1,720,977 research outputs found
RAM 89
Tijdens het onderzoek op Woonwagenkamp-Lienden in de Betuweroute (vindplaats 14/15) zijn overblijfselen van bewoning uit verschillende perioden aangetroffen, waarvan de vroegste dateert uit het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd. Door de diepteligging van deze resten konden ze onder de toekomstige spoorbaan behouden blijven. Het onderzoek heeft zich vooral toegespitst op bewoning uit de Midden-Bronstijd. Hoewel het aardewerk uit deze tijd zich niet leent voor een nauwkeurige en betrouwbare datering, is het toch de enige materiaalcategorie die ons een handvat geeft. Het aardewerk kan geplaatst worden in de Midden-Bronstijd B. Gekalibreerde 14C-dateringen wijzen op de periode van circa 1600 tot circa 1500 v. Chr., al naar gelang de statistische analyse. De dateringen schommelen derhalve rond de overgang van Midden-Bronstijd A naar Midden-Bronstijd B.
De laatste bewoning speelt zich af in de Romeinse tijd. Vooral in het oosten van het onderzochte gebied vindt men sporen uit deze periode. Hier grenst de vindplaats aan Kesteren-De Woerd, waar een gedeelte van een nederzetting uit de Midden-IJzertijd en de Romeinse tijd werd onderzocht (zie RAM 82).
Uit het fysisch-geografisch onderzoek blijkt dat in de omgeving van het onderzoeksgebied twee stroomruggen aanwezig zijn. Van oost naar west loopt de Westerveldse stroomrug, gelegen ten oosten en zuiden van de vindplaats, terwijl in het zuidwestelijke deel de Echteldse stroomrug ligt. Voor het onderzoek zijn vooral de crevasseafzettingen in de komgebieden van deze stroomruggen van belang. De nederzetting uit de Midden-Bronstijd is gevestigd op de vegetatiehorizont van een crevasseafzetting. Op het westelijk deel van het opgravingsterrein werd een crevassegeul aangetoond met daarnaast een crevasse-oeverwal. Op de hoogste delen van deze oeverwal werd in deze periode gewoond. De crevasseafzettingen vormden steeds hoge ruggen in het landschap, waardoor men er droog kon wonen en er akkers kon aanleggen, terwijl de komgebieden relatief laag waren en drassig bleven.
Grondsporen bevonden zich voornamelijk in het westelijk gedeelte van vindplaats 14 en op vindplaats 15, terwijl het tussengelegen oostelijk deel van vindplaats 14 vrijwel leeg bleef. De structuren behoren tot drie verschillende erven. Daarbij wordt een erf uit de Bronstijd gezien als een terrein waarop een lange, drieschepige plattegrond is gesitueerd, omringd door een aantal vier- of meerpalige structuren. De lange plattegrond wordt geïnterpreteerd als een woonstalboerderij, de overige structuren als bijgebouwen.
Eén erf ligt op vindplaats 14-west en twee erven op vindplaats 15. Vindplaats 14-west bevatte twee niet-gelijktijdige huisplattegronden. Kennelijk is één ervan, structuur (D), een belangrijk centrum van activiteit geweest. Dat blijkt onder andere uit het bewerkte botmateriaal. Twee min of meer complete geweibijlen van het type basisbijl zijn gevonden in de omgeving van plattegrond D. Ook vijf schouderbladfragmenten van rund komen hiervandaan. Het zijn zogenaamde ‘snijtafeltjes’. Het is duidelijk dat het botmateriaal is gekozen om de stevige vlakken. Uitstekende delen, zoals de spina, zijn afgesneden en afgevlakt. De snijsporen op het oppervlak zijn vooral diepe, lange krassen. Mogelijk zijn de snijtafeltjes gebruikt als onderlaag bij het snijden van leer, huiden of vlees. Ervan uitgaande dat elk huis ca. 30 jaar meeging, zullen op vindplaats 14 twee generaties gewoond hebben.
Het westelijke erf van vindplaats 15 bevat een huisplattegrond en enkele bijgebouwen. Deze zijn mogelijk toe te schrijven aan een erf dat gedurende één generatie bewoond is geweest. Een opvallend grondspoor op dit erf verdient speciale vermelding. Het is een kuil met een bijzondere inhoud. In deze kuil werden zeven complete astragali en 28 complete gebitselementen uit de bovenkaak van rund gevonden, alsmede drie complete molaren uit de bovenkaak van varken. Alle resten zijn van volwassen dieren. Op enig afval van andere vondstcategorieën en enkele botfragmenten na, die mogelijk toevallig in de kuil terecht zijn gekomen, lijkt bovengenoemde verzameling opzettelijk gedeponeerd.
In het oostelijk deel van vindplaats 15 zijn de plattegronden van drie woonstalhuizen herkend. Op dit erf hebben dus ten minste drie generaties gewoond, en het is daarmede het langst bewoonde erf van de vindplaats. Een opvallende structuur in dit deel van het opgravingsterrein is de ronde plattegrond O. De vaker – altijd achteraf op de tekentafel – in de grondsporen van opgravingen herkende ronde structuren zijn aan discussie onderhevig. Het is geenszins zeker of de herkende structuren ook werkelijk bouwwerken of betekenisvolle configuraties vertegenwoordigen.
Al met al zijn op vindplaats 14/15 drie afzonderlijke erven aangetoond. Zo’n klein aantal erven op enige afstand van elkaar kan men in de Midden-Bronstijd interpreteren als een nederzetting. Men mag echter niet veronderstellen dat de gehele nederzetting is opgegraven, want de opgravingssleuven waren relatief klein en hoofdzakelijk oost-west gericht. Op vindplaats 14-west ontbreekt de plattegrond van één van de drie generaties die er wellicht gewoond hebben, en op het westelijk deel van vindplaats 15 werd de plattegrond van slechts één woonstalhuis herkend. Daarnaast zijn er in de directe omgeving meerdere vestigingsplaatsen waar erven gelegen kunnen hebben. Eén zo’n plek is door het fysisch-geografisch onderzoek aangewezen, direct ten noorden van vindplaats 14-oost. Mogelijk is de hier herkende plattegrond van een spieker bij de bewoners van het bewuste erf in gebruik geweest.
