19,184 research outputs found

    Wel, A. van der

    No full text

    Co-representation in a Simple Task

    No full text
    This thesis is intended to explain some of the results which were obtained in an experiment by Van der Wel, Sebanz, Knoblich (2009). The present study is centralized around the notion of co-representation, by which the sharing of mental representations of a task by two or more people is meant. The type of co-representation which is assumed to take place is based on the Hick-Hyman law, which states that for an increasing number of alternatives to choose from reaction time increases proportionally. This law has its origin in Information Theory and has mostly been applied to Human-Computer Interaction. A better understanding of co-representation may lead to a better understanding of joint action also. Knowing about the mechanisms which underlie social interaction (as studied by the field of joint action) can be useful for designing robots which interact more socially with humans

    BAAC rapport A-09.0139

    No full text
    Tussen 26 mei en 23 juni 2009 is door BAAC bv in opdracht van de gemeente Son en Breugel een opgraving uitgevoerd in het plangebied Pastorie. De aanleiding voor dit onderzoek is de ontwikkeling van een multifunctioneel centrum in het plangebied, waardoor eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord zullen worden.Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door de Nieuwstraat en aan de noord-, oosten zuidzijde door de Kerkstraat. Aangezien het onderzoeksterrein na de sloop van de pastorie in gebruik was als parkeerterrein heeft de gemeente Son en Breugel voorafgaande aan het onderzoek de aanwezige puinverharding laten verwijderen.De gemeente had op het moment van de opgraving nog geen concrete bouwplannen, zodat het tijdens de opgraving vrijkomende zand niet mocht worden afgevoerd. Na de opgraving zou het terrein weer enige tijd dienst moeten doen als parkeerterrein.Vanwege het niet mogen afvoeren van zand is besloten het terrein in twee delen op te graven, werkput 1 (circa 375m2) en 2 (circa 525m2). De westzijde (Nieuwstraatzijde) is eerst opgegraven, daarna de oostzijde (kerkzijde). Een deel van de bodemopbouw is verstoord door de bouw en sloop van de Pastorie. .Verspreid over het onderzoeksterrein zijn sporen en vondsten aangetroffen uit de prehistorie, Romeinse tijd, de middeleeuwen en de nieuwe tijd.Er zijn geen sporen aangetroffen die aan de prehistorie kunnen worden toegeschreven. Er is wel vondstmateriaal aanwezig uit de prehistorie. Van de 45 scherven handgevormd aardewerk stamt mogelijk een klein deel uit de ijzertijd.Het grootste deel stamt echter uit de (laat)Romeinse tijd of de vroege middeleeuwen. Wel duidelijk uit de prehistorie stammen tien fragmenten vuursteen en Wommersomkwartsiet. Behalve wat gebruikte en geretoucheerde klingen zit bij de vondsten ook een fragment van een geslepen bijl, gemaakt van Belgischgrijze vuursteen. Dit is tevens het enige te dateren fragment, stammende uit de periode midden-neolithicum B tot de vroege bronstijd. Bij voorgaande proefsleufonderzoeken werd al duidelijk dat het terrein in de Romeinse tijd intensief bewoond is geweest, net al dat het geval is voor het grootste deel van de oude kern van het dorp Son. Ten gevolge hiervan is er vrij veel vondstmateriaal uit deze periode in de ondergrond terecht gekomen. Gezien het aantal sporen en vondsten is het duidelijk dat het onderzoeksgebied vanaf het begin van de Romeinse tijd bewoond moet zijn geweest. Latere bewoning en de aanwezigheid van (sub)recente verstoringen (kelder, olietank en waterputten) hebben er voor gezorgd dat de oudste sporen moeilijk tot een structuur te herleiden zijn. Het is dan ook niet gelukt om voor de Romeinse tijd een duidelijke huisplattegrond te isoleren. Er zijn geen kenmerkende sporen, zoals wandgreppeltjes en paalkuilen met een revolvertasvorm aangetroffen. Desondanks zijn er toch een aantal structuren aan deze periode toe te wijzen. In werkput 1 is een zogenaamde hutkom aangetroffen. Onder de 224 vondsten bevinden zich 23 scherven uit de volle middeleeuwen, voornamelijk Pingsdorf-aardewerk. Het overgrote deel van de vondsten stamt uit de Romeinse tijd. Daarnaast komen nog een fragment van een glazen ribkom, een slijpsteen en diverse brokken maalsteen voor. Aan de hand van het aardewerk kan worden geconcludeerd dat de hutkom in de 3de eeuw, ergens tussen 200 en 270 na Chr. in onbruik is geraakt. De hutkom oversnijdt nog net een oudere structuur, een greppelsysteem opgebouwd uit segmenten. De diverse greppeldelen bevatten zeer veel vondstmateriaal. Er zijn onder andere 250 stuks aardewerk en ruim 210 fragmenten dakpan aangetroffen, afgezien van de bijna 220 scherven en ruim 140 