239 research outputs found

    Response to Drs de Grooth and Parienti

    No full text
    TO THE EDITOR—We appreciate very much the updated trial-level surrogacy analysis by Drs de Grooth and Parienti and their insightful comments concerning individual- and trial-level surrogacy

    DNA bending by photolyase in specific and non-specific complexes studied by atomic force microscopy

    No full text
    Specific and non-specific complexes of DNA and photolyase are visualised by atomic force microscopy. As a substrate for photolyase a 1150 bp DNA restriction fragment was UV-irradiated to produce damaged sites at random positions. Comparison with a 735 bp undamaged DNA fragment made it possible to separate populations of specific and non-specific photolyase complexes on the 1150 bp fragment, relieving the need for highly defined substrates. Thus it was possible to compare DNA bending for specific and non-specific interactions. Non-specific complexes show no significant bending but increased rigidity compared to naked DNA, whereas specific complexes show DNA bending of on average 36°and higher flexibility. A model obtained by docking shows that photolyase can accommodate a 36°bent DNA in the vicinity of the active site

    ‘Vergeten’ bandkeramiek. Een Odyssee naar de oudste neolithische bewoning in Nederland

    No full text
    Het archeologisch onderzoek in Nederland naar de vroegneolithische Lineaire Bandkeramiek cultuur of LBK (5250-4950 v. Chr.) heeft een lange geschiedenis. Sinds de eerste vondsten in 1925 werken amateur- en beroepsarcheologen er aan om onze kennis van deze cultuur te vergroten. Naast grote opgravingen die door de Universiteit Leiden zijn uitgevoerd, heeft veel (meest kleinschaliger) onderzoek plaatsgevonden dat minstens belangrijke aanvullende gegevens kan bieden, zo niet een ander licht kan werpen op de bestaande beeldvorming. Buiten het onderzoek van de Universiteit zijn publicaties echter summier of ontbreken geheel, ook die betreffende de eerste bandkeramische opgravingen. Het NWO-Odyssee onderzoeksproject Terug naar de Bandkeramiek, ‘vergeten’ onderzoeken van de Bandkeramiek heeft deze ’vergeten’ opgravingen boven water gehaald. Voor dit project is een selectie van deze kleinere bandkeramische opgravingen uitgewerkt en toegankelijk gemaakt voor (aansluitend) wetenschappelijk onderzoek als ook voor een groter publiek; daarnaast is er binnen het project kennisoverdracht geweest op een jongere generatie onderzoekers. In deze publicatie wordt de rijke onderzoeksgeschiedenis besproken en verslag gedaan van de opgravingen van veertien bandkeramische vindplaatsen in de Graetheideregio alsmede het gebied ten noorden van Maastricht. De (her)analyses van de geselecteerde onderzoeken worden per vindplaats gepresenteerd en in een synthetiserend kader geplaatst. De aandacht gaat daarbij uit naar: nederzettingsstructuur en landschappelijke inkadering (Van Wijk & Amkreutz), de chronologie van het bandkeramisch aardewerk (Van de Velde), het vuursteengebruik en de -herkomst (De Grooth), de stenen werktuigen (Verbaas), het non-bandkeramisch aardewerk (Brounen), het gebruik van oker (Wijnen), en de bandkeramische cultuurgewassen (Bakels). Als centraal thema wordt aan de hand van genoemde aspecten de bewoningsdynamiek ten oosten en westen van de Maas belicht Onder de algemene noemer van Lineaire Bandkeramiek blijkt een variabiliteit in het gebruik en herkomst van diverse gebruiksgoederen schuil te gaan die groter was dan aangenomen werd en die nu in onze analyses duidelijk naar voren komt. De ‘vergeten’ onderzoeken van de Bandkeramiek krijgen op deze wijze alsnog de hun toekomende plaats in de onderzoeksgeschiedenis geboden. De voor dit project geselecteerde vindplaatsen zijn: Beek-Molensteeg 1979 (Universiteit Leiden) Elsloo-Spoorlijn 1929-1930 (RMO) Berg aan de Maas- Pastoor Eijckstraat 1991 (Hendrix) Echt-Annendaal (HVR183) 1984 (Universiteit Leiden/RMO) Geleen-Bergstraat 1932 (RMO) Geleen-Centraal Laboratorium 1989 (Hendrix) Geleen-Seipgensstraat 2001 (Vromen) Geleen-Urmonderbaan 1983-1986 (Hendrix/Vromen) Maastricht-Belvédère 1988 (Universiteit Leiden, Vromen) Maastricht-Caberg 1925-1934 (Holwerda) Maastricht-Klinkers 1988 (Universiteit Leiden, De Warrimont) Maastricht-Sint Christoffelplein 2000 (Dijkman) Stein-Haven 1925-1927 (RMO) Stein-Steinderveld 1962 (ROB

