11,011 research outputs found
Consumer responses to risk-benefit information about food
Communication about the healthiness of consuming different food products has typically involved either health messages about the associated risks or benefits. In reality, consumption decisions often involve consumers “trading-off” the risks and benefits associated with the consumption of a particular food product. If consumers are to make informed choices about food consumption, they may need to simultaneously understand both risk and benefit information associated with consuming different foods. However, it is not known how this potentially conflicting information can best be communicated. Effective risk-benefit communication is also important because, increasingly, risk assessment and regulatory decision-making is focused on risk and benefit associated with a specific food issue, which will also need to be communicated to consumers. This thesis therefore examines consumer responses to information about both risks and benefits associated with food, in order to provide insights into effective ways to communicate this information. For this purpose, three lines of research are explored: (1) consumer perceptions and responses to integrated risk-benefit metrics, (2) potential barriers to effective risk-benefit communication, and (3) consumer responses to communication about risk management practices associated with food hazards. In Chapter 2 consumer preferences regarding several integrated risk-benefit metrics describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption on health are qualitatively explored. Chapter 3 examines consumer perceptions of quality-adjusted-life-years (QALYs) as a tool for describing the combined impact of risks and benefits associated with food consumption, and in Chapter 4 it is examined whether integrated risk-benefit information in terms of QALYs can facilitate informed decision making for consumers, including how this information can best be presented. The research regarding potential barriers to effective risk-benefit communication focuses on optimism regarding risks and benefits associated with food consumption (Chapter 5), and on the role of initial attitudes on the occurrence of negativity effects after the provision of balanced risk-benefit information (Chapter 6). Finally, the impact of information about risk management practices associated with food hazards on consumer perceptions of food risk management quality are examined (Chapter 7). Overall, the results of this thesis provide useful insights for the development of effective risk-benefit communication, including the communication of information about integrated risk-benefit assessments, and for the development of effective ways to communicate about risk management practices associated with food hazards. <br/
Blind in een gidsland: Over de bejegening van mensen met een visuele beperking in de Nederlandse verzorgingsmaatschappij, 1920-1990
Harinck, G. [Promotor]Dijk, J.J. van [Copromotor]Kennedy, J.C. [Copromotor
Erosie van een dijk na bezwijken van de steenzetting door golven
Een van de deelprojecten van het meerjarig onderzoeksprogramma \u93Sterkte & Belastingen Waterkeringen (SBW)\u94 is SBW-reststerkte. In dat kader is in 2010 grootschalig modelonderzoek uitgevoerd in de Deltagoot met een 8,5 m hoge dijk op prototypeschaal, bestaande uit een 80 cm dikke kleilaag op een zandkern (Wolters e.a. 2011). Onder de waterlijn was het talud verdedigd met een steenzetting, op de waterlijn was een berm aanwezig met asfalt op staalslakken, en daarboven gras. In dit onderzoek is de erosie van de kleilaag en de zandkern van de dijk gemeten, nadat schade is opgetreden aan de steenzetting. Dit rapport beschrijft de analyse van de resultaten van die proeven. Het doel van het onderzoek is de kwantificering van de erosie van een dijklichaam bestaande uit een kleilaag op een zandkern onder invloed van golven. De erosie van de dijk als functie van de tijd geeft de benodigde informatie om de reststerkte te bepalen. De complexiteit van het onderwerp maakt het nodig verschillende onderzoeksmethoden in te zetten: \u95 Theoretische analyse van het proces en voorlopige kwantificering op basis van bestaande kennis over de waterbeweging. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat de erosie steeds verder voortschrijdt, en dus het profiel van de dijk verandert. \u95 Theoretische analyse van het proces vanuit de invalshoek van de grond. