62,522 research outputs found

    Ecopassage de Schie te Zweth, gemeente Rotterdam, Een archeologische begeleiding van modules A en F

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft een Archeologische Begeleiding conform protocol Opgraven uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van ecopassage de Schie bij Zweth in de gemeente Rotterdam. De graafwerkzaamheden die archeologisch zijn begeleid, betroffen in deelgebied A de aanleg van een sloot met natuurvriendelijke oeverprofielen en het afplaggen van het terrein en in module F het herprofileren van bestaande sloten met natuurvriendelijke oeverprofielen. De begeleiding heeft het beeld van het landschap en de bodemopbouw zoals dat uit de vooronderzoeken naar voren was gekomen, bevestigd. In het plangebied liggen verschillende kreeklopen die door reliëfinversie als hogere ruggen in het land zijn komen te liggen. De geul- en oeverafzettingen bestaan over het algemeen uit sterk siltig, lichtgrijs zand met kleilagen die zich in het veen hebben ingesneden. Buiten de voormalige geulen is sprake van een zwak siltig kleidek dat verder van de geul in dikte afneemt. In het meest oostelijke deel van module A bevindt het veen zich al op ca. 40 cm onder het maaiveld. De begeleiding had vooral tot doel om te kijken of zich op de hoger gelegen kreekruggen en de flanken daarvan eventuele bewoningsresten zouden bevinden. Op de kreekruggen zijn echter geen sporen aangetroffen. Ook vondstmateriaal ontbreekt vrijwel geheel op de kreken. De enige mogelijke uitzondering betreft vier aardewerkfragmenten die in deelgebied F direct onder de bouwvoor zijn aangetroffen en uit de Romeinse tijd dateren. Deze vier aardewerkfragmenten zouden kunnen wijzen op een vindplaats uit deze periode in de omgeving van de geherprofileerde sloot. In deelgebied A waren op het AHN drie mogelijke terpen herkend, maar uit het onderzoek is gebleken dat het hier gronddepots betreft die hier ca. 10 jaar geleden zijn gestort. In de grondhopen werden juist wel relatief veel vondsten aangetroffen, maar deze zijn waarschijnlijk van elders aangevoerd en houden geen verband met eventuele activiteiten in het verleden binnen het plangebied. Het materiaal dateert vooral uit de 18e en 19e eeuw. Op het meest westelijke perceel van deelgebied A werd een opvallende concentratie baksteenpuin waargenomen in de onderkant van de bouwvoor. Opvallend omdat op de recente gronddepots na het gehele plangebied vrijwel geen vondstmateriaal of insluitsels bevatte. Het baksteenpuin betreft een verspreid liggende concentratie gebroken rode en gele bakstenen. De hoeveelheid kan een aanwijzing vormen voor de aanwezigheid van een voormalige boerderij in het plangebied. Door de geringe ontgravingsdiepte tot onderkant bouwvoor en de ligging verspreid over een groter gebied was er echter geen duidelijke structuur te herkennen. Op historisch kaartmateriaal is op deze locatie geen boerderij teruggevonden. Het kan ook niet worden uitgesloten dat hier net als bij de gronddepots wellicht sprake is geweest van aanvoer van elders waarbij dit baksteenpuin op dit perceel is gedumpt. Zo is bijvoorbeeld bekend dat Delftse pottenbakkers in de 17e en 18e eeuw misbaksels uit hun productie langs de oevers van de Schie gedumpt hebben

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een aanvullend karterend booronderzoek