    Utilidad de la ecografía de alta resolución en la valoración de la aterosclerosis preclínica, riesgo cardiovascular y diagnóstico de la hipercolesterolemia familiar

    No full text
    [spa] La presente tesis valora la utilidad de la ecografía carotídea de alta resolución, como técnica diagnóstica incruenta, útil, validada, reproducible y de bajo coste que nos permite:1. La detección de la aterosclerosis preclínica incipiente mediante la determinación del grosor íntima-media (GIM) carotídeo.2. La detección de la aterosclerosis avanzada mediante la presencia de placas de ateroma.3. La estratificación del riesgo cardiovascular más allá de los factores de riesgo tradicionales evaluados mediante la ecuación de riesgo de Framingham.4. La evaluación de la carga aterosclerótica de cada sujeto en función del impacto de los diferentes factores de riesgo en la pared arterial.5. Adaptar la intensidad de la intervención sobre los factores de riesgo en función de los hallazgos ecográficos.Asimismo, la ecografía de los tendones de Aquiles nos permite confirmar la probabilidad diagnóstica de la Hipercolesterolemia Familiar mediante la detección de unos tendones engrosados o con una ecoestructura alterada (xantomas tendinosos)

    Analecta Praehistorica Leidensia 20

    No full text
    Een compilatie van artikelen. Maastricht-Belvedere Site J, Laat Neolithicum in Zuid Nederland, Oss-Ussen, modelleren van post-depositionele processen, en rurale cultusplaatsen uit de Romeinse Tijd, komen aan bod

    Diagnosing acute kidney injury ahead of time in critically ill septic patients using kinetic estimated glomerular filtration rate

    No full text
    Introduction: Accurate and actionable diagnosis of Acute Kidney Injury (AKI) ahead of time is important to prevent or mitigate renal insufficiency. The purpose of this study was to evaluate the performance of Kinetic estimated Glomerular Filtration Rate (KeGFR) in timely predicting AKI in critically ill septic patients. Methods: We conducted a retrospective analysis on septic ICU patients who developed AKI in AmsterdamUMCdb, the first freely available European ICU database. The reference standard for AKI was the Kidney Disease: Improving Global Outcomes (KDIGO) classification based on serum creatinine and urine output (UO). Prediction of AKI was based on stages defined by KeGFR and UO. Classifications were compared by length of ICU stay (LOS), need for renal replacement therapy and 28-day mortality. Predictive performance and time between prediction and diagnosis were calculated. Results: Of 2492 patients in the cohort, 1560 (62.0%) were diagnosed with AKI by KDIGO and 1706 (68.5%) by KeGFR criteria. Disease stages had agreement of kappa = 0.77, with KeGFR sensitivity 93.2%, specificity 73.0% and accuracy 85.7%. Median time to recognition of AKI Stage 1 was 13.2 h faster for KeGFR, and 7.5 h and 5.0 h for Stages 2 and 3. Outcomes revealed a slight difference in LOS and 28-day mortality for Stage 1. Conclusions: Predictive performance of KeGFR combined with UO criteria for diagnosing AKI is excellent. Compared to KDIGO, deterioration of renal function was identified earlier, most prominently for lower stages of AKI. This may shift the actionable window for preventing and mitigating renal insufficiency

    Schietbaan/E3 strand/Knegsels Heike

    No full text
    De opgravingstekeningen van de opgraving Knegsel van de Faculteit der Archeologie (Universiteit Leiden) zijn in het kader van een digitaliseringsproject gescand. Dit project is gefinancierd door het LUF.Op het terrein rond de site was in 1952, 1963 en 1965 bij bosaanplant aardewerk gevonden (o.a. Kerbschnitt). In 1971 is door IPL een proefopgraving uitgevoerd (noodonderzoek door de aanleg van het recreatieterrein E3 Strand)

