3,113,040 research outputs found
West-Friese Archeologische Rapporten 122
Bij de opgraving Rode Paard 1-3 in Enkhuizen is een goed geconserveerd deel van een nederzetting uit de Bronstijd opgegraven, circa 1 km ten zuiden van de grootschalige archeologische opgravingen aan de Haling en Kadijken. Onderdeel van de nederzetting was een huisplattegrond met huisgreppel in een ONO-WZW oriëntatie. De boerderij was minimaal 15 m lang.
Verder waren binnen het plangebied structuren aanwezig die kenmerkend zijn voor nederzettingen uit de Bronstijd in West-Friesland. Hierbij moet gedacht worden aan cirkelstructuren, eergetouwkrassen, kuilen- en palenrijen, een waterput en grote greppelsystemen.
De boerderij van het Rode Paard past prima in eerder aangetroffen plattegronden in West- Friesland en wordt volgens de typologie van Arnoldussen gerekend tot type A1/W0/EP. Deze codering geldt voor driebeukige boerderijen met twee rechte rijen staanders (A1), waarvan de wanden niet bewaard zijn gebleven (W0). Daarnaast zijn aan de korte zijden ingangsportalenaanwezig (EP).
Tijdens het veldwerk is de begrenzing van het oostelijke en zuidelijke deel van het erf van HS01 onderscheiden in de vorm van smalle greppels die in een ronding om de huisplaats heen lagen. Aan de noordzijde is geen greppel gevonden. Mogelijk is deze er ook niet geweest, maar dit is niet met zekerheid te zeggen door de aanwezigheid van een greppel uit de Nieuwe Tijd. Een andere aanwijzing voor de erfbegrenzing vormde akkerlaag S10. Deze was ter hoogte van de huisplaats tot aan de erfgreppels niet aanwezig, maar daarbuiten wel. De noordelijke begrenzing van het erf is bepaald op de aanwezigheid van dezelfde akkerlaag in profiel 7 en het ontbreken hiervan in de profielen 8, 9 en 10.
Ten westen van de huisplaats werd niet opgegraven, maar uitgegaan is van een gelijke breedte aan weerszijden van de huisplaats. Zodoende kon een erf worden gereconstrueerd van 0,1 ha (28 x 38 m). Bij eerdere opgravingen in West-Friesland zijn erven aangetroffen van 0,08 ha tot 0,34 ha. Het erf van het Rode Paard zou derhalve bij de kleinere erven horen die in West- Friesland zijn gevonden. Of op kleinere erven ook kleinere boerderijen hebben gestaan is tot op heden onduidelijk.
De combinatie van het archeologische en micromorfologische onderzoek heeft uitgewezen dat het terrein in de Middeleeuwen is opgehoogd met zoden van sterk tot zeer humeus zand. Dit was een opvallende uitkomst, aangezien tijdens het veldwerk uitgegaan werd van een laag restveen.
Blijkbaar was het in de Middeleeuwen noodzakelijk om het terrein te egaliseren. Wanneer de ophoging heeft plaatsgevonden is niet geheel duidelijk geworden, maar het aardewerk wijst voorzichtig op een datering aan het einde van de 13de of begin van de 14de eeuw
West-Friese Archeologische Rapporten 92
De opgraving aan de Scharwoude 7 heeft relatief weinig sporen opgeleverd, maar des te meer vondstmateriaal is geborgen. Uit de Late Middeleeuwen is slechts één spoor (een daliegat) aangetroffen, evenals enkele losse, verspreide vondsten. Vanaf de 16de eeuw heeft men het terrein opgehoogd en aan de westzijde een perceelssloot gegraven. Deze slot is ergens in de eerste helft van de 17de eeuw gedempt.
