18,170 research outputs found
Een analyse in het kader van de motie Duykers
Het onderzoek richt zich op de vraag of de kenmerken van strafrechtelijk en civielrechtelijk geplaatsten, verschillen vertonen en hoe de ontwikkeling sedert 1993 is geweest. Uit het onderzoek blijkt dat jeugdigen die geplaatst zijn met een civiele maatregel (OTS'ers) jonger zijn dan de jeugdigen met een strafrechtelijke maatregel (PIJ'ers). PIJ'ers hebben over het algemeen voor plaatsing meer delicten gepleegd; het verschil is het grootst bij gewelds-, vermogens- en vuurwapenmisdrijven. Verder staan de jongeren in dit onderzoek voor meer delicten geregistreerd dan in het onderzoek van Boendermaker uit 1993. De onderzoekers schrijven dit in het bijzonder toe aan de verbeterde HKS-registratie. Ook is het totaal van de problemen die de jongeren hebben, zwaarder dan ten tijde van het onderzoek van Boendermaker. In het algemeen gesproken zijn echter geen grote verschillen gevonden tussen beide groepen geplaatsten. De waardering van de beperkte verschillen bepaalt de eraan te verbinden beleidsgevolgen
Consumer responses to risk-benefit information about food
Communication about the healthiness of consuming different food products has typically involved either health messages about the associated risks or benefits. In reality, consumption decisions often involve consumers “trading-off” the risks and benefits associated with the consumption of a particular food product. If consumers are to make informed choices about food consumption, they may need to simultaneously understand both risk and benefit information associated with consuming different foods. However, it is not known how this potentially conflicting information can best be communicated. Effective risk-benefit communication is also important because, increasingly, risk assessment and regulatory decision-making is focused on risk and benefit associated with a specific food issue, which will also need to be communicated to consumers. This thesis therefore examines consumer responses to information about both risks and benefits associated with food, in order to provide insights into effective ways to communicate this information. For this purpose, three lines of research are explored: (1) consumer perceptions and responses to integrated risk-benefit metrics, (2) potential barriers to effective risk-benefit communication, and (3) consumer responses to communication about risk management practices associated with food hazards. In Chapter 2 consumer preferences regarding several integrated risk-benefit metrics describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption on health are qualitatively explored. Chapter 3 examines consumer perceptions of quality-adjusted-life-years (QALYs) as a tool for describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption, and in Chapter 4 it is examined whether integrated risk-benefit information in terms of QALYs can facilitate informed decision making for consumers, including how this information can best be presented. The research regarding potential barriers to effective risk-benefit communication focuses on optimism regarding risks and benefits associated with food consumption (Chapter 5), and on the role of initial attitudes on the occurrence of negativity effects after the provision of balanced risk-benefit information (Chapter 6). Finally, the impact of information about risk management practices associated with food hazards on consumer perceptions of food risk management quality are examined (Chapter 7). Overall, the results of this thesis provide useful insights for the development of effective risk-benefit communication, including the communication of information about integrated risk-benefit assessments, and for the development of effective ways to communicate about risk management practices associated with food hazards. <br/
Erosie van een dijk na bezwijken van de steenzetting door golven
Een van de deelprojecten van het meerjarig onderzoeksprogramma \u93Sterkte & Belastingen Waterkeringen (SBW)\u94 is SBW-reststerkte. In dat kader is in 2010 grootschalig modelonderzoek uitgevoerd in de Deltagoot met een 8,5 m hoge dijk op prototypeschaal, bestaande uit een 80 cm dikke kleilaag op een zandkern (Wolters e.a. 2011). Onder de waterlijn was het talud verdedigd met een steenzetting, op de waterlijn was een berm aanwezig met asfalt op staalslakken, en daarboven gras. In dit onderzoek is de erosie van de kleilaag en de zandkern van de dijk gemeten, nadat schade is opgetreden aan de steenzetting. Dit rapport beschrijft de analyse van de resultaten van die proeven. Het doel van het onderzoek is de kwantificering van de erosie van een dijklichaam bestaande uit een kleilaag op een zandkern onder invloed van golven. De erosie van de dijk als functie van de tijd geeft de benodigde informatie om de reststerkte te bepalen. De complexiteit van het onderwerp maakt het nodig verschillende onderzoeksmethoden in te zetten: \u95 Theoretische analyse van het proces en voorlopige kwantificering op basis van bestaande kennis over de waterbeweging. