Electronic Archiving System
Not a member yet
    318455 research outputs found

    Winschoten Vissersdijk-Garstestraat Opgraving, variant begeleiding riolerings-werkzaamheden Garstestraat, Vissersdijk en Liefkensstraat te Winschoten, gemeente Oldambt (GR)

    No full text
    Gemeente Oldambt heeft de riolering in de Garstestraat, een deel van het Boschplein, een deel van de Vissersdijk en een deel van de Liefkensstraat laten vervangen. Het gehele plangebied ligt binnen de historische kern van Winschoten. Op basis hiervan, en op basis van de resultaten van eerder onderzoek in de Stationsstraat, zijn de werkzaamheden onder archeologische begeleiding uitgevoerd. Bij de begeleiding zijn sporen uit de (late) middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen. Er zijn grondverbeteringen, spoorbielskuilen en spoorbielzen aangetroffen die in verband staan met de tramlijn van Winschoten naar Scheemda uit de periode 1892-1930. Ook zijn diverse leemwinkuilen aangetroffen, ingegraven in de top van het keileem. In een deel van deze kuilen en in de top van het keileem is laatmiddeleeuws kogelpotaardewerk aangetroffen. In het noorden van het onderzoeks-gebied, aan de Vissersdijk, is de gracht van de vesting Winschoten aangesneden. Hieruit komen vondsten uit de periode 16e tot 18e eeuw. Deze datering komt overeen met de resultaten van een eerdere begeleiding. Volgens de reconstructie van de gracht zou de gracht ook in de Liefkensstraat worden aangesneden, maar deze is hier niet aangetroffen. Bij de eerdere begeleiding is de gracht wel aangesneden in de Liefkensstraat, net ten oosten van het huidige onderzoeksgebied. Verder is een deel van het aangetroffen vondstmateriaal te relateren aan gevechts-handelingen in de Tachtigjarige Oorlog. Een aangetroffen paardengraf staat hier mogelijk ook mee in verband. Het paard kan bij gevechtshandelingen zijn gesneuveld. De overige aangetroffen sporen betreffen met name kuilen, paalkuilen, greppels en enkele sloten. Deze zijn deels in de late middeleeuwen en deels in de nieuwe tijd te plaatsen, of zijn niet nader zijn te dateren dan laatmiddeleeuws of nieuwetijds. Verder is een kuil of waterput uit de late middeleeuwen of nieuwe tijd aangetroffen. In het huidige onderzoeksgebied is wel sprake van activiteiten uit de late middeleeuwen, maar er lijkt geen sprake te zijn van laatmiddeleeuwse bewoning. Omdat niet alle sporen duidelijk te dateren zijn, is dat niet met zekerheid te zeggen. Bij eerder onderzoek zijn in de Stationsstraat sporen aangetroffen van wat waarschijnlijk een laatmiddeleeuwse boerderijplaats was. Daar was in de late middeleeuwen in ieder geval sprake van bewoning. Mogelijk lag het huidige onderzoeksgebied toen nog buiten de bebouwde zone en kwam het hier pas in de nieuwe tijd binnen te liggen. Het bevoegd gezag, de gemeente Oldambt (geadviseerd door Libau) heeft dit rapport getoetst en goedgekeu

    Bedrijvenpark A37 - Bellstraat OS15 EARTH Integrated Archaeology Rapporten 261

    No full text
    In opdracht van Goldbeck Nederland BV heeft EARTH Integrated Archaeology in mei en juni 2023 een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) verkennende en karterende fase door middel van boringen uitgevoerd in een plangebied op het bedrijventerrein A37, gemeente Emmen. Hier zijn grond verstorende werkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw van een bedrijfspand voorzien. Binnen het vigerende bestemmingsplan ligt het plangebied in een zone met dubbelbestemming archeologie en heeft een middelhoge tot hoge verwachting. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek vereist is bij bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm mv in een plangebied groter dan 1000 m2. Op basis van de verkennende en karterende boringen bestaat de bodemopbouw in het plangebied aan de basis uit keileem, afgezet door het laatste landijs dat Nederland heeft bereikt. Daarboven ligt een pakket dekzand met een dikte van 100 tot 50 cm. In de top van het dekzand heeft bodemvorming plaatsgevonden. In een groot deel van de boringen is er op het dekzand nog een restant van het hoogveen te vinden. Op basis van een 14C-datering van de onderkant van het veen, is het dekzandlandschap geschikt geweest voor bewoning vanaf het Laat Paleolithicum tot en met het laat Mesolithicum

