197,621 research outputs found
Dr. M. A. Donk, his life and work
With the death of Dr. M. A. Donk on 2 September 1972 the mycological world has lost one of its great personalities.
Born on 14 August 1908 at Situbondo, Java, of Dutch parents, Donk went to a secondary school at The Hague and entered the University of Utrecht in 1927. He received his doctor’s degree on 7 July 1933
Notes on ‘Cyphellaceae’—II
The author introduces two new genera, Mniopetalum Donk & Sing, (based on a new species, M. globisporum Donk) and Episphaeria Donk (based on Cyphella fraxinicola Berk. & Br.). Three other genera in an emended circumscription are discussed: Stigmatolemma Kalchbr., Phaeosolenia Speg., and Cyphellopsis Donk. Rhodocyphella W. Cooke is reduced to the synonymy of Stigmatolemma; and Maireina (Pilát) W. Cooke, to the rank of a section of Cyphellopsis, which is tentatively considered to consist of a single complex species for which the name Cyphella monacha Speg. apud Roum. is temporarily used. New combinations are made in Mniopetalum (1), Episphaeria (1), Stigmatolemma (3), Phaeosolenia (2). Most of these names are used (but not validly published) in a recent work of Singer where also the genera mentioned above are described and discussed
Inducible defenses and the dynamics of planktonic food chains
Contains fulltext :
30214.pdf (Publisher’s version ) (Open Access)Radboud Universiteit Nijmegen, 19 oktober 2007Promotor : Donk, E. van Co-promotores : Mooij, W.M., Vos, M.144 p
NOTES ON MALESIAN FERNS—I On the genus Lemmaphylluin Presl
1. The genera Lepidogrammitis Ching and Weatherbya Copel. are merged inLemmaphyllum. Presl. The inconstancy of the characters on which these genera havebeen separated in discussed.2. The following new combinations are proposed: Lemmaphyllum accedens (Bl.)Donk (basinym, Polypodium accedens Bl.) and Lemmaphyllum sect. Phlebodiopsis(Moore) Donk (basinym, Pleopeltis sect. Phlebodiopsis Moore)
NOTES ON MALESIAN FUNGI—II* On the genera Auricularia, Hirneola, and Laschia
1. After discussing the outer characters of the three genera Auricularia Bull,ex Merat, Hirneola Fr. (1848), and Laschia Fr., now often combined into a singlegenus, the author concludes that there is every reason to follow Bresadola and tokeep Auricularia and Hirneola apart as distinct genera, and to enter Laschia intoHirneola.2. It is pointed out that in Hirneola the hymenophore is not invariably inferior.3. The author once more discusses the desirability of conserving the nameHirneola Fr. 1848. He withdraws his previous proposal for conservation of AuriculariaBull, ex Brongn. 1824.4. The new combination Hirneola nigricans (Sw. ex Fr.) Donk is proposed.5. It is possible that the correct name for the Judas' ear is Hirneola auricula(L. ex Mexat) H. Karst
THE GENERIC NAMES PROPOSED FOR HYMENOMYCETES—I "Cyphellaceae"
1. The present paper is the first of a series intended to deal from a nomenclatural point of view with all the generic names proposed for Hymenomycetes. For each name the following items are considered: (i) its etymology and gender, (ii) the original scope of the corresponding genus, and, in case of the name being- an isonym,also of the group covered by its basinym; (iii) the type species, which when not originally designated, is selected; (iv) its basinym, synisonyms, homonyms, typonyms,and variant spellings, if any, are indicated; (v) its status under the Rules is determined;and (vi) supplementary remarks are given when these are deemed useful.2. This first instalment deals with "Cyphellaceae," a group defined in a con-ventional, rather descriptive, manner, not as a taxonomic unit.3. A new generic name, Stromatoscypha Donk, is introduced for Porothelium(Pr. ex Fr.) Fr.4. The following new combinations are made: Aleurodiscus digitalis (A. & S.ex Fr.) Donk [basinym: Cyphella digitalis (A. & S.) ex Fr.], and Stromatoscyphafimbriata (Pers. ex Fr.) Donk [basinym: Polyporus fimbriatus (Pers.) ex Fr.]
Using the pupillary light response to track visual attention during pro- and antisaccades [ECVP 2016 talk]
Slides for:Mathôt, S., Anderson, N., & Donk, M. (2016, Sep). Using the Pupillary Light Response to Track Visual Attention During Pro- and Antisaccades. Talk presented at the European Conference on Visual Perception, Barcelona, Spain.</div
Plangebied EVZ Goorloop te Beek en Donk, gemeente Laarbeek; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek.