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging op de dijk met ComFlow, gericht op het verkrijgen van inzicht in de verandering van de waterbeweging naarmate de erosie voortschrijdt. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging in de klei met Pluto, gericht op het vaststellen van de belangrijkste eigenschappen die relevant zijn voor erosie. \u95 Numerieke berekeningen van de erosie van zand met Durosta, waarbij de eroderende dijk vergeleken wordt met duinafslag. \u95 Analyse van alle relevante grootschalige modelonderzoeken tot nu toe, gericht op het vinden van een empirische relatie voor de erosie als functie van de tijd. De analyse heeft geleid tot een set praktisch toepasbare formules waarmee de reststerkte van de kleilaag en het dijklichaam kan worden berekend. De formules geven de relatie tussen enerzijds het volume dat als functie van de tijd erodeert en anderzijds de geometrie van de dijk en de golfcondities. Een opmerkelijk resultaat is dat de kwaliteit van de klei of keileem een verwaarloosbare invloed heeft op de erosie, binnen de range van onderzochte keileem en kleisoorten. Waarschijnlijk is het voorkomen van zandinsluitingen en zandlenzen veel belangrijker dan de andere eigenschappen van de klei en was de mate waarin deze voorkomen in de onderzochte klei niet erg verschillend.Reststerkt
Erosie van een dijk na bezwijken van de steenzetting door golven SBW reststerkte: Analyse Deltagootproeven
Een van de deelprojecten van het meerjarig onderzoeksprogramma \u93Sterkte & Belastingen Waterkeringen (SBW)\u94 is SBW-reststerkte. In dat kader is in 2010 grootschalig modelonderzoek uitgevoerd in de Deltagoot met een 8,5 m hoge dijk op prototypeschaal, bestaande uit een 80 cm dikke kleilaag op een zandkern (Wolters e.a. 2011). Onder de waterlijn was het talud verdedigd met een steenzetting, op de waterlijn was een berm aanwezig met asfalt op staalslakken, en daarboven gras. In dit onderzoek is de erosie van de kleilaag en de zandkern van de dijk gemeten, nadat schade is opgetreden aan de steenzetting. Dit rapport beschrijft de analyse van de resultaten van die proeven. Het doel van het onderzoek is de kwantificering van de erosie van een dijklichaam bestaande uit een kleilaag op een zandkern onder invloed van golven. De erosie van de dijk als functie van de tijd geeft de benodigde informatie om de reststerkte te bepalen. De complexiteit van het onderwerp maakt het nodig verschillende onderzoeksmethoden in te zetten: \u95 Theoretische analyse van het proces en voorlopige kwantificering op basis van bestaande kennis over de waterbeweging. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat de erosie steeds verder voortschrijdt, en dus het profiel van de dijk verandert. \u95 Theoretische analyse van het proces vanuit de invalshoek van de grond. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging op de dijk met ComFlow, gericht op het verkrijgen van inzicht in de verandering van de waterbeweging naarmate de erosie voortschrijdt. \u95 Numerieke berekeningen van de waterbeweging in de klei met Pluto, gericht op het vaststellen van de belangrijkste eigenschappen die relevant zijn voor erosie. \u95 Numerieke berekeningen van de erosie van zand met Durosta, waarbij de eroderende dijk vergeleken wordt met duinafslag. \u95 Analyse van alle relevante grootschalige modelonderzoeken tot nu toe, gericht op het vinden van een empirische relatie voor de erosie als functie van de tijd. De analyse heeft geleid tot een set praktisch toepasbare formules waarmee de reststerkte van de kleilaag en het dijklichaam kan worden berekend. De formules geven de relatie tussen enerzijds het volume dat als functie van de tijd erodeert en anderzijds de geometrie van de dijk en de golfcondities. Een opmerkelijk resultaat is dat de kwaliteit van de klei of keileem een verwaarloosbare invloed heeft op de erosie, binnen de range van onderzochte keileem en kleisoorten. Waarschijnlijk is het voorkomen van zandinsluitingen en zandlenzen veel belangrijker dan de andere eigenschappen van de klei en was de mate waarin deze voorkomen in de onderzochte klei niet erg verschillend.Steenzettinge
Reststerkte van een dijk met steenzetting op de kleilaag, meetverslag deltagootprioeven SBW-reststerkte
