32 research outputs found
Basiskustlijn 2001: Evaluatie ligging Basiskustlijn
In de nota Kustbalans 1995, de tweede Kustnota, is geconstateerd dat de ligging van de basiskustlijn (BKL) niet overal optimaal is [lit.1]. Volgens alle Provinciale Overlegorganen voor de Kust (POK) kan daardoor onvoldoende worden ingespeeld op regionale behoeften voor natuurlijke dynamiek, veiligheid en recreatie. Deze stelling wordt onderbouwd in adviezen van de POK\u92s aan de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat omtrent met name bestuurlijke aspecten van de basiskustlijn (1999). De adviesvraag beoogde een aanzet te geven voor een gezamenlijke evaluatie van de basiskustlijn [lit.2]. In de adviezen is geconstateerd dat de basiskustlijn een bruikbaar instrument is voor het handhaven van de veiligheid tegen overstroming en voor het duurzaam behoud van functies op het strand en in het duin. Toetsing van de actuele kustlijnligging aan de basiskustlijn geeft in het algemeen eenduidige en uniforme informatie ten behoeve van de planning van maatregelen, meestal suppleties. De POK\u92s vragen zich echter af of de doelstelling van veerkracht en dynamiek daarbij eveneens voldoende ruimte krijgt. In vervolg op bovengenoemde adviezen heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat in februari 2000 de POK\u92s gevraagd advies uit te brengen met betrekking tot de optimalisatie van de ligging van de basiskustlijn. Daarbij geldt de positie van de BKL zoals aangegeven in de nota DGW 93.021 \u91Basiskustlijn, norm voor dynamisch handhaven\u92 als uitgangspunt. In de loop van het jaar 2000 zijn de schriftelijke adviezen van de POK\u92s omtrent de basiskustlijnligging ontvangen (bijlage 2). In dit document worden de adviezen van de POK\u92s samengevat en geanalyseerd en beoordeeld tegen de achtergrond van het kusthandhavingsbeleid. Daaruit volgt het besluit van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat tot aanpassing van de ligging van de BKL. De resultaten van de adviesaanvraag aan de POK\u92s van april 1999 zijn daarin eveneens meegenomen. In bijlage 3 wordt de verplaatsing van de BKL per raai in getallen gespecificeerd terwijl in bijlage 4 de ligging van de nieuwe BKL op kaart wordt gepresenteerd
Evaluatie Zandsuppleties na 1990
In de loop van 2000 zal de derde Kustnota worden uitgebracht. Deze derde Kustnota zal onder andere de balans weergeven van bijna 10 jaar dynamisch handhaven. In verband hiermee is bij RIKZ een evaluatie uitgevoerd van het handhaven van de kustlijn met zandsuppleties in de periode 1990-1998. In deze periode is het kustbeleid uitgevoerd zoals dat in 1990 door de regering is vastgesteld. De resultaten van deze evaluatie worden vastgelegd in het rapport Evaluatie Zandsuppleties na 1990 (Roelse, 2000, in prep.) door het beschrijven van de effecten van de zandsuppleties aan de hand van een morfologische analyse. SAMENVATTING VAN DE RESULTATEN PER ONDERWERP Handhaven kustlijn op raainiveau: \u95 Het aantal BKL-overschrijdingen wordt landelijk steeds kleiner. In 1992 was dit 31%, in 1999 was dit nog 11%. \u95 Grofweg de helft van de BKL-overschrijdingen bedraagt minder dan 10m. \u95 9% van alle raaien in het handhavingsgebied van de Nederlandse kust is jaarlijks gesuppleerd. Langs de Hollandse kust was dit percentage het hoogst. \u95 Het grootste deel van de raaien met een BKL-overschrijding wordt niet op tijd gesuppleerd. \u95 Landelijk is gemiddeld 4% van de raaien in het handhavingsgebied gesuppleerd, zonder dat de BKL werd overschreden. Kustlijnhandhaving a.d.h.v. MKL-arealen: \u95 Van 1990 tot 1998 is het MKL-areaal van Nederland met 560 ha gegroeid. De groei in de sedimentatiegebieden gaat wel minder snel dan in de periode 1980-1990. Dit wordt echter meer dan goedgemaakt in de erosiegebieden. Het verlies van areaal is, na de invoering van het beleid 'dynamisch handhaven' in 1990, omgebogen in winst. \u95 De reserve, de MKL-ligging t.o.v. de BKL, is zowel in de sedimentatie- als in de erosiegebieden na 1990 toegenomen. Autonome erosie en het effect van suppleties op erosie: \u95 Ruim vóór 1990 is gestart met het aanbrengen van zandsuppleties. \u95 Door meer zand te suppleren in