University of Groningen

University of Groningen Digital Archive
Not a member yet
    80723 research outputs found

    Terug naar Berlijn

    No full text
    Geert van Istendael trok op 8 november 1989 naar Berlijn om, voor toen nog de BRT, een congres van de zieltogende SED te verslaan, de Oost-Duitse Communistische Partij. Dat er iets moest en ging veranderen in de DDR was toen voor iedereen al weken duidelijk. Maar tot ieders en ook Geerts eigen verbazing viel amper 24 uur na zijn aankomst de Muur en werd hij een geprivilegieerd getuige van één van de belangrijkste gebeurtenissen in Europa na de tweede wereldoorlog. In die nacht van 9 op 10 november trokken Oost-Duitsers massaal de grens over, de eerste stukken muur sneuvelden en toen begon een groot feest dat enkele dagen duurde. 20 jaar later keert Geert van Istendael terug naar de plekken waar hij als journalist het gebeuren versloeg. Hij probeert te begrijpen wat er toen gebeurde en gaat op zoek naar de sporen van de Muur, niet alleen fysiek maar vooral in de hoofden van de Oost-Berlijners (die Mauer im Kopf). Hij verkent de stad en spreekt met mensen die er destijds bij waren, slachtoffers van het DDR-regime en anderen, voor wie het na de Wende nooit meer echt goed is gekomen, of ook mensen die met enige weemoed terugkijken naar de periode vóór 1989 (zelfs al waren ze toen nog maar net geboren), bekende figuren maar ook heel gewone mensen die in '89 op de BRT hun eerste tv-optreden deden. Met hen bekijken we de beelden van toen opnieuw. Amper een jaar na de val van de Muur, werden Oost- en West-Duitsland herenigd. Maar helemaal verzoend zijn ze na 20 jaar nog niet, stelt Geert van Istendael vast. De meningen over het DDR-verleden, was het nu een misdadige staat of niet, staan scherp tegenover elkaar. Het Oosten heeft een zware prijs betaald voor de hereniging, de economie stuikte na 1989 in elkaar, 2 miljoen Oost-Duitsers zijn sindsdien naar het Westen getrokken om werk te zoeken. In het Oosten blijft de werkloosheid hoog en het heimwee naar de volledige werkgelegenheid in de DDR lijkt groter dan ooit.

    De bouw van de muur

    No full text
    Panorama-reportage uit 1961 van Maurice de Wilde en Fons Robberechts over de bouw van de Berlijnse Muur en de gevolgen voor de inwoners van de stad. (n.a.v. de 20ste verjaardag van de val van de Muur). Op 13 augustus 1961 sloot de Oost-Duitse overheid de ’sectorengrens’ en werd een meer dan 40 km lange scheidingsmuur opgericht tussen Oost- en West-Berlijn. Maurice De Wilde en zijn cameraman Fons Robberechts trokken die zomer naar Berlijn, toen de Muur nog in volle opbouw was. We zien bouwvakkers aan het werk en zijn getuige van de grimmige sfeer, de vertwijfeling van de Berlijnse burgers en schrijnende taferelen aan de controleposten en grensovergangen. Op straat wordt gediscussieerd over de pro’s en contra’s van de Muur. In een vluchtelingenkamp vertellen mensen waarom ze naar West-Berlijn zijn gevlucht. We zien soldaten en tanks die stellingen innemen; een politieman vlucht naar het westen; de 85-jarige eerste bondskanselier Konrad Adenauer komt kijken. Maurice De Wilde praat met de jonge Willy Brandt over het bankroet van een regime, met iemand van de leiding van een vluchtelingenkamp en met vluchtelingen over de miserabele toestanden aan de andere kant van de muur. “De bouw van de Muur” is een aangrijpend en emotioneel portret van een stad in schok, van mensen die niet goed begrijpen wat hen overkomt en van de een op andere dag ontdekken dat ze hun familie en vrienden aan de andere kant niet meer kunnen bezoeken, van mensen die het toch nog proberen, soms met succes, maar toen ook al met de dood tot gevolg.

