19,550 research outputs found

    Localisation of morphological traits on the genetic map of potato using RFLP and isozyme markers = [Localisatie van morfologische eigenschappen op de genetische kaart van de aardappel door middel van RFLP en isozym merkers]

    No full text
    The thesis describes the construction of a genetic linkage map of the potato genome, comprising molecular, isozyme and morphological markers. The linkage map is based on the offspring from non-inbred parents. The computer program JOINMAPallowed to combine the maternal and paternal linkage groups, which are a consequence of using non-inbred parents. The map was applied for the analysis and localisation of morphological and agronomically important traits, with special emphasis on the inheritance of anthocyanin pigmentation. The presence of multiple alleles was demonstrated at the Ro locus which harbours a QTL involved in tuber shape. The accurate analysis of quantitative genetic variation caused by the segregation of a QTL with multiple alleles requires molecular markers which can distinguish all possible four allele combinations

    Openbaar vervoer knooppunten in optima forma? Netwerkanalyse van openbaar vervoer knooppunten

    No full text
    Voor een goede werking van het openbaar vervoer is bundeling nodig in tijd, vervoersrelaties en in- en uitstapplaatsen. Door deze bundeling wordt automatisch gekozen voor overstappen. Deze overstap vormt een extra hinder voor de reizigers, er moet naar een andere halte of stallingsplaats worden gelopen, en soms worden gewacht op het volgende transportmiddel. Om de overstap zo comfortabel mogelijk te maken wil men zo min mogelijk afstand afleggen tussen het punt van herkomst ei vertrek. Om dit te kunnen realiseren is er inzicht nodig in de optredende vervoersstromen. Echter hoe meer vormen van transport er samenkomen op een knooppunt, hoe complexer de situatie wordt. Dit leidt tot de volgende probleemstelling en doelstelling; Probleemstelling De inrichting van een openbaar-vervoerknooppunt wordt complexer als het aantal modaliteiten dat gebruik van het knooppunt toeneemt. Het optimaliseren van de reizigersstromen wordt daardoor ondoorzichtig, en het effect van veranderingen in de ruimtelijke indeling van een knooppunt is slecht te voorspellen. Doelstelling Het verkrijgen van inzicht in de rond een knooppunt optredende vervoersstromen, met behulp van een model. Bovendien moet het verschil duidelijk kunnen worden gemaakt tussen verschillende varianten, en moet zichtbaar kunnen worden gemaakt wat de effecten zijn van een verandering in de ruimtelijke configuratie van het netwerk. Modelontwikkeling De modellering is gedaan met behulp van de grafentheorie. Alle belangrijke punten en verbindingen worden vereenvoudigd tot knopen en takken. Indien er tussen twee punten een verbinding is, wordt deze in de graaf weergegeven als een tak. Door gewichten aan de graaf toe te kennen in de vorm van afstand of tijd kan er met deze schematisatie op een overzichtelijke manier met het probleem worden omgegaan. Het ontwikkelde model is gerealiseerd in AutoCAD, met behulp van de taal AutoLISP. Binnen deze omgeving is een programma gemaakt om met behulp van een bestaande ondergrond de graaf op een eenvoudige wijze te tekenen. Aan de hand van de ingevoerde graaf is met behulp van de grafische wisselwerking van het programma AutoCAD, en het gebruik van het algoritme van Dijkstra de mogelijkheid geschapen om een kortste route berekening uit te voeren. Voor het berekenen van de kortste route kan als criterium de tijd die nodig is om van herkomst naar bestemming te komen worden genomen, of de afstand die moet worden afgelegd op een tak. Na invoer van gegevens als herkomst-bestemmingsmatrix, knoopnummers van transferpunten en generatiepunten, en de wachttijden van verschillende overstappen kunnen deze gegevens worden gebruikt om de vervoersstromen over de getekende qraaf te berekenen. Aan de hand van deze berekeningen kunnen dan de tijden en afstanden worden bepaald, die de reizigers gezamenlijk in het netwerk doorbrengen of afleggen. Case Nadat de ontwikkeling van het model is aan de hand van de situatie in Delft een case uitgevoerd. Hiertoe zijn eerst alle gegevens bepaald die nodig waren voor de invoer en is de huidige situatie doorgerekend. Vervolgens zijn er verschillende varianten ontwikkeld. Ook deze varianten zijn doorgerekend en vervolgens zijn er vergelijkingen gemaakt met de huidige situatie. Hieruit bleek dat het model goed werkt. Na de berekening zijn er veel gegevens beschikbaar, waardoor per overstap bepaald kan worden of een variant een verbetering is of juist een verslechtering voor de betreffende overstap. Daarnaast kunnen ook de totale tijden en afstanden in het netwerk: per modaliteit met elkaar worden vergeleken. Uit de case blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om de situatie in Delft voor de reizigers te verbeteren. Alleen als er echt verbeteringen willen optreden vraagt dit ook om flinke investeringen, in de vorm van een tunnel, een brug of een combinatie daarvan. Conclusies en aanbevelingen Het model dat is ontwikkeld is zeer geschikt voor het vergelijken van aanpassingen aan de ruimtelijke indeling van stations. Tot in detail van de specifieke overstap kan worden gekeken wat de effecten zijn op de tijden en afstanden in het netwerk. De afwegingen welke verbetering gemaakt moet worden is er echter ook altijd één van geld, en is dus ook de kosten-batenverhouding van de varianten van belang. Een koppeling met de financiële effecten per variant zou dus zeer wenselijk zijn. Daarnaast is ook de rekentijd nog voor verbetering vatbaar. Indien de kortste route berekening wordt geprogrammeerd in een compileert Dare computertaal kan het gebruikersgemak worden vergroot. Daarnaast zouden uitbreidingen als knooppuntweerstand en capaciteit het model nog kunnen verbeteren en breder toepasbaar maken. Tenslotte is het model ook toepasbaar voor andere modelleringen dan de nu gebruikte toepassing. Doordat zeer veel parameters door de gebruiker kunnen worden gewijzigd, is het model ook te gebruiken in andere situaties dan een station, waarbij andere modaliteiten samenkomen.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience

