2,795 research outputs found

    New exact coherent states in channel flow

    No full text
    Three spatially periodic travelling wave exact coherent states are presented for channel flow. Two of the flows, which are asymmetric with respect to the channel centreplane, are derived by homotopy from solutions for channel flow subject to a spanwise rotation investigated by [1]. The third flow satisfies a half-turn rotational symmetry about a point on the channel centreplane, and turns out to be the flow from which one of the asymmetric flows bifurcates in a symmetry breaking bifurcation. One of the asymmetric flows is found to substantially reduce the value of the lowest Reynolds number at which exact solutions are known to exist down to 665

    Scouts & Guides - Latvians WWII

    No full text
    A detailed description (including locations, dates and Troup No.'s) where Boy Scouts and Girl Guides were present during WWII and Post WWII (including Troup numbers)6.0 Documents, 3.0 The War Years, 3.1.9 D.P. Camps, 10.0 Life of Latvian Children, 10.1.4 Boy Scouts and Girl Guide

    Author Correction:A 41,500 year-old decorated ivory pendant from Stajnia Cave (Poland)

    No full text
    Correction to: Scientific Reports https://doi.org/10.1038/s41598-021-01221-6, published online 25 November 2021The original version of this Article contained errors in the author list where Marjolein D. Bosch was omitted from the author list, and Mikołaj Urbanowski was incorrectly listed as an author of the original Article, and has subsequently been removed.The Author contributions section now reads:“S.T. W.N. and A.N. conceived the project; S.T., W.N., A.P., M.B., S.C., M.D., H.F., A.M., M.D. B., D.P., M.P.R., C.M.R., V.S-M., G.M.S., P.S., M.S., K.S., A.V., F.W., H.W., A.W., M.Z., S.B., A.N., J-J. H., performed research; S.T., A.P., W.N., M.B., M.D.B., S.C., M.D., H.F., A.M., D.P., M.P.R., C.M.R., V.S-M., G.M.S., P.S., M.S., K.S., A.V., F.W., H.W., A.W., M.Z., S.B., A.N., J-J. H. analysed all archaeological data; S.T. and A.P. wrote the paper with the collaboration of all the co-authors.”The original Article and its accompanying Supplementary Information file have been corrected

    Perryvale School District No. 4390 - 03

    No full text
    Photograph - Staff members at Perryvale School, left to right: D.P. Walsh and left to right, Anne Lehto and Eleanor Telford, Perryvale, AlbertaWalsh, D.P; Lehto, Anne; Telford, Eleano

    An investigation into usability and exclusivity issues of digital programmable thermostats

    No full text
    This is the pre-print version of the Article - Copyright @ 2011 Taylor & FrancisWith nearly 60% of domestic energy consumption relating to space heating, the interaction between users and their heating controls is crucial in reducing consumption. Yet, many heating controls are complex and exclude people due to the demands placed upon their capabilities in terms of vision, reach, dexterity and thinking. This study explores the scale of and reasons for user exclusion in relation to digital programmable thermostats. The Exclusion Calculator was used to estimate the percentage of the population excluded from the use of three products. Full user testing was then conducted to elicit specific usability problems of the devices. The participants were a group of 14 younger users (aged 24–44) and 10 older users (aged 62–75). The exclusion calculations underestimated the actual exclusion significantly for both age ranges (p<0.05). None of the older users were able to complete the programming of the thermostats. Additionally, the cognitive demands of these systems were considered using a subjective workload assessment method, based on the NASA Task Load Index, and were found to be excessive. In conclusion, this study makes recommendations to facilitate the design of more inclusive digital programmable thermostats. It is argued that such changes could result in reductions in domestic heat energy consumption.This work is funded by the ESPRC and Buro Happold

