29 research outputs found
Zelfregulering in de minnelijke schuldhulpverlening. Onderzoek naar vormgeving
hoofdauteurs: Annejet Kerckhaert en Lennart de Ruig m.m.v. Frits Salomon
Circulaire zorg:Van JIM-aanpak naar een nieuwe kijk op jeugdhulpverlening
JIM: Een nieuwe kijk op de jeugdhulpverleningDe JIM-aanpak is overal te vinden: op school, in de buurt, in jeugdzorg en in de ggz. Minderjarige vluchtelingen hebben een JIM, net als zwerfjongeren, pleegkinderen en jongeren met een (verstandelijke) beperking. Sinds de verschijning van De JIM-aanpak in 2016 werken steeds meer mensen met JIM (Jouw Ingebrachte Mentor). Ruim veertig instellingen zijn inmiddels getraind in deze nieuwe benadering. Circulaire zorg is de opvolger van De JIM-aanpak en laat zien waar JIM nu staat en welke mogelijkheden er zijn voor een nieuwe kijk op de jeugdhulpverlening.Samenwerking tussen professional, ouder, jongere en JIMNatuurlijke hulpbronnen en handelen met het oog op de volgende generatie vormen de pijlers van de circulaire zorg voor onze jeugd. Het gaat hierbij om het organiseren van een wederkerige samenwerking tussen professional, ouder, jongere en JIM, waarbij rollen kunnen wisselen. De ene keer is iemand hulpvrager, dan weer zorgbieder. Dit is een circulair proces. In dit boek worden praktische handvatten gegeven voor alle mensen die met JIM (gaan) werken, van begeleider of therapeut tot wethouder of manager, aangevuld met verhalen uit de praktijk van maar liefst 19 auteurs.Verhalen uit de praktijkOp verzoek van Suzanne de Ruig en Levi van Dam heeft Journalist Sjoerd Wielenga een aantal mensen geïnterviewd met steeds een ander perspectief op JIM. Zo heeft hij twee jongeren, een ouder, een JIM, twee uitvoerende professionals, een oud topsporter en diverse bestuurders geïnterviewd en hun verhalen opgeschreven. Hoe zien zij JIM vanuit hun rol, positie en verantwoordelijkheid? Deze verhalen tezamen bieden een ander verhaal omtrent circulaire zorg. Geen theorie of onderzoek, maar verhalen en visies uit de praktijk. Deze persoonlijke en intrigerende portretten biedt de redactie u graag aan als extra achtergrondinformatie
Circulaire zorg:Van JIM-aanpak naar een nieuwe kijk op jeugdhulpverlening
JIM: Een nieuwe kijk op de jeugdhulpverleningDe JIM-aanpak is overal te vinden: op school, in de buurt, in jeugdzorg en in de ggz. Minderjarige vluchtelingen hebben een JIM, net als zwerfjongeren, pleegkinderen en jongeren met een (verstandelijke) beperking. Sinds de verschijning van De JIM-aanpak in 2016 werken steeds meer mensen met JIM (Jouw Ingebrachte Mentor). Ruim veertig instellingen zijn inmiddels getraind in deze nieuwe benadering. Circulaire zorg is de opvolger van De JIM-aanpak en laat zien waar JIM nu staat en welke mogelijkheden er zijn voor een nieuwe kijk op de jeugdhulpverlening.Samenwerking tussen professional, ouder, jongere en JIMNatuurlijke hulpbronnen en handelen met het oog op de volgende generatie vormen de pijlers van de circulaire zorg voor onze jeugd. Het gaat hierbij om het organiseren van een wederkerige samenwerking tussen professional, ouder, jongere en JIM, waarbij rollen kunnen wisselen. De ene keer is iemand hulpvrager, dan weer zorgbieder. Dit is een circulair proces. In dit boek worden praktische handvatten gegeven voor alle mensen die met JIM (gaan) werken, van begeleider of therapeut tot wethouder of manager, aangevuld met verhalen uit de praktijk van maar liefst 19 auteurs.Verhalen uit de praktijkOp verzoek van Suzanne de Ruig en Levi van Dam heeft Journalist Sjoerd Wielenga een aantal mensen geïnterviewd met steeds een ander perspectief op JIM. Zo heeft hij twee jongeren, een ouder, een JIM, twee uitvoerende professionals, een oud topsporter en diverse bestuurders geïnterviewd en hun verhalen opgeschreven. Hoe zien zij JIM vanuit hun rol, positie en verantwoordelijkheid? Deze verhalen tezamen bieden een ander verhaal omtrent circulaire zorg. Geen theorie of onderzoek, maar verhalen en visies uit de praktijk. Deze persoonlijke en intrigerende portretten biedt de redactie u graag aan als extra achtergrondinformatie
Rising waves of indecision:How financial incentives can support flood risk management
Floods have a devastating impact on society, costing thousands of lives and billions of dollars annually. Scientific projections indicate that flood risk is expected to increase in the future, driven by socio-economic growth and climate change. However, managing flood risk is a complex and costly process that requires decision-making with uncertain future conditions under the fear of making irreversible, inefficient choices. To support decision-makers, flood risk assessments provide estimates of the monetary impacts of floods or the economic efficiency of adaptation investments, although they often lack spatial or temporal dynamics. In addition, homeowners also make decisions at an individual level, such as implementing building-level adaptation measures or purchasing flood insurance. Homeowners’ decisions often deviate from rationality, as it is difficult for individuals to estimate the probability and associated damage of a potential flood. This PhD dissertation explores the extent to which we can incorporate the decision-making dynamics of governments, households, and flood insurance into a flood risk assessment at different spatial scales, and how this may improve flood risk management, applied to cases in the US