    New onset heart failure : origin and manifestation

    No full text
    Dit proefschrift evalueerde de epidemiologische, klinische en biochemische verschillen die ten grondslag liggen aan het ontstaan van hartfalen, en afzonderlijk voor hartfalen met verminderde ejectiefractie en hartfalen met behouden ejectiefractie. Nieuwe pathofysiologische mechanismen werden geïdentificeerd, wat nieuwe inzichten geeft in de voorspellende waarde van klinische karakteristieken en biomarkers. Daarnaast wordt andermaal bevestigd dat hartfalen met behouden ejectiefractie een complex syndroom is, met toenemende incidentie en hoge mortaliteit. Vroege identificatie van patiënten met verhoogd risico op hartfalen, vooral hartfalen met behouden ejectiefractie blijft lastig op basis van het thans beschikbare voorspellingsmodel. In summary, the present thesis investigated and discussed the epidemiological, clinical and biochemical differences underlying new onset heart failure separately for heart failure with reduced ejection factionand heart failure with preserved ejection faction. New pathophysiologic links were identified, providing new insights in the predictive value of clinical characteristics and multiple biomarkers. Additionally, we have confirmed that heart failure with preserved ejection faction is a complex syndrome, with increasing incidence and high mortality. Early identification of subjects at risk for heart failure, especially heart failure with preserved ejection faction, remains difficult based on the presently available clinically and biochemically oriented risk prediction model.

    Structural and mechanistic insights into ABC-type ECF transporters for vitamin uptake

    No full text
    Dit proefschrift gaat over de relatie tussen de structuur en het mechanisme van ABC-type ECF transporters voor vitamines, uit de bacterie Lactococcus lactis. Energy-Coupling Factor (ECF) transporters vormen een subgroep van de ATP-binding cassette (ABC) transporters en zijn betrokken bij de opname van vitamines door prokaryoten. Ze maken hiervoor gebruik van membraaneiwitten (S - componenten) die hun substraten met een hoge affiniteit binden. S-componenten kunnen een complex vormen met de ECF-module zodat de substraten actief getransporteerd kunnen worden. De energie hiervoor wordt geleverd door hydrolyse van ATP. In veel gevallen kan de ECF module een complex vormen met verschillende S -componenten, die verschillende vitamines binden. Op deze manier kunnen chemisch zeer diverse substraten via een vergelijkbare route in de cel worden opgenomen. De eerste twee experimentele hoofdstukken beschrijven de karakterisatie van twee verschillende S-componenten (voor biotine (BioY) en thiamine (ThiT)). In hoofdstuk 2 presenteerden we een hoge-resolutie kristalstructuur van BioY uit L. lactis en biochemische analyse van dit eiwit en zijn homoloog uit Rhodobacter capsulatus. In hoofdstuk 3 hebben we gebruik gemaakt van EPR spectroscopie, stopped-flow fluorescentie spectroscopie en molecular dynamics simulaties om de structurele veranderingen die plaatsvinden in ThiT uit L. lactis na de binding van thiamine te bepalen. In de twee volgende experimentele hoofdstukken werden de volledige ECF transporters onderzocht. In hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 het mechanisme van vitamine transport door ECF transporters uit L. lactis werd bestudeerd in vivo en in vitro (na reconstitutie in liposomen), respectievelijk. Het werk is een voorbeeld van hoe een combinatie van structurele- en biochemische gegevens kunnen bijdragen aan het begrip van biologische systemen. The focus of the thesis is on the relationship between structure and mechanism in the ABC-type ECF transporters for vitamin uptake from Lactococcus lactis. Energy Coupling Factor (ECF) transporters are involved in the uptake of vitamins and micronutrients in prokaryotes. They employ integral membrane proteins (S-components) for high affinity substrate binding. S-components form active translocation complexes with the ECF module, which energizes transport of the substrate from ATP hydrolysis. In many cases the ECF module can interact with several different S-components which are unrelated in sequence and bind diverse substrates. This feature enables the transport of chemically different substrates via a common route. In the first two experimental chapters two S-components specific for biotin (BioY) and thiamin (ThiT) were characterized. In chapter 2 we presented a high-resolution crystal structure of BioY from L. lactis and performed biochemical analysis of this protein and its homolog from Rhodobacter capsulatus. In chapter 3 we used EPR spectroscopy, stopped-flow fluorescence spectroscopy and molecular dynamics simulations to determine the structural rearrangements that take place in ThiT from L. lactis upon binding of thiamin. In the two following experimental chapters the complete ECF transporters were investigated. In chapter 4 and chapter 5 the mechanism of vitamin transport by ECF transporters from L. lactis was studied in vivo and in vitro (after reconstitution in liposomes), respectively. This work exemplifies how a combination of structural and biochemical data may bring an important contribution into understanding of biological systems.