    No full text
    In opdracht van Aannemersbedrijf Randewijk BV heeft ADC ArcheoProjecten een aanvullend inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Molenweg 9 in Achterberg (gemeente Rhenen). In het plangebied zal nieuwbouw van tien rijtjeshuizen plaatsvinden. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een projectprocedure ten behoeve van een afwijking van het bestemmingsplan en was noodzakelijk om te bepalen of bij de voorgenomen activiteiten de kans bestaat dat archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. Op basis van eerder uitgevoerd bureau- en booronderzoek (De Jonge & Blom 2010) werden in het hele plangebied archeologische resten verwacht uit alle archeologische perioden. Het vondstniveau werd verwacht onder het mogelijk aanwezige plaggendek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. Tijdens het booronderzoek is een intacte bodem aangetroffen met een profiel bestaande uit een A-, Ben C- horizont. De dikte van de A-horizont is overwegend 50 cm of dikker waardoor de bodem kan worden gerekend tot de hoge zwarte enkeerdgronden. In de B-horizont zijn verschillende aardewerkfragmenten aangetroffen, waaronder kogelpot fragmenten uit de 10e tot 13e eeuw. Ook werden in één boring drie vuursteenfragmenten aangetroffen die mogelijk een aanwijzing vormen voor bewoning in de prehistorie. Hierdoor werd geadviseerd een Inventariserend Veldonderzoek uit te laten voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven. Teneinde de bestaande archeologische verwachting te verfijnen werd in het plangebied onder de bestaande bebouwing een aanvullend karterend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek bleek dat onder de bestaande loods de bodem grotendeels is opgebracht en slechts een restant van een A-horizont is aangetroffen van ca. 5 tot 20 cm dikte. Ter hoogte van de zuidelijk gelegen aanbouw is een (deels) intacte bodem aangetroffen met een A-horizont van ca. 150 cm dikte. Deze bodem kan worden gerekend tot een hoge zwarte enkeerdgrond. Dit komt overeen met het op basis van het bureauonderzoek verwachte bodemtype. Ter hoogte van de zuidelijke aanbouw is in de Ahorizont een fragment handgevormd aardewerk aangetroffen uit de 10e tot 13e eeuw n. Chr. In het eerder uitgevoerd booronderzoek zijn eveneens archeologische indicatoren aangetroffen die werden gedateerd in de 10e tot 13e eeuw. Mogelijk geven de archeologische indicatoren inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het dorp Achterberg. ADC ArcheoProjecten adviseert om in plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P), teneinde gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten te onderzoeken. Tevens adviseren wij de sloop van de bovengrondse bebouwing reeds uit te voeren zodat voor de graafmachine betere toegang tot het terrein ontstaat. Eén proefsleuf dient te worden gegraven ten noorden van de bestaande loods (ter hoogte van boringen 1 en 2 uit eerder uitgevoerd booronderzoek) met een westelijke tot oostelijke richting en één proefsleuf ten zuiden van de bestaande loods (ter hoogte van boringen 4 en 5 uit eerder uitgevoerd booronderzoek) met een zuidwestelijke tot noordoostelijke richting. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE)

    Visual semantics

    No full text
    Veel betekenisaspecten van taal liggen opgeslagen in het semantische geheugen. Het semantische geheugen is gebaseerd op onze ervaring met concrete objecten zoals planten, dieren en gereedschappen. Onderzoek met mensen die als gevolg van een hersenbeschadiging moeite hebben met het begrijpen van taal, heeft uitgewezen dat de betekenis van taal ook afhankelijk is van diverse sensorische en motorische gebieden van de hersenen, met name de visuele hersengebieden. Het ventrale pad is betrokken bij het herkennen van objecten, het dorsale pad maakt het mogelijk acties uit te voeren met objecten. Resultaten van experimenten die in dit proefschrift beschreven zijn geven aan dat het semantische geheugen een zeer nauwe relatie onderhoudt met het visuele systeem in onze hersenen. Dit ondersteunt ook de gedachte van een model van visuele semantiek waarin visueel-beschrijvende informatie eerst wordt opgehaald uit het lange-termijngeheugen en vervolgens wordt geactiveerd in het object-werkgeheugen. Het werkgeheugen is waarschijnlijk van belang in de koppeling tussen talige en visuele informatie. Visuele semantiek ligt dus eigenlijk op het kruispunt van semantische, visuele en talige processen Bron:Taaluniversum