    Beekpoort Noord te Weert RAAPrap_5336_WEBEE3_20221216

    No full text
    Er is een grote diversiteit aan archeologische resten aangetroffen. De oudste resten bestaat uit een splinter van een vuurstenen bijl. In de vroege ijzertijd wordt een diepe waterkuil in het plangebied uitgegraven, juist op de flank van een dekzandwelving. Resten van de bijbehorende nederzetting / erf zijn niet gevonden. De kuil is paleo-ecologisch onderzocht, wat veel informatie heeft opgeleverd over de vegetatiegeschiedenis. De vondsten uit de Romeinse tijd (late 2e - 3e eeuw), de Karolingische en Ottoonse periode bestaan uit losse scherven. Ook nu zijn de bijbehorende nederzettingen / erven niet gevonden. In de late middeleeuwen, vermoedelijk de 12e eeuw, wordt het plangebied in cultuur gebracht en begint de vorming van een plaggendek. Tevens worden twee greppelsystemen haaks op elkaar aangelegd. Deze infrastructurele werken verdelen het grootschalig landbouwgebied in percelen. In de late 15e eeuw wordt juist op het snijpunt van beide greppelsystemen een boerderij gebouwd, pal naast en parallel aan een weg: de molenweg. Bij de bouw wordt gebruik gemaakt van moderne bouwtechnieken en materialen, zoals baksteen voor stiepen, natuursteen (leisteen) en dakpannen voor dakbedekkingsmateriaal, alsook vloertegels. Helaas is de bijbehorende waterput niet aangetroffen. De boerderij was ongeveer 19x20 m groot, vermoedelijk lag de woning in het zuiden en het bedrijfsdeel in het noorden. Er werd een gemengd bedrijf gevoerd en men hield vermoedelijk enkele koeien en wellicht ook paard. Enkele bierpullen en boerendanskannen wijzen op enige welstand, maar rijk was men beslist niet. Op het einde van de 16e of in de vroege 17e eeuw houdt de boerderij op te bestaan. Onduidelijk of dit wellicht verband houdt met de belegering van kasteel de Nijenborgh in 1595 of andere schermutselingen gedurende de 80-Jarige Oorlog. Het gebied blijft agrarisch in gebruik. In de 19e eeuw worden verschillende grote, diepe leemwinkuilen uitgegraven. Het is onduidelijk of deze verband houden met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart

    Plangebied Kapelweg te Boxtel, gemeente Boxtel RA2394_HAAKA2_compleet

    No full text
    In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau eind november 2012 één proefsleuf gegraven in verband met de aanleg van een aardgastransportleiding in de gemeente Boxtel. Het onderzoek is uitgevoerd op de hoek van de Kapelweg en Bakhuisdreef. Het primaire doel van het onderzoek was het vast stellen van eventuele archeologische sporen en/of resten binnen de begrenzing en, zo ja, het vaststellen van de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) van dergelijke resten. Het uiteindelijke doel is om tot een waardestelling te komen van de archeologische resten en uitspraken te kunnen doen over de behoudenswaardigheid van de vindplaats. In het plangebied, gelegen in een dekzandvlakte, is een verstoorde en vochtige podzolbodem aangetroffen. De bodem is overal verstoord tot in de C-horizont. De archeologische sporen bevinden zich direct onder de bouwvoor op circa 40-50 cm -Mv. Met betrekking tot de sporen kan de sleuf van oost naar west in vier stukken worden verdeeld: 1. een deel met greppels, enkele kuilen en kleine paalsporen; 2. een zone met zeer grote kuilen; 3. een grote sloot; 4. een gebied met enkele kleinere verstoringen. Het is aannemelijk dat de archeologische grondsporen samenhangen met een boerderij die op een kadasterkaart uit de periode 1811-1832 juist ten noorden van het plangebied staat afgebeeld. De sloot, grote kuilen en de greppels in het oosten hebben namelijk dezelfde oriëntatie als de boerderijgebouwen en de grens tussen twee percelen ten zuiden van de boerderij. Bovendien ligt de sloot precies op de perceelgrens. Verondersteld wordt dat enkele kuilen en kleine paalkuiltjes rondom de greppels ook tot de boerderij behoren. In algemene zin lijken de sporen te duiden op activiteiten op het achtererf van een boerderij: het gaat mogelijk om de resten van een moestuin, kleine structuren (zoals een kippenhok?) en wellicht ontwateringsgreppeltjes