    Functional connectivity of the primary somatosensory cortex and its role during action observation

    No full text
    Bij het observeren van andermans handelingen, activeren we een groot hersennetwerk. De algemene opvatting is dat visuele informatie eerst door het visuele systeem verwerkt wordt, waarna het “actie observatie” netwerk een mentale simulatie maakt van de geobserveerde motor handeling. Uiteindelijk helpt een dergelijke simulatie ons om informatie uit het gedrag van anderen te destilleren, dat ons helpt hen te “begrijpen”. Eén gebied waarvan we de betrokkenheid in dit netwerk nog niet goed begrijpen is de primaire sensibele cortex (SI). Dit gebied is belangrijk bij het verwerken van gevoelsstimuli. In twee fMRI experimenten hebben we laten zien dat SI communiceert met gebieden die betrokken zijn bij de mentale simulatie van handelingen, zowel tijdens observatie van handelingen als tijdens rust. We hebben in een ander gedragsexperiment ook laten zien dat na magnetische onderdrukking van de activiteit in SI deelnemers slechter zijn in het schatten van het gewicht van een doos die door een hand wordt opgetild. Deze resultaten suggereren dat we, terwijl we iemand zien handelen, niet alleen de motor activiteit simuleren, maar ook de sensaties die ermee gepaard gaan. In een laatste experiment keken deelnemers naar incomplete handelingen. De resultaten hiervan lieten zien dat verwachtingen over de beweging en de uitkomst van de handeling het motor systeem beïnvloeden. Dit resultaat suggereert dat onze hersenen niet alleen informatie uit de wereld om ons heen ontvangen, maar ook beïnvloeden hoe we onze omgeving ervaren. Op een bepaalde manier is “vrije wil” dus een illusie, omdat onze a priori verwachtingen beïnvloeden wat we zien. During the observation of actions performed by other people, our brain activates a broad network of cortical areas. It is commonly believed that information is first processed by the visual system and then the “action observation” network calculates a mental simulation of the observed motor act. Ultimately this simulation helps us to extract information from the behaviours of other people, i.e. “understand” them. One area whose involvement in this network is not yet clear is the primary somatosensory cortex (SI) which is the main brain hub to process sensory stimuli. In two fMRI experiments we have shown that during action observation and also when the brain is at rest, SI communicates with brain regions that calculate mental simulations of actions. We have also shown in another behavioural experiment that after magnetically inhibiting the functioning of SI, participants are worse at estimating the weight of a box they observe while being lifted by a hand. These results suggest that while observing somebody act we simulate not only the motor act, but also the sensations involved in the action. In one last experiment participants observed incomplete actions. Results showed that their expectations about the outcome and kinematics of the action influence their motor system. This interesting result can be interpreted as an indication that our brains do not only receive information from the outside world but also influence how we perceive the world. In a way “free will” is an illusion since our prior expectations influence what we see.

