1,936 research outputs found

    Sustainable careers: Introductory chapter

    No full text
    Contains fulltext : 148793.pdf (Publisher’s version ) (Open Access)In this introductory chapter we will introduce the concept of ‘sustainable careers’ within the broader framework of contemporary careers. Departing from changes in the career context with regard to the dimensions of time, social space, agency and meaning, we advocate a fresh perspective on careers that recognizes the complexity of the career concept, thereby elaborating on existing career concepts, rather than aiming to replace them. Subsequently, we come up with a definition of the concept: ‘the sequence of an individual’s different career experiences, reflected through a variety of patterns of continuity over time, crossing several social spaces, and characterized by individual agency, herewith providing meaning to the individual.’ Next, we will outline how sustainable careers are conceived and examined theoretically or empirically throughout the different chapters of this Handbook

    Sustainable labour participation and sustainable careers

    No full text
    Contains fulltext : 148794.pdf (Publisher’s version ) (Open Access)Changing economic and social circumstances, as well as changing demographics are leading to a growing interest in sustainable labour participation of workers. In terms of business considerations, sustainable labour participation refers to people value, or more social value, of business practice and involves a longer term perspective. This chapter provides a conceptual framework for (micro-level) individual sustainable labour participation, in terms of its components: employability, vitality and workability. Next, an overview of important antecedents (at micro-level and meso-level) will be given, building on the theoretical notions of, especially, the Job Demands–Job Resources model. The chapter also serves a practical aim: insight in stimulating versus hindering antecedents can contribute to a better understanding of what employers (meso-level) and employees (micro-level) can do to realize more sustainable organizational practices. The relation with and consequences for sustainable careers are therefore discussed, resulting in several recommendations for future research and for organizational practice

    Women of Steel : articulations of empowerment and livelihood practices in the Dwars River Valley, Western Cape

    No full text
    Thesis (MA (Sociology and Social Anthropology))--Stellenbosch University, 2009.ENGLISH SUMMARY: Women’s livelihoods are not only experienced differently, but are articulated in different ways. This dissertation begins from the understanding that women’s livelihoods are processual, complex and contextual. They are embedded in multifarious processes, structures, discourses and everyday practices, which are locally defined and globally linked. This thesis interrogates women’s articulations of empowerment and agency that were central to their community and entrepreneurial activities. Women’s social actions and responses to constraints and transformation they encountered in the valley were sites of struggle. Informed by local women’s perspectives and articulations of empowerment, this ethnography focuses on how women practiced their livelihoods: how they manoeuvred, negotiated and performed their livelihood tactics in response to local, national and global constraints. The study narrates how women in a rural valley in the Winelands of the Western Cape (South Africa) spoke of how they felt ‘empowered’ despite constraints. They claimed that they exhibited productive moments and harnessed opportunities to rise above constraints. They felt that in general men in their communities were passive in their response to crisis in the valley. Women’s narratives of empowerment in the Dwars River Valley invoked ideas of ‘women of steel’ and ‘moments’ of agency. These helped to re-fashion local gender orders and rehabilitate notions of ‘appropriate’ women’s work.AFRIKAANSE OPSOMMING: Die bestaanswyses van vroue word nie slegs in die uitleef daarvan waargeneem nie, maar is dikwels ook ‘n fokus van gespreksvoering. Die uitgangspunt van hierdie tesis is dat vroue se bestaanswyses metodies, kompleks en kontekstueel is. Dit word begrond deur uiteenlopende prosesse, strukture, diskoerse, en alledaagse gebruike wat plaaslik gedefinieer word en globaal gebonde is. Hierdie tesis ondersoek vroue se artikulasie van bemagtiging en agentskap wat sentraal tot hul gemeenskap en entrepreneurskap aktiwiteite staan. Vroue se sosiale handelinge en reaksies tot struikelblokke en transformasie wat hulle in die vallei in die gesig gestaar het, is beduidend van ‘n plek van worsteling. Hierdie etnografie word toegelig deur plaaslike vroue se perspektiewe en artikulasie van bemagtiging en fokus op hoe hulle hul bestaanswyse beoefen het: hoe vroue bestaanswyse taktieke gemanipuleer, onderhandel en ook uitgevoer het as reaksie op plaaslike, nasionale en globale beperkinge. Hierdie studie vertel hoe vroue in ‘n landelike vallei van die Wynlande in die Wes-Kaap (Suid-Afrika) praat oor hoe hul ‘bemagtig’ voel, ten spyte van beperkinge. Hulle voer aan dat hul produktiewe oomblikke vertoon en gebruik maak van geleenthede om bo beperkinge uit te styg. Hulle voel dat mans oor die algemeen passief in hul reaksie op krisis is. Vroue se verhale van bemagtiging in die Dwars Rivier Vallei roep beelde op van ‘vroue van staal’ en ‘oomblikke’ van agentskap. Dit het bygedra tot die herskepping van plaaslike gender rolle en die hervestiging van idees oor ‘gepaste’ werk vir vroue.Master