Op zeker moment is het perceel bebouwd. De fundering van dit pand en de haardfundering bestonden uit lange dunne slieten. Dat wijst op een bakstenen opbouw, mogelijk deels op spaarbogen. De aangetroffen slieten liggen precies onder het gebouw dat op de kadastrale minuut uit 1823 is te zien en de pastorie van de Gereformeerde Kerk was. Aan de hand van de aangetroffen slieten kan de indeling van het pand niet worden achterhaald en de bouw kan ook niet worden gedateerd. De aanleg van een nieuwe sloot hangt mogelijk samen met de bouw van dit pand. Een deel van de beschoeiing heeft een kapdatum in de winter van 1677-1678. Alle aangetroffen tabakspijpen dateren na circa 1680. Het pand is dus waarschijnlijk omstreeks die tijd gebouwd. Deze datering en het feit dat het pand in baksteen is opgetrokken, wijzen er op dat het als pastorie is gebouwd.
De sloot is waarschijnlijk meerdere malen uitgebaggerd en rond 1780 gedempt. De vondsten uit beide sloten zijn relatief rijk te noemen. Tussen de vondsten zaten relatief veel drinkwaren: wijnflessen en kelkglazen. Tevens zijn veel tabakspijpen en een rijk versierde kwispedoor gevonden. Het huishouden had in ieder geval geld te spenderen aan drank en rookwaren. We zien verder bijvoorbeeld veel glaswerk en scherven van een theeservies van Chinees porselein.
Waarschijnlijk zijn de vondsten in verband te brengen met de pastorie. Misschien was het een deftige predikant, met een verzameling antieke munten in een rariteitenkabinet, die zijn afgedankte spullen in de sloot heeft weggegooid. De aanwezigheid van vrouw en kind(eren) in het huishouden is duidelijk terug te zien: onder andere in het rijkversierde vrouwenmuiltje en het kinderspeelgoed
West-Friese Archeologische Rapporten 71
Inventariserend archeologisch onderzoek door middel van proefsleuven en boringen aan de Streekweg 269-275 in Hoogkarspel, gemeente Drechterland.
Conclusies
Het onderzoek heeft in lijn met de archeologische verwachting resten opgeleverd uit de prehistorie, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Uit de Bronstijd kwamen greppelsystemen tevoorschijn en de aangetroffen waterput of -kuil verraad mogelijk de aanwezigheid van een huiserf in de directe omgeving.
De middeleeuwse resten beperkten zich tot sloten en afgedankte huisraad uit de gedempte sloten en insteekhavens of aanlegplaatsen. Het opschuiven van de slooteindes in de loop der tijd steeds verder van de Streekweg werd al eerder opgemerkt en hier in Hoogkarspel wederom waargenomen. Het verschuiven de slooteindes hangt waarschijnlijk nauw samen met de grootschalige ophogingen direct langs het lint. Het vermoeden bestaat dat men in deze periode voor het eerst dichter op het lint gaat wonen bovenop deze ophogingen.
Naast middeleeuwse bewoningsindicatoren heeft het onderzoek ook resten van huizen uit de Nieuwe Tijd aangetroffen. De kelders, uitbraaksporen en afvaldumps zijn afkomstig van minimaal drie huizen op twee percelen. Vermoedelijk ligt er meer naar het oosten nog een derde perceel met bewoningsresten uit de Nieuwe Tijd binnen het plangebied. De huizen zullen deels zijn opgetrokken uit baksteen en deels uit hout.
In tegenstelling tot andere middeleeuwse vindplaatsen in oostelijk West-Friesland lijkt er hier geen hiaat te bestaan in gebruik of bewoning. Doorgaans is er een 12de- of in ieder geval 13de-eeuwse component aanwezig maar ontbreekt materiaal uit de 14de en 15de eeuw grotendeels. Tot nu toe was er slechts één vindplaats langs de Streekweg onderzocht – uiten Enkhuizen – waar vondstmateriaal uit deze periode voorhanden was.138 In Hoogkarspel is de 14de en 15de eeuw goed vertegenwoordigd. Deze vindplaats is daarom belangrijk voor onze kennis van de materiële cultuur en de omgang met afval in deze periode
Indonesia country report : a report on East-West Center relationships with Indonesia : emphasis on fiscal year (FY) 1982
For more about the East-West Center, see http://www.eastwestcenter.org/</a
West-Friese Archeologische Rapporten 131
Tijdens het onderzoek kwamen resten tevoorschijn uit drie verschillende bewoningsfasen. De oudste resten dateerden uit de periode tussen circa 1150 en 1350 en bestaan voornamelijk uit diepe kuilen en greppels (bijlage 1 en 2). Daadwerkelijke sporen van bebouwing ontbraken uit deze periode.
