4,306 research outputs found

    De keerzijde van intra-EU arbeidsmobiliteit

    No full text
    Generaties arbeidsmigranten werkten en werken onder gunstige voorwaarden in andere EU-lidstaten, maar intra-EU arbeidsmigratie is niet langer meer zo vanzelfsprekend als het ooit was. Helen Oosterom-Staples staat stil bij de gevolgen van de uitoefening van dit recht in gastlidstaten en herkomstlidstaten. Zo blijkt dat de lusten en lasten van deze arbeidsmobiliteit ongelijk zijn verdeeld, tussen deze lidstaten, tussen verschillende maatschappelijke groepen binnen beide, en tussen EU-lidstaten en derde staten. Een van de reacties van herkomstlidstaten is om het gebruik van intra-EU- arbeidsmobiliteit te ontmoedigen met nationale wetgeving. Twee uitspraken van het Hof van Justitie over een nationale regeling die de intra-EU arbeidsmobiliteit minder aantrekkelijk maakte, ter bescherming van het evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, worden geanalyseerd. Deze bijdrage wordt afgesloten met een vraag aan de lezer: Wie moet de prijs van het recht op intra-EU mobiliteit betalen

    Ongelijke gelijke behandeling van derdelanders:Het recht op sociale zekerheid nader bepaald

    No full text
    Derdelanders worden door het HvJ EU buiten de werkingssfeer van de gelijke behandelingsbepaling van art. 18 VWEU gehouden. Ondanks de intenties van de Tampere conclusies uit 1999 worden zij nog niet altijd gelijk behandeld aan de onderdanen van hun gastlidstaat. Niettemin is op basis van gelijke-behandelingsbepalingen uit verschillende EU-richtlijnen die de verblijfsrechtelijke status van derdelanders in een gastlidstaat bepalen, bij onderwerpen als sociale zekerheid toch een verregaande vorm van bescherming tegen ongelijke behandeling te ontwaren. Die gelijke behandeling is per richtlijn verschillend vormgegeven, waardoor er een zeer complex juridisch beeld ontstaat. Dat is de conclusie van Paul Minderhoud en Helen Oosterom-Staples uit hun uitgebreide analyse van vier richtlijnen inzake de verblijfsrechtelijke positie van derdelanders en de daarbij horende rechtspraak van het HvJ EU: de Langdurig ingezetenenrichtlijn, de (herziene), Blauwe kaartrichtlijn, de GVVA-richtlijn en de Kwalificatierichtlijn. Ze eindigen met de bespreking van enkele recente EU-wijzigingsvoorstellen en een kritische kanttekening bij de keuze van het Hof van Justitie om derdelanders buiten de werkingssfeer van art. 18 VWEU. te hou

    Ongelijke gelijke behandeling van derdelanders:Het recht op sociale zekerheid nader bepaald

    No full text
    Derdelanders worden door het HvJ EU buiten de werkingssfeer van de gelijke behandelingsbepaling van art. 18 VWEU gehouden. Ondanks de intenties van de Tampere conclusies uit 1999 worden zij nog niet altijd gelijk behandeld aan de onderdanen van hun gastlidstaat. Niettemin is op basis van gelijke-behandelingsbepalingen uit verschillende EU-richtlijnen die de verblijfsrechtelijke status van derdelanders in een gastlidstaat bepalen, bij onderwerpen als sociale zekerheid toch een verregaande vorm van bescherming tegen ongelijke behandeling te ontwaren. Die gelijke behandeling is per richtlijn verschillend vormgegeven, waardoor er een zeer complex juridisch beeld ontstaat. Dat is de conclusie van Paul Minderhoud en Helen Oosterom-Staples uit hun uitgebreide analyse van vier richtlijnen inzake de verblijfsrechtelijke positie van derdelanders en de daarbij horende rechtspraak van het HvJ EU: de Langdurig ingezetenenrichtlijn, de (herziene), Blauwe kaartrichtlijn, de GVVA-richtlijn en de Kwalificatierichtlijn. Ze eindigen met de bespreking van enkele recente EU-wijzigingsvoorstellen en een kritische kanttekening bij de keuze van het Hof van Justitie om derdelanders buiten de werkingssfeer van art. 18 VWEU. te hou

    Ongelijke gelijke behandeling van derdelanders:Het recht op sociale zekerheid nader bepaald

    No full text
    Derdelanders worden door het HvJ EU buiten de werkingssfeer van de gelijke behandelingsbepaling van art. 18 VWEU gehouden. Ondanks de intenties van de Tampere conclusies uit 1999 worden zij nog niet altijd gelijk behandeld aan de onderdanen van hun gastlidstaat. Niettemin is op basis van gelijke-behandelingsbepalingen uit verschillende EU-richtlijnen die de verblijfsrechtelijke status van derdelanders in een gastlidstaat bepalen, bij onderwerpen als sociale zekerheid toch een verregaande vorm van bescherming tegen ongelijke behandeling te ontwaren. Die gelijke behandeling is per richtlijn verschillend vormgegeven, waardoor er een zeer complex juridisch beeld ontstaat. Dat is de conclusie van Paul Minderhoud en Helen Oosterom-Staples uit hun uitgebreide analyse van vier richtlijnen inzake de verblijfsrechtelijke positie van derdelanders en de daarbij horende rechtspraak van het HvJ EU: de Langdurig ingezetenenrichtlijn, de (herziene), Blauwe kaartrichtlijn, de GVVA-richtlijn en de Kwalificatierichtlijn. Ze eindigen met de bespreking van enkele recente EU-wijzigingsvoorstellen en een kritische kanttekening bij de keuze van het Hof van Justitie om derdelanders buiten de werkingssfeer van art. 18 VWEU. te hou

    Residence rights for caring parents who are also victims of domestic violence

    No full text
    Abstract Traditionally, parents determine their children’s right to reside in a host-State. This means that a child’s right to remain in a host-State is intrinsically linked to the presence of those parents in their host-State. This changed for the eu Member States with the Court of Justice’s ruling in the Baumbast case and was extended in that Court’s Chen ruling. In these cases the Court of Justice, as a first step, acknowledged children as independent bearers of residence rights. To ensure the effectiveness of this right to remain, the Court of Justice, as a second step, reasoned that a third-country national parent also enjoys a right to remain in that Member State if that parent is their primary carer. These rulings play a crucial role in the Court of Justice’s recent decision in the na case. Although Article 13(2) of the Citizens Directive provides for a right to remain as a victim of domestic violence, it is not in this capacity but rather her capacity of the primary carer of two young eu-citizens that ensures her a right to remain in her host-Member State after the departure of her eu-citizen spouse. This contribution seeks an alternative reading of Article 13(2)(c) of the Citizens Directive to that offered by the Court of Justice in the na case. Arguments are found in that Directive’s objectives, drafting history and effectiveness; benchmarks normally used by the Court of Justice in its case law when clarifying the scope of eu free movement rights, as well as that Court’s case law on the declaratory nature of those rights.</jats:p
    corecore