Electronic Archiving System
Not a member yet
    318455 research outputs found

    Goes Courtinestraat 9 Goes Courtinestraat 9. Gemeente Goes. Inventariserend Veldonderzoek door middel van karterende boringen

    No full text
    De Gemeente Goes heeft het voornemen om binnen het 9.900 vierkante meter grote plangebied aan de Courtinestraat 9 te Goes een nieuwe school, een huisartsenpost en woningen te realiseren. In het kader van de noodzakelijke BOPA omgevingsvergunning werd voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Direct ten oosten en ten westen van het plangebied is reeds (voor- en vervolg)onderzoek uitgevoerd. Uit dat onderzoek blijkt dat binnen het plangebied een (klein deel van een) bastion met omringende gracht van de Oostschans en een middeleeuws dijklichaam aanwezig kunnen zijn. Om die reden heeft de adviseur van de bevoegde overheid bepaald dat binnen het plangebied een karterend booronderzoek moest plaatsvinden. Daartoe werden twee boorraaien met elk 6 boringen uitgevoerd. De natuurlijke jonge getijdenafzettingen van het Laagpakket van Walcheren werden aangetroffen tussen 0,29 m-NAP en 0,38 m+NAP. In boorraai 1 werden ophooglagen aangetroffen die geïnterpreteerd worden als (de zool van) de westelijke dijk van de Kloetinge polder die eind 12de of begin 13de eeuw werd aangelegd. De basis van de dijkzool ligt rechtstreeks op de natuurlijke jonge getijdenafzettingen en ligt tussen 0,29 m- en 0,20 m+NAP. De bewaarde top ligt op maximaal 1,82 m+NAP maar de bovenste 3 tot 4 meter van het dijkprofiel is afgegraven in de jaren ’60 bij het realiseren van de Ketelhaven en het inrichten van het bedrijventerrein. In boorraai 2 werd vermoedelijk het onderste resterende deel van de afgegraven en genivelleerde wal (flank of face) van het noordwestelijke bastion van de Oostschans aangeboord. In de meer oostelijke boringen werd geen gracht(vulling) aangetoond maar deze lijken eerder de geleidelijke overgang (de escarp) te vormen naar de gracht waarvan het diepe (watervoerende) deel meer aan de oostelijke grens van het plangebied is gesitueerd. De natuurlijke afzettingen (en de hielzijde van de dijk en de basis van de flank van het bastion) zijn afgedekt door een kenmerkende donkergekleurde humeuze laag die als oud maaiveld (van voor de (historisch bekende) ophoging uit de jaren ’60) werd gedefinieerd. Dit vooroorlogse maaiveld is afgedekt door een (tot maximaal 175 cm dik) ophoogpakket dat is opgeworpen bij het graven van de Houthaven en de Ketelhaven in de jaren ’60 van de 20ste eeuw. Daarbij is het hele haventerrein ingericht en opgehoogd met de vrijgekomen grond

    Plangebied Hof den Bergh: Nieuwstraat / Stoofstraat / ’s-Heer Hendrikskinderen-straat, gemeente Goes, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek (deels als variant archeologische begeleiding) Plangebied Hof den Bergh: Nieuwstraat / Stoofstraat / ’s-Heer Hendrikskinderen-straat, gemeente Goes, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek (deels als variant archeologische begeleiding)

