenland. De Vries: ‘Er zijn nog andere redenen waarom strips klein zijn gebleven in Nederland, die echter minder makkelijk te achterhalen zijn. Ik vermoed dat onze calvinistische inslag er ook mee te maken heeft.
An observer of 65 years of socioeconomic change in indonesia: Egbert de Vries
Professor Egbert de Vries is one of the few former colonial civil servants who can provide first hand information about the economic situation in Indonesia during the colonial era. Having revisited the country several times in the 1960s and 1970s as a consultant to the Indonesian government, he is also in a position to furnish first hand observations about changes in socioeconomic policy and development in Indonesia over more than 65 years. This article is based on interviews with Professor De Vries conducted in 1979 and 1988, 1 1 In 1979 Professor De Vries was invited by The Ford Foundation to revisit the places in Java and North Sumatra where he had worked during the pre-war years He was interviewed about his findings by a team of researchers: John Bembridge, Budiarto, William Collier, John A. Dixon, Walter P. Falcon, Sayogyo, Rudolf Sinaga, Sri Edi Swasono, Sudhana, Thee Kian Wie, C. Peter Timmer, Sedonio Tjondronegoro and Benjamin White. In 1988 I had an interview with Professor De Vries, in which he reflected again on his lifetime experience of socio-economic change in Indonesia. This article has been compiled from both interviews. I have added textual references and footnotes which contain additional information, I would like to thank The Ford Foundation in Jakarta for permission to use the transcript of the 1979 interview and is written as if spoken by him
Balancing on the “Clear Line”: Between Selecting and Being Selected:Independent Comics Publishing in the Netherlands: the Case of Joost Swarte and Oog & Blik
Taking its cue from selection systems theory, this paper discusses the capabilities of innovative comics artists and publishers to influence their environment in such a way that a certain level of artistic independence can be achieved or sustained. Increased chances of artistic autonomy depend on the artist and/or publisher’s awareness of the different contexts in which s/he can operate. In fact, in endorsing several roles and adapting to their environment, artists and/or publishers can force a change in selection systems (market selection, peer selection, and expert selection) and therefore improve their survival chances. This is illustrated by means of a case study of Joost Swarte and the Dutch publishing company Oog & Blik
- …
