170,777 research outputs found
INNOVATION IN FUNCTIONAL ANATOMY EDUCATION: The Anatomy Lesson of Dr Tulp from the past to the Present
In recent decades, there have been many technological innovations and improvement in the pedagogy of medical education. We have applied some of these developments to one of the most important and most fundamental elements in modern medical education, while combining traditional and innovative approaches. Gross anatomy is a core course for first year medical and some graduate students from the beginnings of time, since Nicholaes Tulp was first depicted by Rembrandt in the now classic painting “The Anatomy Lesson of Dr Tulp”. In the now famous Rembrandt, Dr Tulp is shown dissecting an unembalmed cadaver, while paid onlookers viewed the dissection of the cadaver with great interest. At USAT, the anatomy dissection begins with didactic lectures, much along the traditional lines, but with the exception that the discussion is orientated toward a clinical setting for each phase of the lectures. This is followed by lectures in Organ Systems Pathophysiology, Medical Biophysics, and finally by Introduction to the dissection laboratory. All dissections utilize fresh, unembalmed cadavers, all safety tested for hazards or pre-existing infectious diseases before the start of the dissection, which takes place in a state of the art facility. Prior to the dissection, important sensitivity instruction is given, including acceptable respect, appropriate laboratory and clinical attire [scrubs, surgical gowns, and all needed instruments are provided each student], proper and expected personal demeanor during the dissection. During the dissections, which last for several days on each cadaver, key surgical and medical procedures that are likely to be needed during PGY-I are demonstrated on each cadaver, including insertion of chest tubes, spinal taps, Intubation, topical and cosmetic suturing, endoscopy, 3-D imaging, surgical technique, and others. The culmination of the dissection ends with each student being able to demonstrate the above procedures to standard, and with a complete functional dissection of the cadaver. At the conclusion of the lab body parts are recon our curricukum.nected and prepared for disposal and the ashes returned to the family that donated the cadaver. As an outcome, USAT anatomy lab has become one of the most sought after courses in the first year curriculum, with many student requesting to retake it multiple more times.
Support or Funding Information: Supported by Institutional Resources of the College of Medicine, USAT Montserrat and MARC-Miam
INNOVATION IN FUNCTIONAL ANATOMY EDUCATION: The Anatomy Lesson of Dr Tulp from the past to the Present
In recent decades, there have been many technological innovations and improvement in the pedagogy of medical education. We have applied some of these developments to one of the most important and most fundamental elements in modern medical education, while combining traditional and innovative approaches. Gross anatomy is a core course for first year medical and some graduate students from the beginnings of time, since Nicholaes Tulp was first depicted by Rembrandt in the now classic painting “The Anatomy Lesson of Dr Tulp”. In the now famous Rembrandt, Dr Tulp is shown dissecting an unembalmed cadaver, while paid onlookers viewed the dissection of the cadaver with great interest. At USAT, the anatomy dissection begins with didactic lectures, much along the traditional lines, but with the exception that the discussion is orientated toward a clinical setting for each phase of the lectures. This is followed by lectures in Organ Systems Pathophysiology, Medical Biophysics, and finally by Introduction to the dissection laboratory. All dissections utilize fresh, unembalmed cadavers, all safety tested for hazards or pre-existing infectious diseases before the start of the dissection, which takes place in a state of the art facility. Prior to the dissection, important sensitivity instruction is given, including acceptable respect, appropriate laboratory and clinical attire [scrubs, surgical gowns, and all needed instruments are provided each student], proper and expected personal demeanor during the dissection. During the dissections, which last for several days on each cadaver, key surgical and medical procedures that are likely to be needed during PGY-I are demonstrated on each cadaver, including insertion of chest tubes, spinal taps, Intubation, topical and cosmetic suturing, endoscopy, 3-D imaging, surgical technique, and others. The culmination of the dissection ends with each student being able to demonstrate the above procedures to standard, and with a complete functional dissection of the cadaver. At the conclusion of the lab body parts are recon our curricukum.nected and prepared for disposal and the ashes returned to the family that donated the cadaver. As an outcome, USAT anatomy lab has become one of the most sought after courses in the first year curriculum, with many student requesting to retake it multiple more times.