het kader van het kustbeleid, is na 1990 het zandvolume toegenomen in de kustnabije zone. \u95 Wanneer er geen zandsuppleties uitgevoerd zouden zijn, had Nederland ca. 5 mm3/jaar zand verloren in de erosiegebieden. \u95 Na 1990 is in de erosiegebieden het zandverlies van ca. 5 mm3/jaar voldoende gecompenseerd door zandsuppleties en het natuurlijke kustgedrag. \u95 Het Waddengebied vormt hierop een uitzondering doordat hier is gekozen voor de natuurlijke dynamiek van de kust. \u95 De grootste suppletiehoeveelheden zijn aangebracht op Texel en in Noord-Holland. Effect suppleties op waterkeren en objecten: \u95 De gemiddelde ligging van de afslagpunten in de raaien, geselekteerd vanuit de functie waterkeren, is na 1990 14m zeewaarts verplaatst. \u95 De gemiddelde ligging van de afslagpunten in de raaien, geselekteerd vanuit de functie objecten, is na 1990 11m zeewaarts verplaatst. Strandbreedte (recreatie): \u95 Het strand van de recreatiegebieden in Nederland verplaatst langzaam zeewaarts. \u95 De breedte van het strand zelf van de recreatiegebieden in Nederland neemt toe. \u95 Door het handhavingsbeleid zoals dit in 1990 is ingesteld, is het strand in de recreatiegebieden niet versneld breder geworden.EVAZAN
BKL: Van BasisKustLijn naar Brede Kustlijn
In dit afstudeeronderzoek is een stochastisch optimalisatie-model voor de Hollandse kust ontwikkeld. In het model zijn de hydraulisch een morfologische processen van het natuurlijke kustsysteem gekoppeld aan de maatschappelijke activiteiten (economischefuncties) en de ecologische functies in de kustzone. Met dit model worden de jaarlijkse kosten voor kustonderhoud en de schade aan maatschappelijke activiteiten voor twee beheersopties geoptimaliseerd.De eerste beheersoptie betreft de huidige basiskustlijn benadering waarbij de bewegingsruimte voor de kust is beperkt tot de basiskustlijn die niet mag worden overschreden.Voor de tweede beheersoptie is een variant op deze kustlijnbenadering ontwikkeld. Bij deze beheersvorm wordt het wettelijk vastgestelde handhavingsprincipe van de basiskustlijn losgelaten en wordt genuanceerder omgegaan met de basiskustlijn.Er wordt een zone aangewezen waarbinnen de kustlijn mag bewegen. Deze zone kan zowel landwaarts als zeewaarts worden gezocht. Uit de optimalisatie volgt een 'optimale' suppletiefrequentie die de breedte van bewegingszone voor de kustlijn bepaalt. Deze bewegingszone geeft aan welke ruimte er in de kustzone langs de Hollandsekust moet worden gereserveerd. Voor zowel bebouwde kustgebieden als kustgebieden waar het accent ligt op natuur en landschap volgt uit optimalisaties dat het aantrekkelijk is om af te wijken van de traditionele kustlijnbenadering. De bewegingsruimte voor kustgebieden waaraan een hoge economische waarde is gegeven moet via een zeewaartse buffer worden gecreëerd. Voor kustgebieden met een lage economische waarde is het aantrekkelijk landwaartse terugschrijding van de kust toe te staan. De economische schade die optreedt is in deze gebieden laag ten opzichte van de hoge onderhoudskosten die nodig zijn om de kust te handhaven. Naast een economische afweging zal in de praktijk de maatschappelijke acceptatie een belangrijke rol spelen en moet onderzocht worden of de veranderingen aan de natuur acceptabel zijn.KWP-collectio
MAKNA KEBAHAGIAAN LANSIA YANG MENGIKUTI SEKOLAH LANSIA BKL DELIMA 123 GEDONGAN YOGYAKARTA
Yogyakarta is the province that has the largest number of elderly people on a national scale. The high number of elderly people in Yogyakarta also triggers high feelings of loneliness and social isolation. This problem is the main thing faced by the elderly so that the elderly easily become depressed. Therefore, a platform is needed that can restore the social functioning of the elderly in society. For example, the existence of elderly schools helps elderly people to achieve well-being both mentally, emotionally and psychosocially. The aim of this research is to develop concepts and keys to happiness that can be applied to all elderly people. As well as to analyze the sources of increasing elderly happiness in old age, the aim of this research is in accordance with the problem formulation.