    No full text
    In opdracht van Aannemingsbedrijf Fraanje BV heeft RAAP van 6 juli 2017 tot 2 april 2020 gefaseerd een archeologisch proefsleuvenonderzoek, deels als variant archeologische begeleiding en een opgra-ving, variant archeologische begeleiding uitgevoerd in het kader van het project ‘Nieuwbouw Hof den Bergh’ in de gemeente Goes. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was inzicht te krijgen in de pre-cieze aard, omvang, diepteligging en datering van de vindplaatsen, en te bepalen of het gaat om een behoudenswaardige vindplaats. De aangetroffen archeologische resten vormen de weerslag van enkele eeuwen van bewoning in dit deel van Goes. Hoewel weinig vondsten zijn aangetroffen die direct aan de sporen gerelateerd kunnen worden, kunnen op basis van het vondstmateriaal uit de ophogingslagen en de stratigrafische positie van de sporen in ieder geval twee hoofdfasen van bewoning worden onderscheiden. De oudste fase waarschijnlijk dateert uit de 16e eeuw, in ieder geval van voor een brand rond 1550. Uit deze fase is slechts één spoor aangetroffen, mede omdat het niveau waarop dit spoor zich bevindt slechts over een klein oppervlak werd bloot gelegd. De tweede fase dateert van na deze brand. Hoewel het kan gaan om de stadsbrand van 1554 lijkt het mogelijk te gaan om het afbranden van één (ouder?) gebouw op die locatie (een meestoof of zoutkeet bijvoorbeeld). De tweede fase dateert waarschijnlijk pas vanaf 1625. Vrijwel alle sporen dateren uit deze fase. Omdat slechts een klein deel opgegraven is, en bovendien in de vorm van archeologische begeleiding tijdens een sanering waarbij geen strikt archeologisch vlak aangelegd werd, is het lastig deze sporen tot structuren te vormen. Met enige mate van zekerheid kan gesteld worden dat de muren onderdeel zijn geweest van (verschillende fasen van?) een buitenmuur van een gebouw met ten zuiden daarvan een erf. Op dit erf hebben een waterkelder en -put gestaan, maar waarschijnlijk niet tegelijkertijd

    Kapelle Nijverheidsweg 1 Kapelle Nijverheidsweg 1. Gemeente Kapelle. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

    No full text
    De initiatiefnemer heeft het voornemen om zijn bestaande bedrijfsgebouw aan de Nijverheidsweg 1 te Kapelle uit te breiden. Het plangebied omvat één bedrijfsperceel dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Kapelle, Sectie S, Perceel 614 en beslaat een oppervlakte van circa 7.900 m2. De oppervlakte van de voorziene uitbreidingen bedraagt circa 2.115 en 37,5 m2. Het plangebied is binnen het bestemmingsplan Smokkelhoek (2013) gesitueerd in een gebied met een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Binnen deze gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Met de nieuwbouwplannen worden de vrijstellingsgrenzen overschreden en daarom dient in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor een Binnenplanse OmgevingsPlanActiviteit (OPA) dient dan ook een rapport te worden voorgelegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van beide onderzoeken kan gesteld worden dat: - De bovenzijde van het profiel verstoord is tot een diepte tussen 1,1 en 1,2 m -mv (0,99 en 1,24 m -NAP), ter plaatse van boring 1 is dit minimaal 1,05 m -mv (1,06 m -NAP). - Zich onder deze verstoringen in grootste deel van het plangebied gemoerde afzettingen van het Laagpakket van Walcheren bevinden. In boring 3 zijn kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen. Er geldt voor het Laagpakket van Walcheren geen verwachting voor de Middeleeuwen en Nieuw Tijd. - De gemoerde en/ of geërodeerde resten van het Hollandveen zich vanaf een diepte van minimaal 2,4 m -mv/ 2,49 m -NAP bevinden. Bij boring 2 is het veen volledig weggegraven. Op het Hollandveen geldt dan ook slechts een lage verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de Bronstijd tot Midden-IJzertijd, deze verwachting niet geldt ter plaatse van boring 2. Nergens in het plangebied geldt er een verwachting voor resten uit te Late IJzertijd en Romeinse Tijd. - In, en op, het Laagpakket van Wormer, dat bestaat uit kleiige wadafazettingen en voor komt vanaf minimaal 3,3 m -mv/ 3,25 m -NAP een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het Neolithicum. Deze verwachting geldt niet ter plaatse van boring 2. - Er op een diepte van circa 8 m -mv (8 m -NAP) wel nog een middelhoge verwachting geldt voor resten uit het Finaal-Paleolithicum en Mesolithicum in het grootste deel van het plangebied

