4,885 research outputs found

    Core Outcome Set-STAndardised Protocol Items: The COS-STAP Statement

    No full text
    Background: Several hundred core outcome set (COS) projects have been systematically identified to date which, if adopted, ensure that researchers measure and report those outcomes that are most likely to be relevant to users of their research. The uptake of a COS by COS users will depend in part on the transparency and robustness of the methods used in the COS development study, which would be increased by the use of a standardised protocol. This article describes the development of the COS-STAP (Core Outcome Set-STAndardised Protocol Items) Statement for the content of a COS development study protocol. Methods: The COS-STAP Statement was developed following the Enhancing the Quality and Transparency Of Health Research (EQUATOR) Network's methodological framework for guideline development. This included an initial item generation stage, a two-round Delphi survey involving more than 150 participants representing three stakeholder groups (COS developers, journal editors and patient and public involvement researchers interested in COS development), followed by a consensus meeting with eight voting participants. Results: The COS-STAP Statement consists of a checklist of 13 items considered essential documentation in a protocol, outlining the scope of the COS, stakeholder involvement, COS development plans and consensus processes. Conclusions: Journal editors and peer reviewers can use the guidance to assess the completeness of a COS development study protocol submitted for publication. By providing guidance for key content, the COS-STAP Statement will enhance the drafting of high-quality protocols and determine how the COS development study will be carried out

    Core Outcome Set-STAndardised Protocol items: the COS-STAP statement

    No full text
    Background: Several hundred core outcome set (COS) projects have been systematically identified to date which, if adopted, ensure that researchers measure and report those outcomes that are most likely to be relevant to users of their research. The uptake of a COS by COS users will depend in part on the transparency and robustness of the methods used in the COS development study, which would be increased by the use of a standardised protocol. This article describes the development of the COS-STAP (Core Outcome Set-STAndardised Protocol Items) Statement for the content of a COS development study protocol. Methods: The COS-STAP Statement was developed following the Enhancing the Quality and Transparency Of Health Research (EQUATOR) Network’s methodological framework for guideline development. This included an initial item generation stage, a two-round Delphi survey involving more than 150 participants representing three stakeholder groups (COS developers, journal editors and patient and public involvement researchers interested in COS development), followed by a consensus meeting with eight voting participants. Results: The COS-STAP Statement consists of a checklist of 13 items considered essential documentation in a protocol, outlining the scope of the COS, stakeholder involvement, COS development plans and consensus processes. Conclusions: Journal editors and peer reviewers can use the guidance to assess the completeness of a COS development study protocol submitted for publication. By providing guidance for key content, the COS-STAP Statement will enhance the drafting of high-quality protocols and determine how the COS development study will be carried out

    Characterization of Frobenius Groups of Special Type

    No full text
    We define a Con-Cos group G to be one having a proper normal subgroup N whose cosets other than N itself are conjugacy classes. It follows easily that N = G’, the derived group of G. Most of the paper is devoted to trying to classify finite Con-Cos groups satisfying the additional requirement that N has just two conjugacy classes. We show that for such groups the center Z(G) has order at most 2, and if Z(G) = {1}, then G is a Frobenius group of a rather special type.</p

    Antea Group Archeologie 2020/75

    No full text
    Antea Group projectnummer 412729 In mei 2020 heeft Antea Group in opdracht van de opdrachtgever een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘T020_08_AN’ te Bergen op Zoom, gemeente Bergen op Zoom. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek. Een bureauonderzoek is de eerste stap in de AMZ-cyclus. Dit bureauonderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, LS4002 en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1. De opdrachtgever is voornemens een groot aantal geluidsschermen te realiseren in het hele land. Dit rapport behandelt locatie T020_08_AN, gelegen langs de A4/A58, tussen opritten 28 en 29 bij Bergen op Zoom

    Antea Group Archeologie 2020/220

    No full text
    Antea Group projectnummer 412729 In november 2020 heeft Antea Group in opdracht van de opdrachtgever een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Heijningen Oost’, gemeente Moerdijk. Het onderzoek heeft voor nu bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek. Een bureauonderzoek is de eerste stap in de AMZ-cyclus (zie bijlage 2). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd conform de BRL 4000, deelprotocol 4002 en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. De opdrachtgever is vanuit de Wet milieubeheer verplicht de geluidproductie langs rijkswegen te beheersen. Uit akoestisch onderzoek is gebleken dat op een aantal locaties in de Regio Zuid-Nederland een geluidscherm een doelmatige maatregel is. Deze maatregel zal de komende jaren gerealiseerd gaan worden. Onderhavig rapport behandelt locatie GSM-02-A4HO 4 ZN, gelegen ten oosten van de Rijksweg A4, ter hoogte van Heijningen, gemeente Moerdijk