This research uses a qualitative method with a phenomenological approach. This research focuses on understanding what occurs in the field and in-depth descriptions of experiences directly experienced by individuals regarding phenomena or events in the field. The author obtained primary data by collecting data using purposive sampling. Data was obtained from in-depth interviews with 10 elderly people. Observations about environmental conditions that support elderly people to be happy. The author also uses document data sourced from BPS, and data documents on the elderly at the BKL Delima 123 Gedongan Elderly School.
The results of research on the meaning of happiness for the elderly who attend seniors' school found three authentic concepts of happiness for the elderly, namely: the happiness of life for the elderly in old age which comes from children or family, from the material well-being and independence of the elderly in old age, and which comes from the role and existence elderly in society. It was also found that the keys to elderly happiness were immaterial and non-material, family and elderly spirituality. The source that increases the happiness of the elderly is happiness that comes from within and outside the elderly person. Then it is energized as an internal and external factor to create authentic elderly happiness
Expression of Plasmodium falciparum genes involved in erythrocyte invasion varies among isolates cultured directly from patients.
Plasmodium falciparum merozoites invade erythrocytes using a range of alternative ligands that includes erythrocyte binding antigenic proteins (EBAs) and reticulocyte binding protein homologues (Rh). Variation in the expression of some of these genes among culture-adapted parasite lines correlates with the use of different erythrocyte receptors. Here, expression profiles of four Rh genes and eba175 are analysed in a sample of 42 isolates cultured from malaria patients in Kenya. The profiles cluster into distinct groups, largely because of very strong negative correlations between the levels of expression of particular gene pairs (Rh1 versus Rh2b, eba175 versus Rh2b, and eba175 versus Rh4), previously associated with alternative invasion pathways in culture-adapted parasite lines. High levels of eba175 are seen in isolates in expression profile group I, and may be associated with sialic acid-dependent invasion. Groups II and III are, respectively, characterized by high levels of Rh2b and Rh4, and are more likely to be associated with sialic acid-independent invasion
Evaluatie onderwatersuppleties Egmond en Bergen
Het kustvak bij Egmond wordt, evenals dat bij Bergen, frequent gesuppleerd om de positie van de vastgestelde basiskustlijn (BKL) te handhaven. Deze BKL is ter plekke, vanwege de specifieke situatie aldaar, verder zeewaarts gekozen dan in aangrenzende vakken. Bij Egmond moet zo bijvoorbeeld gewaarborgd worden dat de strandboulevard in tact blijft. De suppleties werden tot voor kort uitgevoerd als strandsuppletie. Hun levensduur bleek relatief kort te zijn, zodat de suppleties regelmatig werden herhaald. Deze korte levensduur wordt geweten aan de vooruitgeschoven positie van de kustlijn, die de natuur relatief snel teniet wil doen (Boers, 1999). Als alternatief voor deze strandsuppleties is bij Egmond in 1999 een combinatie gerealiseerd van een (gebruikelijke) strandsuppletie met een zeewaarts daarvan aangebrachte onderwatersuppletie, terwijl hetzelfde bij Bergen in 2000 gebeurde. De hoop is dat een strandsuppletie door het toevoegen van een onderwatersuppletie een langer leven beschoren is dan zonder deze maatregel. Reden daarvoor zou zijn dat de onderwatersuppletie de golfaanval op de strandsuppletie reduceert. Verder wordt van een onderwatersuppletie sowieso een gunstige werking verwacht op de kustlijn, gezien eerdere ervaringen (bijv. Terschelling). Het is redelijk te verwachten dat dit effect ook op zal treden in de combinatie met een strandsuppletie. Met dergelijke combinaties is nog nauwelijks ervaring opgedaan. De onderwatersuppleties bij Terschelling, Delfland, Katwijk, Noordwijk, Ameland en Scheveningen, die redelijk gemonitord en bestudeerd worden, zijn alle uitgevoerd zonder aanvullende maatregelen als strandsuppletie. Combinatie-suppleties zullen in de