4,019 research outputs found
Voeding van de oudere mens
Als de mens ouder wordt, treden er fysiologische veranderingen op en komen ziekte en beperkingen vaker voor. Deze veranderingen hebben onder meer effect op de energiebehoefte en op de eiwitbehoefte. Volgens de huidige inzichten is van de micronutriënten alleen de behoefte aan vitamine D verhoogd. Deze bedraagt voor 70-plussers 20 μg/dag. Voor ogenschijnlijk gezonde ouderen verandert de behoefte aan andere vitaminen en mineralen nauwelijks. Dat betekent dat bij een verlaagde energie-inneming de vitamine- en mineralendichtheid van de voeding moet toenemen. Dit kan bereikt worden door een verschuiving in de voedselkeuze, wat niet eenvoudig te bereiken is bij ouderen met weinig eetlust. Behalve fysiologische veranderingen en ziekten kunnen medicijngebruik en sociaal-psychologische problemen een effect hebben op de voedingsgewoonten. In dit hoofdstuk worden de meest gesignaleerde problemen in de voeding van ouderen besproken en er worden enkele praktische adviezen gegeven
Impact bodemprognose op detailadviezen Oosterschelde
Het doel van deze studie is de invloed van de prognosebodem voor het jaar 2062 op de golfhoogte (Hs), golfperiode (Tpm) en golfbelasting (Z1) uit de bestaande detailadviezen van de Oosterschelde vast te stellen. Daarnaast is in deze studie een advies gegeven of en hoe men ook voor dijkvakken waar nog geen detailadvies is afgegeven de invloed van de bodemprognose voor het jaar 2062 kan meenemen. De opbouw van dit rapport is als volgt. Na deze inleiding van hoofdstuk 1 wordt in hoofdstuk 2 de methodiek besproken, zoals deze in de huidige studie is toegepast. Daarnaast wordt een korte gebiedsbeschrijving gegeven. Hoofdstuk 3 geeft een korte samenvatting van de herkomst van de huidige golfrandvoorwaarden die worden toegepast in de huidige detailadviezen (op basis van de ontwerpbodem). In hoofdstuk 4 wordt naast de herkomst van de ontwerpbodem en prognosebodem de interpolatie van de prognosebodem naar de rekenroosters voor de in deze studie uitgevoerde simulaties besproken. Ook worden in dit hoofdstuk de verschillen tussen de ontwerpbodem en prognosebodem kort geanalyseerd. De beschrijving van de in deze studie uitgevoerde SWAN berekeningen is te vinden in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 beschrijft de bepaling van de maatgevende golfrandvoorwaarden per dijkvak en de daarbij toegepaste correcties op de SWAN resultaten. De impact van de bodemprognose staat beschreven in hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8 geeft een advies over de toepassing van bodemschematisatie met betrekking tot de detailadviezen voor de Oosterschelde. Daarnaast wordt ook een advies gegeven over hoe de herziene golfrandvoorwaarden het beste kunnen worden verwerkt in de bestaande en de nog op te leveren detailadviezen. Tenslotte zijn de conclusies en aanbevelingen te vinden in hoofdstuk 9
Protectiecurven voor de FM-band van centrale antenne-inrichtingen
Protectiecurven voor de FM-band van centrale antenne-inrichtingen zijn grafieken welke het toelaatbare niveau van intermodulatieprodukten geven als functie van het gewenste FM-signaal en het stoorprodukt. Dit afstudeerverslag baseert zich op het opleggen van.de CCIR ruis- en single frequentie-eisen aan het hoorbare signaal, er worden dus voor elk stoorprodukt twee curven gegeven. De intermodulatieprodukten worden ingedeeld naar de modulatie van de bronsignalen, FM-geluid en restzijband-beeld. De resultaten zijn ondergebracht in hoofdstuk 9, dat los van de rest van het verslag gelezen kan worden.Applied SciencesElectrical EngineeringLaboratorium voor Transmissie van Informati
DANS EASY REST API en demonstrator
Data Archiving and Networked Services (DANS) is een instituut dat zich voornamelijk bezighoudt met het bevorderen van duurzame toegang tot digitale onderzoeksgegevens. EASY (Electronic Archiving SYstem) is het online archiveringssysteem dat hiertoe dient. EASY bevat veel datasets met data en metadata die op dit moment alleen toegankelijk zijn via de webinterface. De opdracht voor deze BSc-stage was om een API te ontwikkelen (op basis van REST principes) die het voor externe applicaties mogelijk maakt te communiceren met EASY. Tevens moest een demonstrator app gebouwd worden die de mogelijkheden van API demonstreert. We begonnen het project met een oriëntatie fase, waarin