1,724,534 research outputs found

    Jansen, M.

    No full text

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    Full text link
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed

    Variations on the Author

    Full text link
    “Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship

    Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis

    Full text link
    We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis

    Risico-analyse perceel grenzend aan KTV-terrein te Eibergen

    No full text
    BOKDeze risicoanalyse is een extrapolatie van reeds uitgevoerde onderzoeken: - Diepeveen-Jansen, M., M. Reneerkens, R. Schrijvers, 2004: KTV-terrein Eibergen. Een archeologisch inventariserend vooronderzoek, Amersfoort. Vestigiarapport V183 - Fijnma, P., I. Hesseling, 2006: Archeologisch onderzoek gebied ten oosten van het KTV terrein te Eibergen. Inventariserend Veldonderzoek door middel van aanvullende boringen, Assen. Grontmij archeologische rapporten 30

    Transect-rapport 2121: Een Archeologisch Bureauonderzoek. Parallelweg Noordeloos-Minkeloos, Provincialeweg N214, Gemeente Molenlanden (ZH).

    No full text
    In maart 2019 is een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied ter plaatse en ten zuiden van de Provincialeweg N214 tussen Noordeloos en Minkeloos (gemeente Molenlanden). De aanleiding van het onderzoek is het voornemen om een parallelweg te realiseren ten zuiden van de huidige Provincialeweg. Voor deze werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Het gaat om een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure, in verband met het handelen in strijd met de regels voor ruimtelijke ordening (buitenplanse afwijking voor twee bestemmingsplannen). Bij de voorgenomen werkzaamheden zal namelijk grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. Vanuit de bestemmingsplannen ‘Dorpskern Noordeloos (2015)’ en ‘Buitengebied Giessenlanden (2015)’ gelden binnen het plangebied verschillende dubbelbestemmingen archeologie. Per zone zijn onderzoeksgrenzen opgenomen die bepalen wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is, afhankelijk van de oppervlakte en diepte (details in hoofdstuk 5). Met de voorgenomen ingrepen worden deze planregels overschreden waardoor archeologisch vooronderzoek in het kader van de ruimtelijke procedure noodzakelijk is. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek heeft een deel van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting (bijlage 13). Deze verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van de Nieuwland stroomgordel in de ondergrond en de aanwezigheid van één of meerdere crevasses vanuit de Schoonrewoerd stroomgordel. Op oeverafzettingen van de Nieuwland stroomgordel kunnen in theorie archeologische waarden uit het Laat-Mesolithicum en Vroeg-Neolithicum aanwezig zijn, al zijn deze vooralsnog in de omgeving nog niet aangetroffen. Op de crevasses kunnen archeologische waarden uit de periode Neolithicum-Middeleeuwen aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied zijn op de Schoonrewoerd stroomgordel woonplaatsen, cultuurlagen en vondsten bekend uit de periode Neolithicum-Middeleeuwen. De top van de oeverafzettingen van de Nieuwland stroomgordel wordt op basis van een boring van het Dinoloket rond -4,3 m –NAP (3 m –Mv) verwacht. De top van de oeverafzettingen van de Schoonrewoerd wordt rond -2,7 m NAP verwacht (ca. 1,7 m –Mv). De geplande werkzaamheden reiken tot -2,3 m NAP en bereiken daarmee de potentiele archeologische niveaus niet. Op historisch kaartmateriaal ontbreken aanwijzingen voor bebouwing binnen het plangebied. Huisplaatsen uit de Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd worden dan ook niet verwacht. Wel is de Minkeloos in het oosten van het plangebied een historische weg die in ieder geval in 1717 al aanwezig was. Het overige deel van het plangebied heeft vanwege de ligging in een veengebied een lage archeologische verwachting (bijlage 13). Het plangebied maakt geen deel uit van een ontginningslint en er worden op basis van het bureauonderzoek geen donken binnen het plangebied verwacht

    Transect-rapport 2308: Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Sevenum, Helenaveensweg 23, Gemeente Horst aan de Maas (LI).

    No full text
    In juli 2019 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Helenaveenseweg 23 in Sevenum (gemeente Horst aan de Maas). Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. De aanleiding van het onderzoek is de sloop van de bestaande varkenshouderij en de bouw van een paardenhouderij. Het onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas (2017)’ heeft het plangebied een archeologische waarde (‘dubbelbestemming waarde-archeologie 4). Gezien de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen kan deze archeologische waarde met de geplande ingrepen worden aangetast. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het plangebied. Daarom is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, bestaande uit een bureauonderzoek en een booronderzoek (BO + IVO-O). Het doel van het archeologisch bureauonderzoek (BO) is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) is het toetsen, en waar mogelijk, bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Dit rapport beschrijft de resultaten van dit archeologisch vooronderzoek in het plangebied en voorziet in de onderzoeksplicht. Uit het vooronderzoek is gebleken dat het plangebied een tweeledige verwachting heeft op het aantreffen van archeologische resten. In het grootste deel van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachting. Dit is gebaseerd op de geconstateerde verstoring van de archeologisch relevante niveaus ten gevolge van ontzanding en het bouwrijp maken en de bouw van de bestaande stallen en woning in deelgebied A .In deelgebied B is in een groot deel van het plangebied eveneens sprake van een sterk verstoorde top van het dekzandpakket, veroorzaakt door moderne landbouw en egalisatie. In deelgebied B is echter ook sprake van 4 boringen waarin een restant van de oorspronkelijke bodemopbouw is aangetroffen. Daar waar ze nog intact is, wordt vanaf 25-45 cm -Mv een B-horizont en/of Cg-horizont aangetroffen in de top van het dekzandpakket. Deze bodemhorizonten zijn aangemerkt als het potentieel archeologisch relevant niveau, waardoor hier sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van intacte archeologische waarden

    Transect-rapport 2443: Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verknnende fase. Ulicoten, Camping Ponderosa, Maaijkant 23-26, Gemeente Baarle-Nassau (NB).