    Zand-slibsegregatie in de Westerschelde

    No full text
    De bodemsamenstelling van estuaria varieert vaak sterk in zowel horizontale als verticale richting. Met name de ruimtelijke verdeling van zand en slib (zgn. zand-slibsegregatie) is belangrijk, omdat voedingsstoffen en vervuilende stoffen zich voornamelijk hechten aan slib en niet aan zand. Hierdoor is het slibpercentage in de bodem een belangrijke parameter voor ecosystemen en een indicator voor de mogelijke aanwezigheid van bodemvervuiling. Voor een goed beheer van estuaria is kennis en voorspelling van dit fenomeen noodzakelijk. De ruimtelijke verdeling van zand en slib is nog altijd niet goed te verklaren en dus te voorspellen. Dit wordt met name veroorzaakt door de complexe interactie tussen de waterbeweging, sedimenttransport en bodemligging en -samenstelling. De waterbeweging ten gevolge van getij en golven maken het stroombeeld in een estuarium zeer complex. Daarnaast worden erosie- en sedimentatieprocessen van zand en slib nog maar beperkt begrepen. Een veel gebruikte hypothese voor het verklaren van zand-slibsegregatie is "hoe kalmer het water, hoe meer slib". De achtergrond van deze hypothese is dat slib in het algemeen bij lagere stroomsnelheden nog getransporteerd kan worden, terwijl zand inmiddels gesedimenteerd is. Doelstelling van dit onderzoek is het bekijken of er een lokale relatie bestaat tussen waterbeweging enerzijds en de bodemsamenstelling anderzijds. Deze relatie is onderzocht aan de hand van een stromingsmodel en bodemgegevens van de Molenplaat, een intergetijdegebied nabij Hansweert in de Westerschelde. De bodemsamenstellingsgegevens zijn verkregen uit een in 1990 uitgevoerde meetcampagne in de hele Westerschelde. Tijdens deze meetcampagne is de bovenste tien centimeter van de bodem bemonsterd en hiervan is de korrelgrootteverdeling bepaald. In totaal zijn in dit onderzoek 344 monsters gebruikt. Verder zijn secundaire parameters als valsnelheden en dieptegemiddelde kritische snelheden voor het begin van beweging voor zand berekend. Het gebruikte waterbewegingsmodel is het Molenplaatmodel uit 1995. Met dit model zijn dieptegemiddelde (2DH) berekeningen uitgevoerd voor drie verschillende getijsituaties: een springtij, een gemiddeld getij en een doodtij situatie. Tevens is een 3D berekening voor de springtij situatie gemaakt om te bekijken of dit betere waarden voor de waterbeweging oplevert. De monsterpunten zijn toegevoegd aan dit model als observatiepunten, zodat per monsterpunt de waterbeweging gedurende de getijperiode berekend wordt. Door een nabewerking van de modelresultaten zijn verschillende hydrodynamische parameters per monsterpunt berekend, zoals de maximale snelheid, de gemiddelde snelheid, de energiedissipatie etc. Met betrekking tot de relatie tussen sedimenteigenschappen en diepte blijkt dat er tussen 1m +NAP en 2m -NAP hoge concentraties slib in de bodem voorkomen. Op de hoogste delen van de platen (boven 1m +NAP) wordt echter vrijwel geen slib aangetroffen en dieper dan 2m -NAP is de trend ook niet meer waarneembaar. Ook de dso van de zandfractie lijkt samen te hangen met de diepte. Uit de correlatie blijkt: hoe dieper, hoe grover het zand. Combinaties tussen bodemsamenstellingsparameters en hydrodynamische parameters zijn gevisualiseerd in grafieken. Hoewel de waterbeweging van de getijberekeningen in absolute grootte natuurlijk verschilt, laat een vergelijking tussen de verschillende getijomstandigheden zien dat er weinig concrete verschillen zijn. De vormen van de puntenwolken wijken niet erg af wanneer de getijberekeningen worden vergeleken. Wanneer zand en slibpercentages worden uitgezet tegen maximale snelheden, bodemschuifspanningen en energiedissipaties, blijkt er steeds een bepaalde grens te zijn waarboven vrijwel geen slib meer voorkomt. Onder deze grens is echter geen duidelijk verband aanwezig. Zowel grof als fijn materiaal komen voor. Het lijkt erop dat onder deze grens wel de mogelijkheid is voor slib om neer te slaan, maar dat het van meerdere processen afhangt of dit daadwerkelijk gebeurt. Wanneer korreldiameters en aanverwante parameters als dso worden uitgezet tegen de waterbeweging, is steeds een redelijk lineair verband aanwezig. Hoe groter de optredende snelheden en schuifspanningen, hoe grover het sediment.Civil Engineering and Geoscience

    Fish-MIP/Past_Future_FishMIP: Data and code for "The Past and Future of The Fisheries and Marine Ecosystem Model Intercomparison Project"

    No full text
    &lt;p&gt;This repository contains data and code used to create Figure 2 in Novaglio, C., Bryndum-Buchholz A., Tittensor, D.P., Eddy, T.D., Lotze, H.K., Harrison, C.S., ... &amp; Blanchard, J.L. (2024). The Past and Future of the Fisheries and Marine Ecosystem Model Intercomparison Project. AGU Preprint. doi.org/10.22541/essoar.170542252.20348236/v1&lt;/p&gt
    corecore