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat de erosie steeds verder voortschrijdt, en dus het profiel van de dijk verandert. \u95 Theoretische analyse van het proces vanuit de invalshoek van de grond. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging op de dijk met ComFlow, gericht op het verkrijgen van inzicht in de verandering van de waterbeweging naarmate de erosie voortschrijdt. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging in de klei met Pluto, gericht op het vaststellen van de belangrijkste eigenschappen die relevant zijn voor erosie. \u95 Numerieke berekeningen van de erosie van zand met Durosta, waarbij de eroderende dijk vergeleken wordt met duinafslag. \u95 Analyse van alle relevante grootschalige modelonderzoeken tot nu toe, gericht op het vinden van een empirische relatie voor de erosie als functie van de tijd. De analyse heeft geleid tot een set praktisch toepasbare formules waarmee de reststerkte van de kleilaag en het dijklichaam kan worden berekend. De formules geven de relatie tussen enerzijds het volume dat als functie van de tijd erodeert en anderzijds de geometrie van de dijk en de golfcondities. Een opmerkelijk resultaat is dat de kwaliteit van de klei of keileem een verwaarloosbare invloed heeft op de erosie, binnen de range van onderzochte keileem en kleisoorten. Waarschijnlijk is het voorkomen van zandinsluitingen en zandlenzen veel belangrijker dan de andere eigenschappen van de klei en was de mate waarin deze voorkomen in de onderzochte klei niet erg verschillend.Reststerkt
Erosie van een dijk na bezwijken van de steenzetting door golven SBW reststerkte: Analyse Deltagootproeven
Een van de deelprojecten van het meerjarig onderzoeksprogramma \u93Sterkte & Belastingen Waterkeringen (SBW)\u94 is SBW-reststerkte. In dat kader is in 2010 grootschalig modelonderzoek uitgevoerd in de Deltagoot met een 8,5 m hoge dijk op prototypeschaal, bestaande uit een 80 cm dikke kleilaag op een zandkern (Wolters e.a. 2011). Onder de waterlijn was het talud verdedigd met een steenzetting, op de waterlijn was een berm aanwezig met asfalt op staalslakken, en daarboven gras. In dit onderzoek is de erosie van de kleilaag en de zandkern van de dijk gemeten, nadat schade is opgetreden aan de steenzetting. Dit rapport beschrijft de analyse van de resultaten van die proeven. Het doel van het onderzoek is de kwantificering van de erosie van een dijklichaam bestaande uit een kleilaag op een zandkern onder invloed van golven. De erosie van de dijk als functie van de tijd geeft de benodigde informatie om de reststerkte te bepalen. De complexiteit van het onderwerp maakt het nodig verschillende onderzoeksmethoden in te zetten: \u95 Theoretische analyse van het proces en voorlopige kwantificering op basis van bestaande kennis over de waterbeweging. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat de erosie steeds verder voortschrijdt, en dus het profiel van de dijk verandert. \u95 Theoretische analyse van het proces vanuit de invalshoek van de grond. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging op de dijk met ComFlow, gericht op het verkrijgen van inzicht in de verandering van de waterbeweging naarmate de erosie voortschrijdt. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging in de klei met Pluto, gericht op het vaststellen van de belangrijkste eigenschappen die relevant zijn voor erosie. \u95 Numerieke berekeningen van de erosie van zand met Durosta, waarbij de eroderende dijk vergeleken wordt met duinafslag. \u95 Analyse van alle relevante grootschalige modelonderzoeken tot nu toe, gericht op het vinden van een empirische relatie voor de erosie als functie van de tijd. De analyse heeft geleid tot een set praktisch toepasbare formules waarmee de reststerkte van de kleilaag en het dijklichaam kan worden berekend. De formules geven de relatie tussen enerzijds het volume dat als functie van de tijd erodeert en anderzijds de geometrie van de dijk en de golfcondities. Een opmerkelijk resultaat is dat de kwaliteit van de klei of keileem een verwaarloosbare invloed heeft op de erosie, binnen de range van onderzochte keileem en kleisoorten. Waarschijnlijk is het voorkomen van zandinsluitingen en zandlenzen veel belangrijker dan de andere eigenschappen van de klei en was de mate waarin deze voorkomen in de onderzochte klei niet erg verschillend.Steenzettinge
Introduction. Beyond the confinement of affliction: a discursive field of experience
