1,721,211 research outputs found

    RAAPRAPPORT 889

    No full text
    onderzoeksrappor

    RAAPNOTITIE 334

    No full text
    onderzoeksrappor

    Plangebied A2 Vonderen-Kerensheide tussen Echt & Born, gemeenten Echt-Susteren, Sittard-Geleen en Stein; een verkennend archeologisch booronderzoek

    No full text
    Inleiding In opdracht van Rijkswaterstaat heeft RAAP in januari 2020 een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied A2 Vonderen-Kerensheide te Echt en Born in de gemeente Echt-Susteren, Sittard-Geleen en Stein. Het onderzoek vond plaats in het kader van de aanpassing van de A2 tussen de knooppunten Het Vonderen bij Echt en Kerensheide bij Stein. Het gaat daarbij met name om wegverbredingen, (ver)leggen van kabels en leidingen, en het graven en omleggen van sloten en beken. Het onderzoek is een vervolg op een bureauonderzoek uit 2017, waarin de maatregelen afgezet zijn tegen de archeologische verwachtingen. Dit onderzoek was de basis voor een Milieu Effect Rapportage. In het booronderzoek hebben wij ons, conform het bureauonderzoek, gericht op de zones met een hoge- en middelhoge archeologische verwachting. In die zones is er in de te verstoren zones (AF & KL) om de 50 m "verkennend" geboord, met als doel het bepalen van de gaafheid van de bodem, en daarmee de kans op de aanwezigheid van archeologische resten. Resultaten In het plangebied zijn lithogenetisch gezien drie landschapstypen te onderscheiden: (1) oever- en beddingafzettingen van de Maas: vnl. zand en klei (boringen 1 t/m 22); (2) oeverafzettingen gerelateerd aan de Geleenbeek: vnl. leem en (eronder) klei (boringen 27 t/m 29, 34 t/m 35, 37 t/m 43, 53 t/m 59); (3) eolische afzettingen: leem: löss (boringen 60, 62 t/m 92). In boringen 1 t/m 15 in het noorden van het plangebied is matig fijn zand aangetroffen waarin zich een bruine moder B-horizont heeft gevormd. In boringen 21 t/m 22, 27 t/m 29, 34 t/m 35, 37 t/m 43 en 53 t/m 58, in het midden van het plangebied, is rivierklei en/of leem aangetroffen (oeverafzettingen van de Maas en/of Geleenbeek). De overige boringen (62 t/m 92) bevinden zich op een groot löss plateau, met sterk zandige leem. De bodem is vrijwel overal zodanig intact dat er een gerede kans op archeologische resten in de ondergrond is, uitgezonderd nummers 16 en 71, waar de bodem diep verstoord is. De archeologisch interessante lagen bevinden zich in de meeste gevallen direct onder de bouwvoor, op een diepte van gemiddeld 30-40 cm. In sommige boringen ligt het vlak dieper vanwege ophogingen: zie tabel 6. Advies In het booronderzoek hebben wij ons, conform het bureauonderzoek uit 2017, gericht op (1) de zones met een hoge- en middelhoge archeologische verwachting, die (2) verstoord gaan worden, waarbij de verstoringen de gemeentelijke ondergrenzen overschrijden (zoals voor de MER uit 2017 berekend; dit is nog actueel). Uit het booronderzoek is gebleken dat de bodem in vrijwel het hele onderzochte gebied (zones AF1, AF2, AF3, KL2B, KL4 en KL6: grootschalige ingrepen dieper dan 2,5 m) dusdanig intact is dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is. Derhalve wordt er voor vrijwel het hele onderzochte gebied, voorafgaand aan de civiele werkzaamheden, een proefsleuvenonderzoek aangeraden met als doel eventuele archeologische resten op te sporen en te documenteren: zie kaartbijlage 1. Een dergelijk onderzoek dient te zijn gebaseerd op een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). De geplande boringen 30 t/m 33 en 45 t/m 52 konden vanwege geen betredingstoestemming niet worden gezet. In principe zouden hier na betredingstoestemming verkennende boringen moeten plaatsvinden, om de gaafheid van de bodem, en daarmee de kans op archeologische resten te bepalen. Echter, omdat deze boringen zich tussen zones met bodems met kans op archeologische resten bevinden, wordt verwacht ook de nog niet gezette boringen 30 t/m 33 en 45 t/m 52 zich in dergelijke zones bevinden. Daarom wordt aanbevolen om hier direct sleuven te graven

    Plangebied Golfbaan Busserstraat te meijel.

    No full text
    In opdracht van de heer M.G. Hanssen heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau begin augustus 2008 een bureauonderzoek (inclusief veldinspectie) uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van een golfbaan ten oosten van de Busserstraat te Meijel. Doel van dit onderzoek was allereerst het middels bureauonderzoek verwerven van informatie over bekende en te verwachten archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Het doel van het veldonderzoek (verkennend booronderzoek) was met name om inzicht te verkrijgen in de gaafheid van de bodem. Het uiterste noordoosten van het plangebied ligt in de historische kern van Meijel die door de RACM als archeologisch monument van hoge waarde is gewaardeerd. Verder zijn in het onderzoeksgebied (straal ca. 500 m rondom het plangebied) slechts zeer weinig vindplaatsen bekend. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars (periode Paleolithicum t/m Neolithicum) en een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van landbouwers (periode Neolithicum t/m Nieuwe tijd) gekregen. Tijdens het booronderzoek is gebleken dat de bodem in het centrum en noordoosten van het plangebied vanwege afgraving zwaar is verstoord. Hier zijn geen intacte archeologische resten meer te verwachten. Alhoewel de bodem in het onderzochte zuidwestelijke deel van het plangebied (percelen D224 en D226) verstoord is kan niet worden uitgesloten dat zich hier nog archeologische resten bevinden. Het boorgrid van het verkennend booronderzoek waaraan bovendien vanwege onenigheid met de pachter van de akker 3 boringen ontbreken is niet geschikt om over de aanof afwezigheid van archeologische vindplaatsen uitspraken te doen. Op grond van de zwaar verstoorde bodem in het afgegraven centrale en noordoostelijke deel van het plangebied (bos en golfbaan) wordt in dit deel geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Het gedeelte dat ligt binnen het archeologisch monument de historische kern van Meijel is bebouwd en bestraat en wordt niet bedreigd door de voorziene uitbreiding van de golfbaan. Indien te verwachten ingrepen in het zuidwestelijke deel van het plangebied (percelen D224 en D226) dieper reiken dan 50 cm -Mv wordt geadviseerd om hier een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. Indien de verstoringen niet dieper reiken dan 50 cm -Mv en dit middels een uitgewerkt bestek kan worden gegarandeerd is archeologisch vervolgonderzoek niet nodig. Met betrekking tot de bevindingen van onderhavig onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag: de gemeente Meijel (mevr. I. Hanssen)