    Wassenaar, Hofcampweg-Burmanlaan Eindrapport

    No full text
    IDDS Archeologie heeft in januari 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Hofcampweg en Burmanlaan in Wassenaar, gemeente Wassenaar. De doel- en vraagstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Met het inventariserend veldonderzoek wordt deze verwachting getoetst en zo nodig aangevuld. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het overgrote deel van het plangebied is gelegen in de strandvlakte. Waarschijnlijk is er sprake van strandvlaktezand met daarop een veenpakket. Op het veen kunnen overstromingsklei en ingeblazen duinzand aanwezig zijn. Eventuele duinen waren de enige delen van de strandvlakte die relatief hooggelegen en daardoor bewoonbaar waren. In het plangebied geldt daarom een lage archeologische verwachting voor de strandvlakte, maar een hoge archeologische verwachting indien in de strandvlakte sprake is van duinafzettingen. Tijdens het veldonderzoek zijn voor dergelijke duinafzettingen in de strandvlakte geen aanwijzingen gezien. De lage archeologische verwachtingen voor de delen van het plangebied die in de strandvlakte gelegen zijn, kan daarom worden gehandhaafd. Het oostelijke deel van de Hofcampweg, gezien vanaf de kruising met de Burmanlaan, ligt op een strandwal waarop duinen gevormd zijn. Dit zijn hogere delen in het landschap welke geschikt waren voor bewoning. Dit deel van het plangebied krijgt daarom een hoge archeologische verwachting. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat in dit deel van het plangebied, ter hoogte van de boringen 2 tot en met 4, inderdaad intacte strandwal en/of Oude Duinafzettingen met tekenen van bodemvorming aanwezig zijn. Vandaar dat de hoge archeologische verwachting voor dit niveau op deze locatie kunnen worden gehandhaafd. Voor de lagere flank, bij boringen 1, 8, 9, 12, 13, 14, 16, 20, 22 waar het zand rond de -1,5 m NAP ligt, geldt een lage tot middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten op basis van de waarschijnlijk te natte omstandigheden voor bewoning. Mogelijk kunnen hier wel off-site resten van deposities, afvaldumps en bijvoorbeeld veenpaden verwacht worden. Archeologische resten in het plangebied kunnen dateren vanaf de vorming van de strandwal na de periode 2750 – 2525 voor Chr. Te verwachten complextypes zijn huisplaatsen, nederzettingen, begravingen en akkerbouw. Er kunnen sporen worden verwacht zoals paalsporen, kuilen en greppels en vondsten zoals aardewerk. De archeologische resten worden verwacht in de top van het strandwalzand of het duinzand, indien aanwezig Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het deel van het plangebied ter hoogte van het oostelijke deel van de Hofcampweg (Figuur 12) een niveau met een hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf het Late Neolithicum tot de Nieuwe Tijd aanwezig is vanaf 0,5 m -mv. Aangezien de geplande bodemingrepen zullen reiken tot minimaal 2 m -mv adviseert IDDS Archeologie op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Gezien de locatie van dit deel van het plangebied middenin een woonwijk en met al een groot aantal kabels en leidingenaanwezig, is het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek waarschijnlijk niet haalbaar. Vandaar dat wordt aangeraden een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding van de geplande werkzaamheden uit te voeren, volgens het protocol Opgraven. Op deze manier kunnen ook vondstarme vindplaatsen en sporen van kleine vindplaatsen uit de verwachte periode in kaart worden gebracht. In het overige deel van het plangebied dat in de strandvlakte gelegen was, zijn geen niveaus aanwezig waarvoor een hoge archeologische verwacht van kracht is. Daarom adviseert IDDS Archeologie om de rest van het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamhede

    Bochtafsnijding Delftse Schie – vindplaats 1, gemeente Schiedam, een archeologische Bochtafsnijding Delftse Schie – vindplaats 1, gemeente Schiedam, een archeologische opgraving