    De toekomst der religie en De koperen tuin van Simon Vestdijk : 'n intertekstuele ondersoek

    No full text
    Thesis (MA)--PU for CHE, 1990.Simon Vestdijk (1989-1971) is one of the most prominent figures in the literary awareness of the Netherlands. Apart from his having been a highly productive writer, he has been and still is highly controversial. De toekomst der religie (The future of Religion) is a psychologico-philosophical reflection on the meaning of existence as its religious point of departure, with special stress on, amongst other, the I, the relationship with others, the involvement in the situation, freedom, responsibility, glut, choice, angst, death, what is too-late the extension of the moment, the meaningful directedness all a personal passion, the courage to be and to keep becoming. From an intertextual study it emerges that the postulated view of reality in the above work is transposed in narrative form in the text-internal vision of reality in the novel De Koperen Tuin (The Copper Garden). This transformation is concretized and manifested in visible terms in the manipulative techniques of the implicit author with regard to the character portrayal (especially with regard to music as the passion to which the main character dedicates himself), the portrayal of space (in which the Garden in the city of W… also becomes the lost Eden), the temporal structure (through the flashback into the past the directedness at the future is determined), the inner, outward, static and dynamic events, and all the micro-level in the use of language, for example the multiple use of metaphor, symbolism, irony and motif patterns. In the course of the narrative, and especially towards the end of it, there is a substitution of religious value contents in the main character, so that this process of the trans valuation of religion becomes the main emphasis of the discourse of the novel, albeit in veiled form. As a result of explicit and implicit allusion, rejection, extension permutation condensation and intensification, De Toekomst Der Religie and De Koperen Tuin are related in an intertextual relationship of polyphony and a doubling of each other’s meaning. From this inertextual study it has emerged that Vestdijk sustained his personal fame in that he transformed his personal view of reality, as explicated in De toekomst Der Religie to a vision of reality in the enthralling and coherent novel De Koperen Tuin.Master

    CB.12.005 Rapportage verkennend onderzoek archeologie en cultuurhistorie DR57 Nieuw Bergen