fragmenten dakpan die al tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geborgen. Daarnaast is er nog glas, natuursteen, verbrande leem en metaal gevonden. Vrijwel al het vondstmateriaal stamt uit de Romeinse tijd, slechts een tiental scherven stamt uit de middeleeuwen. Direct met de greppels in verband te brengen is een vrij forse kuil, die veel vondstmateriaal bevatte..In het totaal zijn er ruim 330 aardewerkscherven, circa 90 dakpanfragmenten en 20 overige vondsten geborgen. De aardewerksamenstelling wijkt duidelijk af van die van de greppels. Bijna 70%van de determineerbare scherven bestaat uit bekerfragmenten. Het aardewerk duidt op een datering rond het einde van de 2de eeuw of het begin van de 3de eeuw. Tussen de overige vondsten bevinden zich twee opvallende voorwerpen. Het eerste is de witte terra-cotta voet van een venusbeeldje. Daarnaast is er ook een bronzen zegeldoosje aangetroffen. Er zijn vier waterputten gevonden die met enige zekerheid uit de volle middeleeuwen stammen. De drie waterputten uit de volle middeleeuwen (en deels nog in gebruik in de late middeleeuwen) hebben voldoende geschikt materiaal opgeleverd voor botanisch onderzoek. Het is duidelijk dat in de hoge of volle middeleeuwen op het terrein minimaal twee erven hebben gelegen. Deze erven zijn van elkaar gescheiden geweest door een erfafscheiding in de vorm van een hekwerk. Tijdens de opgraving van het Pastorie-terrein is een groot aantal aardewerkscherven uit de middeleeuwen aangetroffen.Het gaat hierbij om 627 scherven determineerbaar aardewerk.Aan de hand van het middeleeuwse aardewerk kan worden geconcludeerd dat op het terrein bewoning heeft plaatsgevonden van de Karolingische tijd tot het eind van de 19de eeuw. Karolingische aardewerkfragmenten zijn sporadisch, mogelijk wijzen deze scherven, ook vanwege de aanwezigheid van vermoedelijk Duisburgs aardewerk, op een datering vanaf het eind van de 9de of begin van de 10de eeuw. Het merendeel van het aardewerk dateert in de volle middeleeuwen. Er zijn op basis van het aardewerk verder geen aanwijzingen voor een hiaat. Hiermee lijkt het terrein continu bewoond te zijn geweest tot het eind van de 19de eeuw.Uit de nieuwe tijd, en in mindere mate uit de late middeleeuwen, stammen een groot aantal sporen. In veel gevallen nemen deze de vorm aan van verstoringen. Uit de nieuwe tijd, en in mindere mate uit de late middeleeuwen, stammen een groot aantal sporen. In veel gevallen nemen deze de vorm aan van verstoringen en voegen ze weinig toe aan het verhaal over de historie van Son. Hiertoe behoren onder andere de resten van de kelder en de olietank van de pastorie,evenals de verstoringen die het gevolg zijn van de sloop van het voorgenoemde gebouw. De laatste zijn op het leesbare archeologische vlak beperkt gebleven,enerzijds vanwege de relatief voorzichtige manier van slopen, anderzijds door de diepe ligging van het relevante archeologische niveau. De proefsleuven hadden al duidelijk gemaakt dat op de meeste plaatsen de fundering van de pastorie het archeologische niveau niet bereikte.Er zijn in de werkput op diverse plaatsen uitbraaksleuven, muurtjes en poeren aangetroffen. Het lijkt, gezien de ligging en de oriëntering van de sporen, om resten te gaan van het brouwershuis van de familie Van de Ven, later genaamd het huis van Van Amstel. In het zuidwesten van de opgravingsput zijn vier waterputten uit de nieuwe tijd aangetroffen. Drie putten waren al in eerste vlak zichtbaar, de vierde kwam aan het licht in het tweede vlak.Een ander opvallend fenomeen uit de nieuwe tijd zijn de vele grondverbeteringsbanen.De vondsten die aan de nieuwe tijd toe te schrijven zijn bestaan, buiten het bouwkeramiek, voornamelijk uit aardewerk. Het archeologisch onderzoek aan de Nieuwstraat te Son heeft sporen en vondsten opgeleverd uit diverse perioden. Hierbij zijn de Romeinse tijd, de vroege en late middeleeuwen en de nieuwe tijd het best ertegenwoordigd. Op het opgravingsterrein zijn in het totaal negen verschillende waterputtenaangetroffen. Deze stammen uit de periodes vroege middeleeuwen (VMW1), de volle middeleeuwen (HMW1-4) en de nieuwe tijd NTW1-4).De onderzoeksresultaten laten zien dat het onderzoeksgebied (en mogelijk ook de rest van de kern van Son) pas in het begin van de Romeinse tijd intensief bewoond is geraakt. De sporen uit de Romeinse tijd zijn te herleiden tot een (symbolisch) omgreppeld terrein en een hutkom. Het in Son aangetroffen greppelsysteem omsluit mogelijk ook een of meerdere gebouwen, maar het beperkte opgravingsareaal laat niet toe deze gebouwen te herkennen. Wel is duidelijk dat ook de Sonse omgreppeling eveneens verschillende gebruiksfases kent. Er zijn duidelijk aanwijzingen voor het heruitgraven van de greppelsegmenten door de tijd heen

