196,415 research outputs found

    Zaltbommel, Plangebied De Wildeman. Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven.

    No full text
    Van 29 oktober tot en met 19 november 2007 is een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd in een gedeelte van het plangebied De Wildeman, te Zaltbommel. Het totale plangebied De Wildeman heeft een oppervlakte van circa 60 hectare; het onderhavige onderzoeksterrein bevindt zich in de noordwesthoek van De Wildeman en beslaat circa 4,2 hectare. Binnen het onderhavige onderzoeksgebied zijn in de proefsleuven zowel ks2 als ks3 afzettingen aangetroffen. Beide moeten hier gerekend worden tot de komkleien en niet zozeer tot oeverwalafzettingen. Slechts op twee plekken zijn duidelijke zandige oeverwalafzettingen aangetroffen, namelijk in werkput 72 en 82. Het is niet duidelijk of deze oeverwalafzettingen nu aan de Oenselse stroomrug of aan de Zaltbommel-Nederhemert stroomrug te relateren zijn. Waarschijnlijk komen op een dieper niveau op meer plaatsen binnen het onderzoeksgebied oeverwalafzettingen voor, die gezien de beperkte diepte van het proefsleuvenonderzoek nu niet zijn aangesneden. Qua stratigrafie is het duidelijk dat de ondergrond bestaat uit een bouwvoor, waaronder zich een pakket ks2 komafzettingen bevindt. Onder de ks2 komafzettingen bevinden zich op enkele plaatsen binnen het onderzoeksterrein ks3 komafzettingen. Werkput 67 is de enige proefsleuf, waarbij (althans in een gedeelte) de ks3 afzettingen direct onder de bouwvoor zijn aangetroffen. Het proefsleuvenonderzoek heeft niet veel archeologische resten opgeleverd. Behalve bodemkundig gezien interessante fenomenen zoals laklagen en twee depressies, zijn een groot aantal subrecente greppels en twee kuilen aangetroffen. De kuilen vormen hiervan de meest interessante archeologische fenomenen. Op basis van deze twee kuilen is het echter niet mogelijk te spreken van een vindplaats of vindplaatsen. Het is ook niet mogelijk ze te relateren aan één van de reeds bekende vindplaatsen A t/m E. Eén van de kuilen (spoor 1) kan op grond van het zich in dit spoor bevindende vondstmateriaal gedateerd worden in de IJzertijd. Dit spoor bevond zich in de ks2 komklei, net naast een depressie. Ook deze depressie kan op grond van het hierin aangetroffen aardewerk gedateerd worden in de IJzertijd. De andere kuil bevond zich in tegenstelling tot het eerdergenoemde spoor in ks3 komafzettingen. Over het algemeen kan gesteld worden dat de aangetroffen vondsten een goede conservering hebben. Ook organisch materiaal (bot) is goed geconserveerd. Metaal werd niet aangetroffen

