Electronic Archiving System
Not a member yet
318455 research outputs found
Sort by
Zierikzee Nieuwe Brandweerpost Zierikzee Nieuwe Brandweerpost. Gemeente Schouwen-Duiveland. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
De opdrachtgever heeft het voornemen om in een plangebied tussen de N59 en de Boerenweg te Zierikzee (gemeente Schouwen-Duiveland) een nieuwe brandweerpost en natuur met waterpartijen te realiseren.
In het kader van de hiertoe benodigde Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA)-omgevingsvergunning heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd.
In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan het volgende gesteld worden: - In vrijwel het hele plangebied is het Laagpakket van Wormer intact aanwezig in de vorm van geulafzettingen, op diepten variërend van 2 tot 3 m -NAP.
- In het grootste deel van het plangebied is het Hollandveen Laagpakket intact of goeddeels intact aanwezig; plaatselijk is het niet meer intact als gevolg van veenwinning en (zeer plaatselijk) erosie. In de top van het Hollandveen is een vondst gedaan, namelijk een fragment dierlijk bot.
- In een klein, zuidwestelijk deel van het plangebied is onder de moderne bouwvoor en op een opgevulde veenextractiekuil een afwijkende laag met indicatoren aangetroffen waarvan niet valt uit te sluiten dat dit een laatmiddeleeuwse cultuurlaag betreft.
- Het Laagpakket van Walcheren is vermoedelijk nergens meer intact als gevolg van ontgravingen en egalisaties. Ook is sprake van opgebrachte grond met hierin veel indicatoren.
Op basis hiervan gelden in delen van het plangebied (middel)hoge verwachtingen voor het Neolithicum, Late Ijzertijd en Romeinse tijd en Late Middeleeuwen
Proefsleuvenonderzoek Broekhem Broekhem 20 Proefsleuvenonderzoek Plangebied 't Anker, Broekhem 20 te Broekhem in de gemeente Valkenburg aan de Geul
Tijdens het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat de cultuurlaag uit het SOB Research onderzoek een humeuze laag colluvium is dat onderdeel is van een groter colluviumpakket dat boven en onder deze laag ligt. Waarschijnlijk is het pakket op het laagste deel binnen het plangebied afgezet. In de laag zit houtskool, aardewerk (voornamelijk Romeins materiaal), natuursteen en bouwmateriaal. Opvallend is dat in de laag ook mergelbrokken zitten waarbij de grootste brokken afgerond zijn (waarschijnlijk als gevolg van verspoeling). In het colluviumpakket boven de humeuze laag zit ook aardewerk (voornamelijk Romeins materiaal) en bouwmateriaal, alleen in mindere mate als in de humeuze laag. De humeuze laag komt alleen voor in het zuidelijke deel van de proefsleuf, in de eerste 10 meter vanaf de zuidelijke sleufwand. In de rest van de proefsleuf is ook colluvium aangetroffen, maar opvallend is dat verder naar het noorden de hoeveelheid vondstmateriaal af neemt. Onder de humeuze colluviumlaag bevinden zich aan de zuidzijde van de sleuf een vijftal donkergrijze sporen. Deze sporen zijn gecoupeerd en gedocumenteerd en vervolgens afgewerkt. Deze sporen zijn geïnterpreteerd als natuurlijke depressies die zijn opgevuld met donker grijs colluviummateriaal. Halverwege de proefsleuf is ook een spoor waargenomen, spoor 2. De situering van het spoor dateert het mogelijk in de Nieuwe tijd. Waarschijnlijk heeft het iets te maken met de leidingsleuf die hier vlak langs loopt, het was onduidelijk hoe hoog dit spoor zich reeds aftekende
Westeremdermaar boren Archeologisch booronderzoek herinrichting Westeremdermaar, gemeente Loppersum (GR)
Uit het booronderzoek blijkt dat er binnen het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied een aantal locaties zijn waar onder de huidige bouwvoor een cultuurlaag aanwezig is, met hierin resten baksteenpuin. Ook zijn zowel hier, in het zuidelijk deel, als in het noordwestelijk deel van het onderzoeksgebied bij de veldkartering op het maaiveld vondsten aangetroffen die dateren uit zowel de late middeleeuwen (kogelpotaardewerk) als uit de nieuwe tijd (draaischijfaardewerk, metaal, bouwmateriaal).