toekomst vaker overwogen worden, als een strandsuppletie nodig is. Volgen of de combinatie bij Egmond en Bergen positief uitvalt is daarom gewenst. Hier worden enkele resultaten gegeven van onze bevindingen tot op heden. Bij de huidige analyses bleken het kustsysteem Bergen-Egmond en daarmee de onderwatersuppleties een complex gedrag te vertonen. Zowel bij Egmond als Bergen vervormt het zandlichaam van de onderwatersuppletie zich direct tot een bank/trogsysteem. Bij Egmond komt deze bank midden op het suppletielichaam te liggen, (en de trog landwaarts ervan, waarbij de oorspronkelijke buitenste bank landwaarts wordt gedrukt), bij Bergen vormt zich de bank daarentegen op de zeewaartse helft van het lichaam (met de trog in de landwaartse helft, en wordt de oorspronkelijke bank minder beïnvloed). Het ziet ernaar uit dat \u95 De kustdwarse breedte van een onderwatersuppletie (bij het huidige ontwerp: suppletie met horizontaal bovenvlak tegen buitenste bank, met een volume vergelijkbaar met dat van de bank) bepaalt of en in hoeverre de brekerbank landwaarts wordt gedrukt (nl. vooral bij een breedte kleiner dan de afstand tussen natuurlijke brekerbanken). \u95 Na/door de onderwatersuppletie is de buitenste bank ten zuiden van km 38 verder verlaagd, hetgeen gedeeltelijk verantwoordelijk is voor de teruggang (2000) in de zuidelijke helft van het suppletievak van de MKL na de strandsuppletie 1999. \u95 Door de onderwatersuppleties heeft deze bank een vorm aangenomen die eerder niet of nauwelijks is voorgekomen, met een naar het noorden steeds grotere afstand tot de kust. \u95 De excentriciteit van de ca. 2 km lange segmenten lijkt na de onderwatersuppleties groter dan ooit. Gezien vanuit de diverse kentallen als MKL etc. lijkt het effect van de onderwatersuppleties positief. Het ziet ernaar uit dat \u95 de onderwatersuppleties de levensduur van de strandsuppleties verlengen, in die zin dat de BKL langer gehandhaafd blijft (op een incidentele raai na) door de combinatie strand/onderwatersuppletie dan door enkel een strandsuppletie. Bij Bergen is er sedert de aanleg van de onderwatersuppletie + strandsuppletie geen noodzaak geweest voor verdere maatregelen, en vooralsnog lijken deze nog niet nodig. \u95 Het lijkt er dan ook op dat de doelstelling onderwatersuppletie Bergen (verlengen van de periode dat de BKL gehandhaafd blijft) fraai gehaald gaat worden. Bij Egmond is in 2000, het jaar na de strand- en onderwatersuppletie, een extra strandsuppletie rond km 38.5 uitgevoerd omdat de MKL lokaal onderschreden werd. De zuidelijke helft van het suppletievak lijkt zich ook daarna qua MKL slechter te gedragen dan de noordelijke helft, maar de waarden van de diverse parameters (MKL, duinvoetpositie, GHW) zijn anno 2003 nog redelijk tot goed. In de noordelijke helft zijn de waarden nog uitstekend, \u95 zodat de onderwatersupplete bij Egmond zich ook goed lijkt te gedragen. Het lijkt erop dat voor zowel Egmornd als Bergen het merendeel van het zand uit het suppletielichaam is verdwenen, Hierbij verdween alleen al in de winter 2001/2002 orde de helft van het resterende zand. We denken dat dit zand via de koppen van de suppleties is opgegaan in de buitenste bank ter plekke, en daarmee \u95 waarschijnlijk grotendeels zijwaarts uit de gesuppleerde kustvakken is verdwenen. Onduidelijk is in hoeverre het restant wan de suppleties lokaal nog een positieve invloed heeft op de kust. Bij Bergen zijn de reserves o.a. in MKL volumes momenteel redelijk. Daarom zijn \u95 bij Bergen vooralsnog geen maatregelen nodig. Bij Egmond lijken de reserves in de zuidelijke helft van het suppletievak minder. Een \u95 nieuwe (onderwater-) suppletie dient ontworpen (locatie, volume, etc.) te worden met gebruikmaking van de jongste inzichten. Met name dient de onderwatersuppletie zich verder zuidwaarts uit te strekken. Het ziet ernaar uit dat de BKL in dit kustvak gehandhaafd kan worden met enkel een onderwatersuppletie, door gebruik te maken van diens invloed op het bankensysteem en daarmee ook op het hogere deel van het profiel
Hard, zacht of een combinatie?: Kostenanalyse van de methoden voor kustverdediging