    Handleiding voor het gebruik van de vragenlijst samen werken

    No full text
    Daarom heeft TNO Arbeid - met subsidie van de Nederlandse Stichting voor Psychotechniek - een vragenlijst getiteld ’Samen Werken’ ontwikkeld waarmee risicofactoren voor arbeidsconflicten en samenwerkingsproblemen in kaart kunnen worden gebracht. De vragenlijst is gebaseerd op een model dat ontwikkeld is op basis van wetenschappelijk onderzoek (Nauta, De Vries, Bosch & Van Schie, 2001). De vragenlijst heeft vier modules. De eerste drie modules gaan over samenwerking en conflict met respectievelijk collega?s in het eigen team, met de leidinggevende, en met andere teams. In deze modules staan vragen over de organisatie van het werk, de arbeidsverhoudingen, het soort conflict en de manier waarop met conflicten wordt omgegaan. In de vierde module staan vragen over de ervaren gevolgen van conflicten, zoals werktevredenheid en verzuim. De conclusie van het onderzoek is dat P&Oers en/of leidinggevenden met behulp van de vragenlijst ’Samen Werken’ goed kunnen nagaan of problemen in de samenwerking een belangrijke reden zijn voor verzuim. De lijst kan ook gebruikt worden als P&Oers en/of leidinggevenden conflictsituaties eerder willen onderkennen door zicht te krijgen op structurele oorzaken van conflicten en samenwerkingsproblemen

    Logistiek bij boortunnel Groene Hart: Een onderzoek naar de invloed van de logistieke processen in de tunnel op de veiligheid tijdens de bouw en de voortgang van de TBM