    No full text
    In opdracht van de provincie Zuid-Holland heeft RAAP van 7 mei tot en met 19 juni 2018 een archeologische opgraving uitgevoerd in het kader van het project ‘Bochtafsnijding Delftse Schie’ in de gemeente Schiedam. Dit onderzoek is het aanvullende onderzoek op de locatie die bekend staat als ‘vindplaats 1’. In 2014 is het noordelijk deel van deze vindplaats opgegraven door het ADC. Het voornaamste doel van het onderzoek was het veiligstellen van de wetenschappelijke informatie (behoud ex situ). Landschap De Schie was van oorsprong een getijdenkreek, die nog tot de 12e eeuw onder invloed stond van de Rijn-Maasdelta. In de 11e-12e eeuw werd voor het eerst een dijk aangelegd. Ter plaatse van het plangebied was dat in een veenmoeras. Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem in het plangebied in basis bestaat uit mineraalarm rietveen. Naar boven toe gaat dit pakket over in amorf rietveen. De top van het natuurlijke veenpakket bevindt zich in het zuiden op 3,3 m –NAP en duikt naar het noorden tot 4,4 m –NAP. Door de aanwezigheid van de dijk is het veen ter plaatse flink ingeklonken. Afzettingen van de Schie zijn binnen het onderhavige onderzoeksgebied niet aangetroffen. Archeologie De voornaamste doelstelling van het onderzoek was de opbouw en datering van de Oude Dijk in kaart brengen. Uit het aanvullende onderzoek op vindplaats 1 is gebleken dat de dijk is aangelegd in de 12e eeuw. In de opgravingsput was goed zichtbaar hoe bijna het hele dijklichaam, dat ongeveer 1,5 m hoog is geweest, door zijn eigen gewicht in het veen is weggezakt. Naast enkele scherven 12e-13e-eeuws aardewerk is een zilveren munt uit 1213-1222 gevonden. De dijk is vervolgens in de 16e eeuw opgehoogd (circa 80 cm), in de 17e eeuw (circa 100 cm) en in de 18e eeuw (circa 60 cm). Enkele vondsten uit 16e eeuw zijn in verband te brengen met de verstening van boerderij ‘s -Gravenhuize in deze periode: twee miniatuur kruikjes, roodbakkend geglazuurd aardewerk, steengoed, faience en enkele fragmenten bouwmateriaal. Vormen omvatten vooral keuken- en tafelgerei zoals verschillende kannen, schotels, bakpannen, grapen, een randfragment van een ongeglazuurde vuurklok, een grote kom en twee fragmenten van vetvangers. De 17e-eeuwse dijkfase is te relateren aan de herbouw van boerderij ’s-Gravenhuize. Beschoeiingen en een kleine inham aan de westzijde werden gemaakt. De ongeveer 80 cm hoge beschoeiingen werden vooral gemaakt van hergebruikt hout. Bij de inham bestaat een deel van de beschoeiing uit een vlechtwerk van wilgentakken. De ruimte achter de beschoeiing is met klei en afval opgevuld. Op de pas-verhoogde dijk werd een gebouw van ongeveer 5,8 m lang en 4,2 m breed gebouwd, met een ingang aan de oostzijde en een raam in de noordzijde. Van dit glas-in-loodraam zijn veel scherven en enkele hele ruitjes teruggevonden. Het gebouw lijkt pal aan het water te hebben gestaan en was aan de Schie-zijde vrij stevig en diep gefundeerd. Dit bijgebouw of schuur is op geen enkele historische kaart terug te vinden. Vondsten uit deze periode zijn onder andere drie leren schoenzolen, waarvan één van een kind, een sleutel, een lepelbak, een munt , een textiellood uit Noord-Frankrijk, een lodenstrip van de glas-in-loodramen, een hooivorkonderdeel, een ijzeren spade, een loden snorrebot en een vingerhoed. Op de 18e-eeuwse dijk lag een schelpenpad, mogelijk onderdeel van een jaagpad. Vondsten uit de de 18e eeuw zijn vooral in en rondom het gebouw aan de Schie aangetroffen. Het gaat om scherven van melkteilen, tabakspijpen, wandtegels, een pispot, theepotten, borden, kopjes, grote kommen, een schotel, een komfoor, een kandelaar en een vaas. Vier diergraven met daarin vijf redelijk complete runderen zijn mogelijk in verband te brengen met een 18e-eeuwse veepestepidemie