    No full text
    In het kader van het Hoogwater Beschermingsprogramma Noordelijke Maasvallei worden de dijkringen in het gebied versterkt om in de toekomst het land tegen het rivierwater te kunnen beschermen. Voor de dijkring bij Beesel, Belfeld, Heel en Nieuw Bergen is een voorkeursalternatief (VKA) gekozen. Binnen de invloedssfeer van het VKA worden archeologie en cultuurhistorie meegenomen in het afwegingskader. CB.12.001 Beesel Uit het archeologisch booronderzoek blijkt dat de archeologische verwachting op basis van de Archeologische Verwachtingskaart voor het Maasdal (AVM) vrijwel geheel gehandhaafd kan blijven (Figuur 7, Figuur 8 en Figuur 91). De aangetroffen geomorfogenetische eenheden komen namelijk goed overeen met de GKM. Enkel voor deelgebieden Bakheide en Bussereindseweg, die buiten de AVM vallen, is de verwachting toegekend op basis van de principes die voor de AVM zijn gebruikt. Over het algemeen kan gesteld worden dat de gronden, of die nu op een terraslaagte of een rivierduin liggen, vrij goed ontwaterd zijn. De grondwaterstanden hebben met uitzondering van deelgebied Bussereindseweg vermoedelijk dus maar een beperkte rol in de locatiekeuze gespeeld. De vondsten die zijn aangetroffen zijn al een eerste aanwijzing dat er vindplaatsen uit allerlei perioden aanwezig kunnen zijn. Archeologische resten zijn te verwachten in de top van de oeverafzettingen en in de top van het rivierduinzand (mits niet afgedekt door oeverafzettingen), onder eventueel verstoorde en opgebrachte lagen. Dit is immers het pakket dat langdurig aan het oppervlak heeft gelegen, getuige de verbruining. Bij de verlandingsafzettingen (veen) geldt dat in het hele pakket resten kunnen voorkomen. In het jonge overstromingsdek zijn zelden nederzettingsresten aanwezig. Vanaf de Volle- en Late Middeleeuwen was het Jonge Dryasterras veelal te overstromingsgevoelig, zodat bewoning of begraving uit deze periode in dit pakket niet verwacht wordt. Anderzijds kunnen natuurlijk wel economisch gerelateerde archeologische resten in het jonge dek voorkomen. In die zin geldt dus dat voor dergelijke resten in het jonge overstromingsdek een archeologisch niveau uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd aanwezig is. Op basis van historisch kaartmateriaal, veldinventarisatie en literatuurstudie zijn de cultuurhistorische elementen in het plangebied van de dijkversterking geïnventariseerd en gewaardeerd op hun beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteiten. De waardering heeft geresulteerd in een erfgoedwaardekaart voor de dijkring bij Beesel. Uit het cultuurhistorisch onderzoek en de erfgoedwaardering blijkt dat de meeste waardevolle cultuurhistorische elementen in het plangebied zijn: • Het oude cultuurlandschap langs de Maas en in Het Spick vanwege de hoge beleefde kwaliteiten. Belangrijke kenmerken zijn het open en groene karakter van de bouwlanden (de velden Ohé Broekerveld, Spijkers Kamp, Koe beemd, Het Spick), oude landwegen (Ohé Broekvelderweg, Huilbeekweg, Het Spick), het beekdal van de Huilbeek, het intact en nog redelijk fijnmazig verkavelingspatroon haaks op de Kerkstraat in Het Spick en haaks op de Maas in het Ohé Broekerveld, en de relatie met de historische kern van Beesel vanwege het zicht op het dorpssilhouet vanuit Het Spick; • De rijksmonumentale molen De Grauwe Beer prominent gelegen in de bocht van de Maas, goed zichtbaar in het Maasoeverlandschap en met een hoge inhoudelijke kwaliteit vanwege de lange gebruiksgeschiedenis en als representatief voorbeeld als eerste bovenkruier van Zaandam; • Het kleinschalige oude cultuurlandschap, de middeleeuwse kampontginning De Bakhei; • De Bomenrijen langs de wegen in het jonge cultuurlandschap tussen De Bakhei en Bussereind, met oude landwegen en deels intacte laanbeplanting langs historische wegen zoals de Varkensheideweg, Bayerweg en Schansweg. CB.12.002 Belfeld Tijdens het archeologisch booronderzoek werd op één van de terrasruggen in de oeverafzettingen enkele stukjes prehistorisch aardewerk aangetroffen, die een eerste aanwijzing vormen voor de hoge archeologische potentie van het gebied. Het lage deel van Jonge Dryasterras, waar