(SBW), gefinancierd door Rijkswaterstaat, is een experimenteel onderzoek uitgevoerd naar de reststerkte van een dijk. Het doel van het onderzoek was het meten van de tijdsduur tussen het ontstaan van schade aan de steenzetting door golven, en het doorbreken van de dijk. Daartoe is een dijk in de Deltagoot van Deltares gebouwd, met een steenbekleding en kleilaag tot halverwege de buitenzijde en gras op klei daarboven. Voor het onderzoek is klei met gras gebruikt uit een bestaande dijk in Ferwert en klei vanonder een steenzetting (Oosterlandpolderdijk). Met een hydraulische kraan werden stalen bakken zonder bodem in de klei gedrukt, waarna de klei eromheen werd weggegraven en een stalen plaat eronder geschoven. De kleiblokken (van 2x2x0,8 m3) zijn vervolgens vervoerd naar de Deltagoot en in 'ongeroerde' staat aangebracht in de modelopstelling. Tijdens de proeven is eerste stap voor stap de golfhoogte verhoogd totdat schade aan de steenzetting ontstond. Vervolgens is met deze golfhoogte een aantal proeven uitgevoerd waarbij steeds na een bepaalde tijd golven het erosieprofiel is opgemeten. Als laatste deel van het onderzoek is de erosie gemeten bij een wat verlaagde waterstand. De werkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode van maart tot augustus 2010. In dit meetrapport zijn alleen de belangrijkste resultaten opgevoerd. Een uitgebreide analyse volgt in een apart verslag (2011).Reststerkt
Syneresis of curd
This study deals with the syneresis of curd. Rennet gels are primarily considered; some comparisons with acid milk gels are given.After curdling the milk, the curd tends to shrink; in other words, the network of aggregated paracasein micelles (PCM) will be under stress. If the curd is cut or - as was the case in our expirements - a curd surface is wetted, syneresis starts. The rate at which the whey is expelled depends on the pressure gradient in the whey and on the permeability of the network.In Chapter 2 the materials and methods generally used are described. Unless mentioned otherwise, standard conditions were used in the experiments. By standard conditions is meant: reconstituted skim milk with the saw dry matter content as the original milk, to which 500 ppm rennet was added; the temperature during the whole experiment was kept at 30 °C; no CaCl 2 was added.The endogenous syneresis pressure ( Ps) appeared to be very low, about 1 Pa. In Chapter 3 two methods are described which give an order of magnitude of the stresses involved. Moreover, the weight of the network can cause an additional pressure. The maximum pressure caused by the weight ( Pg) at a level hc below the interface is (ρ curd - ρ curd ) ghc ≈75hc Pa (hc in m).The permeability measurements are described in Chapter 4. Two methods were used; in both, the flow of whey through a vertical column of curd was measured as a function of head pressure. A problem is that the curd is deformed during the experiment. In the "tube" method, deformation is a function of the pressure gradient (d Pt /dx), the diameter of the tube holding the curd (d t ), and the rigidity of the gel. In the second method the "torsionflux" method, the deformation was adjustable. 'The tube method led to the following results.- The permeability is of the order of 10 -13m 2.- Permeability increases with time, which is ascribed to "microsyneresis", i.e. syneresis at local sites in the gel. The rate of increase is approximately constant.- The increase in permeability (d B /d t ) is higher for a higher pressure gradient or a wider tube; both lead to larger deformation of the curd.- The change of the permeability with time in the absence of deformation (d Be /d t ) was obtained by applying the head pressure at different times after addition of rennet. Shortly after clotting permeability increases fastest. Between 1 and 24 hd Be /d t was constant.- The permeability of curd made from ultrafiltered skim milk ( B ( i )) and its change with time (d B ( i )/d t ) were determined. Thisyielded the permeability as a function of concentration and time ( B ( i,t )).- The permeability also depends on temperature, CaCl 2 concentration, acidity, fat content and type of skim milk.