we onderzochten wat mogelijke oplossingen konden zijn en welke tools we het beste konden gebruiken. Hierna volgde het ontwerp proces. De eerste stap in het ontwerp proces was het verzamelen en prioriteren van de requirements. Hiertoe hebben we verschillende stakeholders van het project benaderd en Requirements Analysis Documents (voor de server en voor de demonstrator) opgesteld. We hebben tevens gekeken of een op REST (Representational State Transfer) gebaseerde oplossing inderdaad de meest efficiënte was, dit bleek het geval te zijn. We hebben het REST principe verder geëxtrapoleerd en ons gecommiteerd aan het ROA (Resource Oriented Architecture) principe. We hebben de API als een zelfstandige module geimplementeerd die slechts communiceert met de business laag van EASY. De demonstrator is in staat te communiceren met de API en (meta)data daaruit op te vragen. Wij hebben veel tijd besteed aan het onderhoudbaar houden van het systeem. Dit deden we onder andere door veel tests te schrijven, gebruik te maken van standaarden en veel gebruikte frameworks/tools. Gedurende het project zijn er een aantal tegenslagen geweest die wij moesten overwinnen. Sommige tegenslagen waren van technische aard, zoals het configureren van de Spring context en de Maven dependencies of security overwegingen die ons parten speelden. Andere tegenslagen waren van juridische aard en slechts te verhelpen door toezeggingen van de jurist van DANS. Wij hebben naar ons gevoel het doel van de opdracht bereikt. De API is in staat om applicaties en toepassingen van derden te serveren met data uit EASY en de demonstrator is in staat om de potentie van een dergelijke API aan te tonen en de functies te valideren. DANS zou op de ingeslagen weg door moeten gaan en de API verder valideren en uitbouwen. Hiertoe hebben we een aantal aanbevelingen in dit verslag opgenomen.Technische InformaticaComputer ScienceElectrical Engineering, Mathematics and Computer Scienc
Reconstructie van de ontwikkeling van de Hollandse kust in de laatste 2500 jaar
Onderzoekskader In het kader van het KUST*2000 programma van Rijkswaterstaat wordt onder meer onderzoek gedaan naar de grootschalige en lange-termijn ontwikkeling van de Nederlandse kust. Een goed begrip van de lange-termijn ontwikkeling van onze huidige kust in het verleden is essentieel voor het inzicht in de gevolgen van grootschalige ingrepen in de kustzone. Het doel van het hier gerapporteerde onderzoek is het in detail vaststellen van de grootschalige en lange-termijn trend in de ontwikkeling van de Hollandse kust tussen Zandvoort en Den Haag gedurende de afgelopen 2500 jaar. De volgende vragen zijn hierbij van belang: 1. Wat is de natuurlijke lange-termijn ontwikkeling van de Hollandse kust gedurende de afgelopen 2500 jaar: netto aanzanding of netto erosie? Wat is de omvang in tijd van de fluctuaties rond deze grootschalige trend? 2. Wat zijn de sturende factoren en belangrijkste processen die hierin een rol spelen? 3. Kunnen we de conclusies met betrekking tot de lange-termijn ontwikkeling van de kust bij Haarlem extrapoleren naar de rest van de Hollandse kust? 4. Past de ontwikkelingstrend van de laatste 30 jaar in deze natuurlijke ontwikkeling of is het effect van menselijk ingrijpen hierin dominant? Activiteiten In het kader van dit project zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Integratie van de kennis van de ontwikkeling van de strandwallenkust tussen Haarlem en Monster door middel van literatuurstudie; 2. Aanvulling en verfijning van het tijdsframe van de afzettingen van de uitbouwende Hollandse kust, met name voor de laatste 2500 jaar, door middel van nieuwe boringen en dateringen; 3. Aanvulling van deze gegevens met grondradaronderzoek waarmee de werkelijke opbouw van de ondergrond vast te stellen is. Resultaten -Lange termijn ontwikkeling Gedurende de laatse 2500 jaar komt er een einde aan de uitbouw (en dus netto aanzanding) van de kust van Holland. De kust moet in de Romeinse tijd of kort daarna zijn meest westelijke ligging bereikt hebben. Hierna begon de terugtrekking, waarbij zeewaarts uitstekende delen van de kust opgeruimd werden. Het begin van grootschalige duinvorming vanaf de 8e eeuw doet vermoeden dat de erosie van de Hollandse kust toen begonnen is of veel aanzienlijker geworden is dan daarvoor. De oorzaak voor deze erosie is niet duidelijk. Het Jonge