Al eeuwenlang wordt er in Nederland gestreden met de zee. Erosie van de kust zorgt voor een grote bedreiging van het achterland van overstromingen met vaak grote schade tot gevolg. Om de steeds waardevollere infrastructuur in het achterland te beschermen, worden er steeds verdergaande maatregelen getroffen om de kust tegen overstromingen te beschermen. Na de watersnoodramp in 1953 zijn, in het kader van de Deltawerken, enorme constructies gebouwd om de kans op een vergelijkbare ramp in de toekomst te verkleinen. Bijna de gehele Nederlandse kust is nu Deltaveilig. De laatste jaren wordt ook steeds meer aandacht besteed aan het beheer van stranden en duinen. De stranden en duinen hebben niet alleen een functie als kustverdediging maar ook als natuur- en recreatiegebied en de duinen worden gebruikt voor het winnen van drinkwater. Betere methoden zijn ontwikkeld om de veiligheid van de duinen als kustverdediging te bepalen en nieuwe technieken worden gebruikt om de kust te beschermen. Het Regeringsbeleid is sinds kort gericht op handhaving van de kustlijn. Dit houdt in dat de kustlijn de basiskustlijn (BKL) niet mag overschrijden. De BKL is bepaald uit jaarlijkse metingen van de kustlijn van 1980 tot en met 1989. De lijn getrokken door deze metingen is geextrapoleerd naar 1 januari 1990 en uit de gevonden waarden is de BKL bepaald. Voor een aantal kustvakken heeft dit beleid grote gevolgen gehad. Het aantal suppleties is toegenomen en zal nog verder toenemen als in de toekomst rekening gehouden moet worden met zeespiegelstijging. De kosten voor kustbescherming zijn dan ook gestegen en het is daarom aantrekkelijk om nieuwe en betere methoden te ontwikkelen. Tegenwoordig wordt de erosie vooral bestreden met zandsuppleties. Deze hebben echter een beperkte levensduur van maximaal 10 jaar. Harde constructies als strandhoofden en golfbrekers vergen weliswaar een grote investering. maar hebben een veel langere levensduur. De vraag is ofmen een harde constructie kan ontwerpen, of een combinatie van een harde constructie met een zandsuppletie, die na een langere periode minstens zo effectief is maar bovendien goedkoper is dan alleen zandsuppleties. Allereerst is onderzocht op welke manieren de kust verdedigd kan worden. Deze manieren zijn gesplitst in 'zachte' kustverdedigingsmaatregelen, 'harde' kustverdedigingsmaatregelen en combinaties van 'harde' en 'zachte' kustverdedigingsmaatregelen. De meeste van deze maatregelen bestrijden de erosie op verschillende manieren en onder verschillende omstandigheden. Het is daarom erg moeilijk om de ene maatregel met de andere te vergelijken. In deze studie zijn de verschillende manieren van kustverdediging met elkaar vergeleken op basis van effectiviteit. Effectiviteit kan op vele manieren gedefinieerd worden en daarom is een goede definitie bepaald waarmee in de rest van de studie is gewerkt. Voor strandhoofden en offshore golfbrekers is de effectiviteit onderzocht met behulp van het softwarepakket UNIBEST van het Waterloopkundig Laboratorium. De benodigde invoergegevens zijn verzameld waarbij is uitgegaan van een situatie aan de Hollandse kust. Met UNIBEST is voor de situatie zonder kustverdediging de structurele erosie bepaald. Vervolgens is met simulaties van strandhoofden en offshore golfbrekers geprobeerd deze structurele erosie te bestrijden. Hierbij is vooral gelet op de relatie tussen effectiviteit en ontwerpparameters als lengte, onderlinge afstand, doorlatendheid en afstand uit de kust.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
University graduates on the changing labour market
The main theme of the article refers to the consequences of dichotomization of situation concerning the graduates of popular and technical subject areas observed in the media discourse and in the statements of policy makers. The author considers the consequences of preserving these images and taking them for granted in the public discourse. In addition, she studies the effects they evoke in the students themselves, who under such an influence may decide on certain educational and professional strategies. The article attempts to answer the following questions: What is the labour market situation of university graduates? What variables explain the situation? How has the situation evolved over the recent years? Do you actually see marked deterioration of professional situation of young university graduates? What are the consequences of the division into massive and strategic (guaranteeing better professional start) fields of study fixed in the minds and cultivated by the media? The answers to the above questions are provided by the analysis of data from four consecutive BKL surveys (BKL – the Balance of Human Capital