    ADC Monografie 8

    No full text
    In de periode 2005 ? 2007 heeft er grootschalig veldonderzoek plaatsgevonden op het terrein De Wildeman te Zaltbommel. Sedert 2002 hebben op dit terrein al enkele vooronderzoeken plaats gehad waaruit bleek dat er tenminste vijf verschillende vindplaatsen uit de Romeinse tijd schuilgingen. De voorgenomen bouwplannen van de gemeente Zaltbommel ten aanzien van de uitbreiding van het bedrijventerrein De Wildeman, zouden de archeologische waarden in het gebied ernstig verstoren. De vindplaatsen A t/m D zijn voor zover ze binnen de grenzen van het plangebied vielen, vlakdekkend onderzocht. Alleen vindplaats E, die op een andere stroomgordel, zuidelijker in het onderzoeksgebied is gelegen, is door middel van een aanvullend proefsleuvenonderzoek verkend. Na een zorgvuldige afweging van de in te zetten beschikbare middelen, is besloten deze vindplaats niet te onderwerpen aan vlakdekkend archeologisch onderzoek. In het najaar van 2009 werden tijdens graafwerkzaamheden binnen en net buiten het plangebied aanvullende waarnemingen verricht. Daar het voorliggende rapport toen reeds in een vergevorderd stadium verkeerde konden deze waarnemingen niet meer in de lopende tekst opgenomen worden. Middels een naschrift is echter aan de bevindingen van deze noodonderzoeken aandacht besteed. De verslaglegging door leden van de AWN over het noodonderzoek op vindplaats E is als bijlage opgenomen. Vier van de vindplaatsen (vindplaatsen A t/m D) dateren uit de (Midden) Romeinse tijd. Vindplaats E dateert uit de Late IJzertijd en Vroeg Romeinse tijd. Voor de verschillende nederzettingsterreinen en het grafveld is getracht de sporen en structuren te faseren. Dit heeft geresulteerd in vier fasen vanaf de Late IJzertijd/Vroeg Romeinse tijd tot en met de Midden Romeinse tijd. De vindplaatsen A, B, C en E betreffen kleine nederzettingen die elk uit slechts enkele boerderijen bestaan. Op vindplaats A zijn twee huisplattegronden, meerdere opslagstructuren, kuilen, greppels aan een kronkelwaardgeul gevonden. Op vindplaats B betreft het op twee erven een huisplattegrond met opslagstructuur met bijbehorende kuilen en greppels gelegen aan een geul. Op vindplaats C zijn voornamelijk spiekers en greppels aangetroffen. Op vindplaats E is slechts een huisplattegrond waargenomen. Vindplaats D betreft een centraal gelegen grafveld waar, vanuit de omliggende nederzettingen, niet minder dan 95 individuen zijn bijgezet. Er zijn in totaal 24 brandrestenkuilen, 86 crematiegraven, 33 kringgreppels, twee inhumatiegraven, één paardengraf en drie greppelclusters gevonden. Van de 86 graven liggen 39 graven binnen een kringgreppel. In sommige gevallen liggen er meerdere graven binnen dezelfde kringgreppel. Uit het fysisch antropologisch onderzoek blijkt dat er in 78 graven minimaal één persoon is begraven, in zeven gevallen twee en in één graf drie individuen. Het grafveld is gelegen aan een aantal geulen en wordt daarnaast begrensd door greppels. Het verbindende element tussen de verschillende vindplaatsen werd gevormd door het landschap, dat onder meer uit een restgeul en enkele kronkelwaardgeulen bestond. Alle aangetroffen nederzettingen lagen op de oevers van deze geulen. Het centrale grafveld lag aan een splitsing van twee geulen. Voorafgaand aan het archeologisch onderzoek is een Programma van Eisen opgesteld. Hierin zijn voor de vijf vindplaatsen algemene en specifieke vraagstellingen genoemd. De kernvragen hebben betrekking op de datering, omvang en onderlinge relatie van de vindplaatsen. Met name dit laatste is van groot belang aangezien het niet vaak voorkomt dat een complete microregio, waarin verschillende vindplaatsen uit dezelfde periode schuilgaan, onderzocht kan worden. Het plangebied De Wildeman leent zich dan ook uitstekend voor een landschapsreconstructie waaruit valt op te maken hoe de Romeinse bewoners omgingen met en optimaal gebruik maakten van het landschap. Maar ook de onderlinge relatie van de bewoners is uiteraard onderzocht. De bewoners van de verschillende vindplaatsen vormden geen afzonderlijke en op zichzelf staande gemeenschappen. Ze waren min of meer afhankelijk van elkaar door zich te specialiseren in de productie van bepaalde goederen of wellicht wel activiteiten. Er zullen ook zeker familiaire banden hebben bestaan tussen de bewoners van de verspreid gelegen boerderijen. Deze onderlinge verwantschap komt duidelijk naar voren in het gebruik van een 4 centraal gelegen grafveld en mogelijk werden ook de akkers door gezamenlijke arbeid bewerkt. Kortom: de bewoners van de verschillende 'nederzettingen' in het plangebied De Wildeman zagen zichzelf ongetwijfeld eerder als de bewoners van een veel grotere nederzetting waarvan de afzonderlijke boerenerven enkele honderden meters uit elkaar lagen. Ook het centrale bestuur vanuit de stad Ulpia Noviomagus (Nijmegen) zal de bewoners van De Wildeman als één gemeenschappelijke groep hebben aangemerkt. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van ca. 125 ha. Alleen de vindplaatsen C en D liggen compleet binnen de grenzen van het plangebied. De overige vindplaatsen liggen aan de rand waardoor deze niet volledig onderzocht zijn. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de bewoningsreconstructie van het terrein. Aangezien de nederzettingen op vindplaats A en B niet volledig zijn onderzocht, is het onbekend uit hoeveel boerderijen ze exact bestaan hebben. Er kan duidelijk aangetoond worden dat er 'te weinig' boerderijen zijn aangetroffen om onderdak geboden te hebben aan de ongeveer honderd bijgezette individuen op het grafveld. Er kan helaas niet aangetoond worden of deze ontbrekende boerderijen in de reeds bekende nederzettingen hebben gestaan of dat we rekening moeten houden met onontdekte nederzettingen binnen of direct buiten de grenzen van het plangebied