Support or Funding Information: Supported by Institutional Resources of the College of Medicine, USAT Montserrat and MARC-Miam
2019-05/05
Op 20 mei 2019 is aan de Hoogehaar 6 te Dalen een bouwvlak onderzocht door middel van archeologisch grondboringen (inventariserend archeologisch onderzoek – verkennende en karterende fase). De aanleiding is de geplande uitbreiding van de huidige jongveestal naar een ligboxenstal met mestkelders. Het terrein heeft een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3, vanwege de ligging op een gekarteerde zandkop. Het onderzoeksgebied ligt aan de rand van een dekzandkop met in het oosten een beekdal. Zowel op dezelfde dekzandkop als in het nabijgelegen oude beekdal zijn vindplaatsen bekend van bewerkt vuursteen, vooral uit de periode mesolithicum – neollithicum.
Er zijn zes boringen uitgevoerd die tot in het dekzand zijn doorgezet. Naar aanleiding van de resultaten hiervan kan het plangebied in twee delen worden onderverdeeld. Het oostelijke deel bestaat uit een verrommelde bouwvoor met een abrupte overgang naar de C-horizont. Op dit terrein is in het verleden grond afgegraven. De rest van het bouwvlak bevat lagen opgebrachte grond, gevolgd door de C-horizont. Er is in geen van de boringen een intact bodemprofiel aangetroffen. Eveneens zijn er in de gezeefde grond geen archeologische indicatoren gevonden.
Selectie-advies door senior KNA archeoloog / senior KNA prospector drs. C. Tulp.
Aangezien de bodem niet meer intact is en er geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, is de kans op archeologische waarden zeer klein. Daarom adviseren wij om geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen.
In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikelen 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Coevorden.
De gemeente Coevorden volgt dit selectie-advies (email d.d. 17 september 2019)
Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek in Plangebied De Vluchtheuvel, Norg (Dr.)
onderzoeksrappor
Godlinze, Provincialeweg 11, Gemeente Delfzijl (Gr.). Archeologische Begeleiding
In een plangebied aan de Provincialeweg te Godlinze, gemeente Delfzijl (provincie Groningen) is een uitbreiding van een stal gepland. In plangebied Provincialeweg nummer 11 heeft vroeger de borg Rengerda gestaan. De huidige onderzoekslocatie bevindt zich ter hoogte van één van de voormalige grachten van de borg. De bodem van het terrein bestaat uit een kalkarme poldervaaggrond in lichte zavel; het terrein is gelegen op een kwelderwal.
In september en november 2008 is door De Steekproef bv een archeologische begeleiding uitgevoerd aan de Provincialeweg 11(Tulp 2008) als vervolg op een eerder uitgevoerd bureauonderzoek door Libau (Molema 2008). De aanleiding voor deze onderzoeken was de bouw van een stal. Tijdens de 2008 begeleiding is alleen een verstoorde laag, leidingen en recent puin waargenomen.
In 2014 werd een bestaande stal uitgebreid en bleek er weer een archeologische begeleiding nodig. Voor dit vervolgonderzoek is door drs. P.J. Baak van De Steekproef een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, dat in september 2014 door drs. J. Molema van Steunpunt Libau is goedgekeurd (Baak 2014).
De archeologische begeleiding is uitgevoerd op 8 en 9 september 2014. De gedempte borggracht is aangetroffen. Deze bleek alleen recent materiaal te bevatten. Hier zijn dan ook geen monsters van genomen en er is geen materiaal verzameld.