    No full text
    De Boortunnel Groene Hart maakt deel uit van de Hogesnelheidslijn-Zuid (HSL-Zuid. De ruim zeven kilometer lange boortunnel wordt aangelegd door het Groene Hart, tussen de plaatsen Leiderdorp en Hazerswoude-Dorp. De tunnel wordt aangelegd als een zogenaamde monotube, dat wil zeggen een grote diameter (14,5 meter) tunnel met twee rijrichtingen Bij de bouw van de tunnel onderscheidt men de ruwbouw en de afbouw. De ruwbouw bestaat uit de bouw van de tunnel lining, de technische galerij en de zand/cement aanvulling. De afbouw houdt in het aanleggen van de betonnen vloer, de anti-ontsporingsranden en de scheidingswand. Tijdens de bouw worden de ruwbouw en de afbouw tegelijk op verschillende plaatsen in de tunnel uitgevoerd. De ruwbouw vindt plaats op, of vlak achter de tunnelboormachine (TBM) en de afbouw volgt op ongeveer zeshonderd meter achter de TBM. Het ontwerp wordt naast de geintegreerde ruwbouw en afbouw gekenmerkt door drie vluchtschachten, die tijdens het boorproces gekruist worden. Deze schachten dienen in de gebruiksfase als ontsnaproute bij een calamiteit. Tevens worden tijdens de booractiviteiten nog twee luchtschachten aangelegd, die de functie hebben de drukgolf, die ontstaat bij het passeren van een trein, af te voeren. Tijdens de bouw dient het logistieke systeem in de tunnel zo georganiseerd te zijn, dat de voortgang van de TBM niet beinvloed wordt door een interactie van de verschillende bouwprocessen in de tunnel met de aanvoer van materiaal, of het op andere wijze falen van de aanvoer van materiaal naar de boormachine. Het is onbekend in hoeverre dit het geval is. Daarnaast is het niet zeker, dat de uitvoeringsmethoden, die worden toegepast bij de uitvoering van de Boortunnel Groene Hart veilig zijn. In deze studie is onderzocht wat de invloed van de logistieke processen in de tunnel is op de voortgang van de TBM en de veiligheid tijdens de bouw. Om de invloed van de logistiek in de tunnel op de voortgang van de TBM vast te stellen is een risico analyse uitgevoerd. Zodoende kan bepaald worden welke logistieke problemen zich voor kunnen doen tijdens de bouw van de tunnel. De analyse heeft geresulteerd in een overzicht van storingen en bijzondere gebeurtenissen binnen het logistieke systeem. De storingen ontstaan door de interactie van verschillende werkzaamheden, of door het falen van componenten van het logistieke systeem. Alle storingen hebben de eigenschap dat ze tijdelijk zijn, of eenvoudig kunnen worden verholpen door vervanging of reparatie van het element dat de storing veroorzaakt. De gevolgen van een storing worden uitgedrukt in de mogelijke vertraging van de TBM die ontstaat door de storing. Na het kwantificeren van de storingen op basis van gegevens die bekend zijn over boortunnel projecten in Nederland is de grootte van de invloed van de storingen op het boorproces bepaald. Het blijkt dat de vertraging door logistieke storingen een significant deel van de bouwtijd uit kan maken (ongeveer 7%). Het is van belang om tijdens de uitvoering te voorkomen dat de invloed van (de logistieke) storingen zo groot wordt, dat het halen van de geplande opleverdatum in gevaar komt. Naast storingen zijn er zogenaamde bijzondere gebeurtenissen, met een kleine kans en grote gevolgen voor de voortgang van het project. Door deze bijzondere gebeurtenissen kunnen vertragingen optreden, die het halen van de geplande opleverdatum in gevaar brengen. Uit de risico analyse volgt dat het maatgevende risico voor langdurige stilstand of vertraging van het boorproces een explosie of brand is. De risico analyse geeft echter nog geen antwoord op alle vragen over de invloed van de logistieke processen op de voortgang van de tunnelboormachine. Om ook de overige vragen te beantwoorden zijn nog een aantal onderzoeken uitgevoerd. Zonder in te gaan op de toegepaste berekeningsmethoden, is de belangrijkste conclusie van deze onderzoeken dat de voortgang van het boorproces slechts significant beinvloed wordt door eerdergenoemde storingen van het logistieke systeem. De gevolgen van kleine afwijkingen van de geplande procestijden en de gevolgen van alternatieve signaleringssystemen voor de geleiding van verkeer in de tunnel zijn klein. Om de invloed van het logistieke systeem op de veiligheid in de tunnel te bepalen is een veiligheidsanalyse uitgevoerd. Daarin is gekeken naar veiligheids- en gezondheidsrisico's, die voortkomen uit het logistieke systeem. Het is moeilijk aan te geven hoe groot de veiligheidsrisico's zijn in getallen. Wel kan worden aangegeven wat de belangrijkste aandachtpunten zijn bij de beoordeling van een veiligheidsplan. Het grootste risico tijdens de uitvoering is brand in de tunnel. Naast brand zijn slechte klimaatomstandigheden en mechanische ongevallen de belangrijkste V & G risico-items. De ervaring leert dat mechanische ongevallen in de schacht het meest voorkomen bij een dergelijk project. De belangrijkste aanbeveling voor de voortgang van het boorproces is dat het rendabel is om een trailer stand-by te hebben op de bouwplaats. Zodoende kan bij het Een aanbeveling, die gedaan wordt om de veiligheidsrisico's te minimaliseren, is het werken aan de bewustwording van de V & G risico's tijdens de uitvoering. Dit kan concreet gedaan worden door het geven van instructies en het toezien op de naleving van de veiligheidsmaatregelen. Tenslotte wordt aanbevolen om in een vervolg onderzoek de systeemgrenzen van dit onderzoek te verleggen en ook de mogelijke storingen van bijvoorbeeld de TBM en de scheidingsinstallatie in kaart te brengen. Zodoende krijgt men een beter beeld van de totale vertraging van het bouwproces door storingen. Deze kan vervolgens gebruikt worden om een uitspraak te doen over de betrouwbaarheid van de planning.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    How avatars become of the flesh and blood: A cognitive neuroscientific investigation of self-identification with avatars in massively multiplayer online role-playing games

    No full text
    Contains fulltext : 115397.pdf (Publisher’s version ) (Open Access)Radboud Universiteit Nijmegen, 28 augustus 2013Promotor : Wigboldus, D.H.J. Co-promotor : Schie, H.T. van154 p

    vanSchie_Leer_Open_Practices_Disclosure – Supplemental material for Lateral Eye Movements Do Not Increase False-Memory Rates: A Failed Direct-Replication Study

    No full text
    Supplemental material, vanSchie_Leer_Open_Practices_Disclosure for Lateral Eye Movements Do Not Increase False-Memory Rates: A Failed Direct-Replication Study by Kevin van Schie and Arne Leer in Clinical Psychological Science</p

    Cort van der Linden, P.W.A.

    No full text

    Cort van der Linden, P.W.A.

    No full text
    corecore