    Clerodendrum excavatum De Wildeman 1909

    No full text
    8. <i>Clerodendrum excavatum</i> De Wildeman (1909: 132 & pl. XI; 1910a: 401; 1920b: 167); Moldenke (1986a: 355); Lebrun & Stork (1997: 511); Pollard (2022: 24). <p> <b>Type</b>:— D.R. CONGO. Env. Yambuya, 1906, <i>Solheid 379</i> (<b>lectotype designated here</b>: BR0000008976116!, BR0000008976130!).</p> <p> = <i>Clerodendrum grandifolium</i> G ü rke (1893: 173); Durand & Schinz (1896: 223); Baker (1900: 307); Durand & Durand (1909: 439); Lejoly <i>et al.</i> (2010: 294). Type:—Oberes Kongogebiet [D.R. CONGO], Land der Majakalla am Quango, November 1880, <i>Mechow 530</i> (holotype: B, not seen), <i>nom. illeg.</i> non <i>Clerodendrum grandifolium</i> Salisb. (Salisbury 1796: 108).</p> <p> = <i>Clerodendrum excavatum</i> var. <i>cuneatum</i> De Wildeman (1909: 132, pl. XI, Fig 1-3) ≡ <i>Clerodendrum grandifolium</i> var. <i>cuneatum</i> (De Wild.) Thomas (1936: 63), <i>nom. illeg.</i> Type:—D.R. CONGO. Mogandjo, March 1906, <i>M</i>. <i>Laurent 1913</i> (holotype: BR0000008976154 (leaves)!, BR0000008971128 (flowers)!).</p> <p> = <i>Clerodendrum excavatum</i> var. <i>rotundatum</i> De Wildeman (1909: 133, pl. XI Fig 4; 1912b: 192; 1920b: 167). Type:—D.R. CONGO. Env. Yambuya, 1906, <i>Solheid 379</i> (holotype: BR0000008976116!, BR0000008976130!), <i>nom. illeg.</i></p> <p> = <i>Clerodendrum globuliflorum</i> Thomas (1936: 99); Huber (1963: 443); Lebrun & Stork (1997: 511); Vande weghe <i>et al.</i> (2016: 743). Type:— FERNANDO PO. Nordseite d. Piks v. Sta. Isabel oberhalb Basilé, Wald ü ber der Kakao-Region, <i>Mildbraed 6345</i> (holotype: B, not seen; iso-: HBG513436).</p> <p>Shrub 1–3 m high or liana up to 15 m high and 2 cm thick. Twigs papillate when young, up to 2 cm thick when defoliated, hollow, inhabited by ants, with persistent petiole bases straight, 9–12 mm long. Leaf: petiole 2–11 cm, up to 2.5 mm thick, canaliculate, stiff, glabrous; lamina elliptic to obovate-elliptic, (8–)20–31 × (4–) 10–16 cm, base cuneate to obtuse, apex acuminate, glabrous, margin entire to undulate, 5–7 pairs of veins slightly impressed above. Inflorescence axillary on defoliated shoots, capitate, 4–9 cm in diam. (corolla excluded), axis 1–2 cm, sometimes with secondary axes 5 mm. Flower: pedicel 3–15 mm, glabrous; bracteoles narrowly ovate to linear, 4–10 mm long, purplish or violaceous, shortly ciliate; calyx (13–) 18–28 mm long, tube narrow, lobes ovate to ovate-elliptic, (10–)14–21 × (4–) 5–8 mm, acute to acuminate, glabrous, purplish or violaceous, 5-veined, reticulum prominulent, margin smooth or, more rarely, with a few cilia 0.5–1 mm in tip; corolla: tube 100–170 mm, greenish, generally with sessile glands, more rarely with glandular hairs, lobes elliptic ca. 15 mm long, subglabrous and with sessile glands on outer surface, cream, sometimes reddish tinged, stamens protruding 30–35 mm, anther ca. 3 mm long. Fruit: not observed.</p> <p> <b>Distribution in Central Africa</b>:—D.R. Congo.</p> <p> <b>Distribution elsewhere</b>:— Central African republic, Nigeria, Equatorial Guinea, Gabon, Cameroon.</p> <p> <b>Habitat</b>:—Rainforest of various types, sciaphilous species; 300–1000 m.</p> <p> <b>Selection of representative specimens</b>:—D.R. CONGO. <b>Mayombe</b>: s.l., 1909, <i>Deleval s</i>. <i>n</i>. (BR!). <b>Bas-Congo</b>: Région de Kilemfu, s.d., <i>Gillet s</i>. <i>n</i>. (BR!); Kisantu, 20 December 1920, <i>Schouteden 126</i> (BR!). <b>Kasaï</b>: <i>s</i>. <i>l</i>., <i>1925</i>, <i>Achten 761</i> (BR!); Kakenge, November 1937, <i>Gillardin 303</i> (BR!); Kapanga, July 1933, <i>Overlaet 985</i> (BR!). <b>Forestier Central</b>: Boyekoli Ebale Congo expedition 601, <i>Gille 269</i> (BR!); à 20 km de Yalibwa, 17 January 1936, <i>Louis 1035</i> (BR!). <b>Ubangui-Uele</b>: Bas-Uele, 27 December 1934, <i>De Wulf 522</i> (BR!); Entre Libenge et Zongo, November 1930, <i>Lebrun 1702</i> (BR!). <b>Lacs Edouard & Kivu</b>: Territ. Kalehe, Kabishula, 13 March 1954, <i>Christiaensen 397</i> (BR!).</p> <p> <b>Lectotypification of</b> <b> <i>Clerodendrum excavatum</i> De Wild</b> . In the protologue, De Wildeman (1909: 132) considered that his new species comprised two varieties, which he referred to as “ var. <i>cuneatum</i> <i>”</i> and “ var. <i>rotundatum</i> <i>”</i>, respectively; therefore, one of the two names is illegitimate. Thomas (1936) and Moldenke (1986a) considered “ var. <i>rotundatum</i> ” as representing the type variety and I follow this interpretation here by designating <i>Solheid 379</i> as the lectotype of <i>Clerodendrum excavatum</i> De Wild. Therefore, <i>Clerodendrum excavatum</i> var. <i>rotundatum</i> De Wild. is illegitimate.</p> <p> 2. <i>Clerodendrum globuliflorum</i> Thomas (1936: 99) is a morphotype with corolla 60 mm long, shorter than the type, and corolla tube densely glandular-pubescent; Pollard (2022) regards it as a synonym. In our territory, the corolla is generally longer and with sessile glands or, more rarely, with sparse glandular hairs.</p>Published as part of <i>Meerts, Pierre, 2023, The genus Clerodendrum (Lamiaceae) in the flora of Central Africa (D. R. Congo, Rwanda, Burundi), pp. 1-42 in Phytotaxa 594 (1)</i> on pages 12-14, DOI: 10.11646/phytotaxa.594.1.1, <a href="http://zenodo.org/record/7864827">http://zenodo.org/record/7864827</a&gt