Het uitgraven van het terrein voor de staluitbreiding stal is archeologisch begeleid en gedocumenteerd. De onderzoekslocatie is hierna vrijgegeven. Op overige delen van het voormalige borgterrein kunnen nog archeologische resten aanwezig zijn en wij adviseren dan ook om toekomstige graafwerkzaamheden op het borgterrein archeologisch te laten begeleiden
2016-05/05
In een plangebied tussen Norg en Assen te Zuidvelde, gemeente Noordenveld, provincie Drenthe, heeft op 4 mei 2016 een waarderend archeologisch veldonderzoek plaatsgevonden (zie Figuur 1). De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de geplande inplant van bomen op het perceel. Doel van het onderzoek is vast te stellen of er op het perceel (plangebied) ter hoogte van het terrein met archeologische waarde (onderzoeksgebied) ook archeologische indicatoren aanwezig zijn en of deze archeologische waarden behoudenswaardig zijn. Het onderzoek bestaat uit een bureau- en een veldonderzoek. Bij het bureauonderzoek zijn bronnen geraadpleegd op het gebied van fysische geografie, archeologie en historische geografie. Tijdens het veldonderzoek zijn zes boringen geplaatst om de gaafheid van de bodem te bepalen en om archeologische indicatoren op te sporen. De bodem van het plangebied bestaat uit een veldpodzolgrond. Deze bodem bleek tijdens het veldonderzoek te zijn verploegd. In drie boringen is een verploegde B-horizont aangetroffen; in de overige bevond de C-horizont zich direct onder de bouwvoor. In de omgeving zijn sporen van menselijke activiteiten vanaf het mesolithicum aangetroffen, met name bewerkt vuursteen. Tijdens de veldkartering zijn aan het oppervlak vijftien stukken verbrand vuursteen gevonden, evenals vijf afslagen en een verbrand kernstuk. De vindplaats ten westen van het onderzoeksgebied blijkt dan ook op dit perceel door te lopen. De kans op de aanwezigheid van intacte archeologische grondsporen is echter klein omdat de bodem verploegd is. Wij adviseren geen archeologisch vervolgonderzoek op het onderzochte terrein en het terrein vrij te geven
Steekproefrapport 2017-08/06
Dit rapport is verslag van de resultaten van een proefsleuvenonderzoek aan de Ericasestraat te Erica, gemeente Emmen, provincie Drenthe. Dit onderzoek is het vervolg op een inventariserend booronderzoek uit juli 2017 (Bongers 2017). De aanleiding voor het archeologische onderzoek is de geplande bouw van twee woningen in het plangebied aan de Ericasestraat en nabijheid van begraafplaatsen uit het neolithicum tot ijzertijd. Sporen van begravingen kunnen in het plangebied aanwezig zijn. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is om vast te stellen of er archeologische resten aanwezig zijn in het plangebied.
Op 29 en 30 november 2017 werden er in het plangebied vier proefsleuven gegraven. Twee sleuven lagen in het noordelijk deel van het plangebied en twee lager in het zuidelijk deel. Op basis van voorafgaand onderzoek was de kans op het aantreffen van archeologie in deze gebieden het hoogst.
Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bodem in het plangebied in het recente verleden is geëgaliseerd en dat er zand is gewonnen. Het gevolg hiervan was dat de bodem in de proefsleuven tot in het gele zand en soms tot in de keileem verstoord was. De kans op het aantreffen van intacte archeologische grondsporen was hierdoor klein. Alleen in het westelijk deel van put 2 was nog een restant van een podzol bewaard gebleven. Hier zijn echter geen sporen aangetroffen en geen vondsten gedaan. De sporen die in put 1 werden aangetroffen bleken recente of natuurlijke sporen te zijn. Archeologische sporen zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen. De vondsten bleken modern of natuurlijk. Er zijn dan ook geen aanwijzingen gevonden voor een vindplaats in het plangebied.
Het selectie advies van drs. C. Tulp (senior KNA-archeoloog / prospector) luidt: 'Er is tijdens het proefsleuvenonderzoek geen archeologische vindplaats aangetroffen. De bodem is tot diep in het gele zand of zelfs tot in het keileem verstoord. De kans dat er nog intacte archeologische sporen in het niet door proefsleuven onderzochte gebied bevinden is erg klein. Archeologisch vervolgonderzoek zal ons inziens niet of nauwelijks meer informatie opleveren. Geadviseerd wordt het onderzoeksgebied vrij te geven.
De gemeente Emmen heeft op 17 april 2018 aangeven akkoord te zijn met dit advies. Tenslotte geldt voor al het toekomstig graafwerk dat als archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dat deze conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11 direct dienen te worden gemeld. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Emmen en bij de provincie Drenthe.
2019-08/10
In augustus 2019 is voor een plangebied aan het Fransepad 25 in Blaricum, gemeente Blaricum, provincie Noord-Holland, een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende en karterende fase) uitgevoerd. De aanleiding voor dit onderzoek was de geplande nieuwbouw op het perceel. Hoewel het nieuwe huis grotendeels binnen de huidige bebouwing zou komen, wordt aan de zuidwestelijke en noordwestelijke zijde uitgebreid en eveneens wordt het nieuwe gebouw onderkelderd tot 3,5 meter onder maaiveld.
