1,749,505 research outputs found
Resolución UNRN N° 715/2009. Aprobar la designación como auxiliar de docencia
Fil: Universidad Nacional de Río Negro (U). Universidad Nacional de Río Negro. Río Negro, ArgentinaResolución UNRN N° 715/2009. Aprobar la designación como auxiliar de docenciafals
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
Block Card 715 Madison Avenue
This image was produced by the Auditor's Office in Lucas County, Ohio for tax assessment purposes. Associated dates are approximate. Descriptive terms related to this photograph include: commercial building | Georgian style | 715 Madison Avenue (Toledo, Ohio) | Port Lawrence Division (Toledo, Ohio) | Downtown (Toledo, Ohio) | Warehouse District (Toledo, Ohio) | 715 Madison Avenue (Toledo, Ohio
Variations on the Author
“Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship
Inscriptions 704 à 715
Inscriptions 704 à 715. In: Revue épigraphique du Midi de la France, tome 2, N°49, 1888. pp. 356-364
Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis
We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis
BOORrapporten 715
In opdracht van Stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam heeft het team Onderzoek en Rapportage van Archeologie Rotterdam op 8 en 9 december 2020 een verkennend inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied Gravenbuurt te Rotterdam, in de gelijknamige gemeente. In totaal zijn verspreid over het plangebied zeventien handmatige boringen gezet, tot een maximale diepte van 6,01 m - NAP (3,77 m - mv). Voorafgaand aan het veldonderzoek is voor het gebied een bureauonderzoek gedaan. De onderzoeken zijn verricht omdat in het plangebied drain- en rioolbuizen vervangen worden en nieuwe worden aangelegd. Hierbij zullen grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd. Indien archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze bij de werkzaamheden worden aangetast of vernietigd.
Uit het bureauonderzoek, waarbij onder meer is gekeken naar de bodemopbouw ter plaatse, de bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied en de historische situatie, komt naar voren dat alleen voor de zone direct grenzend aan de Kleiweg een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen uit de (Late) Middeleeuwen. Dit hangt samen met de mogelijke aanwezigheid van een laatmiddeleeuwse dijk, met eventueel daaraan gerelateerde bewoningssporen, in dit deel van het plangebied. Gelet op de ontwikkeling van het gebied in de Nieuwe tijd, geldt voor de zone parallel aan de Kleiweg en de Straatweg ook een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit deze jongere periode. Voor het overige deel van het plangebied en voor vindplaatsen uit oudere perioden geldt in principe een lage archeologische verwachting. Voor vindplaatsen uit het Mesolithicum en het Neolithicum geldt een onbekende archeologische verwachting, omdat er geen of slechts in zeer beperkte mate informatie beschikbaar is over de dieper gelegen relevante bodemtrajecten.
Het verkennend inventariserend veldonderzoek heeft echter weinig inzicht gegeven in de geologische opbouw en de intactheid van de bodem om de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen en aan te vullen, en daarmee de archeologische potentie van het plangebied vast te kunnen stellen. Door de aanwezigheid van dikke pakketten opgebracht bouwzand was het boren fysiek erg zwaar. Ook konden boringen niet tot de gewenste diepte worden doorgezet, door het voorkomen van ondoordringbare lagen of massieve obstakels in de ondergrond. In vijf boringen kon wel door het bouwzand heen geboord worden, maar waren de waarnemingen vaak slecht door de aanwezigheid van het grove zand. In slechts vier boringen is daadwerkelijk de natuurlijke ondergrond bereikt. In boringen 18, 33, 38 en 40 is op een gemiddelde diepte van 4,88 m - NAP (2,96 m - mv) veen van de Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket aangeboord. Direct op het veen is in boringen 33, 38 en 40, op gemiddeld 4,25 m - NAP (2,46 m - mv), een kleipakket van gemiddeld 30 cm dik aangetroffen. De klei kan vermoedelijk geïnterpreteerd worden als overstromingsafzettingen behorend tot de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren of tot de Formatie van Echteld. Daar waar de natuurlijke bodemlagen zijn waargenomen, bleek de top (deels) te zijn aangetast en zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Of dit voor het gehele plangebied geldt is echter niet zeker. Ook over de dikte van het opgebrachte pakket bestaat onduidelijkheid. Het vermoeden bestaat dat deze nogal varieert. In boring 1 bleek het pakket namelijk meer dan 380 cm dik te zijn; de onderkant is niet bereikt. Concluderend kan dan ook gesteld worden, dat niet uitgesloten kan worden dat bij de voorgenomen grondroerende werkzaamheden tot maximaal 3,0 m - mv archeologische resten verstoord zullen worden.
Op grond van het bureauonderzoek en het verkennend inventariserend veldonderzoek luidt het (selectie)advies voor het plangebied Gravenbuurt te Rotterdam om het verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen niet voort te zetten, maar de geplande werkzaamheden (gedeeltelijk) archeologisch te begeleiden. Om te kunnen bepalen of en waar begeleiding van de grondroerende activiteiten zinvol kan zijn, is inzicht in de definitieve plannen (locatie en diepte van de bodemingrepen) van belang
- …