    Dr. Duane M. Jackson, Morehouse College, July 2011

    No full text
    This video is a conversation with Dr. Duane M. Jackson. Dr. Jackson talks about his paper, "Recall and the Serial Position Effect: The Role of Primacy and Recency on Accounting Students' Performance." Jackie Daniel, AUC Woodruff Library, is the interviewer

    "Reflections on the subject of Emigration from Europe with a view to Settlement in the United States" By M. Carey.

    No full text
    "Reflections on the subject of Emigration from Europe with a view to Settlement in the United States: containing bried sketches of the moral and political character of those states. By M. Carey, member of the American philosophical, and of the American Antiquarian Society, and author of The Olive Branch, Cindiciae Hibernicae, essays on banking, on political economy, and on internal improvement. To which are now added the English editor's comments on the subject; together with Important Advice to Emigrants, and Cautions Against Impositions Practiced in the Outports

    Dispelling the Myths Behind First-author Citation Counts

    No full text
    We conducted a full-scale evaluative citation analysis study of scholars in the XML research field to explore just how different from each other author rankings resulting from different citation counting methods actually are, and to demonstrate the capability of emerging data and tools on the Web in supporting more realistic citation counting methods. Our results contest some common arguments for the continued use of first-author citation counts in the evaluation of scholars, such as high correlations between author rankings by first-author citation counts and other citation counting methods, and high costs of using more realistic citation counting methods that are not well-supported by the ISI databases. It is argued that increasingly available digital full text research papers make it possible for citation analysis studies to go beyond what the ISI databases have directly supported and to employ more sophisticated methods