    Antea Group Archeologie 2020/242

    No full text
    Antea Group projectnummer 412729 In november 2020 heeft Antea Group in opdracht van de opdrachtgever een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Heijningen West’, gemeente Moerdijk. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek. Een bureauonderzoek is de eerste stap in de AMZ-cyclus (zie bijlage 2). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd conform de BRL 4000, deelprotocol 4002 en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. De opdrachtgever is vanuit de Wet milieubeheer verplicht de geluidproductie langs rijkswegen te beheersen. Uit akoestisch onderzoek is gebleken dat op een aantal locaties in de Regio Zuid-Nederland een geluidscherm een doelmatige maatregel is. Deze maatregel zal de komende jaren gerealiseerd gaan worden. Onderhavig rapport behandelt locatie GSM-01-A4HW 4 ZN, gelegen ten westen van de Rijksweg A4, ter hoogte van Heijningen

    Antea Group Archeologie 2020/23

    No full text
    In februari 2020 heeft Antea Group in opdracht van EuroParcs een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Recreatiepark Henschotermeer Wouderberg’ te Woudenberg, gemeente Woudenberg. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek. Een bureauonderzoek is de eerste stap in de AMZ-cyclus. EuroParcs is voornemens in het plangebied vakantiewoningen te ontwikkelingen. Het plangebied valt binnen de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd’, waarvoor dubbelbestemmingen waarde – archeologie zijn opgenomen. Voor het grootste deel van het terrein geldt dubbelbestemming waarde – archeologie 2. Twee kleinere vlakken hebben dubbelbestemming waarde – archeologie 3. De geplande bodemingrepen overschrijden de, aan deze dubbelbestemmingen verbonden vrijstellingsgrenzen. Op basis van de landschappelijke gesteldheid van het plangebied kunnen hier archeologische resten vanaf steentijd tot en met de vroege middeleeuwen verwacht worden. Deze resten kunnen worden verwacht direct onder het maaiveld of onder het eventueel aanwezige esdek. Op basis van historische kaarten worden bewoningsresten uit de late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd niet verwacht. Omdat er een middelhoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied, adviseert Antea Group om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren. De methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit 6 boringen per hectare - is er niet primair op gericht om archeologische resten aan te treffen (hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en –intensiteit te gering), maar is wel uitermate geschikt om 1) de aard van bodemopbouw en 2) de mate van intactheid van de oorspronkelijke bodemopbouw inclusief de archeologische sporendragende niveaus te bepalen. De te onderzoeken zones hebben een gezamenlijk oppervlak van circa 2 hectare hetgeen neer komt op een archeologisch booronderzoek met een intensiteit van 12 boringen. Bovenstaande is een selectieadvies; het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Woudenberg

    STAP-2 interacts with and modulates BCR-ABL-mediated tumorigenesis

    No full text
    In chronic myeloid leukemia (CML), the BCR-ABL fusion oncoprotein activates multiple pathways involved in cell survival, growth promotion and disease progression. In this report, we show that the signal transducing adaptor protein-2 (STAP-2) is involved in BCR-ABL activity. We demonstrate that STAP-2 bound to BCR-ABL, and BCR and ABL proteins, depending on the STAP-2 Src homology 2-like domain. BCR-ABL phosphorylates STAP-2 Tyr250 and the phosphorylated STAP-2 in turn up-regulated BCR-ABL phosphorylation, leading to enhanced activation of downstream signaling molecules including ERK, STAT5, BCL-xL and BCL-2. In addition, STAP-2 interacts with BCR-ABL to alter chemokine receptor expression leading to downregulation of CXCR4 and upregulation of CCR7. The interaction between STAP-2 and BCR-ABL plays a crucial role in conferring a growth advantage and resistance to imatinib, a BCR-ABL inhibitor, as well as tumor progression. Notably, mice injected with BCR-ABL/STAP-2-expressing Ba/F3 cells developed lymph node enlargement and hepatosplenomegaly. Moreover, suppression of STAP-2 in K562 CML cells resulted in no tumor formation in mice. Our results demonstrate a critical contribution of STAP-2 in BCR-ABL activity, and suggest that STAP-2 might be an important candidate for drug development for patients with CML. Further, the expression of STAP-2 provides useful information for estimating the characteristics of individual CML clones

