Electronic Archiving System
Not a member yet
    318455 research outputs found

    Oudeweg 10 Beerta Opgraving, variant begeleiding Oudeweg 10 te Beerta, gemeente Oldambt (GR)

    No full text
    Bij het onderzoek zijn resten uit drie verschillende perioden aangetroffen. De oudste sporen dateren uit de periode 17e eeuw- eerste kwart 18e eeuw en bestaan uit een kuil en een greppel. Van de boerderij die op de Kadastrale Minuut van 1824 staat aangegeven zijn verschillende muurresten gevonden. Deze muren zijn gemaakt van handgevormde bakstenen die op basis van hun formaat worden gedateerd in de periode tussen 1700 en 1850. In de funderingssleuf/ werkput zijn zowel resten van de boerderij zelf gevonden als van het bakhuisje ernaast. Tot slot is muurwerk gevonden dat behoort tot de boerderij die vanaf circa 1875 hier stond en waarvan de onlangs gesloopte schuur het laatste restant was (het oude voorhuis is al eerder gesloopt). Deze muren zijn opgemetseld van industrieel vervaardigde bakstenen. Uit de bodemopbouw blijkt dat de boerderijen zijn gebouwd op veen- of kleilagen met resten (verslagen of verspoeld?) veen of humus. Op een enkele plek is een grondverbetering op het veen aangebracht, in de vorm van een dunne laag keileem. Tussen de natuurlijke lagen en de huidige bouwvoor/ het huidige maaiveld liggen verspitte of geroerde lagen die te maken hebben met de verschillende bouw- en sloopfase(n) op het terrein. Afgezien van de bakstenen, die uit de sporen zijn verzameld, is het meeste vondstmateriaal aangetroffen in deze lagen. Het aangetroffen vondstmateriaal (aardewerk, pijpaarde) dateert hoofdzakelijk uit de periode 1700-1800. Een ijzeren kookketel is jonger en heeft een 20e-eeuwse datering. Aanleiding tot het onderzoek is de vervanging van één van de bestaande opstallen op het erf Oudeweg 10 te Beerta. Hierbij wordt het bestaande pand gesloopt en geheel vervangen.

    Onderzoeksgebied Achterstraat 22, boerderij De Laak, gemeente Buren; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek Onderzoeksgebied Achterstraat 22, boerderij De Laak, gemeente Buren; archeolo?gisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

    No full text
    In opdracht van Stichting Landschapsbeheer Gelderland heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau op 14 juni en 11 oktober 2012 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd naar de zogeheten Motte van Asch, Achterstraat 22 in de gemeente Buren. Doel van dit onderzoek was inzicht te krijgen over de bewoningsgeschiedenis. Door middel van bureauonderzoek is informatie verworven over de bewoningsgeschiedenis vanaf de Late Middeleeuwen. Door middel van veldonderzoek in de vorm van grondboringen is informatie verworven over de bodemopbouw en archeologie Tijdens het bureauonderzoek is vastgesteld dat tot circa 1900 op de plek van de heuvel de boerderij De Laak heeft gestaan. De vroegste schriftelijke vermelding van deze boerderij dateert uit het einde van de 15e eeuw. Tijdens het veldonderzoek is op de plek van de heuvel een dik ophogingspakket aangetroffen, gelegen op een zandige oeverwal en de rand van een crevasseafzetting. Aan de zuidwest- en zuidzijde van de heuvel is een gracht aangetroffen. Het aardewerk dat is aangetroffen in verschillende boringen dateert uit de periode vanaf de Vroege Middeleeuwen. Er is geconcludeerd dat het booronderzoek geen directe aanwijzingen heeft opgeleverd die duiden op de aanwezigheid van een mottekasteel. Ondanks het ontbreken van deze aanwijzingen kan niet worden uitgesloten dat een dergelijk kasteel op de locatie heeft gestaan. Wel is het onderzoeksgebied vanaf de Late Middeleeuwen (en mogelijk eind Vroege Middeleeuwen) intensief bewoond geweest. Met betrekking tot de bevindingen van dit bureau- en inventariserend veldonderzoek dient contact opgenomen te worden met de gemeente Buren (dhr. E. Gerrits

    Archeologische begeleiding Kelpen Hunselerdijk 1 Archeologisch Proefsleuvenonderzoek aan de Hunselerdijk 1 te Kelpen in de gemeente Leudal