    Stolwijk, Hoflaan Eindrapport

    No full text
    IDDS Archeologie heeft in meerdere fasen archeologisch onderzoek uitgevoerd aan de Hoflaan en de Bovenkerkseweg 17-29 in Stolwijk, gemeente Krimpenerwaard. De eerste fase bestond uit een proefsleuvenonderzoek waarbij met name de Hoflaan is onderzocht. Dit onderzoek vond plaats op 16-18 december 2019 met nog een veldwerkdag op 19 maart 2020. Het onderzoek kon echter niet volledig worden uitgevoerd omdat aan de Bovenkerkseweg 17-23 nog bebouwing stond. Uit de sleuven die daar wel aangelegd konden worden, is gebleken dat hier vermoedelijk wel een vindplaats aanwezig is. Dit is opgezet als een volgende onderzoeksfase, waarbij na het verwijderen van de bebouwing en verharding in eerste instantie de resterende en aanvullende proefsleuven zijn gezet om de vermoedelijke vindplaats te begrenzen. Dit vond plaats op 20 oktober 2020 en 17 mei 2021. Op basis van de resultaten van dit (aanvullend) proefsleuvenonderzoek is een opgraving uitgevoerd aan de vindplaats op 21-23 oktober 2020 en 18-20 mei 2021. Een deel van deze opgraving is uitgevoerd als een begeleiding van een sanering op 28 januari 2022. De doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het begrenzen van de vindplaats en vaststellen of er in de delen die op het minuutplan niet als bebouwd zijn weergegeven ook sporen voorkomen. De doelstelling van een opgraving (inclusief variant archeologische begeleiding) is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Om deze doelstellingen te realiseren zijn enkele onderzoeksvragen opgesteld. Deze gaan over het landschap en de bebouwing en inrichting van de vindplaats en de leefwijze van de bewoners. Het plangebied ligt in het veenweidegebied aan een ontginningsas. De bebouwing was gesitueerd langs de Bovenkerkseweg, ten noorden van de Bovenkerkse Vliet. Langs de Bilwijker weg, ter plaatse van de huidige Hoflaan, was tot in de 20e eeuw geen bebouwing gelegen. Binnen het plangebied is sprake van één huisplaats. De oudste activiteiten dateren al mogelijk uit de 16e of begin 17e eeuw op basis van de hoeveelheden vondstmateriaal, maar er zijn geen sporen uit deze periode, anders dan de reeds bestaande ontginningssloten. In de 17e of 18e eeuw wordt een stenen boerderij gebouwd. Hiervan zijn nog enkele resten bewaard gebleven, zoals (binnen)muren en een gang. Ook lijkt bestrating aan de straatzijde van het gebouw uit deze periode te dateren. Op het erf is een waterput aanwezig die in deze periode is opgetrokken en is een dubbele rij palen als beschoeiing van een sloot aan deze periode toe te kennen. In de loop van de 18e of begin 19e eeuw wordt het hoofdgebouw vervangen door een nieuwe boerderij. De oriëntatie van deze boerderij wijkt lichtelijk af van zijn voorganger en komt nu overeen met de situatie op het kadastraal minuutplan uit 1811-32. Van de bijgebouwen zoals bekend op het kadastraal minuutplan zijn ook nog resten aanwezig in de vorm van een bakstenen fundering en een stro-vloer van een stal. Deze situatie verandert als tussen 1920-1940 alles wordt gesloopt en vervangen door woningen, die tijdens en voorafgaand aan het veldonderzoek zijn gesloopt. De gebouwen liggen op het erf. Het erf diende meerdere malen opgehoogde te worden vanwege het verzakken van de ondergrond. De opgehoogde lagen bevatten resten vanaf de 13e eeuw, maar met name uit de 16e eeuw en later. De bestaanswijze van de bewoners was uitsluitend agrarisch, en met name het houden van runderen. Er zijn echter geen resten aangetroffen van het verwerken van de melk. Naast runderen waren er ook enkele andere dieren die vrijwel altijd op de boerderij werden aangetroffen, zoals honden en varkens. Ook is er sprake van een paard/ponyezel. Tevens zijn er aanwijzingen dat er sprake was van vlasteelt in de directe omgeving van de huisplaats. Of dit ook het geval was binnen het plangebied en behoorde bij de huisplaats is niet met zekerheid vast te stellen. Deze bestaanswijze zorgde voor een gemiddelde welvaart gedurende de verschillende eeuwen. Er zijn geen aanwijzingen voor een relatief rijke of arme periode. De bewoners beschikten over de gebruikelijke huisraad met slechts weinig luxe voorwerpen

    Waarde Annahof Waarde Annahof percelen WDE01E405, 406 en 1414. Gemeente Reimerswaal. Opgraving – variant archeologische begeleiding.