    Monitoring biodegradation capacity of organic pollutants in the environment

    No full text
    Micro-organismen zijn in staat om organische verbindingen om te zetten in minder schadelijke stoffen en spelen daarom een belangrijke rol bij het opruimen van milieuvervuiling. Voor beleidsmakers, landgebruikers en landeigenaren is het belangrijk dat er bij milieuverontreiniging goed toezicht wordt gehouden op de biologische afbraakprocessen en dat deze goed worden beheerst. Aangezien microbiële activiteit in het milieu wordt beïnvloed door diverse fysische, geochemische en biologische factoren, is nauwkeurige kennis van het afbraakproces hierbij noodzakelijk. In dit promotieonderzoek wordt de relatie tussen geochemische condities en de biologische afbraakcapaciteit van micro-organismen in het milieu beschreven, inclusief methoden om de activiteit en metabole functies van deze micro-organismen in het milieu te mete

    onderzoek naar de doelgroep, uitvoering en doeltreffendheid van leerstraf Tools4U

    No full text
    Tools4U is an individual training in cognitive and social skills, which is applied as a (penal) sanction for juvenile delinquents. The training aims to reduce lack of cognitive and social skills related to the juvenile’s delinquent behavior. The present study addresses the following questions: Is the target population of Tools4U reached? Is the program implementation sufficient? Do participants show the expected positive development in program goals?Tools4U is een gedragsinterventie die in het kader van een extramurale leerstraf kan worden ingezet. Deze gedragsinterventie is bedoeld voor de doelgroep jongeren (12-17 jaar oud), die één of meerdere delicten hebben gepleegd. Tools4U is een intensieve individuele training van cognitieve en sociale vaardigheden. De training van cognitieve en sociale vaardigheden is in oktober 2007 volledig erkend door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie. De status 'erkend' is geldig voor een periode van vijf jaar (tot oktober 2012). In de tussenliggende periode van vijf jaar dient er wel een proces- en effectevaluatie plaats te vinden. De procesevaluatie van Tools4U die aanving in 2009 en inmiddels is afgerond, bracht een aantal aandachtspunten in de uitvoering aan het licht (zie bij: meer informatie). Sinds de procesevaluatie uit 2009 zijn door zowel de Raad voor de Kinderbescherming als PI Research verschillende aanpassingen en verbeteringen aangebracht, waardoor verwacht wordt dat de uitvoering van Tools4U voldoende is om de doeltreffendheid te onderzoeken. In dit doeltreffendheidsonderzoek is nagegaan in hoeverre Tools4U de juiste doelgroep bereikt, in hoeverre het programma wordt uitgevoerd zoals bedoeld en in hoeverre de deelnemers de verwachte ontwikkelingen op programmadoelen laten zien