    Subsidiary decision-making autonomy in international enterprises

    No full text
    Het doel van dit proefschrift is om tot een beter begrip te komen van de oorzaken en gevolgen van besluitvormingsautonomie van dochterondernemingen in de relatie tussen hoofdkantoor en dochteronderneming binnen het netwerk van een multinational enterprise (MNE). De belangrijkste onderzoeksdoelstellingen in dit proefschrift zijn de relaties tussen besluitvormingsautonomie van dochterondernemingen en de context van het thuisland en het gastland, en de rol hiervan in innovatie door de dochteronderneming. De belangrijkste onderzoeksvraag is tweeledig: (1) Wordt besluitvormingsautonomie van dochterondernemingen bepaald door de context van het thuisland en het gastland? En welke invloed hebben de verschillen tussen de context van het thuisland en het gastland op besluitvormingsautonomie van dochterondernemingen? (Deze vragen beantwoorden we in hoofdstuk 3 en 4.) (2) Wat is de rol van besluitvormingsautonomie van dochterondernemingen in innovatie door de dochteronderneming? En welke interactie is er tussen besluitvormingsautonomie van dochterondernemingen en de mate van inbedding van de dochteronderneming binnen het MNE-netwerk en het externe locale netwerk? (Deze vragen beantwoorden we in hoofdstuk 5 en 6.) Dit proefschrift bestaat uit zes hoofdstukken. Hoofdstuk 1 beschrijft het belang en de doelstelling, de aanpak en de scope, de theoretische en empirische bijdragen en de theoretische en praktische gevolgen van dit onderzoek. Verder bevat dit hoofdstuk een samenvatting van de empirische bevindingen van het onderzoek. In hoofdstuk 2 besteden we uitgebreid aandacht aan zeven theorieën met betrekking tot de determinanten en gevolgen van besluitvormingsautonomie van dochterondernemingen, waaronder het integratie-responsiviteitskader, de theorie van afhankelijkheid van middelen, de bemiddelingstheorie, de institutionele theorie, de theorie van zakelijke netwerken, de informatieverwerkingstheorie en het perspectief dat de nadruk legt op de rol van hoofdkantoren in het functioneren van dochterondernemingen. The distribution of decision-making autonomy over headquarters and subsidiaries is an important strategic decision that many fi rms need to make. This study disentangles causes and consequences of decisionmaking autonomy with special reference to subsidiaries in Central and Eastern Europe. The overall conclusion from this study is that multinational enterprises face a trade-off: when distance to the host country increases it is likely that the headquarters relies on the subsidiary for local expertise and knowledge, especially in institutionally thick countries where local embeddedness is important. With increasing distance, however, the degree of decision-making autonomy will go down, whereas to increase innovation both low or high levels of subsidiary decision-making autonomy are actually best, especially when subsidiary’s external embeddedness is high. This overall conclusion is a refl ection of a well-known tension in the corporate reality of international business and management, namely how to balance local responsiveness with global coordination and integration. This study provides novel insights on how subsidiary decision- making plays a pivotal role in understanding this tension and formulating an appropriate response to it.

    Rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures

    No full text
    Aanbestedingsprocedures verlopen niet altijd volgens de regels. Ondernemers die door een fout van de aanbesteder een opdracht mislopen, kunnen naar de rechter stappen. Op het niveau van de Europese Unie zijn twee richtlijnen vastgesteld die op dit gebied eisen stellen aan de nationale rechtsstelsels van lidstaten. Arthur van Heeswijck heeft onderzoek gedaan naar de conformiteit van het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming van ondernemers bij aanbestedingen met het Europees recht en naar de samenhang van die regels. Het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming is in hoofdlijnen in overeenstemming met het Europees recht, maar de Aanbestedingswet 2012 bevat een aantal lacunes. Zo zijn aanbesteders op grond van de Europese Aanbestedingsrichtlijnen verplicht de beslissing om een aanbestedingsprocedure in te trekken te motiveren. Deze verplichting is echter niet in de Aanbestedingswet 2012 opgenomen. In sommige situaties hebben ondernemers recht op vergoeding van de offertekosten, wanneer de aanbesteder een fout heeft gemaakt. In de Nederlandse regelgeving ontbreekt hiervoor een regeling. Ook de samenhang van het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming valt nog te verbeteren. Zo zijn aanbesteders bijvoorbeeld in Europese aanbestedingsprocedures verplicht de documenten die zij van inschrijvers ontvangen vertrouwelijk te behandelen. Een vergelijkbare regeling ontbreekt voor nationale aanbestedingen. Daarvoor is geen rechtvaardiging. Het ligt in de rede in het algemene deel van de Aanbestedingswet 2012 een geheimhoudingsregeling op te nemen die voor alle documenten geldt, ongeacht de aard van de procedure. Procurement procedures do not always proceed according to the rules. Entrepreneurs who miss a contract because of a fault of the contracting entity can go to court. In this field there have been two directives adopted at the level of the European Union that sets preconditions to the national legal systems of Member States. Arthur van Heeswijck has examined the conformity of the Dutch system of legal protection of entrepreneurs in procurement procedures with European law and the consistency of those rules. The Dutch system of legal protection is broadly in line with European law, but the Public Procurement Act 2012 contains a number of gaps. For example, contracting authorities are under the EU Procurement Directives obliged to motivate the decision to withdraw a procurement procedure. This obligation has not been implemented in the Public Procurement Act 2012. In some cases, entrepreneurs are entitled to reimbursement of the tender costs, if the contracting authority has made a mistake. The Dutch legislation lacks this provision. The cohesion of the Dutch system of judicial can be improved too. For example, in European procurement procedures contracting authorities are obliged to keep documents which have been received from tenderers confidential. Without justification, a similar provision lacks for national procurement procedures. A provision for confidentiality should be laid down in the general part of the Public Procurement Act 2012, which is applicable to all documents, regardless of the nature of the procedure.

    Immobilized hyperbranched polyureas coatings with antibacterial performance

    No full text
    Biomedische implantaten, zoals in heup, knie en hartklep prothesen, spelen een steeds belangrijkere rol in de moderne gezondheidszorg. Het belangrijkst probleem bij het toepassen van implantaten is nog steeds de kans op een infectie. Chemische verankerde antibacteriële coatings zijn wellicht de meest belovende aanpak de oppervlakken van implantaten bacterievrij te houden. Wij hebben een coating ontwikkeld die ons daadwerkelijk in staat stelt om antibacteriële oppervlakken te vervaardigen. Deze coatings zijn gebaseerd op onze hypervertakte polyureas, waarop antibacteriële quaternaire ammonium verbindingen chemische verankert zijn. De hypervertakte basis coating werd aangebracht door AB2 monomeren te polymeriseren op het oppervlak. De B-groepen, die veelvuldig voorkomen in deze coating, stelde ons in staat om amino- of hydroxyl bevattende verbindingen, zoals polyoxazolines, Ethoquad C/25 en (gequaterniseerde) polyethyleenimine, hierop chemisch te hechten. De hypervertakte coating, waarop gequaterniseerde polyethyleenimines gegraft zijn, vertonen een hoge antibacteriële werking, enkel en alleen door het contact tussen het oppervlak en de bacteriën. Er worden dus geen (toxische) biocides afgegeven, zoals momenteel gebruikelijk is. Omdat het algemene mechanisme, dat geldt bij afgifte van biociden, hier niet meer van toepassing is hebben we een nieuw mechanisme voorgesteld voor geïmmobiliseerde quaternaire ammonium verbindingen. Hierin stellen we voor dat de sterke elektrostatisch aantrekkingskrachten de bacterie sterk deformeert waarbij tevens negatief geladen verbindingen uit het membraan weggetrokken worden, hetgeen uiteindelijk tot celdood leidt. Biomedical implants, such as hip, knee and hearth valve prosthesis, play an increasing role in modern health care. However, one of the major problems in their application is still the risk of infection. Chemically anchored coatings comprising immobilized antibacterial compounds that kill bacteria upon contact are perhaps the most promising approach to provide implants with sterile surfaces. We have developed an enabling technology to fix chemically antibacterial coatings onto surfaces, based on our hyperbranched polyurea, modified with quaternary ammonium ions. The hyperbranched polyurea coatings were fabricated by heating AB2 monomers on substrates. The B-groups were blocked isocyanates, which resulted in coatings comprising numerous blocked isocyanates. These blocked isocyanates groups allow fixation of various potent antibacterial compounds comprising amino or hydroxyl functional groups, such as polyoxazolines, ethoquad C/25 and (quaternized) polyethyleneimines. Among these compounds, hyperbranched polyureas coating, decorated with chemically anchored quaternized polyethyleneimines showed highly effective antibacterial efficacies, in which bacteria were killed on contact. It is, however, difficult to envisage that the contact killing mechanism of immobilized quaternary ammonium compounds was the same as with releasing biocides that are currently used. Therefore we proposed a novel mechanism. High charge densities,of immobilized cationic species, that appeared to be critical, exert such strong electrostatic attraction forces that the bacteria cells deform and anionic species are pulled out of the cell membrane, leading to high stresses and finally to cell death.