Breed wettelijk moratorium minnelijke schuldhulpverlening, Een onderzoek naar de wenselijkheid. Tussenrapport. (in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Justitie)
De theorie en praktijk van re-integratie tweede spoor
De meeste werknemers die zich ziek melden hervatten hun werkzaamheden weer binnen enkele weken. Maar het kan voorkomen dat een werknemer langer uit de roulatie is. Werkgever en werknemer moeten in dat geval beiden werken aan een effectieve re-integratie. Het uitgangspunt voor de re-integratie van de zieke werknemer is re-integratie in de oorspronkelijke functie en, indien dat niet mogelijk is, hervatting in een andere functie bij de oorspronkelijke werkgever. Dit is ‘re-integratie eerste spoor’. Sinds 2002 heeft de werkgever ook de verantwoordelijkheid om, indien het niet mogelijk is om de zieke werknemer binnen de eigen organisatie te laten re-integreren, re-integratie bij een andere werkgever na te streven. Dit is ‘re-integratie tweede spoor’. Dit rapport bevat de weerslag van twee onderzoeken naar de werking van re-integratie tweede spoor. Het eerste onderzoek komt tot een overkoepelende definitie van effectieve re-integratie via het tweede spoor. Het tweede onderzoek beschrijft hoe actoren in de praktijk invulling geven aan het tweede spoor en de problemen die ze daarbij ondervinden. De onderzoeken zijn uitgevoerd door een onderzoeksteam van Panteia, de Beleidsonderzoekers en SEO Economisch Onderzoek. Effectieve re-integratie via het tweede spoor betekent dat een werknemer na afloop van de re-integratie-inspanningen ergens anders duurzaam aan het werk gaat, al dan niet met detacheringsconstructie. Het re-integreren van een zieke werknemer via het tweede spoor komt in de praktijk voor bij 15% van de werkgevers in Nederland (in de afgelopen vier jaar). Daarbij geldt, hoe groter de organisatie, hoe groter ook de kans dat het tweede spoor in de afgelopen vier jaar is ingezet. Dit is ook conform de verwachting, er is immers meer ziekteverzuim in grote organisaties. Ruim een derde van de werknemers die een tweedespoortraject volgt, komt weer aan het werk. Daarvan komt iets minder dan de helft weer in dienst bij de oude werkgever en iets meer dan de helft bij een nieuwe werkgever. Er zijn verschillende motieven mogelijk waarom een werkgever een tweedespoortraject in zou zetten. In het stelsel zijn enkele forse financiële prikkels aangebracht die voor de werkgever belangen scheppen om over te gaan tot het tweede spoor: de loondoorbetalingsplicht, de dreiging van een loonsanctie door het UWV en de WGA premiedifferentiatie, de laatste met name voor grotere werkgevers. Volgens werkgevers is de belangrijkste reden om een tweedespoortraject te starten het ontbreken van passend werk bij de oorspronkelijke werkgever. Slechts een klein deel van de werkgevers geeft aan het tweedespoortraject te hebben ingezet om een loonsanctie te voorkomen. Gemiddeld zo’n 15% van de werkgevers die in de afgelopen vier jaar een tweedespoortraject zijn gestart is wel eens geconfronteerd met een loonsanctie
A verbalklammer :: estruturas verbais descontínuas em alemão /
Tese (Doutorado) - Universidade Federal de de Santa Catarina, Centro de Comunicação e Expressão.Análise sintática das estruturas verbais descontínuas do alemão (Verbalklammer), com embasamento e orientação funcionalista. Após uma discussão crítica da literatura e uma pequena análise de exemplos empíricos de diferentes tipos de textos, o trabalho apresenta um modelo descritivo unificado, válido para todas as frases do alemão, onde um elemento verbal inicial (pré-verbo) e um elemento verbal final (pós-verbo) estabelecem um sistema de três (ou cinco) campos topológicos que servem a várias funções sintáticas - como à integração de frases em períodos mais complexos - e textuais e discursivas - como à topicalização e à atribuição de foco e ênfase. Algumas conseqüências para o ensino do alemão como língua estrangeira são apontadas
Bekendheid en effectiviteit no-riskpolis artikel 29b ZW: Eindrapport