    Paleis Het Loo, gemeente Apeldoorn, een archeologische opgraving Bewoond, begraven, bebouwd onder Paleis Het Loo. Archeologische opgraving basse-cour. Paleis Het Loo te Apeldoorn

    No full text
    In opdracht van Stichting Paleis Het Loo heeft RAAP op de basse-cour van Paleis Het Loo in de gemeente Apeldoorn een opgraving uitgevoerd. Aanleiding voor dit onderzoek vormt het voornemen de basse-cour te ontwikkelen tot een ondergrondse museumruimte. Het voorgaande proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat in de ondergrond behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Omdat het niet mogelijk is deze vindplaatsen duurzaam in de ondergrond te behouden, is door de bevoegde overheid (gemeente Apeldoorn) besloten dat de aanwezige archeologische resten dienden te worden opgegraven. Het veldwerk is uitgevoerd tussen 22 maart en 12 juni 2018.Tijdens het onderzoek zijn, inclusief proefsleuvenonderzoek, 13 putten aangelegd met een totale oppervlakte van 4.000 m². Bij de opgraving zijn twee of soms drie vlakken aangelegd. De oudste sporen gaan terug tot de midden-bronstijd en betreft nederzettingssporen in de vorm van voorraadkuilen en een slecht geconserveerde gebouwplattegrond van ongeveer 22 x 4,5 m. Een tweede cluster kuilen en paalkuilen ten oosten van de gebouwplattegrond vormen mogelijk restanten van een nog minder goed geconserveerde plattegrond. De aanwezigheid van maar liefst twee haardkuilen past in dat beeld van bewoning. De mogelijke huisplaats is dan ook vooral gebaseerd op de ligging van die haardkuilen. Ook zuidelijker tekenen enkele overlappende kuilen zich duidelijk af te midden van boomvallen. Gezien de oversnijdingen, maar ook op basis van de keramische vondsten, lijkt sprake van kuilen uit midden-bronstijd en ijzertijd. De meerdere mogelijke bewoningsplaatsen kunnen echter niet duidelijker begrensd worden. Wel is zeker dat het sporenbestand uit de prehistorie, zowel bronstijd als ijzertijd, tot in alle hoeken van de basse-cour aanwezig is, en zich buiten de grenzen van de basse-cour verder uitstrekt. Begraven (vroege middeleeuwen) Te midden van prehistorische kuilen is een klein grafveld met twee inhumatiegraven, een kamergraf, een paardenbegraving en twee kleine grafheuvels, of eigenlijk de restanten in de vorm van kringgreppels gevonden. Ten zuiden van de (gemarkeerde) grafheuvel zijn geen sporen meer gevonden van het dodenritueel uit de vroege middeleeuwen. Op deze plaats liggen wel meerdere grotere kuilen en verstoringen die gerelateerd zijn aan bouwen en verbouw van Paleis Het Loo. Dankzij de laatste grootscheepse renovatie en uitbreiding van Paleis Het Loo hebben we nu zicht op het veel oudere en markante landschap waar ook stadhouder Willem III voor gevallen is in de late zeventiende eeuw. Bebouwd (Paleis Het Loo) In de bovenste vlakken is een grote spoordichtheid aangetroffen. Deze paleis gerelateerde sporen waren veel groter dan op voorhand verwacht. Het aantreffen van een riool uit de periode laat zeventiende eeuw tot minimaal 1967 was een bijzondere vondst. Dit geldt eveneens voor een bakstenen goot van fontein naar riool en overige structuren met betrekking tot de waterhuishouding van de basse-cour in de vorm van keramieken en loden waterleidingen. Verder zijn langs de kruislingse paden op de basse-cour aan weerszijden paalkuilen aangetroffen. Rondom het ovaal met als centrum de fontein zijn stelselmatig driehoekige bloemperken blootgelegd. Deze fenomenen zijn op geen enkele historische prent of foto zichtbaar. Eveneens niet verwachte en onbekende structuren waren de restanten van twee wachterhuisjes en twee (of drie) calamiteitskuilen volgestort met paleisinventaris. De kuilen zijn in de periode tussen 1795 en 1806 op de basse-cour gegraven. In de vulling van de kuilen is een grote hoeveelheid aardewerk (van zeer luxe tot zeer gewoon), glas (wijnflessen en drinkglazen), bouwmateriaal, metalen beslagstukken van kasten, verbrand hout en textiel gevonden: een in de archeologie zeldzaam geval van catastrofe-afval. Dit is materiaal waarvan door de gezamenlijke depositie duidelijk is dat het bij elkaar hoort en in een keer in de grond is begraven. De setting in de voorhof van Paleis het Loo maakt deze vondst voor Nederlandse begrippen uniek

