510 research outputs found

    Finding values in green hydrogen using topic modelling: Building a framework for explorative modelling

    No full text
    Increased pace of developments strain the ability of policy makers to be timely and sufficiently informed. While there are already sufficient methods available for gauging what plays a role, topic modelling is a novel method that has the potential to be deployed at high speed with low effort. Values play an important role as it shapes policy making and in turn affects stakeholders. A semi-supervised topic modelling method called correlation explanation (CorEx) was used for this purpose as it allows steering the model to find aforementioned values. Green hydrogen is used as a case study where topic modelling is used to find values in scientific literature on this subject. Green hydrogen is envisioned to play a more important role in the context of decarbonisation. Such a transition has a major influence on society engaging business and households alike. Three different value sets are used reflecting different perspectives. These perspectives focus on corporate values, public values and the context in which hydrogen is discussed respectively. It was found that using topic modelling to identify values is highly constrained by its given inputs and processed outputs however. A methodological framework is therefore proposed. It suggests how topic modelling can be conducted for the purpose of identifying values playing a role in a certain domain. This framework consists of five components which are value definition, corpus selection, language processing, topic modelling and result interpretation. Utilising this framework helps with structuring the topic modelling procedure and identify bottlenecks in result quality.Engineering and Policy Analysi

    Kabeltracé Emmeloord-Ens, vindplaatsen 1 en 4, gemeente Noordoostpolder; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek proefsleuven

    No full text
    RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft in maart en november 2013 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd in het kabeltracé Emmeloord-Ens. Het onderzoek vond plaats in verband met de aanleg van een ondergrondse kabelverbinding tussen de schakelstations Nagelerweg/Emmeloord en Ramsweg/Ens. Op een deel van het tracé zou de kabelverbinding door middel van een open ontgraving worden aangelegd. Bij vooronderzoek zijn zes vindplaatsen onderscheiden, waarvan er twee (vindplaats 1 en vindplaats 4) door middel van het proefsleuvenonderzoek zijn onderzocht. Op beide vindplaatsen is een zeefvlak aangelegd in de top van het rivierduinzand, op de overgang van de detritus-/veenlaag naar de onderliggende podzolbodem. Vanaf dit niveau zijn in een grid vakken gezeefd en de zeefresidu’s onderzocht op vondsten. Vindplaats 1 betreft een vondstlaag waarin vuursteen, natuursteen, aardewerk, botmateriaal en houtskool aanwezig zijn. Het vuursteen wordt gedateerd in de periode Midden tot Laat Neolithicum; het aardewerk wordt in het Vroeg Neolithicum en de overgang naar het Midden Neolithicum gedateerd. Antropogene grondsporen zijn niet aangetroffen. De vondsten zijn alle afkomstig uit een laag verspoeld (en mogelijk ook verwaaid) rivierduinzand, gelegen op de C-horizont. De top van het duin en de podzolbodem zijn hier geërodeerd. Met redelijke zekerheid kan worden gesteld dat de vondsten met het sediment zijn meegespoeld en niet ná de verspoeling in het zand terechtgekomen. Er is dus geen sprake van een intacte vindplaats. Hoewel op vindplaats 4 de podzolbodem vrijwel overal intact is, is slechts één antropogene vondst aangetroffen: een vuurstenen afslagje. Daarnaast zijn fragmenten houtskool, enkele zaden en een stukje natuursteen verzameld. Deze zijn echter niet met zekerheid aan menselijke activiteit te relateren. In feite komt het erop neer dat er geen sprake is van een vindplaats

    Landforms and soils in eastern Surinam (South America)

    No full text
    Quaternary geogenesis in eastern Surinam was studied by field methods and sedimentary-petrographic research. The development of the river valleys was explained in terms of changes in sea level, tectonic movements and changes in climate. A preliminary stratigraphy was established.Eight soil profiles were selected for a detailed study of pedogenesis. For this purpose the field data were combined with the results of thin-section analysis and chemical research, including X-ray microprobe analysis. To interpret the mechanical data, a rectangular diagram after Doeglas was used. The chemical data were recalculated into the normative mineralogical composition according to van der Plas & van Schuylenborgh and Burri. Thus bioturbation, clay migration, ferrallization, plinthization, podzolization and the genesis of arable soils were studied.27 soil profiles were classified by the American, the French, and the Brazilian system

    150 kV-kabelverbinding Middenmeer-Westwoud, gemeente Medemblik / Hollands Kroon; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek

    No full text
    In opdracht van Reddyn B.V. heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in de periode februari t/m augustus 2016 een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd in verband met de voorgenomen aanleg van een 150kV-kabelverbinding tussen de transformatorstations Middenmeer-Westwoud (gemeenten Medemblik/Hollands Kroon). Het onderzoek bestond uit een veldonderzoek, verkennende fase. Voorafgaand aan het verken-nend onderzoek is in 2015 een bureauonderzoek uitgevoerd voor het gehele tracé (De Boer, 2016). Op basis van de hierin geschetste landschappelijke ontwikkeling (figuur 3) en de bewo-ningsgeschiedenis en aangevuld met de bekende archeologische en historisch-geografische gegevens, kon voor het tracé een gespecificeerde archeologische verwachting worden opge-steld. Hierbij zijn verschillende ’archeologische landschappen’ onderscheiden. Voor delen van het tracé is op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting een archeologisch vervolgonderzoek, in de vorm van een verkennend booronderzoek, aanbevolen. De doelstelling van het verkennend booronderzoek was het toetsen (en aanvullen) van de ge-specificeerde archeologische verwachting. Het verkennend onderzoek diende antwoord te geven op de vraag of er archeologische vindplaatsen aanwezig kunnen zijn in het te graven tracé. Ter hoogte van tracédelen 1 en 2 (Westwoud-Markerwaardweg en Markerwaardweg-Westfriese Omringdijk) bestaat de bodemopbouw uit een complexe afwisseling van meerdere pakketten mariene afzettingen (klei en zand), al dan niet gescheiden door (dunne) veenlagen of humeuze kleilagen. De bodemopbouw van tracédeel 3 (Westfriese Omringdijk-Middenmeer is tamelijk homogeen en wordt gedomineerd door zandige en kleiige wadafzettingen. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorgenomen werkzaamheden (§ 1.3) in delen van het tracé in de gemeente Medemblik eventueel aanwezige archeologische resten kunnen verstoren. Om deze reden wordt ten aanzien van de betreffende delen van het tracé aanbevolen een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. Ten aanzien van vrijwel het volledige tracédeel in de gemeente Hollands Kroon worden vanwege het ontbreken van potentieel archeologische niveaus geen aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek. Uitzondering hierop vormt de zone rondom boring 491. Op basis van de verwachte verstoringsdiepte van de open ontgraving (ca. 2 m -Mv)en de diepteligging van de top van het in deze boring aangetroffen dekzand (2,85 m -Mv) wordt een vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Geadviseerd wordt om rondom boring 491 geen graafwerkzaamheden dieper dan 2,5 m –Mv uit te voeren. Dit tracédeel 3 kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. In overleg met de adviseur van het bevoegd gezag gemeente Medemblik (AWF, mevr. C. Soonius) is gesteld voor het vervolgonderzoek een drietal kansrijke en landschappelijk interes-sante zones te selecteren. Deze zijn aangegeven op kaartbijlage 1 en bijlage 3. De begrenzing van deze zones is ruim genomen om diverse landschappelijke eenheden te kunnen omvatten. Binnen deze zones wordt de aanleg van een aantal proefsleuven geadviseerd. Voor het aantal en de ligging van de proefsleuven binnen deze zones is een voorstel gedaan (zie ook bijlage 3). Bij de beoogde ligging van de proefsleuven is rekening gehouden met de aanwezigheid van relevante landschappelijke eenheden in combinatie met een praktische uitvoering in het veld (perceelgrenzen). • Zone 1 (boringen 335 t/m 349): Voor de zandige kwelderafzettingen en de humeuze top van de onderliggende lage kwelder geldt een middelhoge verwachting voor resten uit respectievelijk de Midden / Late Bronstijd en het Laat Neolithicum / de Vroege Bronstijd. Tevens kan in delen waar de ontgraving tot de top van de wadafzettingen reikt, dit niveau nader worden onderzocht (landschappelijk) en eventueel gedateerd. Voorstel ligging proefsleuf: vanaf de rand van het perceel t.h.v. boring 342 (hoogste voor-komen veenlaag) in noordelijke richting totdat de veenlaag duikt, ongeveer t.h.v. boring 345/346 (lengte ca. 180). • Zone 