    Identification Of Microcistin Lr At The Molecular Level Using Atomic Force Microscopy [identificação De Microcistina Lr Ao Nível Molecular Empregando Microscopia De Força Atômica]

    No full text
    Microcystins are non-ribosomal peptides that must be detected for its health concern. Here, microcystin LR and its specific antibody were respectively tethered to the substrate and to the tip of an atomic force microscope, after surface functionalization using 3-aminopropyltriethoxysilane and glutaraldehyde. Functionalization was confirmed comparing topographic images taken on bare and modified tips. Force versus distance curves were successfully used to measure the specific antibody-antigen interactions comparing with a control in which microcystin was initially blocked by incubation with free antibodies. The results showed unequivocally the specific recognition of MLR, suggesting that this method could be useful for biosensor development.33918431848Jochimsen, E.M., Carmichael, W.W., An, J.S., Cardo, D.M., Cookson, S.T., Holmes, C.E.M., Antunes, M.B.D., Jarvis, W.R., (1998) N. Engl. J. Med., 338, p. 873Metcalf, J.S., Bell, S.G., Codd, G.A., (2001) Appl. Environ. Microbiol., 67, p. 904Mayumi, T., Kato, H., Imanishi, S., Kawasaki, Y., (2006) J. Antibiot., 59, p. 710Ueno, Y., Nagata, S., Tsutsumi, T., Hasegawa, A., Watanabe, M.F., Park, H.-D., Chen, G.-C., Yu, S.-Z., (1996) Carcinogenesis, 17, p. 1317Bell, S.G., Codd, G.A., (1996) Environ. Sci. Technol., 5, p. 109Campbell, D.L., Lawton, L.A., Beattie, K.A., Codd, G.A., (1994) Environ. Toxicol., 9, p. 71Carmichael, W.W., (1992) J. Appl. Bacteriol., 72, p. 445Tonk, L., Visser, P.M., Chistiansen, G., Snelder, E.O.F.M., Weidner, E., Mur, L.R., Huisman, J., (2005) Appl. Environ. Microbiol., 71, p. 5177Etchegaray, A., Silva-Stenico, M.E., Moon, D.H., Tsai, S.M., (2004) Microbiological Research, 159, p. 425Hu, S., Li, P.C.H., (2001) Analyst, 126, p. 1001Chu, F.S., Huang, X., Wei, R.D., Carmichael, W.W., (1989) Appl. Environ. Microbiol., 55, p. 1928Ma, W., Chen, W., Qiao, R., Liu, C., Yang, C., Li, Z., Xu, D., Wang, L., (2009) Biosens. Bioelectron., 25, p. 240Ferreira, A.A.P., Yamanaka, H., (2006) Quim. Nova, 29, p. 137Grandbois, M., Dettmarkn, W., Benoit, M., (2000) J. Histochem. Cytochem., 48, p. 719Walch, M., Ziegler, U., Groscurth, P., (2000) Ultramicroscopy, 82, p. 259Kienberger, F., Ebner, A., Gruber, H.J., Hinterdorfer, P., (2006) Acc. Chem. Res., 39, p. 29Lee, C.K., Wang, Y.M., Huang, L.S., Lin, S., (2007) Micron, 38, p. 446Chen, G., Zhou, J., Park, B., Xu, B., (2009) Appl. Phys. Lett., 95, p. 043103Braunschweig, A.B., Elnathan, R., Willner, I., (2007) Nano Lett., 7, p. 2030Wang, H., Bash, R., Yodh, J.G., Hager, G.L., Lohr, D., Lindsay, S.M., (2002) Biophys. J., 83, p. 3619Baumgartner, W., Hinterdorfer, P., Ness, W., Raab., A., Vestweber, D., Schindler, H., Drenckhahn, D., (2000) Proc. Natl. Acad. Sci. U.S.A., 97, p. 4005Hinterdorfer, P., Baumgartner, W., Gruber, H.J., Schilcher, K., Schindler, H., (1996) Proc. Natl. Acad. Sci. U.S.A., 93, p. 3477Sader, J.E., Chon, J.W.M., Mulvaney, P., (1999) Rev. Sci. Instrum., 70, p. 3967Peng, C., Song, S., Fort, T., (2006) Surf. Interface Anal., 38, p. 975Spagnoli, C., Loos, K., Ulman, A., Cowman, M.K.J., (2003) J. Am. Chem. Soc., 125, p. 7124http://www.pdb.org/pdb/explore/jmol.do?structureId=1EVB, acessada em Abril 2010Bagu, J.R., Sönnichsen, F.D., Williams, D., Andersen, R.J., Sykes, B.D., Holmes, C.F., (1995) Nat. Struct. Mol. Biol., 2, p. 114Morris, V.J., Kirby, A.R., Gunning, A.P., (2004) Em Atomic Force Microscopy for Biologists, , Morris, V. J.Kirby, A. R.Gunning, A. P., eds.Imperial College Press: London, chap. 3Hinterdorfer, P., Schilcher, K., Baumgartner, W., Gruber, H.J., Schindler, H., (1998) Nanobiology, 4, p. 177http://www.pdb.org, consultada em Abril 2010Wilson, I.A., Stanfield, R.L., (1994) Curr. Opin. Struct. Biol., 4, p. 857Oberhauser, A.F., Marszalek, P.E., Erickson, H.P., Fernandez, J.M., (1998) Nature, 393, p. 181Gilbert, Y., Deghorain, M., Wang, L., Xu, B., Pollheimer, P.D., Gruber, H.J., Errington, J., Dufrêne, Y.F., (2007) Nano Lett., 7, p. 796Willemsen, O.H., Snel, M.M.E., Van Der Werf, K.O., De Grooth, B.G., Greve, J., Hinterdorfer, P., Gruber, H.J., Figdor, C.G., (1998) Biophys. J., 75, p. 222