Duinzand is rijk aan schelpgruis, hetgeen suggereert dat dit zand afkomstig moet zijn van de onderwateroever. Rond 1300 AD was de deha van de Oude Rijn bij Katwijk opgeruimd, hetgeen gepaard ging met een forse erosie. Ten zuiden van Katwijk was de terugtrekking minder, zij het niet verwaarloosbaar. Ten noorden van Katwijk was de afslag klein tot nihil. Het einde van de Jonge Duinvorming wordt rond 1600 AD geplaatst. Nadien zijn er slechts locale en kleinschalige veranderingen opgetreden. Registraties van de kustligging over ca. de afgelopen eeuw tonen een uitbouw van de gemiddeld laagwaterlijn tussen Egmond en Scheveningen. Gedurende deze periode trad er op de hele onderwateroever van de Hollandse kust beneden NAP- 8m zandverlies op, met uitzondering van de omgeving van IJmuiden en Scheveningen (effect havendammen). Het overgrote deel van dit verlies vindt plaats ten noorden van IJmuiden. Ten zuiden van IJmuiden zijn de zandverliezen gering en is de kust min of meer stabiel. Fluctuaties op de ontwikkelingstrend van de kust blijken onder meer uit afzettingen van zo'n 300 tot 400 jaar voor heden direct onder de huidige strandafzettingen. Rond die tijd heeft een aanzienlijk erosie van het strand plaatsgevonden (de hoogwaterlijn lag toen 100 tot 200 m verder zeewaarts), waarna er weer verticale opbouw plaatsvond. -Factoren en processen De erosie van de onderwateroever van de terugtrekkende kust was grotendeels voltooid vóór de uitbouw van de strandwallen. Dit houdt in dat de opbouw van de strandwallen gevoed moeten zijn met zand uit een andere bron. Waarschijnlijk speelt langstransport hierbij een belangrijke rol. In de afzettingen van de uitbouwende kust bij Haarlem neemt de omwerking van de afzettingen in met name de brandingszone toe in zeewaartse richting. Dit hangt waarschijnlijk samen met de afname in uitbouwsnelheid. De afwisseling van strandwallen en strandvlaktes tijdens de uitbouw van de kust kan wijzen op schommelingen in de aanvoer van sediment per tijdseenheid. Het voorkomen van transgressieve elementen in de uitbouwende serie, zoals bijv. washovers, duidt op schommelingen rond de trend van uitbouw. Het gaat hier waarschijnlijk echter om kleinschalige en kortdurende gebeurtenissen, veroorzaakt door bijvoorbeeld stormen. -Uniformiteit ontwikkeling Hollandse kust Uit vergelijking van de profielen bij Haarlem en Wassenaar blijkt dat de ontwikkeling van beide gebieden niet direct vergelijkbaar is. De ontwikkelingen bij Wassenaar staan onder invloed van de ontwikkeling van de monding van de Oude Rijn. De uitbouw ging hier aanzienlijk sneller. Nadien is hier een sterke erosie opgetreden, samenhangend met het opruimen van de Oude Rijn delta. De ontwikkeling van het gebied bij Haarlem verloopt langzamer. De uitbouw van de kust is hier aanzienlijk langer doorgegaan. Vervolgens is er veel minder erosie opgetreden dan bij Wassenaar. -Rol menselijke ingrijpen Gedurende de laatste 30 jaar is de kustnabije zone van het hier beschouwde deel van de Hollandse kust ten noorden van Katwijk min of meer stabiel of aanzandend, terwijl het deel ten zuiden van Katwijk eroderend is. Dit is in overeenstemming met het beeld dat naar voren komt uit de ontwikkeling over de laatste 2500 jaar. Lokaal verstoren de effecten van met name de aanleg van havendammen dit beeld. Daarnaast leidt het vasthouden van de waterlijn en de zeereep, door middel van respectievelijk strandsuppleties en beplanting, waarschijnlijk tot een verstoring van het natuurlijk kustprofïel.005.60044/01.03 Programma Kust 200
Handleiding hydraulische detailadviezen Oosterschelde en Westerschelde
Deze handleiding is geschreven als achtergrond bij de detailadviezen aan het Projectbureau Zeeweringen. In een detailadvies voor het Projectbureau Zeeweringen worden alle randvoorwaarden voor het ontwerp vastgelegd. Deze randvoorwaarden bestaan uit golfcondities en waterstanden die geldig zijn voor een gedefinieerd dijktraject en andere voorwaarden waaronder het ontwerp geldig is. Adviseren in een continue veranderende technische en maatschappelijke omgeving vraagt om actuele kennis. Om een hoogstaande kwaliteit van de detailadviezen te garanderen en de gevolgde aanpak voor de toekomst vast te leggen is deze handleiding opgesteld waarin de achtergronden en ervaringen staan beschreven. De handleiding bestaat uit 3 delen, waarbij deel 1 is onderverdeeld in een