    Doorbraakvrije dijken: Opzet doorbraakvrije zeedijken en voorlopige conclusies sterkte binnentaluds bij golfoverslag

    No full text
    In het kader van WV21 wordt door Deltares en een werkgroep gekeken naar doorbraakvrije dijken. Er wordt gekeken naar de definitie van doorbraakvrij en daarnaast naar hoe doorbraakvrije dijken er zouden moeten uitzien ten opzichte van de huidige dijken. In dit kader is aan Van der Meer Consulting gevraagd specifiek uitwerking te geven aan doorbraakvrije zee- en meerdijken en is gevraagd voorlopige conclusies op te stellen naar aanleiding van de proeven met de golfoverslagsimulator omtrent de sterkte van binnentaluds van dijken tegen golfoverslag. Deze uitwerking en het maken van voorlopige conclusies is gedaan door meerdere personen/bedrijven hierbij te betrekken, namelijk de projectgroep voor de proeven bij de Boonweg in Friesland en de proeven in Zeeland (Deltares zelf, Infram, Royal Haskoning en Alterra) en Infram ten aanzien van doorbraakvrije zeedijken. Vanuit observaties van de golfoverslagproeven (zie appendix 1 voor een fotorapportage met beschrijving) is één hoofdconclusie met betrekking tot doorbraakvrije dijken naar voren gekomen. Gesteld wordt dat het aannemelijk lijkt dat een binnentalud van klei met gras bij een overslag van 30 l/s per m of minder nooit door erosie zal bezwijken. Dit betekent dat in veel extremere omstandigheden dan de huidige maatgevende belasting, een huidige zee- of meerdijk niet door overslag zal bezwijken. Om het faalmechanisme infiltratie door golfoverslag en afschuiven van het binnentalud uit te sluiten, dient een doorbraakvrije zee- of meerdijk een binnentalud van 1:3 te hebben. Als kostenalternatief kan ook gekeken worden naar een binnentalud van 1:5. Omdat de huidige zee- en meerdijken al voor hoge stormvloeden en hoge golven zijn of worden ontworpen, lijkt het relatief gezien geen grote ingreep om deze dijken bestand te maken voor een veel zwaardere storm met een veel kleinere kans van voorkomen. En deze dijk zodoende doorbraakvrij te maken. Als meer golfoverslag wordt toegestaan in zeer extreme omstandigheden (tot ver boven de huidige maatgevende omstandigheden), en wanneer een zee- of meerdijk moet worden verbeterd, dan is het niet een grote stap om deze dijk, ook voor de komende 50 jaar, doorbraakvrij te maken. Bekledingen moeten dan iets dikker worden dan wat nu volgt uit het huidige ontwerpproces en ze moeten iets hoger op het talud worden aangebracht en de dijk moet mogelijk iets hoger

    Stability of rock on slopes under wave attack: Comparison and analysis of datasets Van der Meer [1988] and Van Gent [2003]

    No full text
    In VAN GENT [2004] graphs were presented in which the datasets of VAN DER MEER [1988] and VAN GENT ET AL. [2003] were compared, but in this comparison a number of parameters were not correctly transformed into a comparable format. In this M.Sc. thesis after an extensive analysis to the datasets all parameters of the datasets of Van der Meer were transformed into the same format as the parameters used by Van Gent. In the same way the dataset of THOMPSON & SHUTTLER [1975], which formed the basis of the work of Van der Meer, was treated. The inclusion of correction factors for the effects of stone roundness from LATHAM ET AL. [1988] gave remarkable effects on a certain part of the dataset of Van der Meer which showed more damage than average. After this still differences could be seen between the datasets of Van der Meer and Van Gent. Using the statistical T-test these differences are approved. Explanations for the differences found between the datasets of Van der Meer and Van Gent can be found in the fact that most of the tests of Van Gent. were done with shallow foreshores where Van der Meer did most tests with deep water conditions. Tests by a number of M.Sc. students at Delft University of Technology showed that tests with identical spectra, but with different foreshore slope angles show different damage patterns. In the dataset of Van Gent also the 1:30 foreshore slopes on average show more damage than the 1:100 slopes. In further research the influence of the foreshore should be incorporated in the stability formulae by a foreshore Iribarren parameter. Also a detailed investigation to the effects of wave breaking on shallow foreshores is needed. For this the complete dataset of Van Gent needs to be available and accessible.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    The behaviour of a moored oil tanker in the Port of Leixões, Portugal