De aangetroffen cultuurlagen en de vondsten zijn niet te koppelen aan bijvoorbeeld een pad of weg dat langs de maar heeft gelopen. De cultuurlaag en de vondsten die in de drie zuidelijke boringen zijn aangetroffen, kunnen mogelijk aan een erf gekoppeld worden dat hier vanaf de vroege 19e eeuw (maar waarschijnlijk al eerder) lag. Zeker is dit echter niet. De precieze aard van de cultuurlagen en de vraag of de vondsten hieraan te relateren zijn of dat deze bijvoorbeeld door middel van bemesting binnen het onderzoeksgebied terecht zijn gekomen, dient nader onderzocht te worden.
Ook betekent het feit dat binnen het onderzoeksgebied geen resten van (overslibde) wierde-gerelateerde nederzettingssporen zijn aangetroffen, niet dat deze niet aanwezig zijn. De doorsnede van een dergelijke huiswierde kan beperkt zijn tot 20 à 25 m. Bij een onderlinge boorafstand van 50 m kan deze dus volledig gemist worden.
Daarnaast zijn losse sporen buiten een wierde (zoals waterputten en greppels) met een booronderzoek eigenlijk niet op te sporen.
Aanleiding tot het onderzoek zijn de plannen van het Waterschap Noorderzijlvest voor oeverherstel langs de Westeremdermaar bij Loppersum. Bij de geplande ingrepen wordt de strook grond langs de maar over een breedte van 1 m geroerd, tot een diepte van maximaal 1 m ten opzichte van het maaiveld. De top van de cultuurlagen ligt op circa 0,3 m-mv, waardoor deze bij de ingrepen geraakt gaan worden
Delfzijl De Vennen Archeologisch onderzoek naar de Grote Kazerne, De Vennen te Delfzijl, gemeente Eemsdelta (GR)
De aanleiding voor het onderzoek was de herinrichting van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied fungeert nu als verbinding tussen de binnenstad van Delfzijl en het nieuwe Marconistrand. Hiertoe is in het gebied een dijkopgang gerealiseerd in een parkachtige omgeving.
Binnen het onderzoeksgebied zijn resten van de Grote Kazerne aangetroffen, die in 1965 is gesloopt. De onder-grondse delen van de Grote Kazerne zijn destijds bij de sloop grotendeels in de bodem blijven zitten. Hierdoor, in combinatie met het vele vondstmateriaal dat is aangetroffen, is het mogelijk geweest om de (gebruiks)geschiedenis van de Grote Kazerne en dit deel van de vesting Delfzijl zeer goed in kaart te kunnen brengen. De resten van de kazerne waren uitzonderlijk goed bewaard gebleven.
De Grote Kazerne dateert uit de 17e eeuw en is aangelegd bij de 17e-eeuwse uitbreiding van de vesting Delfzijl. Uit het onderzoek naar de bakstenen waaruit de kazerne is opgebouwd, blijkt dat de kazerne is opgebouwd uit destijds nieuwe bakstenen. De muren waren gefundeerd op houten planken. Onder het complex lagen op regelmatige afstand van elkaar drie lange, smalle en diepe tongewelfde waterkelders die vanaf de buitenkant van het complex door middel van een trap toegankelijk waren. Aan beide kanten van de kelders bevonden zich opvangputten voor regenwater. Ook lagen in het complex een groter aantal kleinere kelders, onder de vloeren van de barakken.
Tussen de periode 1795 en 1814, ten tijde van de Bataafse Republiek, waren Franse troepen in de Grote Kazerne, door de Fransen Caserne du Centre genoemd, gelegerd. Tijdens de politiek spanningen tussen ‘Orangisten’ (aanhangers van het Huis van Oranje) en republiekgezinde ‘Patriotten’ was het gemeentebestuur van Delfzijl patriottisch en de Franse troepen werden met luid gejuich in Delfzijl ontvangen. Het belang van de vestingstad Delfzijl werd door het bestuur van de Bataafse Republiek al spoedig bij de Fransen onder de aandacht gebracht. De stad vormde immers één van de noordelijke corridors en zou voor de Engelsen, die heer en meester waren over de Noordwest Europese wateren, een eenvoudige prooi zijn. De Fransen onderkenden dit probleem en spoedig werden de vestingwerken van Delfzijl versterkt en werden de bestaande militaire gebouwen aangepast.