het plangebied deel van uit zou maken, heeft op de AVM een archeologische verwachting voor wonen, begraven, economische en rituele activiteiten, zonder ‘aanvullende criteria’. Maar uit het onderzoek blijkt dat in ieder geval delen van het plangebied als een hoog deel van het Dryasterras zijn aan te merken, met daarnaast een zeer goede ontwatering en hoge vruchtbaarheid. Bovendien leveren de vondsten uit boring 135 een aanwijzing voor mogelijke bewoningsactiviteiten in de Late Prehistorie. Daarom zouden in feite wel enkele aanvullende criteria voor het Jonge Dryasterras moeten worden toegekend. Het voert echter te ver om de hele archeologische verwachting opnieuw te berekenen. De verwachting is dus “hoger” dan op de AVM staat aangegeven, met de meeste aanvullende criteria voor de hoogstgelegen en meest zandige oeverafzettingen, en wat minder aanvullende criteria voor de wat kleiigere en wat lager gelegen oeverafzettingen. In het jonge overstromingsdek zijn zelden nederzettingsresten aanwezig. Vanaf de Volle- en Late Middeleeuwen was het Jonge Dryasterras veelal te overstromingsgevoelig, zodat bewoning of begraving uit deze periode niet verwacht wordt. Anderzijds kunnen natuurlijk wel economisch gerelateerde archeologische resten in het jonge dek voorkomen. In die zin geldt dus, dat voor dergelijke resten in het jonge overstromingsdek een archeologisch niveau uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd aanwezig kan zijn. Op basis van verschillende bronnen is een inventarisatie gemaakt van de cultuurhistorische elementen die in het huidige dijktracé liggen. Op basis van de ingewonnen kennis en de veldinspectie zijn de elementen vervolgens gewaardeerd op hun beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit. Deze waardering heeft geresulteerd in een erfgoedwaarderingskaart voor de dijkring bij Belfeld. Uit het cultuurhistorisch onderzoek en de erfgoedwaardering blijkt dat het dijtracé bij Belfeld wordt gekenmerkt door het Maasdallandschap en de verschillende steilranden die nog duidelijk zichtbaar zijn in het gebied. De Rijksweg is nog altijd de verbindingsader die door het gebied loopt. Het oude dorp Belfeld de connectie die het dorp had met de rivier is in mindere mate resterend in het huidige landschap. Volgens het huidige tracé worden verschillende elementen bedreigd, onder meer de relatie van de Oude Kern van Belfeld met zijn omgeving, de steilrand ten oosten van de Rijksweg waarop haaks een dijk komt te liggen en de Rijksweg die op twee punten doorsneden wordt door een dijk. CB.12.003 Heel Uit het archeologisch booronderzoek blijkt dat in de diep ontgronde zones de archeologische verwachting naar laag kan worden bijgesteld. Hier worden geen resten meer verwacht. In de andere zones kan de archeologische verwachting van de AVM (Isarin et al, 2015) veelal gehandhaafd blijven. Uitzondering zijn gebieden waar sprake is van een andere geomorfogenese dan vermoed werd. Hier is de verwachting aangepast. In een flinke zone langs de weg Pol is de verwachting veranderd van watergebonden activiteiten naar wonen, begraven, economische en rituele activiteiten uit alle archeologische perioden, met tien ‘aanvullende criteria’1, wat op een vrij hoge archeologische verwachting wijst. Vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen zich in de top van de oeverafzettingen of in het jonge overstromingsdek bevinden. Oudere vindplaatsen (Mesolithicum tot en met Volle Middeleeuwen) worden uitsluitend in de top van de oeverafzettingen verwacht. Aan de boringen waar niet tot in de oeverafzettingen kon worden geboord (14, 15 en 18 tot en met 24) wordt eveneens een archeologische verwachting toegekend omdat het archeologische niveau hier mogelijk nog intact is.Archeologische resten zijn te verwachten in de top van de oeverafzettingen, onder eventueel verstoorde en opgebrachte lagen. Dit is immers het pakket dat langdurig aan het oppervlak heeft gelegen, getuige de verbruining. De oeverafzettingen zijn relatief snel in het begin van het Holoceen afgezet, waardoor in dit pakket vanwege het zeer dynamische milieu geen (intacte) resten verwacht worden. In het jonge overstromingsdek