    Dr. Glendon Swarthout

    No full text
    Hosted by Roger M. Busfield, MSU Assistant Professor of Speech and Theater, Meet the Author is designed to introduce a general audience to a contemporary author and their work through in-depth interviews. This episode features a conversation between Dr. Glendon Swarthout, prolific author and English professor at MSU, and assistant professors Sam S. Baskett and Theodore B. Strandness

    Verkennend booronderzoek langs de N322 te Zaltbommel

    No full text
    In opdracht van Waterschap Rivierenland heeft Archol een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd bij Zaltbommel. Het plangebied ligt aan de zuidkant van de N322 net op het grondgebied van de gemeente Zaltbommel, vlak bij de grens met de gemeente Maasdriel. Aanleiding voor het onderzoek vormt de geplande aanleg van een 5 m brede natuurvriendelijke oever langs een bestaande watergang (maximale verstoringsdiepte 1 m –Mv). Doel van het onderzoek is vast te stellen of deze werkzaamheden zouden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Uit het bureauonderzoek bleek dat, op basis van gegevens uit de onmiddellijke omgeving, voor (de bovenste meter van de bodem in) het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor resten uit de ijzertijd en Romeinse tijd die verband houden met vindplaats E van opgraving De Wildeman. De archeologische resten (nederzettingterreinen, off-site, graven en grafvelden) kunnen verwacht worden in de top van de crevasseafzettingen van de Bruchem-stroomgordel, mogelijk gekoppeld aan een dunne vegetatiehorizont/laklaag (vanaf ca. 0,4 m –Mv). Op een dieper niveau (vanaf ca. 2,2 m-Mv) bestaat de kans op archeologische resten uit het laat-neolithicum en de bronstijd op afzettingen van de Broek-stroomgordel. Dit potentieel archeologische niveau wordt echter niet bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen. De resultaten van het booronderzoek laten zich landschappelijk goed vergelijken met de bodemopbouw op vindplaats E van opgraving De Wildeman. Overeenkomstig de verwachting zijn in alle boringen direct onder de bouwvoor crevasseafzettingen van de Bruchem-stroomgordel aangetroffen. Vanwege de hoge gaafheid van de crevasseafzettingen is de kans groot dat in het plangebied (vanaf ca. 0,4 m –Mv) goed geconserveerde archeologische resten uit de ijzertijd en Romeinse tijd aanwezig zijn. Eventueel aanwezige archeologische resten zijn van hoge waarde omdat het kan gaan om nederzettingssporen, off-site sporen en resten van graven en grafvelden die verband houden met vindplaats E en daardoor een completer beeld van deze vindplaats kunnen opleveren. Omdat de archeologische resten vanaf ca. o,4 m –Mv kunnen voorkomen, vormt de voorgenomen ontwikkeling (maximale verstoringsdiepte 1 m –Mv) een bedreiging voor dit archeologische niveau. Wij adviseren daarom de aanleg van de natuurvriendelijke oever onder archeologische begeleiding uit te voeren, in de vorm van een 2 m brede proefsleuf langs de noordzijde van de aan te leggen natuurvriendelijke oever (i.e. waar de voorgenomen bodemingrepen ca. 0,5 – 1,0 m diep zijn). Bij het aantreffen van archeologische sporen dienen deze zo compleet mogelijk gedocumenteerd te worden. Op een dieper niveau (1,10-1,65 m –Mv) is in een pakket komklei een laklaag aangetroffen die (mogelijk) te koppelen is aan de Broek-stroomgordel. In boringen 3, 6 en 9 zijn mogelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten of sporen uit het laat-neolithicum en de bronstijd op dit niveau aangetroffen. Opgemerkt moet worden dat deze aanwijzingen niet heel sterk zijn. De voorgenomen bodemingrepen reiken niet dieper dan 1,0 m –Mv, en zijn daarmee niet bedreigend voor het potentiele archeologische niveau dat zich vanaf 1,1 m –Mv en dieper manifesteert. De planontwikkeling kan voor wat betreft dit diepere archeologische niveau zonder beperkingen worden uitgevoerd