Resultaten De no-riskpolis is een instrument voor werknemers met een arbeidsbeperking of een ziekte. Het instrument houdt in dat de werkgever voor deze werknemer een Ziektewetuitkering van UWV kan krijgen als hij ziek wordt. Dit heeft tot doel om werkgevers te stimuleren om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen of houden. Dit onderzoek laat zien dat de no-riskpolis in een kwart van de gevallen effectief is in het over de streep trekken van werkgevers om sollicitanten met een arbeidsbeperking aan te nemen. Ongeveer driekwart van deze sollicitanten zou sowieso worden of zijn aangenomen, ook zonder dat er sprake zou zijn van een no-riskpolis. Een cruciale voorwaarde voor de effectiviteit van de no-riskpolis is dat werkgevers weten dat de no-riskpolis bij een specifieke sollicitant of werknemers van toepassing is. Uit het onderzoek blijkt echter dat de no-riskpolis relatief onbekend is bij werkgevers en mensen uit de doelgroep van de no-riskpolis. Slechts iets meer dan de helft van de werkgevers (52%) kent het instrument en ongeveer een op de zes mensen uit de doelgroep (16%) weet dat ze onder de no-riskpolis vallen. Werkgevers vragen zelden aan sollicitanten of werknemers of de no-riskpolis van toepassing is. Indien sollicitanten of werknemers weten dat ze onder de no-riskpolis vallen, vertellen zij meestal (60%) zelf aan de werkgever dat deze van toepassing is. Wanneer zij begeleid worden door een ondersteunende organisatie zoals een re-integratiebedrijf, vertelt die organisatie regelmatig (65%) dat de no-riskpolis van toepassing is. Het onderzoek In dit onderzoek brengen De Beleidsonderzoekers samen met SEO Economisch Onderzoek de bekendheid en effectiviteit van de no-riskpolis in kaart. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het onderzoek bestaat zowel uit een rechtstreekse bevraging van werkgevers die een sollicitant met een no-riskpolis hebben aangenomen, als uit een vignettenanalyse waarbij werkgevers een keuze moeten maken uit fictieve kandidaten met en zonder no-riskpolis. Beide benaderingen komen grofweg tot dezelfde conclusies. Gebruikte methode Het onderzoek is gebaseerd op enquêtes onder de doelgroep van de no-riskpolis, enquêtes onder werkgevers en gesprekken met vertegenwoordigers van de doelgroep, werkgevers en andere stakeholders. Het type vragen dat aan de werkgevers is gesteld maakt het bijna onvermijdelijk dat hun antwoorden gekleurd worden door sociaal wenselijkheid. Daarom is in de enquête onder werkgevers ook een poging gedaan om meer zicht te krijgen op het werkelijke werving- en selectiegedrag van de werkgever via een vignettenanalyse. Een vignettenanalyse dwingt respondenten te kiezen tussen verschillende keuzemogelijkheden, in dit geval kandidaten voor een vacature, die verschillen in achtergrondkenmerken. De gemaakte keuzes door de werkgever worden vervolgens afgezet tegen de verschillen in achtergrondkenmerken van de kandidaten, waardoor duidelijk wordt welke invloed elk van die kenmerken heeft op de keuze van werkgevers. Op die manier kan ook de invloed van de gezondheidssituatie en de beschikking over een no-riskpolis op het selectiegedrag van werkgevers worden achterhaald
Increased efficacy for in-house validation of real-time PCR GMO detection methods
To improve the efficacy of the in-house validation of GMO detection methods (DNA isolation and real-time PCR, polymerase chain reaction), a study was performed to gain insight in the contribution of the different steps of the GMO detection method to the repeatability and in-house reproducibility. In the present study, 19 methods for (GM) soy, maize canola and potato were validated in-house of which 14 on the basis of an 8-day validation scheme using eight different samples and five on the basis of a more concise validation protocol. In this way, data was obtained with respect to the detection limit, accuracy and precision. Also, decision limits were calculated for declaring non-conformance (>0.9%) with 95% reliability. In order to estimate the contribution of the different steps in the GMO analysis to the total variation variance components were estimated using REML (residual maximum likelihood method). From these components, relative standard deviations for repeatability and reproducibility (RSDr and RSDR) were calculated. The results showed that not only the PCR reaction but also the factors ‘DNA isolation’ and ‘PCR day’ are important factors for the total variance and should therefore be included in the in-house validation. It is proposed to use a statistical model to estimate these factors from a large dataset of initial validations so that for similar GMO methods in the future, only the PCR step needs to be validated. The resulting data are discussed in the light of agreed European criteria for qualified GMO detection methods
De bijdrage van de Werkplaats aan de professionalisering van leerkrachten ten aanzien van diversiteit en praktijkonderzoek
Leerkrachten in de Amsterdamsegrootstedelijke context hebben te makenmet een zeer diverse leerlingpopulatie(Fukkink & Oostdam, 2017). Leerkrachtenwillen graag goed inspelen op de groteverschillen tussen leerlingen, maarervaren ook hoe complex dit is (Gaikhorst,Beishuizen, Roosenboom, & Volman, 2016)