    Experimental and model investigations of bleaching and saturation of fluorescence in flow cytometry

    No full text
    Experimental and model investigations of bleaching and saturation of fluorescence in flow cytometry Doornbos, R.M.P.; de Grooth, B.G.; Greve, J. Published in: Cytometry DOI: 10.1002/(SICI) 1097-0320(19971101) General rights It is not permitted to download or to forward/distribute the text or part of it without the consent of the author(s) and/or copyright holder(s), other than for strictly personal, individual use, unless the work is under an open content license (like Creative Commons). Disclaimer/Complaints regulations If you believe that digital publication of certain material infringes any of your rights or (privacy) interests, please let the Library know, stating your reasons. In case of a legitimate complaint, the Library will make the material inaccessible and/or remove it from the website. Please Ask the Library: https://uba.uva.nl/en/contact, or a letter to: Library of the University of Amsterdam, Secretariat, Singel 425, 1012 WP Amsterdam, The Netherlands. You will be contacted as soon as possible. We used the model to determine the sensitivity of our flow cytometer and to calculate the optimum conditions for the detection of APC. The results show that in principle a single APC molecule on a cell can be detected in the presence of background, i.e., autofluorescence and Raman scattering by water

    GM 06 Itteren

    No full text
    In 1998 heeft RAAP in opdracht van Rijkswaterstaat, De Maaswerken, een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) uitgevoerd in het Grensmaasgebied. Fase 1 omvatte bureauonderzoek en orienterend veldonderzoek van gebieden met hoge archeologische potentie die tevens door ingrepen (vergravingen) worden bedreigd. Fase 2 omvatte verkennend geoarcheologisch booronderzoek en kartering. Naar aanleiding van de resultaten van het AAI werden de vindplaatsen in 2003 door Becker en Van de Graaf aan een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) onderworpen. Het deelgebied Borgharen Pasestraat is onderzocht door de Gemeente Maastricht. Paleo-ecologisch onderzoek is uitgevoerd door TNO-NITG.- GM04 Borgharen Langs de huidige Maas bevindt zich een strook waar een pakket jonge rivierklei is gevormd. Hier zijn bij de veldverkenning geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen aangetroffen. Voorzover zich in dit pakket archeologische vondsten bevinden, gaat het om verspoeld materiaal. Ten oosten van de strook jong klei bestaat de ondergrond voornamelijk uit grind en oude rivierklei, plaatselijk overdekt door jonge rivierklei. In totaal zijn hier vier vindplaatsen ontdekt, allen op of in de top van de oude rivierklei. Het IVO toonde aan, dat sites vooral op de hoger gelegen grindruggen te verwachten zijn. Er zijn in totaal elf sites en off-site verschijnselen gedefinieerd. In het westelijk deelgebied werd op de grindrug bij de Maas een nederzettingsterrein aangetroffen met bewoningsresten van de Late Bronstijd tot en met de Late IJzertijd. Vooral de Midden-IJzertijd is daarbij sterk vertegenwoordigd. Midden in het nederzettingsterrein zijn resten van enkele vrijwel geheel verploegde graven uit de eerste eeuw na Chr. Gevonden. In het centrale deelgebied zijn twee kuilen uit de Late Bronstijd aangetroffen, waarvan een zeer vondstrijk is. De sporen horen mogelijk tot een nederzetting die zich op de grindrug van de Pasestraat ten oosten van de sporen zou kunnen bevinden. In het zuidelijkste kijkgat van het centrale deelgebied werd een