    Aagtekerke Agathastraat 4 - Bouwluststraat Aagtekerke Agathastraat 4 - Bouwluststraat. Gemeente Veere. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

    No full text
    Gemeente Veere heeft het voornemen om twee percelen in de kern van Aagtekerke te herbestemmen voor woningbouw. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan/omgevingsplan en is dus een Buitenplanse Omgevings Plan Activiteit (BOPA). Om de plannen mogelijk te maken is een BOPA‐omgevingsvergunning noodzakelijk. In het kader hiervan dient een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. Dit onderzoek bestond in eerste instantie uit een bureauonderzoek waarbij een gespecificeerd verwachtingsmodel werd opgesteld voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase). Tijdens deze verkennende fase werden de landschappelijke vormeenheden bepaald met als doel kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones aan te duiden voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek werd vastgesteld dat binnen het plangebied alleen een hoge verwachting bestond op het aantreffen van archeologische vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd wegens de aanwezigheid van een kreekrug opgevuld met sedimenten die lithostratigrafisch gerekend worden tot het Laagpakket van Walcheren. Tijdens het booronderzoek werd de aanwezigheid van de verwachte kreekrug vastgesteld. Daarnaast werd vastgesteld dat de natuurlijke top van de kreekrug in het merendeel van het plangebied reeds vergraven is bij de aanleg van zandbakken van een speeltuin en de sloop van een gymzaal. In de kleine delen van het plangebied die nog niet verstoord zijn werd een cultuurlaag of oude akkerlaag aangetroffen die vermoedelijk te verbinden is aan de ligging van akkers en tuinen rond het dorp tussen de Late Middeleeuwen en de bouw van een woonwijk in de tweede helft van de 20e eeuw. Op basis van deze informatie kan gesteld worden dat in het grootste deel van het plangebied een lage verwachting geldt op het aantreffen van archeologische vindplaatsen in het algemeen. In de delen van het plangebied die nog niet verstoord zijn geldt nog wel een verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe Tijd

    Windpark Ze-Bra fase 2 Windpark Ze-Bra fase 2. Gemeente Reimerswaal - Gemeente Woensdrecht. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

    No full text
    Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed heeft een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied gelegen in het zuidoosten van de gemeente Reimerswaal (Zeeland) en het zuidwesten van de gemeente Woensdrecht (Noord-Brabant). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen om binnen het plangebied fase 2 van het Windpark Zebra te realiseren. Hierbij worden binnen het plangebied verschillende kabels en civiele infra aangelegd. Het plangebied omvat de trajecten van de kabels en civiel infra en heeft een oppervlakte van 54,35 hectare. Het omvat verschillende percelen in de kadastrale gemeente Reimerswaal, Sectie N en Ossendrecht Sectie G. Volgens hoofdstuk 22.2 van het Omgevingsplan Gemeente Reimerswaal (het meest oostelijke deel valt in het Omgevingsplan Gemeente Woensdrecht) is het verboden om deze activiteiten uit te voeren zonder omgevingsvergunning. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor een BuitenplanseOmgevingsPlanActiviteit (BOPA) dient een rapport te worden voorgelegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport is volgens artikel 22.22 niet noodzakelijk indien de oppervlakte niet groter is dan 100 m² of indien hiervoor afwijkende regels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en deze niet worden overschreden. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt volgens het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2022 (2023) een dubbelbestemming waarde archeologie 2 of 3. Binnen deze gebieden geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 250 of 500 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Het uiterst oostelijke deel is van het projectgebied is gesitueerd in het bestemmingsplan Actualisatie Bestemmingsplan Buitengebied (2019) van de gemeente Woensdrecht. Met de partiële herziening van dit plan in 2019 (Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening 2019) geldt in dit gebied een dubbelbestemming waarde archeologie 3, waarmee een verbod op werkzaamheden groter dan 100 vierkante meter én 0,50 meter beneden maaiveld geldt. Met de nieuwe ontwikkeling zullen de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Daarom dient in het kader van de BOPA-omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. Delen van het gebied zijn eerder in 2021 reeds onderzocht, deze locaties zijn niet opnieuw onderzocht. In de overige delen van het plangebied is in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid besloten om het aantal boringen binnen het gebied te beperken. Daarenboven dienen de boringen slechts doorgezet te worden tot een diepte van 2 m -mv (maximale verstoringsdiepte). Het uitgevoerde veldonderzoek heeft uitgewezen dat er in het plangebied zich binnen de onderzochte 2 m -mv kwelderafzettingen van het Laagpakket van Walcheren bevinden. Deze gaan onderin over op wadafzettingen. Oudere niveaus en lagen zijn binnen 2 m -mv niet aangetroffen