- In acid milk geld permeability was of the same order of magnitude, but it hardly changed with time.The rheological behaviour of curd is discussed in Chapter 5. The dynamic measurments with the "Den Otter" rheometer show that the moduli G ' and G " kept increasing for a long time (~3 h) after rennet addition. From the dependence of G' and G" on the angular frequency it was deduced that G" is due to the relaxation of bonds and that the relaxation time is a few times 10 s.The instantaneous shear modulus ( G0 ) was determined as a function of protein concentration. The obtained relation can be explained in term of an only partly effective contribution of the casein to the network; this contribution being relatively smaller at lower concentrations. Also from the creep measurements it was concluded that the endogenous syneresis pressure was less than 10 Pa.If both permeability and pressure are known for all values of concentration (or relative remaining volume ( i )) and time ( t ), the syneresis can in principle be calculated. This is in the model described in Chapter 6, in which the equation of Darcy is combined with the equation of continuity. A numerical procedure is developed, for a one dimensional case; the syneresis of a thin slab.The pressure in the whey is the sum of the endogenous syneresis pressure ( Ps) and the pressure caused by the weight of the network ( Pg). For Ps( i ) and Pg( i ) some trial functions were considered.In Chapter 7 the syneresis of slabs is studied. The results of the experiments show that initially Γ= dlogΔH/dlog t is about 0.5. For t >0.5 h Γincreases to ~0.78. Γis independent of the original thickness of the slab ( H0 ) during a certain period (penetration period). The length of this period depends on H0.After one day H did not change any more and H∞ / H0 was about one third. The best fit between model calculations and experimental results was obtained if it was assumed that:- the permeability increases with time ( t ) and decreases with i , as was found in the experiments,- endogenous syneresis pressure (Ps) decreases only with shrinkage, - maximum gravitational pressure ( Pbg) is constant,- P0s= Pbg= 1 Pa ( H0 = 10 mm).P0swas found to be a function of time after renneting, at first increasing, then (after 1 - 2 h) decreasing. However, the introduction of such a relation in the model did not improve the fit to the experimental results. After all, the pressure cannot relax twice, both by shrinkage and by "ageing".The effects of several parameters (pH, temperature, Ca concentration, etc.) on milk clotting, gel permeability, syneresis and curd rigidity are interrelated. A survey is given in Table 7.2 and a tentative explanation is summarized in Table 7.3.In Chapter 8 it is shown that external pressure has a dramatic effect m the syneresis rate. Extrapolation to zero external pressure yields, again, an endogenous syneresis pressure of about 1 Pa
Tussen twee wallen: een opgraving van prehistorische en middeleeuwse bewoningssporen aan de Elsenewal in Nieuwstadt, gemeente Echt-Susteren
In opdracht van Van der Looy projektmanagement bv heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in oktober-november 2009 en maart 2010 een archeologische opgraving uitgevoerd aan de Elsenewal in Nieuwstadt, gemeente Echt-Susteren. Aanleiding voor het onderzoek was het voornemen om op de locatie woningen te realiseren. Het primaire doel van deze opgraving was het veilig stellen van de wetenschappelijke informatie van deze vindplaats (behoud ex situ).
Het onderzoek laat meer licht schijnen op de ontstaansgeschiedenis van Nieuwstadt. Uit archiefonderzoek blijkt dat Nieuwstadt pas in de 13e eeuw als kolonistendorp zou zijn gesticht, echter er is niets bekend van bewoning in het plangebied, of van pre-13e-eeuwse bewoning in Nieuwstadt in het algemeen. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn in het plangebied bewoningssporen aangetroffen uit met name de Late Middeleeuwen, maar het plangebied is al in de Steentijd door de mens bezocht en was ook al in de IJzertijd gebruikt. Het is duidelijk dat de middeleeuwse gebouwen aanwezig zijn in het plangebied. Echter, hoewel (verdiepte) vloeren nog aanwezig zijn, zijn gebouwplattegronden zeer moeilijk te reconstrueren. Dit is het gevolg van het vrijwel ontbreken van enige ruimtelijke regelmaat van de sporen, waarschijnlijk veroorzaakt door een combinatie van bodemgaafheid en verbruining (vervaging van grondsporen). Toch kon een beeld worden gevormd van de laat-middeleeuwse bewoning, de bedrijfsvoering/ambachten die er zijn verricht, de watervoorziening, de inrichting van de (hypothetische) erven en de vegetatie in het plangebied en de directe omgeving van Nieuwstadt.
Het aardewerk kan worden geplaatst in de perioden II, III, IV en V, en dateert rond het begin van de 13e eeuw (ca. 1200-1225/1240) tot ca. 1275-1375. De sluitingsdatum ligt in de eerste helft van de 14e eeuw.