deel 1A en 1B. Het voorliggende deel 1A is een praktijk gerichte handleiding en behandelt de methodiek die is gebruikt vanaf april 2010 bij het opstellen van de detailadviezen voor de Oosterschelde. Stapsgewijs wordt uitgelegd welke zaken in een detailadvies gecontroleerd en beschreven dienen te worden. Deel 1B [ref. 19] beschrijft de methodiek die tot april 2010 is toegepast. Deel 1B heeft betrekking op de aanpak van zowel de Ooster- als de Westerschelde. Het hieraan complementaire deel 2 [ref. 20] beschrijft de achtergrond en historie van de ontwikkelingen van de golfberekeningen en het gebruik van de detailadviezen door Projectbureau Zeeweringen. In deel 3 [ref. 21] zijn de notities verzameld die toegepast worden bij de detailadviezen. In voorliggend rapport is de handleiding van 23 november 2007 [ref. 7 en 8] geactualiseerd
Integraal Plan voor de kust van Katwijk: Ontwikkeling van Veiligheid en Recreatie
In Katwijk zijn er verschillende partijen die plannen hebben met betrekking tot de kust. Veiligheidsverhoging van een deel van Katwijk dat nog niet op deltaniveau is, een vergrootte uitwateringsvoorziening, de geprojecteerde nieuwe zeejachthaven en ontsluiting van het scheepvaartverkeer vanaf zee zijn hierbij de kernwoorden. De projectgroep heeft zichzelf als doel gesteld een integraal plan te ontwikkelen voor het kustgebied van Katwijk met het oog op bovengenoemde aspecten. Daarnaast wordt aandacht besteed aan mogelijke natuurontwikkeling, duinontwikkeling, zoetwaterbeheer en de uitbreiding van de kuststrook in westelijke richting. Aspecten zoals invloed van de plannen op de kustmorfologie wordt erg belangrijk geacht. Er is voor gekozen een methode te kiezen waarbij de nadruk ligt op de inventiviteit van de groep, om tot een groot scala ideeën te komen. Er zijn onder andere brainstormsessies gehouden, waarbij zo min mogelijk oplossingen op voorhand zijn uitgesloten. Als kader is echter wel gelet op de wetgeving omtrent planontwikkeling en de functie van de kust als bescherming van Nederland. Er is naar een overzicht van de alternatieven toegewerkt, waarmee de politiek een onderbouwde keuze kan maken voor de inrichting van het gebied. Er is voor gekozen een lijst op te stellen van alle mogelijke functies van en criteria voor het kustgebied van Katwijk om een goede beoordelingsmethode te vormen. Nadat deze zijn gekoppeld aan de belangen van de betrokken partijen, is er aan de hand van een selecte lijst met functies en criteria een vragenlijst opgesteld, waarop de alternatieven uiteindelijk beoordeeld worden. Voor de twaalf alternatieven is eerst de score per criterium bepaald. Dit is gebeurd door middel van het geven van waarden van 1 tot en met 5, waarbij 1 het beste is en 5 het minst beste. Zo zijn de alternatieven ten opzichte van elkaar geschaald. De alternatieven zijn beoordeeld op criteria zoals morfologie, veiligheid en natuurwaarde. Het resultaat van de studie is een multicriteria scoretabel waarin elk alternatief beoordeeld is op 13 criteria. Op basis van deze tabel en de rest van het onderzoeksresultaat kan wel worden gebruikt om een keuze voor één of enkele alternatieven te maken, met de betrokken partijen, welke, na bereiken van consensus, verder kan worden onderzocht en uitgewerkt.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
De Vaart der Volkeren: Buitenlandse bedrijven en hun werknemers in Amsterdam en de rest van Nederland
Op basis van de analyses in dit onderzoek komen we tot de volgende conclusies: • Buitenlandse bedrijven vertegenwoordigen bijna 13 procent van de werkgelegenheid in Nederland; • De werkgelegenheid in buitenlandse bedrijven komt voor 66 procent van bedrijven met een Europese eigenaar en voor 23 procent van bedrijven met een eigenaar uit de Verenigde Staten; • In absolute aantallen zijn groothandel, detailhandel en financiële instellingen de grootste sectoren gemeten naar buitenlandse werkgelegenheid; • In vergelijking met de totale omvang van de sectoren is het aandeel van buitenland-se werkgelegenheid relatief groot bij de winning van delfstoffen, de industrie en ver-voer en communicatie; • Amsterdam gaat in Nederland onbetwist aan kop als het gaat om buitenlandse eco-nomische bedrijvigheid: o Van de totale nationale werkgelegenheid bij buitenlandse bedrijven bevindt zich 19 procent in Amsterdam en Haarlemmermeer en 28 procent in de Me-tropoolregio