in Poland) conducted on the basis of research on population and research on university
students in Poland. BKL project is unique (on the scale of Poland and Europe) labour
market monitoring composed of 5 editions of research which serve as a base to monitor
the changes in competence structure on the labour market. The author of the paper is one
of the members of the research team responsible for two modules of research: examination
of fields of study and examination of students.Tematem przewodnim artykułu są konsekwencje dychotomizacji sytuacji absolwentów kierunków masowych i technicznych, zaobserwowanej w dyskursie medialnym oraz w wypowiedziach decydentów. Autorka zastanawia się nad konsekwencjami utrwalenia tych wyobrażeń i przyjęcia ich za pewnik w dyskursie publicznym, a także nad efektami, jakie wywołują w samych zainteresowanych – studentach określonych kierunków, którzy pod ich wpływem mogą decydować się na określone strategie edukacyjne i zawodowe. W artykule podjęto próbę udzielenia odpowiedzi na następujące pytania: jaka jest sytuacja rynkowa absolwentów uczelni? Jakie zmienne tłumaczą tę sytuację? Jak ta sytuacja ewoluowała na przestrzeni ostatnich lat? Czy rzeczywiście widać wyraźne pogorszenie sytuacji zawodowej młodych absolwentów uczelni? Jakie konsekwencje niesie ze sobą utrwalony w świadomości i kultywowany przez media podział kierunków kształcenia na masowe oraz strategiczne (zapewniające lepszy start zawodowy). Odpowiedzi na powyższe pytania dostarczy analiza danych z czterech tur badania BKL (Bilans Kapitału Ludzkiego w Polsce), przeprowadzona w oparciu o badania ludności oraz badania studentów szkół wyższych w Polsce. Projekt Bilans Kapitału Ludzkiego to unikatowy na skalę Polski i Europy monitoring rynku pracy złożony z 5 edycji badań, na bazie których monitorowana jest zmiana struktury kompetencji na rynku pracy. Autorka wystąpienia jest jednym z członków zespołu badawczego, odpowiedzialnym za dwa moduły badania: badanie kierunków kształcenia oraz badanie studentów
Investigação in-situ do isolamento sonoro ao ruído de impacto em edifícios residenciais
Dissertação (mestrado) - Universidade Federal de Santa Catarina, Centro Tecnológico, Programa de Pós-Graduação em Arquitetura e Urbanismo, Florianópolis, 2009Este trabalho tem como objetivo principal o diagnóstico do nível de isolamento ao ruído de impacto do sistema laje/piso de unidades residenciais, considerado um dos incômodos que mais suscita reclamações de moradores. Inicialmente, investigaram-se quais lajes são típicas de edifícios residenciais, identificando-se três tipos: maciça, nervurada e pré-moldada. A partir daí, medições in-situ foram conduzidas de acordo com as normas internacionais ISO 140-7 e ISO 717-2, excitando-se as lajes dos quartos de 30 apartamentos na cidade de Florianópolis. No chamado isolamento ao ruído estrutural de lajes, quanto maior o nível sonoro capturado no apartamento inferior, resultante da excitação da laje divisória entre pisos, menor é seu isolamento. Ao comparar os resultados das medições com aqueles prescritos por normas internacionais, foi visto que apenas 23% das amostras avaliadas apresentaram desempenho que atenda à norma menos exigente dentre as normas de todos os países europeus que utilizam o mesmo descritor de isolamento. Se for considerada a norma mais restritiva, apenas 7% conseguem atender aos requisitos estabelecidos. A grande maioria dos apartamentos ensaiados, portanto, supera os níveis máximos permitidos por aqueles países. Quanto à norma brasileira, NBR 15575-3, não há exigência de desempenho, apenas a classificação do nível de isolamento oferecido. As amostras ensaiadas, então, foram classificadas a partir dos resultados encontrados in-situ, que mostraram que 20% das lajes estavam na categoria superior, a de melhor desempenho, com níveis menores que 55 dB; 3% das amostras foram classificadas como de desempenho intermediário, com níveis entre 56 e 65 dB e 77% apresentaram níveis maiores que 66 dB, o que significa um desempenho acústico classificado como mínimo. Destaca-se, ainda, que 40% das amostras extrapolaram o nível máximo estipulado por essa legislação nacional, indicando a necessidade de revisão da referida norma. Por fim, os resultados indicaram que o revestimento dos pisos foram determinantes para o desempenho dos sistemas laje/piso, corroborando investigações científicas da área de isolamento de impacto