2 (boringen 486 t/m 576): betreft het deel van tracédeel 1 waar de meeste fasen van kwelder- en (kreek)geulafzettingen vertegenwoordigd zijn (voor archeologische verwachtingen zie paragraaf 2.3). Tevens geldt ter hoogte van de Kromme Leek bij het Meer van Wervershoof (mogelijk) een middelhoge verwachting voor resten die behoren tot de ontginning van het gebied vanaf de Vroege Middeleeuwen. Dit biedt de mogelijkheid om een gedetailleerde stratigrafie te onderzoeken, landschappelijke eenheden/niveaus te dateren en archeologische resten op de verschillende niveaus op te sporen. Voorstel ligging proefsleuven: binnen deze ruim begrensde zones zijn twee proefsleuven beoogd; t.h.v. de boringen 358 t/m 362 (lengte ca.200 m) en t.h.v. de boringen 562 t/m 567 (lengte ca.250 m). De meest noordelijke proefsleuf dient tevens om de verwachting voor de Vroege Middeleeuwen te toetsen. • Zone 3 (boringen 400 t/m 412, 450 t/m 454 en 440 t/m 449): betreft het deel van tracédeel 2 waar de noordelijke getij-inversierug met aan aantal zijgeulen aanwezig zijn, waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt. Het tussengelegen gebied bestaat uit zavelige en lage kwelders, waar mogelijk sporen uit de Midden en Late Bronstijd aangetroffen kunnen worden. Voorstel ligging proefsleuf: een lange proefsleuf (lengte ca. 650 m) vanaf boring 400 in noordelijke richting tot aan boring 454 (valt op twee percelen). N.B. Het hoogste deel van de noordelijke getijdengeul valt hierbuiten, aangezien hier weinig landschappelijke informatie verwacht wordt en de smalle sleuf is niet zinvol om primair archeologische resten in kaart te brengen. Doel van het proefsleuvenonderzoek is primair het gedetailleerder inzicht krijgen in de complexiteit van de geologie in het gebied en het toetsten van de bestaande (geoarcheologische) kennis. Hiertoe dienen in de proefsleuven rechte profielen te worden aangelegd en gedocumenteerd. In overleg met de opdrachtgever en bevoegd gezag kunnen de sleuven een beperkter breedte hebben dan de uiteindelijke verstoring om de mogelijkheid tot het aanleggen van schuine taluds open te houden. Daarnaast worden eventueel aanwezige archeologische resten veilig gesteld en gedocumenteerd en volgt een korte waardestelling. Vanwege de beperkte bodemverstoring wordt een doorstart naar een opgraving bij aantreffen van behoudenswaardige resten niet noodzakelijk geacht. De geologische informatie kan namelijk een belangrijke bijdrage en aanvulling leveren aan de kennis en context van de archeologie in West-Friesland. Een archeologisch proefsleuvenonder-zoek behoort conform de KNA versie 4.0 plaats te vinden op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat voor aanvang van het onderzoek moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag: de gemeente Medemblik. In dit PvE worden de wetenschappelijke en praktische uit-gangspunten vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Hierbij wordt ter overweging meegegeven om de uitvoering van het vervolgonderzoek niet te ver vooruitlopend op de (civieltechnische) graafwerkzaamheden te laten plaatsvinden. In dat geval kan gebruik worden gemaakt van de hiervoor benodigde infrastructuur (tijdelijke ontsluitingswegen en werkstroken), zodat extra overlast voor grondeigenaren zoveel mogelijk wordt voorkomen. Voor de tracédelen die nog niet middels verkennend booronderzoek zijn onderzocht vanwege het ontbreken van betredingstoestemming, wordt geadviseerd deze vrij te geven in verband met de omringende gegevens, versnipperde ligging en geringe omvang. Voor de overige tracédelen wordt eveneens geen vervolgonderzoek aanbevolen. Wel geldt - ook voor de percelen die zijn vrijgegeven - dat indien bij uitvoering van de toekomstige werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dat dan conform artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet 2016 aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de gemeenten Medemblik en Hollands Kroon verplicht is. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek nemen de gemeenten Medemblik en Hollands Kroon voor het betreffende gemeentelijk grondgebied een besluit