Amsterdam; o In Amsterdam komt de meeste buitenlandse werkgelegenheid van financiële instellingen, groothandel en holdings; o In vergelijking met de rest van Nederland vertegenwoordigen buitenlandse bedrijven een groot deel van de werkgelegenheid in Amsterdam voor financi-ele instellingen, zakelijke dienstverlening en logiesverstrekking; o Buitenlandse bedrijven trekken binnen Nederland per saldo naar Amsterdam, maar het gaat om kleine aantallen (100 in zes jaar tijd); o Veel migratie vindt plaats binnen de regio Groot-Amsterdam; • Buitenlandse bedrijven zijn na correctie voor omvang en regio gemiddeld ongeveer 30 procent productiever dan Nederlandse bedrijven in dezelfde sector; • Buitenlandse bedrijven betalen hogere lonen dan Nederlandse bedrijven; • Dit geldt ook als we alleen kijken naar werknemers die gelijktijdig of volgtijdelijk werkten bij zowel een Nederlands als een buitenlands bedrijf; • Buitenlandse bedrijven beïnvloeden de innovativiteit en productiviteit van andere be-drijven in de nabijheid (binnen de gemeente) niet méér dan een identiek Nederlands bedrijf. We vinden dus geen extra agglomeratie-effect door nabijheid (binnen de ge-meente) tot buitenlandse bedrijven of werknemers
Alterações hemodinâmicas e eletrocardiográficas após o uso de neostigmina
Trabalho de Conclusão de Curso - Universidade Federal de Santa Catarina. Curso de Medicina. Departamento de Clínica Cirúrgica
Fish fatty acids and mental health in older people
Background It has been suggested that the intake of fish and marine n-3 polyunsaturated fatty acids could protect against age-related cognitive decline and impaired mental well-being. However, results from observational studies are inconclusive and data from randomized controlled trials in older people without clinical dementia or depression are scarce. The objective of this thesis was to investigate the effect of daily supplementation with eicosapentaenoic acid (EPA) and docosahexaenoic acid (DHA) on cognitive performance and mental well-being in an older non-clinical population. We also examined the effect of fish oil on gene expression profiles in white blood cells to identify early changes in pathways possibly related to mental health. Furthermore, we assessed the association of fish and EPA+DHA intake with mental health in different aging populations. Methods The effect of low and high doses of EPA+DHA (400 and 1,800 mg per day, respectively) on cognitive performance, several measures of mental well-being, and gene expression was examined in a 26-week randomized, double-blind, placebo-controlled trial. This study was conducted in 302 individuals aged 65 years or older with no clinical diagnosis of dementia or depression. Furthermore, the cross-sectional association between fatty fish and EPA+DHA intake with cognitive performance and the association with cognitive change during 6 years of follow-up was assessed in 1,025 aging US men who participated in the Veterans Affairs Normative Aging Study (NAS). In addition, the associations of EPA+DHA and fish intake with depressive symptoms and dispositional optimism were assessed in 644 free-living Dutch subjects with a history of myocardial infarction. Results Daily intake of low or high doses of EPA+DHA did not affect cognitive performance, mental well-being, anxiety, or quality of life, after 13 or 26 weeks of intervention. However, treatment with EPA+DHA for 26 weeks altered gene expression in white blood cells to a more anti-inflammatory and more anti-atherogenic profile. In elderly US men we found no association of fatty fish or EPA+DHA intake with cognitive performance or 6-year cognitive change. Intake of EPA+DHA was positively associated with dispositional optimism in subjects with a history of myocardial infarction. There was also a tendency for less depressive symptoms with a higher EPA+DHA or fish intake, but this association was no longer statistically significant after controlling for confounders. Conclusion Supplemental intake of EPA+DHA is unlikely to have a short-term impact on cognitive performance or mental well-being of older people without a clinical diagnosis of dementia or depression. Whether long-term intake of EPA+DHA and fish could be beneficial to the maintenance of cognitive performance or mental well-being of older people in Western populations still needs to be established. <br/
- …