    No full text
    In november 2019 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Maaijkant 23-26 in Ulicoten (gemeente Baarle-Nassau), op het terrein van camping Ponderosa. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd archeologisch bureau- en booronderzoek (BO en IVO-O). De aanleiding van het onderzoek wordt gevormd door de uitbreiding van de bestaande camping. Het onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanprocedure. In het bureau- en veldonderzoek is voor het plangebied een hoge verwachting vastgesteld op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Midden-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen. Vooraf werd verwacht dat binnen het plangebied een plaggendek of esdek als onderdeel van een laarpodzolgrond aanwezig zou zijn. Het humeuze dek zou zijn aangelegd op dekzandafzettingen van een dekzandrug, bewoonbaar vanaf het Laat-Paleolithicum. Deze dekzandrug zou op terrasafzettingen kunnen liggen, die bewoonbaar zijn gedurende het Midden-Paleolithicum (Formatie van Stramproy). Uit het veldonderzoek bleek inderdaad dat een dekzandrug aanwezig was, liggende op de Formatie van Stramproy (aangetroffen in twaalf boringen) met daarin diverse laagtes. Hierdoor is sprake is van een gradiëntenzone met gunstige bewoningsomstandigheden vanaf het Midden-Paleolithicum. Ook het humeuze dek is aangetroffen, waarin aan de basis brokjes E- en B-horizonten aanwezig zijn. De hoge verwachting is van kracht op alle archeologische periodes en complextypen. Aangezien er tijdens het veldonderzoek geen intacte E- en B-horizonten, maar alleen een BC-horizont is aangetroffen, zijn vondstconcentraties uit het Midden-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum mogelijk beperkt aangetast. Naar verwachting zullen de aan te treffen archeologische resten met name bestaan uit archeologische grondsporen uit jongere perioden, vanaf het Neolithicum tot aan de Vroege Middeleeuwen. Dergelijke archeologische grondsporen kunnen samenhangen met erven, nederzettingsterreinen, grafvelden en overige sporen van landgebruik (waterputten, omheiningen, etc.). Dergelijke archeologische resten worden verwacht in de top van het dekzandpakket tot in de top van de Formatie van Stramproy, vanaf een diepte van 25-70 cm -Mv (16,53-17,93 m +NAP). Voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd is al tijdens het bureauonderzoek een lage verwachting vastgesteld op het aantreffen van archeologische resten. Uit deze periode worden uitsluitend sporen van percelering en landgebruik verwacht. Dergelijke sporen hebben slechts een geringe informatiewaarde, en dragen minimaal bij aan de kennis over het verleden in het plangebied

    Transect-rapport 2098: Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, IVO Verkennende Fase. Utrecht, Nachtegaalstraat en Burgemeester Reigerstraat, Gemeente Utrecht (UT)

    No full text
    In maart 2019 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Nachtegaalstraat en de Burgemeester Reigerstraat in Utrecht (gemeente Utrecht). De aanleiding van het onderzoek is de herinrichting van de bestaande straten. Het onderhavige onderzoek vindt plaats in het kader van de onderzoeksplicht op grond van de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem - en hiermee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied - kunnen worden verstoord. Het archeologiebeleid van de gemeente Utrecht is verwoord in de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg (2009), die gekoppeld is aan de gemeentelijke archeologische waardenkaart. Op de waardenkaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. Het plangebied ligt overwegend in een zone met archeologische verwachting. Voor gebieden met een archeologische verwachting geldt dat archeologisch vooronderzoek en/of een archeologievergunning verplicht is bij bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm beneden het huidige maaiveld. Voorts komen de zones hoge archeologische waarde en hoge archeologische verwachting ook voor in het plangebied. Voor gebieden met een hoge archeologische waarde is archeologisch vooronderzoek en/of een archeologievergunning verplicht bij bodemverstorende activiteiten groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm beneden het huidige maaiveld. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting is archeologisch vooronderzoek en/of een archeologievergunning verplicht bij bodemverstorende activiteiten groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm beneden het huidige maaiveld. Deze vergunning kan alleen worden aangevraagd, wanneer archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarbij sprake is van een waardestelling van het terrein. Het plangebied is zodoende onderzoeksplichtig. Daarom is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, bestaande uit een bureauonderzoek en een booronderzoek (BO + IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen en aanvullen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Op basis van het vooronderzoek is vastgesteld dat delen van het plangebied een archeologische verwachting hebben op de aanwezigheid van archeologische resten. Deze verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van restgeulafzettingen en/of de aanwezigheid van een oude historische weg en enkele historische elementen ter hoogte van het plangebied (de voorloper van de Nachtegaalstraat, bebouwing en een aarden wal van een stadsbolwerk). Deze zones hebben respectievelijk een archeologische verwachting en een hoge archeologische verwachting toebedeeld gekregen (zie bijlage 15). In de archeologische verwachtingszone zijn met name vondsten van schepen, visfuiken en beschoeiingen bekend uit een dergelijk landschappelijke situatie te verwachten (vanaf 1,5 m -Mv). In de hoge archeologische verwachtingszone zijn sporen van een weg, funderingen van vroegere bebouwing of historische ophogingen aanwezig vanaf 1,0 m -Mv. De rest van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsresten
    corecore