Uit het onderzoek is gebleken dat al in de late 12e eeuw sprake is van extensief menselijk gebruik van het plangebied, maar de bewoning vond op voornamelijk plaats tussen het begin van de 13e en de tweede helft van de 14 eeuw (ca. 1250 en 1375). De bewoning bestond uit zeven gebouwen, die op regelmatige onderlinge afstand lagen, waardoor er sprake lijkt van planmatig opgezette erven. Er vond veeteelt plaats en er was hooiland, maar er werden ook ambachten beoefend, getuige een smederij en een ververij. In enkele gebouwen vond ook het stremmen van melk plaats en/of vond kaasproductie plaats en/of het stremmen van melk en er werd wellicht tevens hennep en vlas geteeld en/of verwerkt, veelal voor productie van olie, linnen, touw. Enkele van deze ambachten worden ook in de historische bronnen genoemd. Het voorkomen van kookpotten wijst erop dat het niet enkele ambachtelijke gebouwen betreft, maar dat er ook werd gewoond. Dit wordt ondersteund door de grootte van enkele gebouwen. Het plangebied werd doorsneden door een weg die aansloot op de Millenerstraat in de stadskern. Daarnaast wordt het plangebied doorkruist door zes grachten en sloten met zwak stromend of stilstaand water. Die zijn vermoedelijk aangelegd door de gemeenschap als groep, en dienden voor de ontwatering van het gebied.
Er kan worden verondersteld dat het water in de grachten en sloten werd gebruikt bij de verwerking van vlas en hennep en de productie van linnen en touw. Het ontbreken van waterputten duidt erop dat de watervoorziening een collectieve voorziening was, en op de erven nooit op individuele basis is gevoerd. Wellicht is dit een indicatie dat het plangebied voornamelijk een gebied was waar ambachten werden ontplooid. Er kunnen ook andere factoren aan ten grondslag liggen, zoals een verbod door de lokale heer. Na de 15e eeuw was het plangebied nog maar extensief in gebruik.
Historisch onderzoek heeft tot dusver geen gegevens opgeleverd over de families en de individuele bewoners van de erven. Wel is duidelijk dat Nieuwstadt in de geschetste periode Gelders eigendom is, en dat het als een Gelderse enclave in vreemd gebied lag. Het is dan ook niet opmerkelijk dat de bloei van Nieuwstadt op hoofdlijnen overeenkomt met de laat-middeleeuwse bloei van Gelre als geheel. In dit opzicht was Nieuwstadt dus een typisch Gelderse stad, ondanks de geïsoleerde ligging. De middeleeuwse bewoning in het plangebied begint in een belangrijke periode voor Nieuwstadt, namelijk de tijd waarin stadsrechten werden verkregen. Deze nieuwe status had ook zijn weerslag op de vrijheden van de inwoners. Uit het vondstmateriaal is evenwel nauwelijks af te leiden wanneer de middeleeuwse horigen meer vrije rechten verkrijgen. Stedelijke nederzettingen uit de Late Middeleeuwen in (Zuid-)Limburg zijn niet of nauwelijks onderzocht. De specifieke ontwikkeling van Nieuwstadt kan nu beter worden geduid, doordat de wisselwerking tussen het verkrijgen van stadsrechten en economische ontwikkeling (opkomst en neergang) nu beter bekend is. Door de opgraving kunnen de ontwikkelingen van stad en platteland in de Late Middeleeuwen in Zuid-Limburg beter worden vergeleken, waardoor ook de relatie tussen beide beter kan worden begrepen
Ro-Ro verbinding Vuurland met het vasteland van Argentinië
In het vooronderzoek is voorbereidend werk gedaan voor het ontwerp van de Ro-Ro-haven. In het voor u liggende rapport staat beschreven hoe dit ontwerp verder is uitgewerkt. In het eerste hoofdstuk wordt een inventarisatie gemaakt welk type schip er voor dit specifieke Ro-Ro-vervoer ingezet moet worden. Na de te vervoeren lading in hoofdstuk 3 te hebben besproken wordt de indeling van het schip vastgesteld. Deze indeling moet zodanig zijn dat het aan te vereiste vervoerskapaciteit voldoet. In de daarop volgende hoofdstukken wordt het programma van eisen op nautisch gebied behandeld. Hier komen onderwerpen ter sprake zoals de breedte en vorm van de haventoegang. Binnen de haven zijn korrektie- en stopafstand en de afmetingen van de draaicirkel van groot belang voor de manoeuvreerbaarheid van de schepen. Het enorme getijverschil heeft grote invloed op het havenontwerp. Er is daarom in hoofdstuk 7 een mathematisch model van de getijkromme gemaakt waarmee een voorspelling