zijn zelden nederzettingsresten aanwezig. Vanaf de Volle- en Late Middeleeuwen was het Jonge Dryasterras veelal te overstromingsgevoelig, zodat bewoning uit deze periode hier in de regel niet verwacht wordt. In Heel liggen de boringen met een jong dek echter allemaal in de historische kern van Pol, waar natuurlijk bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in het jonge dek kunnen voorkomen. Uitzondering bevestigt de regel in dit geval. Verder kunnen natuurlijk ook resten die met wegen, grondstofwinning/verwerking, percellering en landbouw te maken hebben (economische activiteiten) in het jonge dek voorkomen. Begravingen uit deze periode worden echter weer in de nabijheid van de kerk van Heel verwacht, en dus niet in het plangebied. In die zin geldt dus dat voor deze resten in het jonge overstromingsdek een archeologisch niveau uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd aanwezig is. Op basis van verschillende bronnen is een inventarisatie gemaakt van de cultuurhistorische elementen die in het huidige dijktracé liggen en zijn de elementen vervolgens gewaardeerd op hun beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit. Deze waardering heeft geresulteerd in een erfgoedwaardekaart voor de dijkring bij Heel. Uit het cultuurhistorisch onderzoek en de erfgoedwaardering blijkt dat het dorp Heel en zijn omgeving met name elementen bevat die herinneren aan recente ontwikkelingen in het gebied metbetrekking tot de zand- en grindwinning en het ontstaan van grote plassen, het Poldermeer op de locatie van het Polderveld, het abrupt eindigen van verschillende wegen en de Onze Lieve Vrouwe van Rust Kapel herinneren aan het afgraven van het polderveld. Daarnaast is de ziekenzorg een waarde voor het dorp die zijn oorsprong vindt in het gebruik van het Kasteel van Heel als klooster Huize Sint Anna. Volgens het huidige tracé worden twee elementen direct bedreigd door de geplande ingrepen. Dit zijn de Onze Lieve Vrouwe van Rust Kapel en de Wessemerweg in combinatie met de Sleybeek. CB.12,005 Nieuw Bergen Het hele gebied heeft op de AVM een verwachting voor wonen, begraven, economische en rituele activiteiten. Deze verwachting kan op basis van het booronderzoek gehandhaafd blijven, ook al is bij boringen 143 en 144 misschien sprake van een afgetopt bodemprofiel. Met name de hooggelegen terrasruggen vormden waarschijnlijk aantrekkelijke locaties. Het grondspoor dat in boring 157 werd aangetroffen, vormt een eerste bewijs hiervoor. Ter hoogte van boringen 148 en 149 met een onbekende geomorfogenese, is de archeologische verwachting van de nabijgelegen delen van het plangebied geëxtrapoleerd (boringen 150 en 151). Bewoning of begraving uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd wordt niet verwacht. Wel kunnen economisch gerelateerde archeologische resten uit deze periode voorkomen in het jonge overstromingsdek. Archeologische resten uit de Volle Middeleeuwen en oudere perioden worden onder het jonge overstromingsdek of akkerdek verwacht, in de top van de (interstadiale) oeverafzettingen of de top van de vlechtende rivierafzettingen. Op basis van verschillende bronnen is een inventarisatie gemaakt van de cultuurhistorische elementen die in het huidige dijktracé liggen. Op basis van de ingewonnen kennis en de veldinspectie zijn de elementen vervolgens gewaardeerd op hun beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit. Deze waardering heeft geresulteerd in een erfgoedwaarderingskaart voor de dijkring bij Nieuw Bergen. Uit het cultuurhistorisch onderzoek en de erfgoedwaardering blijkt dat het dijktracé bij Nieuw Bergen met name het Maasdallandschap, in combinatie met het Maasheggenlandschap en de Heukelomse beek een van de kernwaarden vormt. Ook de steilrand met daarop de Rijksweg is een kenmerkend element in het landschap. De steilrand dient al lange tijd als verbindingsader, ook de tram liep hier overheen. Nu herinnert alleen het historisch tramstation nog aan deze oude transportverbinding. Voor een paar cultuurhistorische elementen vormt het geplande dijktracé een risico, namelijk, het historisch tramstation en fietspad en de laanbeplanting langs de Rijksweg

