1,721,127 research outputs found

    ARC-Publicaties 72

    No full text
    De gemeente Coevorden is van plan om op korte termijn een start te maken met de uitbreiding van de nieuwbouwwijk Molenakkers. Deze wijk ligt in het zuidwesten van Dalen. Een terrein van zeven hectare omvang dat grenst aan de huidige woonwijk, ‘De Spil’ genaamd, zal worden volgebouwd. In februari 2002 werd door archeologisch onderzoeks- en adviesbureau De Steekproef een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) op het bestemmingsterrein uitgevoerd. Bij dit onderzoek werd de bodemopbouw door middel van een booronderzoek onderzocht. Ook werd er een veldkartering uitgevoerd. De AAI toonde aan dat over vrijwel het gehele terrein de bodemopbouw intact was. Bovenop het natuurlijke dekzand was overal nog een laag middeleeuws esdek aanwezig. Tijdens het onderzoek werd verbrand vuursteen en een scherf aardewerk aangetroffen. Er werd besloten om op het terrein een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) uit te voeren. Dit onderzoek werd van 21 oktober tot en met 5 november 2002 uitgevoerd door ARC bv. Conclusie: Het AAO op ‘De Spil’ te Dalen heeft aangetoond dat dit terrein grote archeologische waarde bezit. De sporen en vondsten die in de werkputten zijn aangetroffen, geven aan dat dit terrein in de Late Bronstijd en de IJzertijd intensief door de mens is gebruikt, zowel om op te wonen en werken als om hun doden te begraven. De nabijheid van de nederzettingssporen en de grafmonumenten laat zien dat men zich hier in de prehistorie naast of in de buurt van het urnenveld vestigde. Zowel de nederzetting als het urnenveld is van aanzienlijke omvang geweest. Op het hele terrein zijn nederzettingssporen gevonden. Deze sporen zullen nog verder doorlopen of doorgelopen hebben, gezien de bevindingen van eerdere archeologische onderzoeken in de nabije omgeving. Het urnenveld heeft zich ten noorden van ‘De Spil’ over een groot gebied uitgestrekt. Helaas is het grootste deel hiervan verloren gegaan door de bouw van de woonwijk Molenakkers. De bewoners van het terrein in de Late Bronstijd en de IJzertijd zullen boeren zijn geweest. De resultaten van het archeobotanisch onderzoek en de aanwezigheid van stukken maalsteen geven aan dat er in en rond de nederzetting aan akkerbouw werd gedaan. De veekraal in werkput 9 is een aanwijzing voor het bedrijven van veeteelt. Hoewel de nederzettingssporen talrijk en over een groot gebied verspreid zijn, zal een nederzetting uit hoogstens twee of drie boerderijen per keer hebben bestaan, bewoond door even zoveel gezinnen. Na gemiddeld zo’n 30 a 40 jaar waren de boerderijen en bijgebouwen aan vervanging toe en werden ze een eindje verderop weer herbouwd. De doden uit de nederzetting werden gecremeerd en bijgezet in het aangrenzende urnenveld. Dit urnenveld zal er ten tijde van gebruik uit hebben gezien als een verzameling heuveltjes, met daaromheen greppeltjes. Het AAO heeft slechts een zeer klein deel van de totaal aanwezige archeologie op ‘De Spil’ gedocumenteerd. Ongetwijfeld zijn op het terrein veel meer resten van de nederzetting en het urnenveld aanwezig. Met name het restant van het urnenveld dat nog op het terrein aanwezig is, is van belang. De aanbeveling aan de gemeente Coevorden luidt dan ook om de archeologie die op ‘De Spil’ aanwezig is, te beschermen, zodat dit belangrijke deel van het bodemarchief van Dalen intact kan blijven. Indien dit niet mogelijk is, wordt aanbevolen op het totale terrein een uitvoerig archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren

    Archeologische begeleiding Lange Landweg te Onnen, gemeente Haren (GR)