De opgraving heeft veel informatie verschaft over de materiële cultuur van de voormalige bewoners. Vuursteen speelde kennelijk, ondanks de bekendheid met brons, nog steeds een belangrijke rol in het dagelijks leven. Er werden overigens geen hoge eisen meer aan het materiaal gesteld. Voornamelijk kleine, vaak grillig gevormde knolletjes dienden als grondstof. Vuur- en natuursteen werden uit rivierafzettingen in de nabije omgeving betrokken; er is geen aanwijzing voor aanvoer over grote afstanden.
Botanisch onderzoek geeft een beeld van een open landschap met hier en daar een bosje waar sleedoorn en hazelaar groeien. Er was water, met vlotgras, munt en kattenstaart erlangs. Op de hogere delen van de crevasseafzettingen lagen akkers. Daarop wijzen dorsresten en akkeronkruiden in de geanalyseerde monsters. Er werd gerst verbouwd en mogelijk emmertarwe. Het beperkte assortiment voedselgewassen dat is aangetroffen en het grote aandeel van graslandplanten ten opzichte van akkeronkruiden, suggereren dat veeteelt een belangrijker rol speelde dan akkerbouw. Als aanvulling op het menu zijn vruchten van de sleedoorn en hazelnoten verzameld. Buiten de akkers groeiden op de oeverwallen en hogere gronden eiken, hazelaars, iepen en linden.
Veeteelt was de belangrijkste basis van de vleesvoorziening. Er werd ook gejaagd en gevist, maar in geringe mate. Mogelijk werd er vooral gejaagd voor het verkrijgen van bont, maar snijsporen op resten van gans bewijzen dat jachtwild ook gegeten werd. Voor de vleesvoorziening is voornamelijk het rund benut. Rond 90% van het vlees was van dit dier afkomstig, terwijl schaap en varken ieder slechts 5% leverden. Het rund schijnt overigens op meerdere vlakken zijn nut bewezen te hebben. Het is vermoedelijk ook gebruikt als trekdier voor het ploegen in de zware zavel en klei, en het leverde melk.
De aanwezigheid van edelhert, bever en otter wijst erop dat het gebied nog niet ernstig was vervuild of aangetast door menselijke bewoning. Ook zal de rust door de mens niet ernstig zijn verstoord, anders zouden deze dieren wegtrekken.
Door klink in de ondergrond verloren de crevasseruggen waarop men woonde na verloop van tijd hun hoge positie in het landschap. Deze klink ontstond in de komafzettingen waarop de crevasses waren gelegen. Ze zakten als het ware in de ondergrond weg. Hierdoor zal men uiteindelijk het gebied verlaten hebben, totdat men in de Romeinse tijd vanuit de naastgelegen vindplaats Kesteren-De Woerd het terrein weer in gebruik nam, onder andere om er een waterput aan te leggen met behulp van een ‘gerecycled’ wijnvat van hout van zilver- en fijnspar
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
Variations on the Author
“Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship
Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis
We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis
Dispelling the Myths Behind First-author Citation Counts
We conducted a full-scale evaluative citation analysis study of scholars in the XML research field to explore just how different from each other author rankings resulting from different citation counting methods actually are, and to demonstrate the capability of emerging data and tools on the Web in supporting more realistic citation counting methods. Our results contest some common arguments for the continued
use of first-author citation counts in the evaluation of scholars, such as high correlations between author rankings by first-author citation counts and other citation
counting methods, and high costs of using more realistic citation counting methods that are not well-supported by the ISI databases. It is argued that increasingly available digital full text research papers make it possible for citation analysis studies to go beyond what the ISI databases have directly supported and to employ more
sophisticated methods
The influence of multipath on stationary gps-range observations
In this thesis the results of multipath effects on the GPS-range observations, in various multipath environments, are presented. In order to obtain the multipath errors on the GPS-range observation we used 3 observables, the C/A-code, L1-carrier and the L2-carrier. From the C/A-code and the L1-carrier we can isolate the pseudo-range multipath errors. This signal can be corrected for the ionosphere using the two carrier phase measurements. With these observations we measured multipath errors of one meter up to more than one hundred meters near a large building. Measurements on top of buildings showed us that multipath due to ground-reflections can be minimized if the antenna is put on a large ground-plane (several square meters). In the observations we also discovered a very interesting phenomena, cross-interference between two satellites. This is possible if two satellites have approximately the same Dopplerfrequency. This phenomena can cause errors of several meters in the pseudo-range measurements. But these errors can probably be solved within the receiver.Electrical Engineering, Mathematics and Computer ScienceTelecommunicatie- en Verkeersbegeleidingssysteme
koamabayili/VECTRON-author-checklist: VECTRON author checklist
We have done our best to complete the author checklist relating to the use of animals in the hut study. Note that the objective for the hut study was to evaluate the IRS treatment applications for residual efficacy against Anopheles mosquitoes, including the local An. coluzzii mosquito population. Cows were only used to attract mosquitoes into the huts and no tests were carried out directly on the cows. The author checklist is intended for use with studies where experiments are carried out on animals, which is why we have had such difficulty in completing this for the hut study, as many of the questions do not relate to how the cows were used
Author-wise bibliometric analysis based on entropy.
Author-wise bibliometric analysis based on entropy.</p
- …