    De Wildeman III (gemeente Zaltbommel): Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft in de periode vanaf november 2020 tot januari 2021 inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op locatie De Wildeman III, in het oosten van de gemeente Zaltbommel (afb. 1 en 2). Op basis van het bureauonderzoek en voorgaand archeologisch onderzoek op de locaties De Wildeman I en II, waren er zeer sterke aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen in de vorm van nederzettingen, begravingen en perceleringssystemen uit de IJzertijd en met name Romeinse tijd. Deze zullen zich bevinden op crevasseafzettingen van de Bruchem stroomgordel. Tevens werd rekening gehouden met de kans op de aanwezigheid van archeologische resten op de dieper gelegen Broek stroomgordel, voornamelijk in het noordwesten van het plangebied. Het betreft resten uit de periode Midden-Neolithicum – Bronstijd. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een oppervlaktekartering en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek bleek in de noordwestelijke hoek, alsmede verspreid over de rest van het plangebied, vanaf een diepte van ca. 1,5 m –mv (ca. 1 m +NAP) een pakket uiterst siltige klei met zandlagen of matig fijn zand met kleilagen aanwezig te zijn. Dit pakket is geïnterpreteerd als beddingafzettingen van de Broek stroomgordel. Deze afzettingen worden in de meeste gevallen bedekt door een pakket sterk tot matig siltige klei; oever- en komafzettingen. Dit pakket is in totaal ca. 0,5 à 1,0 m dik. Daarboven bevindt zich in de meeste boringen een (dubbele) vegetatiehorizont, bestaande uit twee dunne lagen zwak tot matig humeuze matig siltige klei, van elkaar gescheiden door een dunne laag grijze matig siltige klei met roestvlekken. De top van de bovenste vegetatiehorizont bevindt zich in de meeste gevallen op minder dan 1,5 m +NAP. In het grootste deel van het plangebied werd bovenin de boringen een pakket matig fijn tot zeer grof zand aangetroffen, plaatselijk zandige of uiterst siltige klei. Dit pakket is geïnterpreteerd als crevasseafzetting. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen een zone in de zuidoostelijke helft van het plangebied, waar een crevassegeul aanwezig is en daaromheen een zone met een dunner pakket crevassesplayafzettingen, waarop zich een vegetatiehorizont heeft ontwikkeld. Deze vegetatiehorizont is op de crevassegeulafzettingen in de meeste gevallen niet aangetroffen. Door de relatief hoge ligging van de crevassegeul (onder meer veroorzaakt door differentiële klink), is de vegetatiehorizont hier dikwijls verstoord geraakt door landbouwactiviteiten, terwijl deze op de lager gelegen crevassesplayafzettingen beter bewaard zal zijn gebleven. Hoewel de crevassegeulafzettingen door de relatief hoge ligging voor menselijk gebruik geschikter zullen zijn geweest dan de crevassesplayafzettingen, wijst de afwezigheid van de vegetatiehorizont hier wel op een minder goede conservering. Daarom zal de trefkans van eventuele archeologische resten vermoedelijk het grootst zijn nabij de overgang van crevassegeul- naar crevassesplayafzettingen

    Simulation of thermal plant optimization and hydraulic aspects of thermal distribution loops for large campuses

    No full text
    Following an introduction, the author describes Texas A&M University and its utilities system. After that, the author presents how to construct simulation models for chilled water and heating hot water distribution systems. The simulation model was used in a $2.3 million Ross Street chilled water pipe replacement project at Texas A&M University. A second project conducted at the University of Texas at San Antonio was used as an example to demonstrate how to identify and design an optimal distribution system by using a simulation model. The author found that the minor losses of these closed loop thermal distribution systems are significantly higher than potable water distribution systems. In the second part of the report, the author presents the latest development of software called the Plant Optimization Program, which can simulate cogeneration plant operation, estimate its operation cost and provide optimized operation suggestions. The author also developed detailed simulation models for a gas turbine and heat recovery steam generator and identified significant potential savings. Finally, the author also used a steam turbine as an example to present a multi-regression method on constructing simulation models by using basic statistics and optimization algorithms. This report presents a survey of the author??s working experience at the Energy Systems Laboratory (ESL) at Texas A&M University during the period of January 2002 through March 2004. The purpose of the above work was to allow the author to become familiar with the practice of engineering. The result is that the author knows how to complete a project from start to finish and understands how both technical and nontechnical aspects of a project need to be considered in order to ensure a quality deliverable and bring a project to successful completion. This report concludes that the objectives of the internship were successfully accomplished and that the requirements for the degree of Degree of Engineering have been satisfied
    corecore