    No full text
    Uit de resultaten van het proefsleuvenonderzoek (karterende/waarderende fase) blijkt dat er in het plangebied geen archeologische waarden aanwezig zijn. De enige sporen die aangetroffen zijn bleken recent te zijn. Op het gehele terrein zijn vier vondsten gedaan, twee stukken aardewerk uit de Late-Middeleeuwen, een stuk aardewerk uit de Nieuwe tijd en een stuk verslakt materiaal dat niet te determineren was

    Goes Groene Weidje 3-9 Goes Groene Weidje 3-9. Gemeente Goes. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

    No full text
    Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed heeft een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd aan Groene Weidje 3 t/m 9 te Goes. De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om de bestaande bebouwing te slopen ten behoeve van een nieuw appartementencomplex. Artefact heeft in 2016, in opdracht van de Gemeente Goes, een uitgebreid Archeologisch Bureauonderzoek voor de binnenstad en het havengebied opgesteld. Ook het huidige plangebied maakt deel uit van dit gebied. In het voorliggende rapport werd op basis van dit bureauonderzoek, aangevuld met gebiedseigen informatie, een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied opgenomen. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen tot maximaal 4,60 m-mv (3,41 m-NAP) met als doel de landschappelijke vormeenheden te bepalen en kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones aan te duiden voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Op basis van de resultaten dit onderzoek kan gesteld worden dat: - Binnen het plangebied kreekbeddingafzettingen voorkomen die afgedekt worden door sedimentatie- en demplagen van de middeleeuwse stadsgracht, wellicht gedempt voor de bouw van het bastion in de late 16de eeuw. - Op de gedempte stadsgracht ophooglagen uit de Nieuw Tijd voorkomen waar in eerste instantie resten van 19de en 20ste eeuwse bebouwing kunnen worden aangetroffen (indien niet verstoord door de huidige bebouwing. - Binnen het plangebied enkel een verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd en dit vanaf 0,55 m -mv. De stadgracht uit de Late Middeleeuwen bevindt zich op een diepte vanaf minimaal 1,65 m -mv (0,46 m -NAP)

    A-22.0450: Tilburg, Natuurpoorten Bosch en Duin en De Rustende Jager Tilburg - Udenhout. Natuurpoorten, deelgebied 1 Bosch en Duin

    No full text
    BAAC heeft op 23 en 24 november 2022 in opdracht van de gemeente Tilburg een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied Tilburg - Udenhout, Natuurpoorten. Het onderzoek is opgedeeld in twee deelgebieden. Het veldwerk in deelgebied 1, Bosch en Duin is uitgevoerd, het onderzoek in deelgebied 2 zal op een later moment plaatsvinden. Dit rapport heeft betrekking op deelgebied 1. Tijdens het onderzoek zijn in totaal acht proefsleuven met een totale oppervlakte van ruim 1200 m2 onderzocht. Aanleiding voor het onderzoek is de aanleg van natuurpoorten en de daarbij aanwezige voorzieningen. Deze voorzieningen bestaan uit parkeerplaatsen, nieuwe bestrating en wandelpaden. De maximale verstoringsdiepte is 1,20 m op plekken waar bomen worden geplant en 70 cm op plekken waar verharding wordt aangelegd. Realisatie van de plannen kan leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden. Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal vier vindplaatsen onderscheiden, namelijk: Vindplaats 1: Bewoningssporen uit de ijzertijd op een kleine dekzandkop, centraal in het onderzoeksgebied. Direct naast de sporen is in een spitspoor handgevormd aardewerk aangetroffen dat is gedateerd tussen 300 en 12 voor Chr. (midden- tot late ijzertijd); Vindplaats 2: Bewoningssporen, waarschijnlijk een erf uit de middeleeuwen of het begin van de nieuwe tijd in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied. In de erf- of huisgreppel zijn fragmenten van een steengoed kan en een fragment baksteen aangetroffen die dateren in het begin van de nieuwe tijd (1550-1625 na Chr.); Vindplaats 3: Een weg bestaande uit een bundel karrensporen en naastgelegen greppels, direct ten westen van vindplaats 2. Deze weg of pad heeft een noordzuidelijke oriëntatie en is weergegeven op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw; Vindplaats 4: Sporen van landinrichting en -gebruik uit de late middeleeuwen – nieuwe tijd die in het hele onderzoeksgebied voorkomen en ook daarbuiten verder doorlopen. Het gebied maakte deel uit van een groter akkergebied. In de greppels en in de humeuze bovengrond is steengoed, grijsbakkend gedraaid aardewerk en een fragment dakpan aangetroffen die dateren tussen de late middeleeuwen en de nieuwe tijd vroeg (1350 – 1575 na Chr.) Op grond van de uitgevoerde waarderingen moeten de vindplaatsen 1, 2 en 3 als behoudenswaardig worden beschouwd. Het advies van BAAC is dan ook om deze vindplaatsen te beschermen middels behoud in situ of, indien dit niet mogelijk is, door behoud ex situ door middel van een opgraving

    Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bûtewei 3 te Ureterp, gemeente Opsterland (FR) Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Bûtewei 3 te Ureterp, gemeente Opsterland (FR)

    No full text
    Laagland Archeologie heeft in november-december 2022 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Bûtewei 3 te Ureterp. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande overkapping van een bestaande rijbak en enkele andere (relatief kleinschalige) ingrepen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Het plangebied ligt in een zone van verspoelde dekzanden waarop zich een gooreerdgrond heeft ontwikkeld. Het eerddek kan gezien worden als het restant van een veenpakket dat zich hier tussen 3850 en 2750 voor Chr. vormde. Dit veen is in de loop van de Late Middeleeuwen ontgonnen. Het terrein ligt aan de Bûtewei, een laatmiddeleeuwse ontginningsas. Vanaf tenminste 1718 tot in het eerste kwart van de vorige eeuw was het plangebied en omgeving onbebouwd. Op geraadpleegde kaarten zijn tot in de vorige eeuw geen verkavelingssloten aangegeven. Na de middeleeuwse veenontginningen vormde het plangebied lange tijd onderdeel van een groot heideveld. Voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum tot en met Vroeg-Neolithicum. Op basis van de ligging aan een laatmiddeleeuwse ontginningsas geldt een hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en ook het begin van de Nieuwe Tijd. Resten uit deze periode zijn echter vooral in het meest noordelijke deel van het plangebied te verwachten, nabij de Bûtewei. De ingrepen zijn echter in het zuidelijke plangebied gepland. Resten uit de latere Nieuwe Tijd worden niet verwacht: op oude kaarten is tot in de vorige eeuw geen sprake van bebouwing. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. De zuidelijke helft van het plangebied – waar de ingrepen plaatsvinden – is door middel van grondboringen onderzocht. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Uit de boringen blijkt dat in dit noordelijke deel sprake is van een dik opgebracht pakket dat scherp begrensd op keileem rust. Dit betreft een recente verstoring. Wat zuidelijker is de verstoring minder dik. In enkele boringen zijn laagjes restveen aangetroffen. Daar waar de bodemverstoring relatief gering is, is dekzand aangetroffen waarin in een geval een EB- horizont en in de overige gevallen waarschijnlijk een verbruiningshorizont (Bh-horizont) heeft gevormd. Onder het dekzand ligt meestal keizand en daaronder keileem. De top van de intacte pleistocene ondergrond vertoont nauwelijks reliëf. De lage verwachting voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum – Vroeg-Neolithicum kan daarom gehandhaafd blijven. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van resten van bebouwing of veenterpjes. De verwachting voor wat betreft de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kan daarom worden bijgesteld naar ‘laag’. Nader archeologisch onderzoek wordt niet aanbevolen. Dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Opsterland. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed)

    Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Da Costastraat 2 te Zevenaar, gemeente Zevenaar (GD) Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Da Costastraat 2 te Zevenaar, gemeente Zevenaar (GD)

    No full text
    Laagland Archeologie heeft in februari-maart 2024 een Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Da Costastraat 2 te Zevenaar. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de sloop van het huidige schoolgebouw ten gunste van nieuwbouw. Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4003. Op basis van het eerder uitgevoerde bureauonderzoek is vermoedelijk sprake van (verstoorde) oeverafzettingen, gevolgd door matig siltige komafzettingen tot een diepte van 180 cm -mv. Daaronder ligt sterk siltige klei tot een diepte van circa 200 cm (Wijchen-Laagpakket). Daaronder liggen zandige terrasafzettingen (Kreftenheye-Formatie). De oeverafzettingen in het plangebied zijn vermoedelijk aan het begin van de Midden-Bronstijd afgezet. Binnen een straal van 500 m rondom het plangebied zijn resten uit de IJzertijd en Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd bekend. In de omgeving zijn resten van loopgraven en tankgrachten uit de Tweede Wereld te verwachten. Deze hebben vermoedelijk niet tot in het plangebied doorgelopen. Het plangebied was tot ruwweg de eerste helft van de vorige eeuw in gebruik als bouwland. Het plangebied is vanaf ca. 1969 bebouwd. Mogelijk heeft daarbij enige verstoring plaatsgevonden. In het plangebied kunnen resten vanaf de Bronstijd tot en met de Nieuwe Tijd worden verwacht. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Zevenaar. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, S. Diependaal, Regioarcheoloog gemeente Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed)