greppel met Romeins vondstmateriaal aangesneden. In het oostelijk deelgebied werden enkele kuilen uit de Vroege IJzertijd gevonden. De opvallendste vondst was een rijk Merovingisch wapengraf uit de vijfde eeuw na Chr. De metalen vondsten waren matig, het skelet slecht geconserveerd. Het graf ligt 200 meter van de 6e-eeuwse graven van GM05 vandaan, op de oever van een restgeul. Aan de zuidelijke rand van het plangebied werd een 6e- eeuwse gesp als losse vondst aangetroffen. De samenhang tussen de verschillende Merovingische (graf-)vondsten is nog onduidelijk. Aan de oostelijke rand van het plangebied aan de Spekstraat werden twee kleine oventjes aangetroffen, die in de 18e eeuw dateren. Het IVO leverde veel nieuwe gegevens over de ondergrond en het ontstaan van het landschap en de bewoningsgeschiedenis in het plangebied. Het lijkt dat door de vele actieve en zich verlandende geulen bewoning minder aantrekkelijk was tot na het Neolithicum. Er zijn geen directe aanwijzingen voor activiteiten voor de Late Bronstijd gevonden. Het IVO heeft aangetoond dat van de Late Bronstijd tot in de Vroege Middeleeuwen zich menselijke activiteiten in het plangebied hebben afgespeeld. Bewoning bleek zich te beperken tot de resten van de grindruggen uit het Weichselien. Door de daling van de grondwaterstanden en daarmee de verlaging van de oxidatiezone in de bodem is het overgrote deel van het organisch materiaal uit de sporen verdwenen. Ook de conservering van botmateriaal en metaal is slecht. De archeologische resten worden ernstig bedreigd door akkerbouw. Binnen het plangebied zijn nu meerdere nederzettingen uit de Late Bronstijd en de IJzertijd bekend. Het gaat om een groter nederzettingsgebied waarbinnen enkele gemeenschappen woonden (‘Streusiedlung’, Simons 1989) of om een enkele gemeenschap, waarvan de individuele gezinnen om de generatie een nieuw erf inrichtten (‘zwervende erven’, Schinkel 1994). Omdat de dateringsmogelijkheden van het aardewerk te onnauwkeurig zijn is het niet aan te tonen dat er een continue bewoning heeft plaatsgevonden. In de Romeinse tijd lijkt de grindrug bij de Maas niet meer voor bewoning gebruikt te zijn, maar nog wel als grafveld. Bewoning vond nu iets verder weg van de Maas plaats (GM05). Voor de vroege Middeleeuwen zijn alleen graven bekend, hoewel het niet onmogelijk is, dat binnen de ruïne van de Romeinse villa van vindplaats 6 ook vroegmiddeleeuwse bewoning heeft plaatsgevonden. Na de Vroege Middeleeuwen is het gebied op incidenten na alleen nog voor de land- en tuinbouw gebruikt.- GM05 Borgharen Pasestraat Op het terrein zijn in het verleden diverse vondsten gedaan van overwegend metaalvondsten uit de Romeinse tijd, Merovingische periode en de subrecente periode. De Romeinse sporen betreffen een villacomplex. Eerder onderzoek heeft plaatsgevonden in 1995 (idem door gemeentelijke archeologische dienst Maastricht). Daarbij werd een badgebouw aangesneden; dit badgebouw is nu opgegraven. Mogelijk is het hoofdgebouw van het villacomplex verloren gegaan bij werkzaamheden in de jaren 1970. Bij de oppervlaktekarting werden twee Romeinse concentraties aangetroffen. De grootste valt samen met het badgebouw. Wellicht werden in de Romeinse tijd in het lagere deel van het terrein ambachtelijke activiteiten ontplooid, terwijl het hogere deel bewoond werd. Er zijn negen Merovingische begravingen geborgen. De skeletresten verkeren in een slechte staat. Aanduiding voor sporen van bewoning in de Merovingische tijd ontbreken geheel en sporen voor het gebruik van het terrein in de eeuwen daarna zijn afwezig. Het gehele terrein is verstoord als gevolg van erosie en ploegwerkzaamheden.