    No full text
    Aanleiding tot de hier beschreven archeologische begeleiding (protocol opgraven) betreft de vernieuwing van de riolering ter plaatse van de Lange Landweg te Onnen. Omdat deze plannen met bodemverstorende ingrepen gepaard gaan, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Gemeente Haren heeft MUG Ingenieursbureau, afdeling Archeologie, opdracht gegeven de archeologische begeleiding aan de Lange Landweg uit te voeren. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3, en de richtlijnen uit het Programma van Eisen. Het doel van een archeologische begeleiding protocol opgraving is gelijk aan dat van een definitieve opgraving (DO): het ex situ veilig stellen van het bodemarchief in het plangebied door middel van een zorgvuldige documentatie van de archeologische en aardwetenschappelijke sporen en berging van het vondstmateriaal. Het tracé van de rioolbuis heeft een lengte van circa 175 m en een breedte van circa 3 m. De archeologische gegevens zijn geadministreerd in twee werkputten. Werkput 1 betreft het tracé langs de Lange Landweg. Werkput 2 betreft de aansluiting van de Lange Landweg op de Mottenbrink. De bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied bestaat van boven naar onder uit een puinlaag/ egalisatielaag, een laag oud wegdek, de dekzand C-horizont en keileem. Tijdens het onderzoek is een klein aantal archeologische sporen aangetroffen. Deze sporen bestaan hoofdzakelijk uit paalsporen en zijn voornamelijk aangetroffen in werkput 2. Daarnaast zijn karrensporen, een tweetal kuilen, een greppel en een sloot aangetroffen. Uit de archeologische begeleiding blijkt dat zich met name op de kruising van de Mottenbrink met de Lange Landweg (werkput 2) archeologisch interessante sporen en vondsten bevinden. De hier aangetroffen paalkuilen dateren uit de late ijzertijd. Uit de paalkuilen is geen structuur te herleiden. De sloot die hier is gevonden, kan van latere datum zijn maar zeker is dat niet. Onder het huidige wegdek bevindt zich in werkput 2 een circa 50 cm dikke laag met karrensporen. De paalkuilen bevinden zich onder deze laag. In het riooltracé dat in de Lange Landweg is begeleid (werkput 1), zijn weinig vondsten en sporen aangetroffen. De enige vondst van waarde is een vuurstenen artefact. Het betreft een losse vondst, afkomstig uit het dekzand onder het esdek naast de Lange Landweg. Aangezien de weinige sporen in werkput 1 niet te dateren zijn, kunnen ze niet direct worden gekoppeld aan de (nederzettingssporen) uit de late ijzertijd in werkput 2. Er is een klein aantal vondsten aangetroffen. Naast het reeds genoemde prehistorische aardewerk zijn meerdere metalen voorwerpen aangetroffen, alle van (sub)recente datering. Ook werd naast werkput 1 een vuurstenen artefact gevonden. Het artefact betreft een holle schaaf gemaakt op een afslag met windlak. De schaaf zou kunnen dateren in het laatpaleolithicum of vroegmesolithicum. Het oude wegdek, dat zich onder het huidige wegdek bevindt en een resterende dikte heeft van maximaal 50 cm, geeft aan dat zowel de Mottenbrink als de Lange Landweg oude wegen betreffen. In geval van de Lange Landweg kan aan de hand van de huidige resultaten worden geconstateerd dat deze wellicht al ten tijde van de vorming van de es als landweg gebruikt werd, aangezien zich direct buiten de weg wel een pakket esdek bevindt en in het wegtracé zelf niet

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    Full text link
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed

    Archeologisch bureau- en booronderzoek naar een dobbe nabij de Langelaan te Burgum, kavelwerken Geerligs, gemeente Tytsjerksteradiel (FR)

    No full text
    Het onderzoeksgebied ligt in een gebied dat gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van dobbes of pingo’s. Deze pingo’s liggen op de overgang van relatief hooggelegen dekzandwelvingen in het oosten en met veen afgedekte lagere zandgronden naar het westen. In de prehistorie vormde dit decor een aantrekkelijk vestigingsgebied voor de mens. De kans is groot dat in de hogergelegen dekzandruggen een podzolbodem is ontstaan. In de lagergelegen delen kan nog een laag restveen aanwezig zijn waaronder zich een onverstoorde zandbodem bevindt. Verder bestaat de kans dat er specifiek in het onderzoeks-gebied met veen gevulde restanten van een dobbe of pingo aanwezig zijn. Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen bekende archeologische vindplaatsen. In het onderzoeksgebied zijn in totaal zes boringen gezet. Bij het archeologische bureau- en booronderzoek was het uitgangspunt de mogelijke aanwezigheid van de restanten van een pingo in het onderzoeksgebied. Uit de boringen blijkt dat er geen sprake is van een pingo maar van een dekzandwelving, met in twee boringen een volledig intact podzolprofiel. Het betreft geen aaneengesloten gebied met intacte podzolprofielen; de bodemopbouw is in een deel van het onderzoeksgebied verstoord of afgetopt. De kans op het aantreffen van een intacte archeologische vindplaats is hierdoor gering. MUG Ingenieursbureau b.v. adviseert binnen het onderzoeksgebied geen vervolgonderzoek aan. De trefkans op een intacte archeologische vindplaats is klein en er is geen pingo aanwezig in het onderzoeksgebied