In opdracht van Bosgroep Zuid-Nederland heeft RAAP in de periode mei-juni 2018 een bureau onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de herinrichting van het beekdal van de Goorloop te Beek en Donk (gemeente Laarbeek). In het plangebied (ca. 8,25 ha) zal een Ecologische Verbindings zone (EVZ) ingericht worden. Om dit te bekomen zijn o.a. het wijzigen van de bestaande water loop, het verlagen van het maaiveld, de aanleg van een plasdraszone, het graven en vergroten van poelen en het graven van een sloot gepland. Gezien de omvang van het plangebied en de aard van de geplande werkzaamheden is gekozen voor een bureauonderzoek, resulterend in een archeologische verwachtings- en advieskaart. Doel van het onderzoek was het verkrijgen van inzicht in de aanwezige en verwachte archeologische/cultuurhistorische waarden in het plange bied. Hieraan is vervolgens een concreet advies gekoppeld ten aanzien van een verantwoorde omgang met deze waarden tijdens de planuitvoering. Volgens de archeologische verwachtingskaart (figuur 2) van de gemeente Laarbeek komen bin nen het plangebied meerdere verwachtingszones voor. Voor het grootste deel van het plange bied, voornamelijk in het zuiden van het plangebied en direct langs de Goorloop, gaat het om zones zonder archeologische waarde (categorie 7; waar de verstoring is aangetoond) en een lage archeologische verwachting (categorie 6). Daarnaast komen ook kleine (versnipperde) zo nes voor met een middelhoge en hoge archeologische verwachting (categorieën 4 en 5). De gemeentelijke verwachtingskaart diende als basis voor het opstellen van een gebiedsspecifieke verwachting (figuur 10): - De lage archeologische verwachting hangt samen met de ligging binnen een laag gelegen uitgestrekte beekoverstromingsvlakte. De lage archeologische verwachting wordt ook door on derhavig onderzoek onderschreven; - De zones met een hoge verwachting op de gemeentelijke verwachtingskaart hangen nog sa men met de ligging op een relatief droge dekzandrug waardoor hier nog nederzettingsresten (en eventueel begraafplaatsen) van jager-verzamelaars en landbouwers kunnen verwacht wor den. Op basis van onderhavig bureauonderzoek kan deze hoge archeologische verwachting worden bijgesteld worden naar middelhoog (op basis van resultaten nabijgelegen onderzoeken waarbij geen vindplaatsen en (gedeeltelijk) verstoorde bodems werden aangetroffen; - De zones met een middelhoge archeologische verwachting op de gemeentelijke verwachtings kaart hangen samen met de natte ligging in het beekdal. Hier kunnen nog beekdalgerelateerde vindplaatsen voorkomen (vb. resten van jacht- en visvangst, rituele deposities, grondstoffen winning, afvaldumps). Omdat concrete aanwijzingen voor beekdalgerelateerde vindplaatsen ontbreken (bekende vindplaatsen, historisch kaartmateriaal) geldt er een onbekende archeolo gische verwachting hiervoor. De (gebiedsspecifieke) archeologische verwachtingskaart is vertaald naar een advieskaartje (figuur 11). Alleen voor de delen van het plangebied waar nog archeologische resten worden verwacht komt in aanmerking voor vervolgonderzoek: - Ter plaatse van enkele gebiedjes die op een dekzandrug zijn gelegen geldt nog een middelho ge verwachting voor nederzettingslocaties (en eventueel begraafplaatsen) van jagerverzamelaars en landbouwers. Hier wordt in eerste instantie een proefsleuvenonderzoek aan bevolen indien dieper dan 50 cm (minimale dikte esdek) wordt verstoord.
Op basis van de voorgenomen plannen zullen hier echter geen bodemroerende ingrepen plaats gaan vinden waardoor archeologisch vervolgonderzoek niet nodig is. - Ter plaatse van enkele zones binnen het beekdal geldt nog een onbekende archeologische verwachting voor beekdalgerelateerde vindplaatsen. Hier wordt een archeologische begelei ding aanbevolen indien dieper dan 30 cm (geen esdek) wordt verstoord. Omdat er geen speci fieke archeologische verwachting aan het gebied kan worden toegekend (onbekende archeolo gische verwachting) wordt geadviseerd om de begeleiding laagdrempelig in te steken (exten sieve archeologische begeleiding of inspectie). Op basis van de voorgenomen plannen zal in deze zones (in het uiterste noorden van het plangebied) alleen maar een sloot gegraven wor den. Omdat het hier gaat om een relatief beperkte ingreep wordt geadviseerd om het plan aan te passen om de kosten van een begeleiding te vermijden. Indien een planaanpassing niet mo gelijk is dienen de graafwerkzaamheden archeologisch begeleid te worden (extensieve archeo logische begeleiding of inspectie). Voorafgaand aan archeologisch vervolgonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te wor den opgesteld. Hierin worden de randvoorwaarden bepaald ten aanzien van het onderzoek. Dit PvE dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die door het bevoegd gezag worden ge steld. Dit rapport geeft uitsluitend (selectie)adviezen. Om deze te laten bekrachtigen in een selectie besluit kan contact worden opgenomen met de bevoegde overheid, de gemeente Laarbeek
Neolithische bewoning op een donk in de gemeente Giessenlanden
Binnen de opgravingsput kon over een oppervlakte van 4 x 10 m een oud donkoppervlak onderzocht worden. Het gaat hierbij om de flank en de rand van de top van deze donk. Dergelijke donken zijn op het eind van de late ijstijd ontstaan door uitblazing van oude rivierterrassen, waardoor grof zandige rivierduinen ontstonden. Deze duinen waren sindsdien hoge en droge plaatsen in het rivierenlandschap en werden als zodanig veelvuldig door de mens gekozen als vestigingslocatie. Voorlopig stammen de oudste bewoningsfasen van deze donken in Midden-Nederland uit het laat-mesolithicum. Met name in het neolithicum zijn ze vervolgens intensief gebruikt. In de Alblasserwaard hebben enkele belangrijke opgravingen van dergelijke donken plaatsgevonden, zoals: de Hazendonk, bij Brandwijk en De Bruin en Polderweg bij Hardinxveld-Giessendam.