    Brk phosphorylates and regulates STAP-2 functions

    No full text
    Signal transducing adaptor protein-2 (STAP-2) is a recently identified adaptor protein that contains Pleckstrin and Src homology 2 (SH2)-like domains as well as a YXXQ motif in its C-terminal region. STAP-2 is also known as breast tumor kinase (Brk) substrate (BKS). Our previous studies revealed that STAP-2 binds to signal transducer and activator of transcription 3 (STAT3) and STAT5, and regulates the signaling pathways downstream of them. In the present study, we identified tyrosine-250 (Tyr250) in STAP-2 as a major site of phosphorylation by Brk, using a series of STAP-2 YF mutants and anti-phospho-STAP-2 Tyr250 antibody. Furthermore, overexpression of the STAP-2 Y250F mutant protein affected Brk-mediated STAT3 activation. Importantly, small-interfering RNA-mediated reduction of endogenous STAP-2 expression decreased Brk-mediated STAT3 activation. Taken together, our findings demonstrate that STAP-2 is phosphorylated at Tyr250 by Brk, and plays an important role in Brk-mediated STAT3 activation

    Antea Group Archeologie 2020/90

    No full text
    In mei 2020 heeft Antea Group in opdracht van Rijkswaterstaat een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘T047_06_An’ te Breda, gemeente Breda. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek. Een bureauonderzoek is de eerste stap in de AMZ-cyclus (zie bijlage 2). Daarbij zijn per object (geluidsscherm) afzonderlijke bureauonderzoeken opgesteld maar moet het onderzoek voor MJPG als één geheel gezien worden. Antea Group werkt in in opdracht van Rijkswaterstaat (RWS) aan het “Meerjarenprogramma Geluidsanering” (MJPG). Dit is een programma van maatregelen tegen geluidoverlast van rijkswegen. Binnen het programma MJPG is Nederland opgedeeld in drie verschillende percelen. Antea Group heeft van RWS de opdracht gekregen om de geluid- en conditionerende onderzoeken voor perceel 1 uit te voeren. Tot perceel 1 behoren drie regio’s, namelijk het beheergebied van Rijkswaterstaat Noord- en Zuid-Nederland en Zee & Delta. Archeologie is één van deze conditionerende onderzoeken. Bij aanvang ging het om meer dan 70 locaties. Door middel van een nut- en noodzaak analyse is dat teruggebracht naar 23 locaties.1Voor deze 23 locaties dienen archeologisch bureauonderzoeken opgesteld te worden. Dit rapport behandelt locatie T047_06_An, gelegen langs de rijksweg A27 tussen oprit Breda-Noord en afrit Breda. Het plangebied valt binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Heusdenhout’, waarvoor een dubbelbestemming waarde – archeologie is opgenomen. Bij deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100m² en dieper dan 0,3m -mv. De geplande bodemingrepen overschrijden deze vrijstellingsgrenzen waardoor onderhavig rapport noodzakelijk is als onderdeel van de ruimtelijke procedure. Het plangebied archeologisch inhoudelijk In de omgeving van het plangebied kunnen archeologische waarden uit worden verwacht daterende vanaf het laat paleolithicum tot en met de middeleeuwen. De tweede circumvallatiewal van het Beleg van Breda lag mogelijk op de locatie van het plangebied, en ook was er mogelijk een (tijdelijk) legerkamp in deze omgeving gesitueerd. Op basis van historische kaarten kruist het plangebied ook enkele oude wegen, waarvan derhalve ook resten kunnen worden aangetroffen. Echter, gezien de ligging van het plangebied op een verhoogd talud, ligt het plangebied minstens 5 meter hoger dan het oorspronkelijke maaiveld. Aangezien de aanleg van de betonnen poeren de bodem tot 1,5m –mv verstoord, rijkt de verstoring daar niet tot in de oorspronkelijke bodem en worden eventueel aanwezige archeologische resten niet bedreigd. Ondanks de hoge archeologische verwachtingswaarde op de locatie van het plangebied, adviseert Antea Group derhalve om het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden. Dit omdat de voorgenomen bodemingrepen in het kader van het MJPG niet de archeologisch relevante lagen bedreigen. Bij een ingreep van 1,5 meter vanaf bestaand maaiveld (talud) blijkt de bodemroering nog steeds 3,5 meter boven het oorspronkelijk maaiveld. Eeneventueel archeologisch niveau is dan vervolgens nog tenminste zestig centimeter of meer, dieper gelegen. Bovenstaande is een advies; het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Breda. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk archeoloog kan ook. Op 10 februari 2021 ging het bevoegd gezag akkoord met het gegeven advies
    corecore