    Hof van Cranendonck Eindrapportage

    No full text
    Archeologisch Onderzoek Leiden bv (Archol) heeft in opdracht van De Raekt Vastgoed bv een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied van bestemmingsplan Hof van Cranendonck te Soerendonk, in de gemeente Cranendonck. Aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van het Hof van Cranendonck, een toeristisch-recreatief complex omgeven door een landschapspark. De hiermee gepaard gaande bodemingrepen kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform het door de gemeente Cranendonck goedgekeurde Programma van Eisen.1 Het oorspronkelijke puttenplan was verdeeld over acht onderzoekszones. Het gerealiseerde puttenplan wijkt op enkele punten af van het oorspronkelijke puttenplan uit het PvE. Zone 1 bleek nog niet beschikbaar voor onderzoek waardoor hier geen sleuven zijn aangelegd. Put 13 is in noordoostelijke richting met ca. 10 m verlengd waardoor een hier gelegen oude landweg onderzocht kon worden. Ten oosten en westen van put 4 zijn twee extra sleuven (39 en 40) aangelegd om de aard van de hier aangetroffen grondsporen nader te onderzoeken. Put 36 is aan de oost- en de westzijde uitgebreid om het verloop van een in potentie oude greppel te onderzoeken. De centrale putten van zone 7 zijn vanwege de aanwezigheid van bomen en struikgewas noodgedwongen verplaats (putten 73 en 96-99). Het onderzoek in zone 8 is na de aanleg van sleuf 93 noodgedwongen gestaakt omdat in de ondergrond een fijnmazig irrigatiesysteem aanwezig bleek. Er zijn in totaal 100 werkputten gegraven met een totale omvang van 10.464 m2. Uit het proefsleuvenonderzoek wordt duidelijk dat de bodem tot een diepte van tenminste 3,0 m -Mv uit sterk gelaagde en gekryoturbeerde fluvioperiglaciale afzettingen bestaat. Er is daarbij geen duidelijk onderscheid te maken in de oorspronkelijk hogere en lagere gebiedsdelen. Op veel plaatsen in het Brabantse Oude dekzandlandschap wordt op de fluvioperiglaciale afzettingen een eolisch toplaag aangetroffen. Deze is hier echter alleen lokaal in het oosten van zone 2, waar de flank van een dekzandrug begint, aangetroffen. Mogelijk hebben de oorspronkelijk hogere delen van het fluvioperiglaciale pakket in het gebied wel een eolische toplaag gehad, maar is deze laag door egalisatie van het gebied verdwenen. Oorspronkelijk bestonden grote delen van het onderzoeksgebied uit een golvende, relatief laag gelegen dekzandvlakte. Lage delen kennen op veel plaatsen een verrassend intact bodemprofiel, gekenmerkt door sterke podzolering. Hogere delen worden gekenmerkt door A-C profielen met een relatief dunne A-horizont. Oorspronkelijk zal hier ook een podzolprofiel zijn ontwikkeld, maar deze lijken in zijn geheel te zijn opgenomen in de huidige bouwvoor. Duidelijk is dat de hogere gronden zijn geëgaliseerd en dat het oorspronkelijke maaiveld hier ruim boven de huidige bouwvoor moet worden geplaatst. Op een aantal lager gelegen locaties was te zien dat bij de ontginning de natuurlijke bodem ter plekke diep met de schop is omgezet, waarna van elders aangevoerde akkergrond lijkt te zijn opgebracht. Op andere locaties was de natuurlijke bodem niet verspit maar was deze eerst opgehoogd. De gele zandbrokken en de akkergrond zijn waarschijnlijk afkomstig van de hoger gelegen dekzandwelvingen binnen de zones 2-7 van het onderzoeksgebied. De profielen van deze gronden