van de waterstanden kan worden gedaan. Dit is o.a. van nut geweest bij de bepaling van de ligging van de brekerzone en de probabilistische benadering van de noodzakelijke geuldiepte. De golfbrekers moeten de haven bescherming bieden tegen golfaanval vanuit zee. Daarom is aan dit belangrijk element in het projekt veel aandacht besteed. Een interessant aspekt hierbij is ook de bepaling van de kruinhoogte. Het P.I.A.N.C. heeft strenge eisen gesteld aan de golfdoordringing bij Ro-Ro-havens i.v.m. de gevoeligheid van de lading voor bewegingen van het schip. Uitgaande van deze eisen is een diffraktieberekening gemaakt om te onderzoeken in hoeverre het ontwerp voldoet aan de P.I.A.N.C. eisen. Om een goede ladingafhandeling mogelijk te maken is een flexibele pontonkonstruktie ontworpen die bij elke getijwaterstand kan funktioneren. Daar de ponton geen stootbelasting kan opnemen is tussen schip en ponton een remmingwerk gesitueerd. Dit is berekend op een extreme stootbelasting van het Ro-Ro-schip. Tenslotte is een berekening gemaakt van de troskrachten die optreden bij windbelasting op het schip als het ligt afgemeerd.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Drie Griekse kleinoden
Item does not contain fulltextGert-Jan van Dijk Ignatius Diaconus, Fabelkwatrijnen Groningen:Styx ,2000 90-5693-038-9
Simone Mooij-Valk Diogenes van Oenoanda, levenslessen in steen Groningen:Styx ,2000 90-5693-037-0
Annette Harder Kallimachos, Geen gezang vol luid gedreun Groningen:Styx ,2000 90-5693-034-
Nieuwe verbinding N69, gemeenten Valkenswaard, Bergeijk en Veldhoven Archeologisch vooronderzoek: een bureaustudie en een verkennend booronderzoek
In opdracht van Arcadis heeft RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de geplande aanleg van de Grenscorridor N69, in de gemeenten Valkenswaard, Bergeijk en Veldhoven. Het onderzoek bestond uit een bureaustudie en een verkennend booronderzoek. Het primaire doel van het onderzoek was inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de archeologische potentie van het onderzoeksgebied. Het onderzoek is uitgevoerd tussen 18 en 26 april 2016, de uitwerking vond plaats in juni 2016. Uit de bureaustudie is gebleken dat geen bekende archeologische vindplaatsen bekend zijn uit het geplande wegtracé. Tijdens het veldwerk zijn enkele geïsoleerde vuursteenvondsten verzameld. De vuursteenvondsten kunnen worden geïnterpreteerd als zogenaamde losse vondsten, die als off site-fenomenen kunnen worden beschouwd. De gaafheid van de bodem verschilt sterk. In grote delen is de natuurlijke bodemopbouw niet meer volledig of grotendeels intact. Derhalve wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen naar de bekende archeologische resten in deze delen van het wegtracé. Daarnaast is de archeologische verwachting en de gaafheid van de bodem zodanig, dat enkele zones in aanmerking komen voor een karterend booronderzoek.
Uiteindelijk wordt aanbevolen om op basis van de hoge archeologische verwachting en bodemgaafheid drie zones te selecteren voor een karterend en/of waarderend archeologisch onderzoek: - zone 1: het bosgebied zuidelijk van de Broekhovenseweg; - zone 2: het bosgebied binnen deelgebied H; - zone 3: het gebied met hoge zwarte enkeerdgronden bij Westerhoven.
Met betrekking tot zones 1 en 2 wordt een karterend booronderzoek naar Steentijdvindplaatsen aanbevolen. Ter plekke is de bodem veelal volledig intact en is de verwachting voor de aanwezigheid van vindplaatsen van jager/verzamelaargemeenschappen hoog. Voorgesteld wordt om dezelfde onderzoeksmethodiek als het reeds uitgevoerde karterend en waarderend booronderzoek te volgen. Met betrekking tot zone 3 wordt een waarderend onderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen. Ter plekke is de bodem veelal volledig intact en is de verwachting voor de aanwezigheid van vindplaatsen van boerengemeenschappen hoog. Voorgesteld wordt om dezelfde onderzoeksmethodiek voor het nog uit te voeren proefsleuvenonderzoek in deelgebieden A-G te volgen.
Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de Provincie Noord-Brabant een selectiebesluit (contactpersoon dr. M. Meffert). Indien u vragen heeft kunt u contact opnemen met de projectleider van dit project, drs. X.C.C. van Dijk
- …