    Milieuregulering en planvorming bij de herstrukturering van stedelijke bedrijfsterreinen

    No full text
    Met ruimtelijke ordening en milieubeheer wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke kwaliteit van het fysieke milieu bij een optimaal funktioneren van de samenleving. Bij ruimtelijke ordening heeft dit streven een geografische ingang en ligt het aksent op de planning, inrichting van gebieden en afweging van ruimtelijke claims. Bij milieubeheer ligt het aksent op het beschermen van de kwaliteit van het milieu in het algemeen (bodem, water en lucht). Bij beide beleidsterreinen wordt gebruik gemaakt van het instrument milieuzonering. Milieuzonering wordt gedefinieerd als het aanwijzen van gebieden waarbinnen aan bepaalde aktiviteiten milieuhygiënische voorwaarden worden gesteld. Dit instrument vindt zijn oorsprong in de geografische spreiding van milieugevaarlijke en hinderlijke stoffen en brengt in feite een scheiding aan tussen milieugevoelige en milieubelastende aktiviteiten. Het instrument milieuzonering komt dus het meest in aan merking bij het tegen gaan van hinder als gevolg van stank, gevaar, trilling- , stof- en geluidhinder. De huidige praktijk van het beheer van de milieukwaliteit op lokaal nivo bestaat uit een kombinatie van staten van inrichtingen in de voorschriften van het bestemmingsplan en de milieuvergunning. De staten van inrichtingen, die gebaseerd zijn op het principe van milieuzonering. en bestaan uit lijsten van bedrijven die wel of niet zijn toegestaan in een bepaalde lokatie, staan bloot aan veel kritiek. Met name geven ze onvoldoende aan waarom een bedrijf op een bepaalde plaats is toegestaan. Hierdoor bestaat er een onzekerheid bij de planners over de uitvoering van het plan (komt deze overeen met de intenties van de planner) en bij de ondernemers over de beoordeling van een vergunningaanvraag. Deze inhoudelijke onvolkomenheid is mede de oorzaak van een' gebrekkige afstemming tussen de staten van inrichtingen en de milieuvergunning.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience

    De ontwikkeling en doorrekening van een parkeerterrein binnen het toekomstige Schipholterrein

    No full text
    Schiphol staat binnen Europa op een vierde plaats bij het aantal verwerkte passagiersen vliegbewegingen. Om deze positie in de toekomst te handhaven en tegemoet te komen aan de vervoervraag zijn ontwikkelingsplannen op korte, middellange en lange termijn opgesteld. De plannen op korte en middellange termijn bestaan uit twee soorten plannen. Deze onderscheiden zich in de opzet en verantwoordelijkheid van de betreffende instanties. Het Masterplan 2015 behandelt de uitbreidingen en aanpassingen binnen het luchthaventerrein en is opgesteld door Schiphol. De Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving (PKB) omvat de beleidskeuzes van de ruimtelijke inrichting op en rond het luchthaventerrein, de banenstelsels, het substitutievervoer en de bereikbaarheid van de luchthaven. De PKB is uitgewerkt binnen de grenzen van ruimtelijke kwaliteit en milieu, waarbinnen Schiphol zich mag ontwildcelen. Het is opgesteld door de Tweede Kamer. De ontwildielingsplannen op lange termijn hangen samen met het bereiken van de mainportstatus. De overheid en Schiphol hebben gekozen voor het 'uitbreiden op de huidige lokatie'-scenario. Om de inhoud van de plannen te kunnen beoordelen is kennis omtrent de inrichting van luchthavens in het algemeen en van Schiphol in het bijzonder noodzakelijk. De componenten, die raakvlakken hebben met de inrichting zijn in dit licht bestudeerd. Binnen het project is gekozen voor inrichting van een extern terminalterrein binnen het 'uitbreiden op de huidige lokatie'-scenario, omdat uitwerking van het scenario ontbreekt. Het externe terminalterrein ligt binnen het luchthaventerrein en is bedoeld voor verwerking van chartervluchten. Hierbinnen wordt ingezoomd op het toegangsproces via de parkeerterreinen. De reden is dat dit tot één van de belangrijkste processen birmen het luchthaventerrein behoort. Vertragingen ter plaatse van dit proces werken door in het voorgaande proces op de snelweg en in het vervolgproces richting het vliegtuig.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience

    Keuze van locaties bestemd voor de berging van baggerspecie

    No full text
    In Nederland zijn de waterbadems van grotere en kleinere wateren in meer of mindere mate verontreinigd. Bij de noodzakelijke baggerwerkzaamheden in het kader van het onderhoud van vaarwegen en andere watersystemen komt verontreinigde baggerspecie vrij. De vrijkomende verontreinigde baggerspecie dient op milieuhygiënisch verantwoorde wijze geborgen te worden. Dit houdt in dat locaties geselecteerd dienen te worden waar specie geborgen kan worden. Daarbij kan men kiezen tussen opslag onder water of op het land met elk diverse varianten. In deze scriptie ligt de nadruk op de bestuurlijk-planologische aspecten van de locatiekeuze. Het aanwijzen en realiseren van een locatie gaat gepaard met het doorlopen van een proces van procedures en het moeten voldoen aan een heel scala van wetten om tot een goede keuze te komen en om een ieder die dat wil te laten participeren in het proces.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience

    Painting and visuality in Van Dyck's Self-Portrait with a Sunflower

    No full text
    TABLE OF CONTENTSCaroline van Eck and Edward Winters; Part I The experience of the visual in Art History, Aesthetics and Visual Culture: Visual culture and the history of art, David Peters Corbett; Space without hiding places: Merleau-Ponty's remarks on linear perspective, Renée van de Vall; Aesthetics and visual culture: looking at Andrew Pankhurst’s Night Painting, Edward Winters; Ought painting be allowed to die?, Derek Matravers; Part II Elucidating the Visual: Marcus Gheeraerdts’ Captain Thomas Lee, Lucy Gent; Painting and visuality in Van Dyck’s Self-portrait with a Sunflower, John Peacock; Sacred contagion: secular jewellery and votive transvaluation at the Santa Casa, Loreto, 1720-1820, Marcia Pointon; Villas and vision: looking at Palladio’s villas from the road, Lex Hermans; Staged experiences: the church designs of Nicholas Hawksmoor, Sophie Ploeg; The unreliable eye: the decline of vision as a reliable source of knowledge in Dutch architectural theory of the nineteenth century, Petra Brouwer; Mies van der Rohe – drawing in space, Victoria Watson; Shadow, shading and outline in architectural engraving from Fréart to Letarouilly, Nicholas Savage

    Effecten van Samenwerkingsverbanden WSNS.

    No full text
    Item does not contain fulltex

    Verslag van de Staatscommissie met de opdracht een onderzoek in te stellen van de buitengewoon hooge waterstanden, tijdens den stormvloed van 13/14 januari 1916: voorgekomen op de in Zuidholland gelegen benedenrivieren, meer bepaaldelijk op den Rotterdamschen Waterweg

    No full text
    Rapport met een analyse van het extreme hoogwater in Rotterdam op 13 januari 1916 waardoor een dijk bij het Mallegat was doorgebroken terwijl de waterhoogte op zee bij Hoek van Holland net zo hoog was als bij de stormvloed tien jaar daarvoor. De concrete vraag was wat de oorzaak was, en of dit vaker kon voorkomen. De leden van de commissie waren deskundigen van Rijkswaterstaat en van het KNMI, maar het ministerie (minister Lely) wilde een ter zake deskundige buitenstaander als voorzitter. De commissie concludeerde dat dit specifieke hoogwater werd veroorzaakt door hoge rivierafvoer en een samenloop van diverse factoren, waaronder de lange duur van de storm. En dat er in principe geen bovengrens aan de waterstand is, maar dat bij geometrie van de waterlopen van dat moment een maximale ontwerpwaterstand van 3,55 m boven N.A.P. te adviseren was. De commissie heeft zeer uitgebreid gerapporteerd, en daarbij onderzoek gedaan naar de wiskunde van de doordringing van stormvloeden in de benedenrivieren. Het rapport bevat tevens een bijlage van 62 blz met een Historisch Overzicht van de hoge vloeden en overstromingen tot en met 1868
    corecore