    No full text
    De aanleiding tot het onderzoek vormde het voornemen tot het opnieuw inrichten van het Annahof, gelegen achter de Koningin Beatrixlaan, te Waarde. Hiertoe is de bodem over het volledige terrein gesaneerd tot 0,50 meter beneden maaiveld. Er is een nieuwe weg met riolering aangelegd en bouwputten uitgegraven ten behoeve van nieuwbouwwoningen. Voor het wegcunet is de bodem tot circa 0,80 meter beneden maaiveld uitgegraven; voor de bouwputten tot circa 0,90 meter beneden maaiveld. Voor de riolering is de bodem tussen 1,80 en 2,08 meter beneden maaiveld (m -mv) (1,93 en 2,18 m -NAP) ontgraven. Het plangebied omvat de percelen WDE01E405, 406 en 1414 met een totale oppervlakte van 2.504 m2. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek in 2006 en 2022 is een onderzoeksgebied afgebakend waarbij de graafwerkzaamheden onder archeologische begeleiding dienden te worden uitgevoerd. De te begeleiden delen betreffen een deel van de sanering, delen van twee bouwblokken en de aanleg van de nieuwe riolering. Het onderzoeksgebied heeft een oppervlakte van 954 m2. Het doel van de opgraving was het ex-situ veiligstellen (documenteren van gegevens en veiligstellen van vondsten en monsters) van de resten van de wal die door de aanleg van de leiding werden verstoord en die van belang zijn voor de kennisvorming over het verleden. Voor het onderzoek gold een hoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze verwachting is deels bevestigd. Binnen het onderzoeksgebied zijn moerneringskuilen aangetroffen die dateren tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In de bovenliggende cultuurlaag, daar waar deze bewaard is en niet verstoord door jongere sloop- en graafwerkzaamheden, zijn resten van funderingen, een beerputje, kuilen en een greppel aangetroffen. Eén van de funderingen dateert tussen de 16de en 18de eeuw. De overige sporen dateren uit de 20ste – 21ste eeuw. De moerneringskuilen uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd en de bewoningssporen uit de 20ste – 21ste eeuw zijn in situ bewaard vanaf 0,60 m -mv (0,95 m -NAP) onder het wegcunet, vanaf 0,60 m -mv (1,07 m -NAP) in de meest noordelijke bouwput en vanaf 0,82 m -mv (0,68 m -NAP) in de meest zuidelijke bouwput

    Zoeken naar Zandwijk: opgraving en archeologische begeleiding in het plangebied Prins Willem-Alexanderschool, gemeente Tiel Zoeken naar Zandwijk: opgraving en archeologische begeleiding in het plangebied Prins Willem-Alexanderschool, gemeente Tiel

    No full text
    In opdracht van de gemeente Tiel heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in samenwerking met VUhbs in 2013 een archeologische begeleiding en opgraving uitgevoerd in het plangebied TielPrins Willem-Alexanderschool. Het onderzoek was noodzakelijk vanwege de voorgenomen nieuwbouw van de school. Het primaire doel van het onderzoek was het veilig stellen van de wetenschappelijke informatie van deze vindplaats. Er is 233 m² opgegraven in een L-vormige put in zes vlakken en drie partiële tussenvlakken. Onder de kelder van het oude schoolgebouw is 66 m² in één vlak gedocumenteerd door middel van een archeologische begeleiding. Het onderzoek heeft een groot aantal voornamelijk middeleeuwse sporen en vondsten opgeleverd. Uit de Ottoonse tijd en het begin van de Volle Middeleeuwen zijn alleen lichtgekleurde vondstlagen en perifere sporen met weinig vondstmateriaal aangetroffen. Het plangebied blijkt in de periode 1125-1350/1375 deel uitgemaakt te hebben van de dorpskern van Zandwijk. Voor de gehele bewoningsperiode zijn aanwijzingen voorhanden voor een primair agrarische nederzetting; in de periode 1125-1250 waren beenbewerkers actief; in de periode 1200-1350/1375 zijn er ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de beenbewerking mag gesteld worden dat er sprake is van artisanale productie die het huisvlijtniveau oversteeg. Voor de metaalbewerking is dit waarschijnlijk ook het geval, maar de schaal is daar minder duidelijk. Slechts een klein aantal sporen en vondsten dateert uit de tijd na het midden van de 14e eeuw. Het ca. 2 m dikke pakket archeologische lagen en bijbehorende sporenniveaus blijkt in de bovenvulling van een oudere, met klei gevulde crevassegeul te liggen, die hier een globale noordzuidrichting heeft. In de Ottoonse tijd is aan de oostzijde van het plangebied een jongere crevasse ontstaan, met dezelfde richting, die vooral met zandige sedimenten is opgevuld. De bijbehorende jongere geul ligt waarschijnlijk onder (het lange deel van) de Grotebrugse Grintweg