    No full text
    The Port of Leixões is located in the north of Portugal. The operational conditions at berth “A” are affected by several factors resulting in a down-time of the berth of about 20%. In order to describe the behaviour of the moored vessel physical model tests were performed at the Faculty of Engineering University of Porto within the research and development program DOLPHIN. Numerical simulations of wave propagation including non-linear wave interaction and the generation of both sub- and super-harmonics were not carried out in the DOLPHIN program. Within this study a sequence of numerical models was applied to describe the moored ship motions and make a comparison with measurements from the physical model tests. An approach which combined a Boussinesq-type wave model with a panel model was selected as the appropriate approach for the present study. A Boussinesq-type wave model was selected, since diffraction around a breakwater, partial reflection from port structures and non-linear wave processes are important and relevant hydrodynamic processes to describe the wave field in the vicinity of the ship. The output from the Boussinesq-type wave model describes the surface elevations as well as the velocity field of the waves in the vicinity of the ship. The successive panel model takes the presence of the ship within the incident wave field into account and calculates the wave forces on the ship. The calculated total wave forces are a summation of the Froude-Krylov, diffraction and second order wave forces. Time-series of wave forces serve as an input for a ship simulation model, which simulates the ship motions and the mooring forces, taking into account environmental forces and non-linear interactions with the mooring system. The initial approach combined the Boussinesq-type wave model MIKE21 BW, with the panel model Harberth and the ship simulation model Quaysim. Due to numerical instabilities within MIKE21 BW an eddy with unreliable velocities was formed after longer period of simulation. This eddy was located in the vicinity of the ship. The subsequent computations with Harberth resulted in a continuous increase in second order wave forces on the ship. The first order wave forces on the ship did not increase continuously, but via an analysis it is shown that the calculated first order wave forces on the ship are not reliable. The finally simulated ship motions in Quaysim are not reliable as well. The unreliable wave forces on the ship as well as the unreliable subsquent simulated ship motions are a consequence of the pre-simulated instabilities within MIKE21 BW. The cause of the numerical instabilities in MIKE21 BW could not be discovered during this study. Since longer period of simulations are required to obtain statistical reliable ship motions a switch was made to an alternative Boussinesq-type wave model called TRITON. Adaptations in the model set-up in TRITON ensured that numerical instabilities over longer periods of simulation in the simulated velocity field were avoided/minimized. The emphasis in simulations with TRITON is on simulating and understanding the low frequency waves. The focus was on simulating the low frequency waves that caused significant moored ship responses within the physical model. The simulated waves in TRITON agree well with the measured waves in the physical model basin. It is shown that a standing wave is measured in the physical model basin, which caused measured surge responses of the ship. The obtained insight in the generation of these low frequency waves may be used when performing additional physical and/or numerical model tests. It is recommended to simulate the total Port of Leixões with a Boussinesq-type wave model, taking into account all relevant hydrodynamic processes for moored vessel response. In that case a bound long wave should already be imposed in the incoming generated waves, since the generation of primary waves only may lead to an underestimation of the total content of low frequency waves. The wave simulations, as performed with TRITON, are expected to be sufficiently accurate to serve as an input for vessel response computations. The recommended additional wave simulations and vessel response computations are expected to provide additional insight in the causes of excessive ship motions. New insight in the behaviour of waves as well as vessel response may lead to improvements of the operational conditions at berth “A” in the Port of Leixões.Ports and waterwaysHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    De invloed van de energetische prestatie op de woningwaarde

    No full text
    Ondanks alle ontwikkeling om meer energie te besparen in bestaande woningen, investeren woningeigenaren nog steeds niet massaal in energiebesparende maatregelen. Eén van de redenen is dat energiebesparende maatregelen nog weinig invloed hebben op de verkoopprijs van een woning. Zou dit wel het geval zijn, dan kan het financiële plaatje een stuk gunstiger uitvallen om te investeren in energiebesparende maatregelen. In dit onderzoek wordt uitgezocht hoe de energetische prestatie beter tot uitdrukking kan komen in de woningwaarde.HousingReal Estate & HousingArchitecture and The Built Environmen
    corecore