    Measuring the EU value added embodied in EU foreign exports by consolidating 27 national supply and use tables for 2000-2007

    No full text
    This paper develops a method to consolidate national supply-use tables (SUTs) into a single supra-regional SUT. The method deals with mirror trade statistics problems, such as the different valuation of imports and exports, and it corrects for the double-counting of re-exports. To test the contribution of the various construction steps, the paper decomposes the EU value added that is embodied in the EU exports to third countries into seven components. When the national SUTs for the period 2000-2007 are used, neglecting intra-EU spillover and feedback effects between the 27 EU-members results in an underestimation of the embodied value added of 12-15%. Not consolidating the national tables leads to a further under-estimation of 11-16%. Both types of errors are substantial. With these underestimations removed, the exports to third countries still only explain around 11% of the EU27 GDP.

    In tundra plovers the frequency of inner flight feather replacement varies with length of long-distance flights

    No full text
    The repair jobs that birds have to do to maintain high quality plumage take energy and time, so should be under intense selection. Recently, we have shown that secondary moult in the Eurasian Golden Plover Pluvialis apricaria is incomplete, irregular and asymmetric between wings, and argued that this reflected their ‘relaxed’ migratory habits. On the basis of this hypothesis, we predict that relatives of this species that have to make long flights between breeding areas and winter quarters would invest more in the moult of secondaries. To test this we collected data on moult patterns in two populations of Pacific Golden Plovers Pluvialis fulva (Siberia and Alaska), on American Golden Plovers Pluvialis dominica (Alaska) and Grey Plovers Pluvialis squatarola. Data were from the breeding, staging (Mongolia and Indiana) and wintering (Uruguay) areas. We found patterns consistent with our prediction: Pacific Golden Plovers from Siberia, and Grey Plovers have a similar moulting pattern to Eurasian Golden Plovers. Although both go to remote winter quarters, they migrate mainly over land, probably making short or moderate flights, as they are able to stage frequently. In contrast, the Alaskan populations of Pacific Golden Plovers and American Golden Plovers tend to renew all their secondaries from their second wing moult onwards. In line with their moult patterns, these two populations are known to make very long non-stop flights between breeding and winter areas. We argue that irregular moult and the partial renewal of secondaries is a primitive character in all four species. The full replacement of secondaries in the Pacific Golden Plovers and American Golden Plovers from Alaska may be considered as an adaptation for very long demanding flights. Regular moult patterns of secondaries, as found in many other shorebirds, could be a further refinement of this adaptation.

    1,394

    full texts

    80,723

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    University of Groningen Digital Archive
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