    Bovenkerkseweg 17 - 23, Stolwijk Eindrapport

    No full text
    IDDS Archeologie heeft in meerdere fasen archeologisch onderzoek uitgevoerd aan de Hoflaan en de Bovenkerkseweg 17-29 in Stolwijk, gemeente Krimpenerwaard. De eerste fase bestond uit een proefsleuvenonderzoek waarbij met name de Hoflaan is onderzocht. Dit onderzoek vond plaats op 16-18 december 2019 met nog een veldwerkdag op 19 maart 2020. Het onderzoek kon echter niet volledig worden uitgevoerd omdat aan de Bovenkerkseweg 17-23 nog bebouwing stond. Uit de sleuven die daar wel aangelegd konden worden, is gebleken dat hier vermoedelijk wel een vindplaats aanwezig is. Dit is opgezet als een volgende onderzoeksfase, waarbij na het verwijderen van de bebouwing en verharding in eerste instantie de resterende en aanvullende proefsleuven zijn gezet om de vermoedelijke vindplaats te begrenzen. Dit vond plaats op 20 oktober 2020 en 17 mei 2021. Op basis van de resultaten van dit (aanvullend) proefsleuvenonderzoek is een opgraving uitgevoerd aan de vindplaats op 21-23 oktober 2020 en 18-20 mei 2021. Een deel van deze opgraving is uitgevoerd als een begeleiding van een sanering op 28 januari 2022. De doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het begrenzen van de vindplaats en vaststellen of er in de delen die op het minuutplan niet als bebouwd zijn weergegeven ook sporen voorkomen. De doelstelling van een opgraving (inclusief variant archeologische begeleiding) is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Om deze doelstellingen te realiseren zijn enkele onderzoeksvragen opgesteld. Deze gaan over het landschap en de bebouwing en inrichting van de vindplaats en de leefwijze van de bewoners. Het plangebied ligt in het veenweidegebied aan een ontginningsas. De bebouwing was gesitueerd langs de Bovenkerkseweg, ten noorden van de Bovenkerkse Vliet. Langs de Bilwijker weg, ter plaatse van de huidige Hoflaan, was tot in de 20e eeuw geen bebouwing gelegen. Binnen het plangebied is sprake van één huisplaats. De oudste activiteiten dateren al mogelijk uit de 16e of begin 17e eeuw op basis van de hoeveelheden vondstmateriaal, maar er zijn geen sporen uit deze periode, anders dan de reeds bestaande ontginningssloten. In de 17e of 18e eeuw wordt een stenen boerderij gebouwd. Hiervan zijn nog enkele resten bewaard gebleven, zoals (binnen)muren en een gang. Ook lijkt bestrating aan de straatzijde van het gebouw uit deze periode te dateren. Op het erf is een waterput aanwezig die in deze periode is opgetrokken en is een dubbele rij palen als beschoeiing van een sloot aan deze periode toe te kennen. In de loop van de 18e of begin 19e eeuw wordt het hoofdgebouw vervangen door een nieuwe boerderij. De oriëntatie van deze boerderij wijkt lichtelijk af van zijn voorganger en komt nu overeen met de situatie op het kadastraal minuutplan uit 1811-32. Van de bijgebouwen zoals bekend op het kadastraal minuutplan zijn ook nog resten aanwezig in de vorm van een bakstenen fundering en een stro-vloer van een stal. Deze situatie verandert als tussen 1920-1940 alles wordt gesloopt en vervangen door woningen, die tijdens en voorafgaand aan het veldonderzoek zijn gesloopt. De gebouwen liggen op het erf. Het erf diende meerdere malen opgehoogde te worden vanwege het verzakken van de ondergrond. De opgehoogde lagen bevatten resten vanaf de 13e eeuw, maar met name uit de 16e eeuw en later. De bestaanswijze van de bewoners was uitsluitend agrarisch, en met name het houden van runderen. Er zijn echter geen resten aangetroffen van het verwerken van de melk. Naast runderen waren er ook enkele andere dieren die vrijwel altijd op de boerderij werden aangetroffen, zoals honden en varkens. Ook is er sprake van een paard/ponyezel. Tevens zijn er aanwijzingen dat er sprake was van vlasteelt in de directe omgeving van de huisplaats. Of dit ook het geval was binnen het plangebied en behoorde bij de huisplaats is niet met zekerheid vast te stellen. Deze bestaanswijze zorgde voor een gemiddelde welvaart gedurende de verschillende eeuwen. Er zijn geen aanwijzingen voor een relatief rijke of arme periode. De bewoners beschikten over de gebruikelijke huisraad met slechts weinig luxe voorwerpen