    Constraints in applied mathematics : rods, membranes, and cuckoos

    No full text
    In dit proefschrift worden verschillende problemen onderzocht uit de toegepaste wiskunde. In elk van deze staat de rol van restricties centraal. In hoofdstukken 2 tot en met 5 worden deze beperkingen vooraf opgelegd; in het laatste hoofdstuk vinden we binnen het bestudeerde model achteraf een restrictie die een nieuw inzicht geeft in de behandelde problematiek. Hoofstuk 1 geeft een inleiding in de verscheidene problemen die behandeld worden in dit proefschrift, en geeft kort weer welke resultaten worden besproken in de erop volgende hoofdstukken. Hoofdstuk 2 heeft als onderwerp hoe een dun elastisch snoer kronkelt rond een cylinder. Tijdens het kronkelen kan het snoer met zichzelf in aanraking komen. Dit compliceert de wiskundige analyse, wat de inspiratie vormt van dit stukje onderzoek. We leiden een energieminimalizatie- probleem af met een niet-lokale restrictie, en geven een volledige karakterisatie van de oplossingen van dit systeem. Het voornaamste resultaat is een bewijs dat de verzameling punten waarin het snoer zichzelf aanraakt een gesloten interval vormt. Hoofstuk 3 handelt over de extensie van drie bekende concepten uit de studie van gesloten snoeren (waarbij de einden aan elkaar vast zitten), Link, Twist enWrithe, naar de klasse van snoeren die voor onze toepassingen interessant zijn: open snoeren. De voornaamste uitdaging is te bestuderen voor welke deelverzameling open snoeren zulke nieuwe concepten gede??nieerd kunnen worden, zonder dat hierbij ambigu¨??teit ontstaan, en zonder verlies van de oorspronkelijke eigenschappen. Hoofdstukken 4 en 5 behandelen een eenvoudig model voor de beschrijving van de vorming van membraan-achtige structuren die onstaan door de interactie tussen lipide moleculen en het omringende water waarin deze zijn opgelost. Nadat het model is ge¨??ntroduceert bekijken we de eerst de regulariteit van oplossingen. Vervolgens bestuderen we, gewapend met deze informatie, voor welke parameterwaarden in het model oplossingen bestaan. Hoofdstuk 6 vormt het sluitstuk van dit proefschrift. Hier bekijken we het parasitaire gedrag van de Koekoek op de waardvogels bij wie zij haar eieren legt. Met name de verschillende strategie¨en waarmee de gastheren zichzelf kunnen verdedigen staan centraal. We laten zien dat het bijna nooit adaptief is voor de gastheer om zich te verdedigen met meer dan ´e´en strategie

    Quickscan en IVO-B Hulselseweg 5, Bladel

    No full text
    Buro de Brug heeft in opdracht van dhr. Van der Heijden een archeologische quickscan uitgevoerd voor de Hulselseweg 5, gemeente Bladel (afb. 1). Oranjewoud bv heeft in opdracht van Buro de Brug de in de quickscan geformuleerde archeologische verwachting in het veld getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek (IVO-B). De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de geplande ontgronding van het terrein. Door een ontgronding worden eventueel aanwezige archeologische waarden aangetast. De provincie Noord-Brabant verleent geen vergunning tot ontgronding wanneer er door de ontgronding archeologische of aardkundige waarden onevenredig worden aangetast

    Glycosylated hemoglobin as a screening test for hyperglycemia in antipsychotic-treated patients: a follow-up study