    Plangebied Lobelia, gemeente Tilburg NO3621_TILO2

    No full text
    In opdracht van Natuurmonumenten heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in de jaren 2007, 2008 en 2009 in plangebied Lobelia in de gemeente Loon op Zand een archeologische begeleiding en inspectie uitgevoerd van diverse graafwerkzaamheden die de realisatie van welbepaalde natuurtypen tot doel hadden. Zo werden onder meer vennen (her)aangelegd en natte laagten gegraven en bouwvoorverschralingen uitgevoerd. Met het oog op dergelijke landschappelijke ingrepen is reeds in 2006 voor het onderzoeksgebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat voor bepaalde zones binnen het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen uit de Steentijd. Uitvoering van de geplande werkzaamheden kon hier leiden tot aantasting of vernietiging van eventuele archeologische resten, zodat nader onderzoek diende plaats te vinden. Dit vervolgonderzoek werd bepaald door de archeologische verwachting van de desbetreffende deelgebieden: 1. gebieden met een lage archeologische verwachting dienden na de graafwerkzaamheden archeologisch te worden geïnspecteerd; 2. gebieden met een middelhoge archeologische verwachting dienden tijdens de graafwerkzaamheden onder permanente toezicht van een archeoloog te worden begeleid. Onderhavig onderzoek betreft de neerslag van de fasen archeologische inspectie/begeleiding, waarbij de archeologische werkzaamheden zijn uitgevoerd volgens het eerder opgestelde en door de provincie Noord-Brabant goedgekeurde Plan van Aanpak. Tijdens de archeologische werkzaamheden zijn twee vindplaatsen aangetroffen. Vindplaats 1 (ACHIS-vondstmeldingsnummer 415318) betreft een door egalisatie verplaatst jachtkampement uit het Mesolithicum. De vondsten van deze vindplaats zijn aangetroffen in een opgebracht pakket zand in een voormalig ven. Vindplaats 2 (ACHIS-vondstmeldingsnummer 415317) betreft een vuurstenen kling die in de bouwvoor is aangetroffen. Hoogstwaarschijnlijk is ook deze vondst verplaatst als gevolg van de eerder uitgevoerde egalisatiewerkzaamheden. Zowel vindplaats 1 als vindplaats 2 zijn geheel verstoord. Op grond van de waargenomen bodemprofielen worden geen intacte vuursteenvindplaatsen in het plangebied verwacht

    Warffumerweg 39 Onderdendam Proefsleuvenonderzoek Warffumerweg 39 te Onderdendam, gemeente Het Hogeland (GR)

    No full text
    Binnen het onderzoeksgebied zijn resten gevonden van twee voorgangers van de onlangs gesloopte boerderij. Van de oudste, middeleeuwse voorganger zijn enkel een paalkuil en een klein deel van een lemen vloer aange-troffen. Daaroverheen is met hergebruikte kloostermoppen een nieuwe boerderij gebouwd. De resten die hiervan zijn aangetroffen zijn ook zichtbaar op de Kadastrale Minuut van 1811-1832. De vondsten die bij het onderzoek zijn gedaan, dateren uit de middeleeuwen en nieuwe tijd en kunnen worden gekoppeld aan bewoning op de wierde. In overleg met het bevoegd gezag, gemeente Het Hogeland, is besloten dat de bouwwerkzaamheden archeologie besparend kunnen worden voortgezet. Daarom is er geen vervolgonderzoek nodig in het onderzoeksgebied

    1

    full texts

    318,455

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Electronic Archiving System
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