laten een aanzienlijk onthoofding zien, vaak tot diep in het dekzand. Vanwege deze onthoofding is niet duidelijk hoe het akkerdek er ter plekke uitzag. Alleen in het westen van zone 7 was nog een origineel plaggendek aanwezig met een dikte van ca. 1 m. In zone 8 is de bodem opgebouwd uit een dun pakket humeuze grond die scherp op het dekzand ligt. Dit hangt samen met de functie van deze zone als tuin bij het hier aanwezige pand (thans gemeentehuis van Cranendonck). Bij de aanleg van de tuin is de akkerlaag tot diep in de gele grond afgegraven en vervangen door een ca. 25 cm dikke laag teelaarde. Het onderzoek heeft in totaal 134 sporen opgeleverd (zie bijlage 5). Met name op de hogere delen van het landschap waren deze sporen door egalisaties aanzienlijk afgetopt. In de lagere delen waren de sporen juist bijzonder goed bewaard gebleven. Het merendeel van de antropogene sporen hangt samen met de verkaveling zoals deze op de 19e- en 20e-eeuwse kaarten is te zien. Enkele sporen in putten 4, 10, 39 en 40 (paal- en kuilsporen) hangen samen met de bovengenoemde oude akkerlaag of zijn net wat ouder. Een greppel in putten 36, 54 en 100 is vanwege de afwijkende oriëntatie en een oversnijdende perceelgreppel duidelijk ouder dan het 19e eeuwse verkavelingspatroon. Daarnaast zijn nog enkele karresporen en een dubbele houtwal in kaart gebracht. Bij het onderzoek zijn in totaal 70 vondsten verzameld. Bij het metaal gaat het niet om bijzondere vondsten die niet nader gedateerd kunnen worden dan Nieuwe tijd. De 21 fragmenten aardewerk betreffen scherven van roodbakkend aardewerk, geglazuurd steengoed, porselein, industrieel wit en enkele niet nader te determineren fragmenten. Vijf fragmenten kunnen uit de late middeleeuwen of de Nieuwe tijd dateren en een fragment kan niet scherper gedateerd worden dan middeleeuws of post-middeleeuws. Op basis van de aangetroffen sporen en vondsten kunnen twee vindplaatsen worden onderscheiden. Vindplaats 1 omvat enkele diepe kuilen, en een aantal mogelijke paalsporen die mogelijk dateren uit het begin van de ontginning van het gebied (rond 1800) of net hiervoor. Mogelijk gaat het om een van de eerste boerderijen van het gebied en behoren de sporen tot het erf ervan. Precies op de locatie van de boerderij is een proefsleuf aangelegd. Deze leverde echter geen aanwijzingen voor een boerderij op. Vindplaats 2 omvat de resten van een zwaar aangetaste greppel die slechts fragmentarisch in beeld is gekomen. Mogelijk heeft de greppel een trapeziumvormig terrein begrensd. Over de datering kan niet meer gezegd worden dan ouder dan de 19e eeuw en mogelijk middeleeuws. Op basis van een lage waardering worden beide vindplaatsen niet behoudenswaardig bevonden. Vanwege het ontbreken van behoudenswaardige vindplaatsen kunnen de onderzoekszones 2-7 worden vrijgegeven voor de realisatie van de bouwplannen. Het onderzoek in zone 8 kon slechts voor een klein deel worden uitgevoerd. Op basis van het lege vlak met enkele boomplantgaten is de verwachting dat in het terreindeel achter het gemeentehuis, waar een uitbouw is gepland, geen archeologische resten (meer) aanwezig zijn. Daarom kan ook zone 8 worden vrijgegeven

    Beetsterwijk Sellingen Archeologisch karterend en waarderend onderzoek ten behoeve van herstelwerkzaamheden oostoever Zandwinning Sellingerbeetse Noordplas te Sellingerbeetse, gemeente Westerwolde (GR)