    Plangebied Pleintje Kaak, gemeente Oude IJsselstreek; archeologisch onderzoek: stadskernonderzoek in Terborg Plangebied Pleintje Kaak, gemeente Oude IJsselstreek; archeologisch onderzoek: stadskernonderzoek in Terborg

    No full text
    In opdracht van Civiel Management Lichtenvoorde (CML) namens Wonion heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau archeologisch onderzoek uitgevoerd op Pleintje Kaak in Terborg in de gemeente Oude IJsselstreek. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen nieuwbouw in het plangebied. Voorafgaand aan de opgraving zijn de saneringswerkzaamheden archeologisch begeleid en is een proefsleuf aangelegd. Het onderzoek heeft ruim voldoende aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van waardevolle, behoudenswaardige archeologische muurresten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Behoud van de archeologische vindplaats was gezien de geringe diepteligging van de archeologische resten niet mogelijk. Er werd dan ook geadviseerd om de vindplaats op te graven. Wel is afgesproken een aantal oudheidkundige elementen terug te plaatsen in de nieuwbouw. Het betreft een waterput van Bentheimer zandsteen en een deel van een veldkeienstraatje. Reeds voor het gereedkomen van het onderzoeksrapport naar aanleiding van het vooronderzoek werd het besluit genomen tot opgraving van het plangebied. Omdat de laatste fase van het onderzoek eveneens door RAAP uitgevoerd zou worden, is besloten beide rapportages te combineren. De aangetroffen bouwsporen staan in verband met bebouwing aan de Hoofdstraat. Naast muurresten zijn eveneens grondsporen in de vorm van kuilen, paalkuilen en waterputten aangetroffen. Bovendien is in een aantal kleinere werkputten op het achterterrein de stadsgracht aangesneden. Achter het pand aan de Hoofdstraat 39 bevond zich een pakhuis dat een laat-gotische (16e eeuw) topgevel had. Bij een storm op 25 januari 1990 werd het pand zwaar beschadigd. Het pand is in maart 2008 gesloopt. De fundamenten van het pakhuis zijn bij het archeologisch onderzoek blootgelegd (structuur 2). De aangetroffen muurresten hebben een chronologisch verband van eind 19e/begin 20e eeuw tot in de 16e eeuw. Muurresten uit de 14e of 15e eeuw zijn met zekerheid aangetroffen in het verlengde van het 16e-eeuwse pakhuis, richting Hoofdstraat (structuur 1). De datering van de oude muurresten is gebaseerd op steenformaat en begeleidend vondstmateriaal. Het overheersende steenformaat uit de oudste fase is 27/28 x 13/14 x 6/7 cm. Een dergelijk formaat past in de 14e of 15e eeuw. Het oudst aangetroffen vondstmateriaal, aardewerkscherven van gebruiksgoed van roodbakkend en grijsbakkend aardewerk alsmede steengoed, dateert van rond 1400. In het rechthoekige gebouw zijn verschillende lemen vloerniveaus aanwezig geweest. Deze zijn bij de sanering grotendeels verdwenen. In het later onderzochte deel aan de Hoofdstraat zijn deze vloerniveaus nog deels aanwezig. Aardewerk uit de onderzochte restanten van de vloerniveaus dateert uit de periode 1350-1475. Binnen de bakstenen structuur is een aantal uitbraaksleuven van oudere muren opgetekend. Aan weerszijden van het gebouw zijn meer oude muurresten blootgelegd. Plangebied Pleintje Kaak omvat vier percelen, zoals die kadastraal zijn opgetekend in de 19e eeuw. Een aantal muurresten heeft een middeleeuwse oorsprong, maar het merendeel van de muurresten dateert uit 18e of 19e eeuw. Op de achtererven van de percelen aan de Hoofdstraat is een grote hoeveelheid waterputten aangetroffen. Het merendeel van deze waterputten is toe te schrijven aan latere bewoningsperioden uit de 19e en vroege 20e eeuw. Daarnaast is een aantal (afval- en puin)kuilen aangetroffen. Een bijzondere waterput is aan de westzijde van het bakstenen gebouw gevonden. De put was opgebouwd uit blokken van Bentheimer zandsteen. Dergelijke waterputten komen voor van de 15e t/m 19e eeuw. Tussen waterput en bakstenen gebouw is een deel van een vloer of straatje blootgelegd dat was opgebouwd met veldkeien. Geheel aan de zuidzijde van het terrein is in de proefsleuf de randzone van de stadsgracht opgetekend. De gracht ligt grotendeels onder het huidige gravenpad. In eerste instantie werd gedacht dat dit de historisch bekende gracht om het middeleeuwse stadje betrof. In de laatste fase van de opgraving werd echter bij de aanleg van de sleuf voor de toekomstige nutsvoorzieningen een tweede gracht aangetroffen. De gracht was 20 m breed en liep direct ten zuiden, achter de bebouwing aan de Hoofdstraat. In de gracht zijn 2 aangepunte palen uit de 12e eeuw geborgen. De datering geeft aan dat Terborg ouder is dan tot nu toe werd aangenomen De aangetroffen resten geven een indruk van middeleeuws Terborg. De oudste gebouwresten dateren van rond 1400. Op dat moment was sprake van stenen funderingen en in vakwerk uitgevoerde gebouwen. Eventuele voorlopers, geheel uit hout opgetrokken, zijn niet aangetroffen. De gebouwen zijn hoogstwaarschijnlijk woonhuizen van de notabelen die in dienst van de kasteel heren de administratie van de bezittingen verzorgden. Uit het feit dat zij zich op een gegeven moment een waterput van Bentheimer zandsteen en een stratenpatroon van veldkeien konden veroorloven, blijkt dat zij een bepaalde status wilden uitstralen. De aanwezigheid van de Hoofdstraat met haaks daarop in vakwerk uitgevoerde gebouwen, kleine veldkeien zijstraatjes en waterputten op de achtererven omgeven door de stadsgracht, schept een beeld van de middeleeuwse infrastructuur van Terborg, zoals die bijvoorbeeld is opgetekend in 1661. In de volgende eeuwen werden ook de lege ruimten ingevuld en ontstond de doorlopende bebouwing van de Hoofdstraat zoals die nu nog bestaat. Na een korte periode van verval van de 4 panden wordt het plangebied momenteel opnieuw vormgegeven met de bouw van 2 winkelruimten met daarboven appartementen aan de Hoofdstraat, woningen op het binnenterrein en appartementen aan het Gravenpad