Ngoma, a southern African ritual of healing, dance, rhythm and rhyme, is at the heart of social effort to change the fortunes of individuals and communities so that well-being is restored. This collective volume investigates ngoma in its many and culturally diverse manifestations. Contributions: Rijk van Dijk, Ria Reis and Marja Spierenburg (introduction); Henny Blokland (the use of drums in weddings in Unyamwezi, Tanzania, as the key to their use in healing cults and politics); Annette Drews (gender and ngoma among the Kunda of eastern Zambia); Ria Reis (therapeutic ngoma in Swaziland); Marja Spierenburg (the influence of healers' clientele in the Mhondoro territorial cult in Dande, Zimbabwe); Matthew Schoffeleers (rain cults as therapeutic ngoma in the Mbona cult of rural Malawi); Cor Jonker (the politics of therapeutic ngoma as exemplified in the Zionist churches in urban Zambia); Rijk van Dijk (ngoma and born-again fundamentalism in urban Malawi). In the afterword, John M. Janzen takes up critically the challenges to his own work (1992) presented by the contributions in this volume.ASC – Publicaties niet-programma gebonde
The role of transcription factor STOX1A in transcriptional networks associated with neurodegeneration
Oudejans, C.B.M. [Promotor]Dijk, M. van [Copromotor
Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende en gedeeltelijk karterende fase)
In opdracht van de provincie Noord-Brabant heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in augustus en september 2007 een bureau- en inventarisarend veldonderzoek (verkennende en gedeeltelijk karterende fase) uitgevoerd in verband met geplande grondwerkzaamheden in de Overdiepse Polder in de gemeenten Waalwijk en Geertruidenberg (figuur 1). De grondwerkzaamheden zijn gepland in het kader van het voornemen om de Overdiepse Polder in te richten als een overlaatgebied. De zuidelijke dijk (kade) van de Overdiepse Polder zal hiervoor op deltahoogte worden gebracht, hetgeen gepaard zal gaan met een verbreding en verhoging van de dijk.
Tevens zal het dijktracé enigszins in noordelijke richting verschuiven. Hiervoor wordt een cunet van 0,5 m diepte, een breedte van 50 m en een lengte van circa 6 km ontgraven. De achterblijvende boerderijen in de Overdiepse Polder worden verplaatst naar 9 aan te leggen terpen. Tevens wordt de Dussensche Gantel mogelijk gedeeltelijk gereconstrueerd en ten zuiden van de aan te leggen dijk wordt een bestaande Ecologische Verbindingszone uitgebreid.
Doel van het onderzoek is het vaststellen of in het plangebied binnen 1,5 m -Mv archeologische resten voorkomen of verwacht worden, die bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Teneinde een goed afgewogen beslissing (selectiebesluit) door het bevoegd gezag mogelijk te maken, diende het onderzoek zich tevens te richten op de kwaliteit (gaafheid en conservering), omvang, diepteligging, aard en datering van eventuele archeologische resten.
Resultaten
Het plangebied ligt in het benedenrivierengebied dat een complexe landschappelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt in het Holoceen, wat tot een gecompliceerde archeologische verwachting voor het plangebied heeft geleid. De dijken langs de Bergsche Maas en de Kille (plaatselijk bekend als het ‘Oude Maasje’ zijn als bijzondere historisch-geografische elementen hoog gewaardeerd. De bedijkte getijoeverwallen zijn als fossiele terreinvorm van hoge aardkundige waarde en daarom eveneens hoog gewaardeerd.
Het inventariserend archeologisch onderzoek heeft een flink aantal archeologische indicatoren binnen 1,5 m -Mv opgeleverd die zijn gegroepeerd in 10 clusters. Alle vondsten zijn aangetroffen in een fluviatiel pakket van na de St. Elisabethsvloed (1421 na Chr.) en kunnen worden verklaard als verspoeld, opgebracht met bemesting of zijn mogelijk tijdens ruilverkavelings- of egalisatiewerkzaamheden op de percelen beland. Ze wijzen derhalve niet op bewoning ter plaatse en houden geen verband met behoudenswaardig archeologische vindplaatsen.
De verschillende archeologische verwachtingen, zoals die tijdens het bureauonderzoek zijn geformuleerd, konden op basis van het verkennend booronderzoek verder worden verfijnd. In het plangebied (verticale begrenzing op 1,5 m -Mv) komen alleen afzettingen van na 1421 (St. Elisabethsvloed) voor. Oudere afzettingen met eventuele archeologische resten bevinden zich dieper dan 1,5 m -Mv en vallen derhalve in verticale zin buiten het plangebied. Op basis van de landschappelijke ontwikkeling, het historisch grondgebruik en de resultaten van het booronderzoek is de archeologische verwachting laag voor het plangebied. Er is geen grote variatie en er zijn geen wezenlijke verschillen in de landschappelijke ontwikkeling in het tracé van de geplande dijk. Ook de landschappelijke ontwikkeling van terplocatie 3 is op hoofdlijnen identiek aan die van het aangrenzende geplande tracé van de dijk. Daarom wordt er van uitgegaan dat de bijgestelde archeologische verwachting van terplocatie 3 exemplarisch is voor de overige terplocaties 1, 2 en 4 t/m 7.