    No full text
    Advies MUG Ingenieursbureau adviseert geen vervolgonderzoek uit te voeren en het onderzoeksgebied vrij te geven. In de monsters die van de B- en B/C- horizonten zijn genomen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Bovenstaand advies geldt voor het huidige onderzoeksgebied. Indien er in de overige delen van het plangebied in de toekomst werkzaamheden worden uitgevoerd, zal voorafgaand hieraan -in overleg met het bevoegd gezag- de afweging moeten worden gemaakt of archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Onderzoek Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen herstelwerkzaamheden aan de oostoever van de Zandwinning Sellingerbeetse Noordplas aan de Beetserwijk te Sellingerbeetse. Tijdens het voorgaande verkennende booronderzoek is binnen het plangebied een gedeeltelijk podzolprofiel aangetroffen, wat duidt op een dusdanig intacte bodemopbouw dat er kans is op archeologische resten. Om vast te stellen of er daadwerkelijk archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn en de begrenzing van het gebied met intacte bodemopbouw te bepalen, was aanvullend onderzoek noodzakelijk. Omdat de opdrachtgever heeft aangegeven dat in eerste instantie alleen in het deel rond de oeverinscharing werkzaamheden worden uitgevoerd, zijn de karterende en waarderende megaboringen in het deel rond de inscharing geplaatst. Dit gedeelte, dat ongeveer 2,2 ha groot is, betreft het huidige onderzoeksgebied. Binnen het onderzoeksgebied zijn 75 boringen gezet waarvan er 35 een voldoende ontwikkeld bodemprofiel lieten zien dat deze bemonsterd zijn. Ook zijn er twee proefputten aangelegd, waarin vakken zijn uitgezet en de bodem laagsgewijs is bemonsterd. De bemonsterde lagen betreffen de B- en de B/C-horizonten: de lagen waarin archeologische resten/indicatoren kunnen worden verwacht. De zeefmonsters hebben geen archeologische indicatoren opgeleverd. Het bevoegd gezag, de provincie Groningen, heeft het bovenstaande advies goedgekeurd

    Stitswerd Bureau- en booronderzoek Stitswerderweg 26 en 28 te Stitswerd, gemeente Het Hogeland (GR)

    No full text
    Advies MUG Ingenieursbureau b.v. adviseert om conform het gemeentelijk bestemmingsplan Buitengebied de te dempen sloten ongemoeid te laten. Deze sloten vallen binnen een gebied met een dubbelbestemming Waarde - Landschap verkaveling en hebben landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Met betrekking tot het tracé van de nieuw te graven sloot wordt geadviseerd het uitgraven van het zuidelijke deel van de sloot archeologisch te begeleiden (opgraving, variant begeleiding). Binnen dit deel van het tracé is de gedempte gracht van het kloostervoorwerk Zuidwende en een deel van het voorwerk zelf aanwezig. Onderzoek In het onderzoeksgebied wordt in noord-zuidelijke richting een nieuwe sloot gegraven. Daarnaast wordt een aantal bestaande sloten gedempt. Het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied ligt binnen een archeologisch monumen-tenterrein (AMK-terrein). Het gaat om een verhoogde boerderijplaats waar in de late middeleeuwen een voorwerk van het Warffumer klooster heeft gestaan, Zuidwende. Deze boerderij/dit kloostervoorwerk was omgeven door een gracht en lag mogelijk op een wierde. Het huidige sloten- of verkavelingspatroon binnen en in de omgeving van het onderzoeksgebied betreft een historische blokverkaveling die kan teruggaan tot in de middeleeuwen. Het gebied kan ontgonnen zijn vanuit het in het zuiden van het onderzoeksgebied gelegen kloostervoorwerk Zuidwende. Het bevoegd gezag, gemeente Het Hogeland, heeft bovenstaand advies goedgekeurd. Het onderzoek is met zorg uitgevoerd. Indien toch archeologische waarden aanwezig blijken te zijn binnen de vrijgegeven gebieden, geldt de wettelijke meldingsplicht hiervan (artikel 5.10 van de Erfgoedwet) om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: “Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij onze minister”. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (vondstmelding via Archis). De melding dient ook bij de gemeente gedaan te worden (zie colofon voor contactgegevens)

    1

    full texts

    318,455

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Electronic Archiving System
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