Voor de 14de, 15de en 16de eeuw zijn sporen van bebouwing eveneens vrijwel onzichtbaar. Dit is een fenomeen dat op meer locaties in Zwaag en andere dorpen is vastgesteld. Toch getuigt een veronderstelde onverstevigde waterput met vondstmateriaal uit de laatste helft van de 15de eeuw of de eerste helft van de 16de eeuw dat op het perceel menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden. Vermoedelijk verscheen in de eerste helft van de 17de eeuw parallel aan de Dorpsstraat het eerste op baksteen gefundeerde (lang)huis. Het huis had een bakstenen plint en bakstenen poeren die vermoedelijk de dragende stijlen ondersteunden. In de tweede helft van de 18de eeuw werd het gebouw dat parallel aan de Dorpsstraat lag, afgebroken. Op de fundering van de zuidgevel na, werden vrijwel alle muren afgebroken. In West-Friesland worden regelmaat resten gevonden van soortgelijke huizen, zoals aan de Zuiderdijk in Schellinkhout en in Oosterleek. Deze huizen waren ook eenschepig en licht gefundeerd. De dakdragende stijlen stonden langs of binnen de wand op poeren of op een plint van bakstenen. Uit de periode van het langhuis is relatief weinig vondstmateriaal aangetroffen. Dure stukken van importaardewerk ontbraken vrijwel volledig. Uit de 17de tot en met de 20ste eeuw bestond het vondstmateriaal voornamelijk uit industriële keramiek en grof gebruiksaardewerk. De vondsten getuigen van eenvoudige boeren huisvlijt. Eind jaren 70 van de 19de eeuw liet Jacob Schuitemaker de percelen opnieuw indelen. Het huis- & erfperceel werd van ca. 820 m2 naar 1100 m2 uitgebreid. De omvang van de tuin nam van ca. 1400 m2 naar 1000 m2 sterk af. Tevens werd in de zuidoosthoek van het huis- en erfperceel een schuur geplaatst.
De situatie bleef tot je jaren 40 van de 20ste eeuw ongewijzigd, waarna tussen 1944 en 1949 een deel van het huis werd vernieuwd. Twee decennia later werd het 19de-eeuwse pand gesloopt en vervangen door een nieuw woonhuis
East-West Center review, Vol. 2 no. 3 (February 1966)
For more about the East-West Center, see http://www.eastwestcenter.org/East and West--a study in related cultural symbolism; Motivations of the student movement in Korea; Pearl Buck's problem with time in 'The Good Earth' trilogy--its effects on realism and objectivity; Local government in the context of community developmen
West Linn transportation system plan
118 pp. Includes map and figures. Adopted 1998. Street element adopted 2000. Captured January 17, 2006.The Transportation System Plan for West Linn proposes that the
City have a balanced, integrated transportation system which
promotes ease of use for car drivers, pedestrians, bicyclists, and
transit users. All except the street element, dealing with
automotive traffic, was adopted by the City Council in 1998. The
street element (Chapter 3 in the document) was adopted in 2000....The overall West Linn TSP is a multi-modal plan, addressing improvement to existing roadways, new
pedestrian and bicycle facilities, improvement in public transit service, and transportation demand
management (TDM) strategies. The plan also includes a transportation improvement program, as well as
changes to West Linn codes and standards to implement the TSP recommendations. [From the Plan
East-West Center review, Vol. 3 no. 1 (June 1966)
For more about the East-West Center, see http://www.eastwestcenter.org/Contents: A Note on the meaning of the term "Intellectual elite" in the Philippines; East-West philosophy; Science as a second culture; The function of the Tao in traditional Chinese philosophy; The contribution of nepotism, spoils and graft to political developmen
West-Friese Archeologische Rapporten 136
Op 20, 21 en 22 november 2017 is door Archeologie West-Friesland (AWF) een opgraving uitgevoerd op het perceel Streekweg 135 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland. Aanleiding voor de opgraving was de realisatie van een nieuwe woning van ca. 134 m2 met daarachter een berging van ca. 24 m2. De nieuwbouw met bijbehorende bouwput en paalfundering betekende een verstoring van het bodemarchief, waardoor behoud in situ van de archeologische resten niet mogelijk was.