Voorafgaand aan het veldwerk is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld voor het gebied. Hieruit blijkt dat in het plangebied kans is op archeologische waarden uit de steentijd tot en met de nieuwe tijd.
In totaal zijn er tijdens het onderzoek zes boringen geplaatst. Hierdoor is op het terrein van 1040 m2 een gemiddelde boordichtheid bereikt van 57,7 boringen per hectare. De boringen zijn uitgevoerd tot maximaal 1,7 meter onder het maaiveld. Hieruit blijkt dat een in het verleden opgebrachte bovenlaag aanwezig is van 60 tot 100 centimeter dikte met daaronder een podzolbodem. Drie van de zes boringen laten een niet intacte bodem zien (boringen 3 tot en met 5). Er zijn enkele archeologische indicatoren aangetroffen in de opgebrachte bovenlaag (enkeerdgrond), die deze laag dateren in de periode midden tot late nieuwe tijd. In de lagen daaronder zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Het verwachtingsmodel is daarom naar beneden toe bijgesteld.
Selectie-advies door senior KNA archeoloog / senior KNA prospector drs. C. Tulp
Op basis van de afwezigheid van relevante archeologische indicatoren in de podzolbodem achten wij de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied Blaricum, Fransepad 25 klein. In de bodem van het gebied zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Daarnaast zijn er binnen een straal van 600 meter rond het gebied geen archeologische vindplaatsen bekend. Daarom adviseren wij geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen. Het is aan de gemeente Blaricum om dit advies al dan niet over te nemen.
In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikelen 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Blaricum.
De gemeente heeft laten weten bovenstaand advies te volgen (vergunningverlening d.d. 24 oktober 2019)
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
Joure, Broek Zuid Locatie A, Gemeente De Fryske Marren (Fr.). Opgraving, Variant Archeologische Begeleiding: 2019-03/10
In maart 2019 is door De Steekproef een archeologische begeleiding uitgevoerd op Locatie A in plangebied Broek Zuid. Dit plangebied ligt direct ten westen van Joure, gemeente De Fryske Marren. Tijdens een eerder uitgevoerd bureau- en booronderzoek van RAAP zijn enkele potentiële vuursteenvindplaatsen ontdekt (deze zijn reeds door middel van proefsleuven onderzocht) en vier verdwenen huisplaatsen die op een oude kaart van Schotanus uit 1718 zijn weergegeven.
Locatie A is de meest noordelijke van deze verdwenen huisplaatsen. Hierbinnen is het terrein opgegraven. De bodem bestaat uit een dunne bouwvoor, gevolgd door een restant veen en daarna zand zonder podzolvorming. De nadruk bij dit onderzoek lag op de huisplaats; er is dan ook tot boven in het veen gegraven. Dieper was vanwege de hoge grondwaterstand niet mogelijk.
Er zijn vijf archeologische sporen ontdekt: alle puinconcentraties. Twee hiervan bevatten veel scherven aardewerk. Een fundering, kleibaan of uitbraaksleuf van een huis is niet ontdekt. Gezien de ligging van de sporen, alle in het noordwesten van de locatie, lijkt de oude huisplaats verder naar het noordwesten te hebben gelegen. De scherven aardewerk dateren de verdwenen huisplaats in de periode dertiende tot en met eerste helft van de zeventiende eeuw.
Advies (door senior KNA-archeoloog drs. C. Tulp)
Uit de archeologische begeleiding van het uitgraven van Locatie A is gebleken dat de verdwenen huisplaats, met een datering van de dertiende tot en met eerste helft van de zeventiende eeuw, niet binnen de locatie heeft gelegen, maar waarschijnlijk meer naar het noordwesten. Verder naar het noordwesten is bijna geen ruimte om de opgraving uit te breiden, vanwege de nabije ligging van sloten. De aangetroffen puinconcentraties bevonden zich bijna direct onder het maaiveld. Vanwege de ondiepe ligging en de vermoedelijke doorsnijding van sloten, zal de huisplaats niet meer intact zijn. Het onderzoek naar Locatie A is hierbij afgerond. Geadviseerd wordt voor deze locatie geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren.
De gemeente De Fryske Marren volgt dit advies (e-mail d.d. 27 juni 2019)
- …