    Validatie van het nutriënten-emissiemodel STONE met meetgegevens uit het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) en de Landelijke Steekproef Kaarteenheden (LSK)

    No full text
    De uitkomsten van het model STONE zijn gevalideerd op gemeten concentraties in drains en grondwater uit LMM (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid) en gemeten fosfaatophoping volgens LSK (Landelijke Steekproef Kaarteenheden). Voor de validatie is gebruik gemaakt van een in 2008 ontwikkeld protocol. Uit de validatie komt naar voren dat op nationale schaal de gemiddelde door STONE gesimuleerde nitraatconcentraties in grondwater en drainwater goed overeenkomen met de metingen. De gesimuleerde DOC-concentraties in grondwater en drainwater en de fosfaatconcentraties in het grondwater wijken sterker af van de metingen. Tevens bleek uit de validatie op LSK dat de verdeling van P over boven- en ondergrond afwijkt van de metingen. Voor deze stoffen is dus een verdere verbetering van het model en/of de parameterisatie gewenst

    VR as innovation in dental education: Validation of a virtual reality environment: collecting evidence ‘on-the-fly’ during development and implementation

    No full text
    Within the dental curriculum there is an increasing need to solve scarcity in educational materials, such as extracted human teeth with the appropriate pathology and patients with dental treatment needs that match the students’ practicing goals to graduate as a competent dentist. A solution to aforementioned challenges has been sought in Virtual Reality and thus an innovation process has begun. With the development of the Moog Simodont dental trainer, a technological innovation for dental education was introduced. This dental trainer is a virtual reality learning environment in which the user is fully emerged into the virtual world enabling treatment of virtual patients and the performance of manual dexterity exercises. This thesis describes the creation and appreciation of the developed virtual teeth for use in the Simodont dental trainer to enable treatment of virtual patients. Additionally, it describes the evaluation and validation of assumptions made prior to the development of the Simodont dental trainer. Evaluation of the performance and user preferences revealed that three-dimensional vision has significant positive effects on performance and was identified as highly preferable among students compared to two-dimensional vision. Also the presence of force feedback in the dental trainer appears necessary to be able to perform an assignment that requires fine motor skills. Finally, the ‘on-the-fly’ approach which was used to create the above mentioned evidence, describes the process of innovation, implementation and collection of scientific evidence in an academic environment, during an ongoing curriculum

    VR as innovation in dental education:Validation of a virtual reality environment: collecting evidence ‘on-the-fly’ during development and implementation

    No full text
    Within the dental curriculum there is an increasing need to solve scarcity in educational materials, such as extracted human teeth with the appropriate pathology and patients with dental treatment needs that match the students’ practicing goals to graduate as a competent dentist. A solution to aforementioned challenges has been sought in Virtual Reality and thus an innovation process has begun. With the development of the Moog Simodont dental trainer, a technological innovation for dental education was introduced. This dental trainer is a virtual reality learning environment in which the user is fully emerged into the virtual world enabling treatment of virtual patients and the performance of manual dexterity exercises. This thesis describes the creation and appreciation of the developed virtual teeth for use in the Simodont dental trainer to enable treatment of virtual patients. Additionally, it describes the evaluation and validation of assumptions made prior to the development of the Simodont dental trainer. Evaluation of the performance and user preferences revealed that three-dimensional vision has significant positive effects on performance and was identified as highly preferable among students compared to two-dimensional vision. Also the presence of force feedback in the dental trainer appears necessary to be able to perform an assignment that requires fine motor skills. Finally, the ‘on-the-fly’ approach which was used to create the above mentioned evidence, describes the process of innovation, implementation and collection of scientific evidence in an academic environment, during an ongoing curriculum

    Plangebied Knibbelweg-Oost (fase 1), gemeente Zuidplas; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

    No full text
    In opdracht van Grontmij Nederland B.V. heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in juli/augustus 2015 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met de ontwikkeling van het plangebied Knibbelweg-Oost in de gemeente Zuidplas. Dit onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Doel van het veldonderzoek was het toetsen van die gespecificeerde archeologische verwachting en, indien mogelijk, een eerste indruk geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische resten. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen is vervolgens in hoofdstuk 4 een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel archeologisch vervolgonderzoek

    De Simodont® in het onderwijs

    No full text
    De Simodont® is een virtuele leeromgeving voor tandheelkundestudenten die tot doel heeft de voorbereiding van studenten op de patiëntenbehandeling uit te breiden en te optimaliseren zodat de overgang in het onderwijs van prekliniek naar kliniek vloeiender verloopt. De Simodont® maakt het mogelijk om studenten realistische klinische problemen aan te bieden. Er kan daardoor uitgebreider geoefend worden dan in de prekliniek met fantoomhoofden. Ook biedt de Simodont® een veilige leeromgeving waarin ongelimiteerd fouten kunnen worden gemaakt zonder nadelige consequenties voor student en patiënt. De simulator en het lesmateriaal op de computer zijn gekoppeld, waardoor het mogelijk is theoretisch en praktisch onderwijs te integreren. Voor toepassing in de Simodont® zijn virtuele gebitselementen gecreëerd, met en zonder pathologie, om onbeperkt op te kunnen oefenen. De toekomstige mogelijkheden voor de Simodont® bieden veel perspectief voor het onderwijs aan studenten, voor bij- en nascholing en voor re-integratie van tandartsen
    corecore