Tijdens het onderzoek kwamen resten tevoorschijn van minstens drie verschillende bewoningsfasen. De oudste resten dateren uit de periode tussen 1150 en 1300. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de middeleeuwse bewoningsperiode vóór de eerste terpophoging (fase 1a: 1150-1200) en de bewoningsperiode ná de voltooiing van de middeleeuwse huisterp (fase 1b: 1200-1300).
Uit fase 1a dateren drie ondiepe kuilen, het begin (kopse kant) van een perceel- of ontginningsloot en de eerste middeleeuwse terpophoging. Op één veronderstelde losstaande paalkuil na ontbrak ieder spoor van bebouwing uit deze periode. Waarschijnlijk vond in fase 1a bewoning plaats op de toplaag van het veen.
In de daaropvolgende periode 1b (1200-1300) werd de terp opnieuw opgehoogd. Verschillende 13de-eeuwse ophogingslagen laten zien dat de terp richting het zuiden naar de huidige Streekweg werd uitgebreid. Bestaande sloten werden gedempt en aan de zuidrand van de terp werd een steilkant gestapeld van kleizoden. Hierdoor kon de terp enigszins via het zuiden worden afgewaterd. Daadwerkelijke sloten uit deze periode ontbraken. Vooralsnog is het onbekend of het perceel in de 13de eeuw ook richting het noorden, oosten en westen werd opgehoogd.
In fase 2 (1300-1600) werd de 13de-eeuwse steilkant aangeplempt, waardoor de terp als het ware aan de Streekweg vastgroeide. Op deze aanplemping werden twee granieten keien geplaatst, wegend tussen 140 kg en 150 kg. De stenen lagen parallel aan de Streekweg op een onderlinge afstand van 1,9 m. Ten oosten van de natuurstenen bevond zich in dezelfde lijn de muurfundering van een steens brede muur. De fundering bestond uit een laag losgestapelde hergebruikte oranje bakstenen uit de laatste helft van de 15de of de eerste helft van de 16de eeuw. Mogelijk maakte deze muur deel uit van de zuidgevel van een huis. De westelijke tegenhanger bevond zich op ca. 2 m ten westen van de keien, maar dan in NZ-richting .Voor de granieten keien uit de Streekweg 135 is het moeilijk om te achterhalen waarvoor ze hebben gediend. Mogelijk werden alleen de stijlen van de stalpoorten op zware stiepen, zoals de granieten keien, geplaatst om de overspanning van 1,9 m op te vangen. Voor de rest van het gebouw volstond dan een plint van hergebruikte 15de- of 16de-eeuwse bakstenen waarop de dakdragende stijlen werden geplaatst.
Vanaf de 17de eeuw kan voor het reconstrueren van bewoning gebruik worden gemaakt van historisch kaartmateriaal. Waarschijnlijk verschoof in de 17de eeuw, of mogelijk zelfs al eerder, de bebouwing steeds meer richting de huidige Streekweg. Een aantal uitbraaksporen correspondeerde met geen van de gebouwen zichtbaar op de kadastrale kaarten ná 1826. Hierdoor behoorden ze waarschijnlijk tot een vroegere periode, maar een huisplattegrond kon niet als zodanig worden herkend.
In 1845 verscheen pas weer een huis, waarna het perceel langzaam weer werd bebouwd. Omstreeks 1918 was het perceel aan de Streekweg na meer dan 80 jaar weer volledig bebouwd. Het enige dat hiervan is teruggevonden is een septische put van gewapend beton, twee 19de-eeuwse munten en een militaire knoop
East-West Center review, Vol. 2 no. 1 (June 1965)
For more about the East-West Center, see http://www.eastwestcenter.org/Contents: Music in the Tale of Genji; The Meaning of Chinese historiography; Australian-Indonesian relations as affected by events in New Guinea from August 1962 to January 196
- …