    No full text
    Pauline MJ Steylen,1 Frank MMA van der Heijden,1 Witte JG Hoogendijk,2 Willem MA Verhoeven1,21Vincent van Gogh Institute for Psychiatry, Center of Excellence for Neuropsychiatry, Venray, the Netherlands; 2Erasmus University Medical Center, Department of Psychiatry, Rotterdam, the NetherlandsPurpose: To assess the point prevalence of undetected prediabetes (preDM) and diabetes mellitus (DM) in patients treated with antipsychotics and to compare metabolic parameters between patients with normoglycemia (NG), preDM, and DM. Furthermore, conversion rates for preDM and DM were determined in a 1-year follow-up.Patients and methods: In a naturalistic cohort of 169 patients, fasting glucose (FG) and hemoglobin A1c (HbA1c) criteria were applied at baseline and at follow-up after 1 year. A distinction was made between baseline patients diagnosed according to FG (B-FG) and those diagnosed according to HbA1c (B-HbA1c). Conversion rates in the 1-year follow-up were compared between B-FG and B-HbA1c.Results: At baseline, preDM and DM were present in 39% and 8%, respectively. As compared to patients with NG, metabolic syndrome was significantly more prevalent in patients with preDM (62% vs 31%). Although the majority of patients were identified by the FG criterion, HbA1c contributed significantly, especially to the number of patients diagnosed with preDM (32%). Regarding the patients with preDM, conversion rates to NG were much higher in the B-FG group than in the B-HbA1c group (72% vs 18%). In patients diagnosed with DM, conversion rates were found for B-FG only.Conclusion: PreDM and DM are highly prevalent in psychiatric patients treated with antipsychotic drugs. HbA1c was shown to be a more stable parameter in identifying psychiatric patients with (an increased risk for) DM, and it should therefore be included in future screening instruments.Keywords: severe mental illness, prediabetes, diabetes, fasting glucose, HbA1

    Reseña bibliográfica: Coronariografía tras una PCR extrahospitalaria sin elevación del segmento ST

    No full text
    Reseña do artigo: Lemkes JS, Janssens GN, van der Hoeven NW, Jewbali LSD, Dubois EA, Meuwissen M, Rijpstra TA, Bosker HA, Blans MJ, Bleeker GB, Baak R, Vlachojannis GJ, Eikemans BJW, van der Harst P, van der Horst ICC, Voskuil M, van der Heijden JJ, Beishuizen A, Stoel M, Camaro C, van der Hoeven H, Henriques JP, Vlaar APJ, Vink MA, van den Bogaard B, Heestermans TACM, de Ruijter W, Delnoij TSR, Crijns HJGM, Jessurun GAJ, Oemrawsingh PV, Gosselink MTM, Plomp K, Magro M, Elbers PWG, van de Ven PM, Oudemans-van Straaten HM, van Royen N. Coronary Angiography after Cardiac Arrest without ST-Segment Elevation. N Engl J Med. 2019 Apr 11;380(15):1397-1407. doi: 10.1056/NEJMoa1816897. Epub 2019 Mar 18. PMID: 30883057.Reseña del artículo: Lemkes JS, Janssens GN, van der Hoeven NW, Jewbali LSD, Dubois EA, Meuwissen M, Rijpstra TA, Bosker HA, Blans MJ, Bleeker GB, Baak R, Vlachojannis GJ, Eikemans BJW, van der Harst P, van der Horst ICC, Voskuil M, van der Heijden JJ, Beishuizen A, Stoel M, Camaro C, van der Hoeven H, Henriques JP, Vlaar APJ, Vink MA, van den Bogaard B, Heestermans TACM, de Ruijter W, Delnoij TSR, Crijns HJGM, Jessurun GAJ, Oemrawsingh PV, Gosselink MTM, Plomp K, Magro M, Elbers PWG, van de Ven PM, Oudemans-van Straaten HM, van Royen N. Coronary Angiography after Cardiac Arrest without ST-Segment Elevation. N Engl J Med. 2019 Apr 11;380(15):1397-1407. doi: 10.1056/NEJMoa1816897. Epub 2019 Mar 18. PMID: 30883057

    Promoting new norms and true flexibility: sustainability in combining career

    No full text
    Contains fulltext : 170721.pdf (Publisher’s version ) (Closed access
    corecore