De bewoningsresten aangetroffen op de donk aan de Kromme Giessen te Hoornaar passen in dit beeld. Door de beperkte grootte van de opgravingsput kon de vindplaats niet compleet onderzocht worden, en helaas lijkt vooral de rand van een vindplaats aangetroffen te zijn. Het aangetroffen materiaal is namelijk vrij beperkt ten opzichte van nederzettingskernen als bekend uit andere donkopgravingen in de regio. Wel toont het aangetroffen materiaal duidelijk aan dat er bewoning van de donk heeft plaatsgevonden ten tijde van de neolithische Swifterbant-cultuur, en wel meer specifiek in de fase Hazendonk 2 (ca. 4000-3700 cal BC). Het grotendeels verbrande botafval en de aardewerkscherven met aankoeksel kunnen eenduidig als keukenafval worden geïnterpreteerd, terwijl de (micro)debitage en de aanwezigheid van een kern op lokale vuursteenbewerking
wijst. De vondst van een pijlspits wijst erop dat er jacht zal hebben plaatsgevonden en de vondst van enkele krabbers wijst mogelijk op de bewerking van huiden, e.d.
De vindplaats is met name interessant omdat juist de Hazendonk 2-fase nog weinig onderzocht is. Onderzoek in het kustgebied op vindplaatsen als Wateringen, Schipluiden en Ypenburg heeft veel nieuwe gegevens opgeleverd over bewoning en grafritueel in de Hazendonk 3-fase. De donken te Hardinxveld-Giessendam waren daarentegen met name op de vroegere fasen gericht en hebben veel nieuwe gegevens opgeleverd over het moment waarop mensen in Midden-Nederland begonnen met de productie van aardewerk, het houden van vee, e.d. Vindplaatsen uit de Hazendonk 2-fase zijn echter beperkt tot de Hazendonk zelf en de donk Brandwijk.
Binnen de opgraving is uiteraard slechts een uitsnede uit deze vindplaats onderzocht. Slechts een smalle strook was op dit moment beschikbaar voor onderzoek, terwijl de bouwplannen een groter terrein beslaan. Op basis van de opgravingsgegevens, aangevuld met de boorgegevens uit de directe omgeving, lijkt geen sprake te zijn van rijke vondstlagen tegen de donkflank waarvan op verschillende andere donken in de regio sprake is. De verspreiding van vondsten beperkt zich tot 5-6 m uit het zuiden van de put. Dit betekent dat de diepere delen van de donkflank archeologisch niet interessant blijken. De enige delen van de donk waar verdere bewoningsresten kunnen worden aangetroffen zijn de hogere delen van de donk
In defense of the salience map: salience rather than visibility determines selection
The aim of the present study was to investigate whether time-dependent biases of oculomotor selection as typically observed during visual search are better accounted for by an absolute-processing-speed account (J. P. de Vries, I. T. C. Hooge, M. A. Wiering, & F. A. J. Verstraten, 2011, How longer saccade latencies lead to a competition for salience. Psychological Science, 22, 916-923) or a relative-salience account (e.g., M. Donk, &W. van Zoest, 2008, Effects of salience are short-lived. Psychological Science, 19, 733-739; M. Donk & W. van Zoest, 2011, No control in orientation search: The effects of instruction on oculomotor selection in visual search. Vision Research, 51, 2156-2166). In order to test these two models, we performed an experiment in which participants were instructed to make a speeded eye movement to any of two orientation singletons presented among a homogeneous set of vertically oriented background lines. One singleton, the fixed singleton, remained identical across conditions, whereas the other singleton, the variable singleton, varied such that its orientation contrast relative to the background lines was either smaller or larger than that of the fixed singleton. The results showed that the proportion of eye movements directed toward the fixed singleton varied substantially depending on the orientation contrast of the variable singleton. A model assuming selection behavior to be determined by relative salience provided a better fit to the individual data than the absolute processing speed model. These findings suggest that relative salience rather than the visibility of an element is crucial in determining temporal variations in oculomotor selection behavior and that an explanation of visual selection behavior is insufficient without the concept of a salience map. © 2013 American Psychological Association
- …