    Leidschendam, Voorlei Eindrapport

    No full text
    Op 29 en 30 maart 2022 is een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het onderzoeksgebied aan de Veursestraatweg 185c in Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg. De aanleiding voor dit onderzoek is de voorgenomen realisatie van herontwikkelingen binnen het park Schakenbos (onderzoeksgebied). Dit specifieke project (plangebied) betreft een deelgebied van het overkoepelende project. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 420 m2 en is gelegen ten noordwesten van de Veursestraatweg 185c te Leidschendam-Voorburg. Omdat in het plangebied bomen werden aangeplant en deze al geleverd waren, bestond tijdsdruk om de werkzaamheden in dit deelgebied te starten. De doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Op basis van het vooronderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum Vroege Middeleeuwen. De verwachting is gericht op archeologische lagen, vondststrooiingen en grondsporen, met een gemiddelde spoordichtheid. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is bevestigd dat de bodemopbouw in het plangebied uit een bouwvoor en sloot op oude duin- en strandwalzand bestaat. In geen van de aangelegde werkputten zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van oude bodems. Direct onder de bouwvoor is een vindplaats aangetroffen. De vindplaats bestaat uit één sloot die een datering in de Nieuwe tijd heeft. Spoor 1 had een noordoost-zuidwest oriëntatie. De top van Spoor 1 lag tussen -0,82 en -0,54 m NAP/ 0,80 en 0,66 m -mv. Spoor 1 was 80 cm dik. Deze sloot is niet weergegeven in topografische kaarten. Tijdens het veldonderzoek zijn geen vondsten aangetroffen. De hoge archeologische verwachting voor het plangebied kan worden bijgesteld naar een lage verwachting en de vindplaats van de nieuwetijdse sloot is als niet behoudenswaardig gewaardeerd. IDDS Archeologie adviseert dan ook om ten behoeve van de geplande ontwikkeling geen verder archeologisch onderzoek verplicht te stelle

    1

    full texts

    318,455

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Electronic Archiving System
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