    Plangebied De Haese, deelplan C te Geleen, gemeente Sittard-Geleen; een archeologisch bureauonderzoek

    No full text
    Inleiding. In opdracht van Heijmans Vastgoed B.V. heeft RAAP in maart 2022 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied De Haese, deelplan C te Geleen in de gemeente Sittard-Geleen. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunning in verband met de bouw van een nieuwe woonwijk. In 2013 is er in het kader hiervan reeds een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Onderhavig rapport is een update hiervan. Resultaten. Geomorfologisch gezien, ligt het plangebied grotendeels op een zeer onuitgesproken lösswand, met een uitloper van een daluitspoelingsrest terras in het zuiden en een grote vergraving in het noordwesten. De bodem bestaat uit een in löss ontwikkelde radebrikgrond. Op basis van de vindplaatsen en onderzoeken in de omgeving van het plangebied is het duidelijk dat het gebied zich in een zeer rijke archeologische zone bevindt, met vooral resten uit het neolithicum (specifiek de LBK), de ijzertijd en de Romeinse tijd. Daarnaast zijn er ook aanwijzingen voor infrastructuur en landbouw uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het plangebied is van oudsher in gebruik als akkerland en is nauwelijks bebouwd. In het noordwesten is er een grote vergraving. Op basis van dit extensieve gebruik wordt verwacht dat archeologische sporen nog goed bewaard aanwezig kunnen zijn onder de bouwvoor, met uitzondering van de vergraving in het noordwesten. Er geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen, huisplaatsen, begravingen, infrastructuur) uit de periode neolithicum-ijzertijd, en infrastructuur en landbouw uit middeleeuwen (en nieuwe tijd. Bodemingrepen dieper dan de bouwvoor (30 cm) kunnen resulteren in de aantasting van archeologische sporen en vondsten. Advies. • het laten uitvoeren van een verkennend booronderzoek (in een 40x 50 m grid) in het hele plangebied; • optioneel: op basis van het verkennend booronderzoek (alsmede de archeologische verwachtingen) de locatie van eventueel geofysisch onderzoek bepalen, en op basis van dergelijk onderzoek bepalen waar sleuven gegraven moeten worden; • zeker te doen: op basis van het verkennend booronderzoek (alsmede de archeologische verwachtingen) de locatie van proefsleuven in de zones met een zeer hoge en hoge archeologische verwachting bepalen

    Plangebied Pagnevaart te Oudenbosch

    No full text
    <p> Er zijn in het plangebied geen archeologische vindplaatsen of monumenten bekend. In de omgeving ervan (straal ca. 1 km) zijn er slechts twee vindplaatsen. De vondsten bestaan uit een stukje handgevormd aardewerk dat niet goed gedateerd kan worden (neolithicum-nieuwe tijd) en (op de andere vindplaats) uit aardewerk uit de nieuwe tijd. <p><p> Er geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers. <p&gt

    Plangebied Heistraat Noord Fase 2 in Waalre, gemeente Waalre: Archeologisch vooronderzoek: een proefsleuvenonderzoek

    No full text
    In opdracht van de Gemeente Waalre heeft RAAP op 8 augustus 2017 een proefsleuvenonder zoek uitgevoerd in verband met voorgenomen woningbouw te plangebied Heistraat Noord Fase 2 in de gemeente Waalre. Het onderzoeksgebied is onderzocht door middel van vijf proefsleuven. De bodem in het gebied bleek uit een veldpodzol te bestaan die grotendeels tot in de C-horizont verstoord is. Er werden enkele greppels aangetroffen, die als perceelgreppels uit de 19e en 20e eeuw geïnterpreteerd moeten worden. Een diepe en kromme greppel met een vlakke bodem kan een loopgraaf behorende tot het kampement van het Armée Gallo-Batave van generaal Augereau van het Franse leger zijn, dat in juni en juli 1800 vermoedelijk circa 750 m ten noordoosten van het plangebied gelegerd was. Een interpretatie als oefenloopgraaf of als een andere greppel is echter niet uit te sluiten. Verder zijn er enkele recente verstoringen aangetroffen die te interpreteren zijn als plantgaten uit de 19e of 20e eeuw, en verstoringen veroorzaakt door het verwijderen van grote stobben tijdens de aanleg van het vlak. Verdere grondsporen werden niet aangetroffen en er werden ook geen vondsten aangetroffen. Van een echte vindplaats is dan ook geen sprake. Op basis van het uitgevoerde onderzoek advi seert RAAP daarom het onderzoeksgebied voor ontwikkelingen vrij te geven

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    Get PDF
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed

    RAAPNOTITIE 603

    No full text
    onderzoeksrappor
    corecore