- GM06 Itteren Het terrein is onderverdeeld in de deelgebieden Itteren-Voulwames en Itteren-Emmaus. Bij het prospectief onderzoek werden vier vindplaatsen ontdekt. Gezien de ouderdom van de afzettingen in het plangebied kunnen er geen archeologische sporen uit het Paleolithicum voorkomen, maar in theorie kunnen wel sporen uit het hele Holoceen, dus vanaf het Mesolithicum aanwezig zijn. Het holocene landschap is grotendeels goed bewaard gebleven onder de jongere afzettingen. De oudste sporen die bij het IVO aangetroffen zijn dateren echter uit de Late Bronstijd en liggen, evenals de jongere sites, in of op de oude, door lichte, grofsiltige lemen begraven bodem. De aangetroffen sites liggen vooral op de hoge delen in het landschap, die voor bewoning aantrekkelijk waren. In het deelgebied Voulwames zijn bij het IVO drie vindplaatsen geconstateerd, waarvan de belangrijkste in de Late Bronstijd en waarschijnlijk IJzertijd dateert (Voulwames 1). De aard van de site is niet met zekerheid vast te stellen. Het gaat om enkele kuilen en twee greppels die over een vrij groot oppervlak verspreid liggen. Bij vindplaats Voulwames 2 gaat het om enkele brandkuilen, die mogelijk voor de productie van houtskool gebruikt zijn. De vondstloze kuilen zijn in de late IJzertijd gedateerd. Een 20e eeuwse veldoven voor bakstenen is als vindplaats Voulwames 3 gedefinieerd. In het plangebied Emmaus zijn twee sites uit de IJzertijd aangetroffen: een grafveld met enkele crematiegraven (Emmaus 2) en een vierkant greppelsysteem, waarvan de precieze functie onbekend is (Emmaus 1). Onder vindplaats Emmaus 3 is een concentratie (sub-) recente greppels en wegen samengevat. Van de prehistorische sites is de precieze omvang niet vast te stellen, omdat ze niet overeenkwamen met de RAAP-vindplaatsen en derhalve de locatiekeuze van de sleuven niet op deze sites was afgestemd. Het greppelsysteem uit de IJzertijd lijkt weliswaar vrij compleet vrijgelegd te zijn, maar het is niet ondenkbaar, dat het systeem uitgebreider was. Organische resten zijn in beide plangebieden niet geconserveerd. Behalve in het vondstrijke crematiegraf 73 is botmateriaal nauwelijks aangetroffen. Vuursteen is ook slechts in geringe mate gevonden. Het prehistorische aardewerk, dat slechts in enkele sporen in ruime hoeveelheden werd aangetroffen, is goed geconserveerd. Het fysisch-geografische onderzoek van het IVO heeft veel nieuwe gegevens over de ondergrond en het ontstaan van het landschap opgeleverd. De aangetroffen archeologische sporen liggen op hoge of middelhoge terreindelen op het niveau van de oude, begraven bodem. In de laagste delen van het plangebied, de restgeulen, kwam plaatselijk tot minstens de IJzertijd open water voor. Hier zijn geen sporen aangetroffen. Er zouden echter op een dieper niveau sporen aanwezig kunnen zijn, die met activiteiten aan of op het water te maken hebben. Het archeologische onderzoek toonde aan, dat de RAAP-vindplaatsen 51 en 54 geen archeologische oorsprong hebben. Vindplaats 53 staat mogelijk in verband met het IJzertijd grafveld, dat op enige afstand aangetroffen werd. De interpretatie van vindplaats 52 is van een vermoedelijk grafveld in een vermoedelijke nederzetting veranderd. In het algemeen kan geconcludeerd worden, dat het plangebied niet intensief gebruikt is. Bovendien is het aantal sporen per site zeer gering. Het is niet met zekerheid te zeggen of dit door een extensief karakter van de sites wordt veroorzaakt of door de erosie van sporen
    corecore