Scheveningen: Badplaats of bolwerk? - beheersing stormvloedrisico's in badplaatsen
De Nederlandse kust zal in de toekomst te maken krijgen met een aantal problemen. Wereldwijd verwacht men grote klimatologische veranderingen, zoals temperatuurstijgingen en een extremer klimaat. Hierdoor zal een versnelde zeespiegelstijging plaatsvinden en zullen wind en golven in kracht toenemen. Dit zorgt voor een toename van de kusterosie. Daarnaast zullen de hydraulische randvoorwaarden voor waterkeringen zwaarder worden. Verder ontstaat er een ongewenste toename van risico's in de kustzone. Een van de grootste badplaatsen aan de Hollandse kust is Scheveningen. Ook hier zullen de bovenstaande ontwikkelingen plaatsvinden. Het project heeft zich geconcentreerd op de toename van risicos. De probleemstelling van dit project is op de volgende wijze gedefinieerd: "In de toekomst zal zich door klimaatveranderingen en eventuele investeringen een ongewenste toename van economische risico's voordoen in de kustzone van Scheveningen". Dit zijn de doelstellingen van dit project: 1. het in kaart brengen van de huidige en toekomstige risico's veroorzaakt door zware stormen in de kustzone van Scheveningen; 2. het generen van verschillende maatregelen, die het risico in deze zone gunstig kunnen beloeden; 3. het vergelijken van het effect dat deze maatregelen kunnen hebben op de grootte van de schadezone. Risico wordt berekend als kans maal gevolg. Om het risico te bepalen en te beloeden is inzicht nodig in de verdeling van de waarde van het gebied en de mogelijke schade. De waarde van de kustzone is bepaald aan de hand van waardeverdelingsfuncties. Het bepalen van de grootte van de schadezone gebeurt met duinafslag- en/of golfoverslagberekeningen. De schade is het gevolg in de risicoberekening. Langs de x-as (loodrecht op de kustlijn) neemt de kans op schade af. Deze afname moet verwerkt worden in de risicoberekening. Het risico wordt berekend door het product van kans en waarde te integreren over x. Voor berekeningen is het gemakkelijk deze integraal te discretiseren door het gebied op te delen in gebiedjes, waarin een gelijke kans van duinafslag wordt verondersteld. Om het gelopen economisch risico objectief te kunnen toetsen kan men gebruik maken van een bepaalde norm. Zon normering is voor buitendijkse gebieden niet voorhanden. In dit project is gekozen voor het ontwerpen van een risicoreferentie voor buitendijkse gebieden. Het berekende risico dient kleiner te zijn dan de ontworpen risicoreferentie. In de toekomst zullen de afslaglijnen landinwaarts verschoven zijn. Daarnaast is de economische waarde van Scheveningen vergroot. Hierdoor liggen ook de gemiddelde risico's niet meer onder de risicoreferentie. Maatregelen zijn dan ook nodig. In deze studie zijn de volgende maatregelen bestudeerd: het verhogen of het verbreden van de boulevard, het verhogen van het strand, het verhogen van het strand en de boulevard, het verleggen van de Basiskustlijn (BKL) en het aanleggen van een duin voor de boulevard. Uit de multicriteria-analyse bleek het verleggen van de BKL de beste te zijn voor de situatie in 2050. Dit komt doordat deze maatregel relatief goedkoop is en betrekkelijk weinig ingrijpt in de huidige fysieke situatie. De belangrijkste conclusies van dit project zijn: de toename van economische risico's in de kustzone van Scheveningen is ongewenst; rekenen met een gediscretiseerde risicoberekening levert betrouwbare uitkomsten op; een risiconormering levert een eenvoudige manier van toetsen voor de kustzone op; De belangrijkste aanbevelingen zijn: het doen van onderzoek naar het bezwijkgedrag van bebouwde duinen; het doen van onderzoek naar risiconormering, ook door vergelijking met andere risico's; de onderzochte maatregelen dienen gezien te worden als aangereikte mogelijke instru-menten om in de toekomst het risico te verlagenCivil Engineering and Geoscience