Uit het bureauonderzoek blijkt dat de Dussensche Gantel een restant is van een inbraakkreek die tijdens de St. Elisabethsvloed is gevormd. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem langs de Overdiepse Kade tot minimaal circa 1,8 m -Mv inderdaad uit het Merwededek bestaat. Bovendien zou, indien zich ter hoogte van de Dussensche Gantel een opduiking van dekzand of oeverwal zou bevinden, dit zeer waarschijnlijk zijn sporen nalaten aan het oppervlak en zich aftekenen op het AHN.
Vanwege bovenstaande redenen is het reëel om te veronderstellen dat dit pakket zich in noordelijke richting doorzet en ook hier het bovenste deel van de bodem (minimaal ca. 1,5 m) uit het Merwededek bestaat. Het wordt echter benadrukt dat aan deze verwachting een grotere onzekerheid moet worden toegekend naarmate de afstand tot het daadwerkelijk onderzochte gebied groter wordt.
Aanbevelingen
Vanwege de resultaten van het bureauonderzoek en het booronderzoek wordt archeologisch vervolgonderzoek op de terplocaties 1, 2 en 4 t/m 7 alsmede de mogelijk te revitaliseren Dussensche Gantel niet noodzakelijk geacht mits bodemingrepen niet dieper dan 1,5 m -Mv plaatsvinden. Bij diepere bodemingrepen wordt voor alle te verstoren delen in het kader van planontwikkeling een (intensief) verkennend booronderzoek aanbevolen. Het verkennend onderzoek is gericht op het in kaart brengen van de landschappelijke ontwikkeling en de archeologische verwachting nader vast te stellen. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de ‘Minimumeisen Provincie Noord-Brabant t.b.v. de rapportage van archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend en waarderend booronderzoek’
De snelheid van doorbraak van de dijk rond een energiebekken
Deze notitie vormt een deel van een studie i.v.m. een risico-analyse aangaande een eventueel spaarbekken in het IJsselmeer, waarin t.b.v. energieopslag water tot een peil van ca NAP + 20 m wordt opgezet. Een door enige oorzaak in de ringdijk van een dergelijk hoog gelegen bekken ontstaan gat zal - in de tijd gezien - door horizontale en verticale erosie grotere afmetingen gaan aannemen. In deze gidsstudie wordt getracht een nadere precisering te geven van de snelheid, waarmee een ontgrondingskuil zich in een dergelijk geval zal ontwikkelen. Als overstort over de dijk plaats vindt, waarbij een stroomsnelheid van 10 m/s over het talud wordt bereikt, wordt naar verwachting een bovenlaag van ca 14 cm gefluidiseerd; hierdoor wordt per minuut een laag van ca 50 cm van het talud "afgeschoren". Hierbij komt nog het verlies door suspensietransport, wat nog niet is berekend. Op de plaatsen, waar de dijk is verdwenen, kan een contractieput ontstaan. uitgaande van de gegeven aannamen wordt hiervoor een maximale ontgrondingsdiepte van 8.6 t^1/2 meter voorzien, waarbij t de tijd in uren voorstelt
Taludbekleding van gezette steen: Overzicht onderzoek 1980-1984, samenvattend verslag
In Nederland zijn veel laaggelegen gebieden beschermd tegen overstroming d.m.v. dijken. De opdracht van de Deltacommissie betreffende de veiligheid luidt dijken te bouwen die nog volledige zekerheid bieden bij een waterstand en golfaanval, die ver uitgaan buiten het ervaringsgebied. Voor het ontwerpen van dijken die bestand zijn tegen deze extreme omstandigheden bestaan echter geen ervaringsregels. Van de extreme waterstanden is een schatting gemaakt en daarop zijn kruinhoogten afgestemd. In het vervolg wordt de probleemstelling afgebakend tot de bescherming van het buitentalud van een dijk onder golfaanval. De probleemstelling kan als volgt worden geformuleerd: Hoe moet het buitentalud van een dijk worden beschermd tegen golfaanval?Steenzettingen - TAW/EN
- …