    Variations on the Author

    Full text link
    “Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship

    Archeologisch bureau- en booronderzoek fiets- en wandelpad Langelaan te Burgum, gemeente Tytsjerksteradiel (FR)

    No full text
    Het onderzoeksgebied ligt in een gebied dat gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van pingo’s, op de overgang van relatief hooggelegen dekzandwelvingen in het oosten naar met veen afgedekte lagere zandgronden in het westen. In de prehistorie vormde dit decor een aantrekkelijk vestigingsgebied voor de mens. De kans is groot dat in de hogergelegen dekzandruggen binnen het onderzoeksgebied een podzolbodem is ontstaan. In de lagergelegen delen kan nog een laag restveen aanwezig zijn waaronder zich een onverstoorde zandbodem bevindt. Verder bestaat de kans dat er in het onderzoeksgebied met veen gevulde restanten van pingo’s aanwezig zijn. Bij één van deze pingo’s ligt een dekzandkop. Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen bekende archeologische vindplaatsen. Op basis van het bureauonderzoek is de archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied zowel middelhoog tot hoog voor de periode steentijd-bronstijd als voor de periode ijzertijd-middeleeuwen. Uit het booronderzoek is gebleken dat de dekzandkop verstoord is, mogelijk zijn alleen nog de flanken intact. In één perceel blijkt sprake te zijn van een serie boringen met een intacte podzol. Waarschijnlijk is dit perceel in het verleden niet of nauwelijks geploegd en heeft er geen egalisatie plaatsgevonden. In aanvullende waarderende megaboringen op dit perceel zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. In de overige delen van het onderzoeksgebied is geen sprake van gebieden met aaneengesloten intacte podzolbodems. In boringen 34 en 35 is duidelijk sprake van de aanwezigheid van een pingo met hierin intacte vullingen tot een diepte van circa 3 m-mv. Van andere op basis van de FAMKE vermeende aanwezige pingo’s in het onderzoeksgebied zijn geen duidelijk aantoonbare resten gevonden. In twee zones, tussen boringen 10 t/m 15 en 32 t/m 38, deze laatste onderbroken door de in boringen 34 en 35 aangeboorde pingo, is sprake van een aaneengesloten gebied van met veen afgedekt ongeroerd dekzand. Beide zones liggen ofwel in de nabijheid van ofwel doorsnijden de pingo. MUG Ingenieursbureau b.v. adviseert om in het noordelijk deel van het onderzoeksgebied, ter hoogte van boringen 1 t/m 9 geen bodemingrepen uit te voeren die dieper reiken dan circa 0,3 m-mv. Ter hoogte van boringen 10 t/m 15 wordt geadviseerd geen ingrepen uit te voeren die dieper reiken dan de onderzijde van het veen (variabele diepte, minimaal 0,5 m-mv). Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt geadviseerd de werkzaamheden onder archeologische begeleiding, protocol opgraven uit te voeren. Ter hoogte van boringen 32 t/m 38 is het advies in het geheel geen bodemingrepen uit te voeren, maar het geplande fiets- en wandelpad om de hier aanwezige pingo heen te leggen. Indien dit niet mogelijk is dan wordt geadviseerd geen bodemingrepen uit te voeren die dieper reiken dan 0,4 m-mv (tot op de bovenzijde van het veen). In deze zone bevinden zich op enige diepte namelijk de onverstoorde sedimenten in de pingo. Het veen vormt een beschermende bufferlaag voor deze dieper gelegen sedimente

    Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis

    Full text link
    We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis

    Dispelling the Myths Behind First-author Citation Counts

    Full text link
    We conducted a full-scale evaluative citation analysis study of scholars in the XML research field to explore just how different from each other author rankings resulting from different citation counting methods actually are, and to demonstrate the capability of emerging data and tools on the Web in supporting more realistic citation counting methods. Our results contest some common arguments for the continued use of first-author citation counts in the evaluation of scholars, such as high correlations between author rankings by first-author citation counts and other citation counting methods, and high costs of using more realistic citation counting methods that are not well-supported by the ISI databases. It is argued that increasingly available digital full text research papers make it possible for citation analysis studies to go beyond what the ISI databases have directly supported and to employ more sophisticated methods

    Author Index

    No full text
    Nao informado
    corecore