Uit de opgravingsresultaten en uit de plattegronden van de kazerne uit het begin van de 19e eeuw (respectievelijk 1820 en 1823) blijkt dat de Grote Kazerne een omvang had van 130 x 9 m en dat de begane grond van het complex toen, aan het begin van de 19e eeuw, bestond uit 24 soldatenbarakken, acht ruimtes/barakken voor onderofficieren en twee officierspaviljoenen. De beide officierspaviljoenen lagen aan de kopse kanten en werden geflankeerd door twee keer vier onderofficiersbarakken. Hiertussen lagen de barakken voor de soldaten. In totaal kon op de begane grond van de Grote Kazerne waarschijnlijk aan circa 144 soldaten, acht onderofficieren en twee officieren onderdak verleend worden. Op de verdieping daarboven konden ofwel nog meer manschappen zijn gelegerd ofwel werd deze verdieping gebruikt voor andere doeleinden, zoals opslag van goederen.
De voornamelijk militaire functie van het gebouw komt met name tot uiting in de aangetroffen metaalvondsten. De metaalvondsten met een militair karakter bestaan uit munitie, uniformaccessoires en wapens. De aangetroffen munitie bestaat vooral uit loden musket-/pistolet- en rottenkogels uit de periode 16e-19e eeuw. Van uniformen zijn vooral knopen gevonden, waarvan een deel is voorzien van een afbeelding waardoor ze aan het Franse of Nederlandse leger en/of aan een bepaalde legereenheid toegeschreven kunnen worden. Naast knopen zijn er resten van de kinriem en versteviging van een ‘sjako’ (een hoed die gedragen werd door soldaten), een onderdeel van een patroontas (giberne) en de sluiting van een uniformkraag gevonden. Ook deze objecten dateren uit de periode van het eind van de 18e tot en met de 19e eeuw. Aan wapentuig is onder meer een pareerstang van een officierssabel in Mamelukstijl, een ijzeren punt van een sabelkling, een voorbeugel van een sabel, een degenhanger, een ring, een schedepuntbeschermer, vuurketshouders, de punt van een pompstokhouder en een element om een vizier op te kunnen stellen gevonden. Deze vondsten dateren uit de 18e of 19e eeuw.
Na de overgave van Napoleon en het vertrek van de Franse troepen uit Delfzijl op 23 mei 1814 werd de vesting (en dus ook de Grote Kazerne) weer overgenomen door het Nederlandse leger. De militaire functie van de kazerne verviel met de ontmanteling van de vesting Delfzijl na 1874. De kazerne werd daarna voor andere doeleinden gebruikt, onder andere als complex woonhuizen en als tijdelijk onderkomen voor de synagoge en de Zeevaartschool. In de Tweede Wereldoorlog werden de waterkelders onder het gebouw onder meer gebruikt als schuilkelders tijdens bombardementen. In april 1945 raakte het gebouw zelf zwaar beschadigd bij bombardementen op het centrum van Delfzijl, tijdens de bevrijding van Delfzijl. De kazerne is rond 1965, na een tijd in verwaarloosde toestand gestaan te hebben, gesloopt.
Bij het onderzoek zijn verder ophooglagen aangetroffen die horen bij de 17e-eeuwse uitbreiding van de vesting Delfzijl, een voormalige (berm)sloot en resten van 20e-eeuws muurwerk. Dit muurwerk behoort tot de bedrijfsgebouwen van de firma Lommerts, die zich vanaf de jaren 1950/1960 op het terrein van de kazerne vestigde, en tot de bebouwing langs de voormalige Havenstraat. De bebouwing langs de Havenstraat bestond vanaf circa 1900 en is rond 1970 gesloopt. De bermsloot lag ten zuidwesten van de Grote Kazernestraat/Havenstraat en deed in eerste instantie, voordat het gebied ten zuiden van de Grote Kazerne bebouwd werd, dienst als perceelsloot die de weilanden ten zuidwesten van de kazerne omsloot
Noorderweg 9 Marum Opgraving, variant begeleiding Noorderweg 9 te Marum, gemeente Westerkwartier (GR)
In het onderzoeksgebied zijn in de top van het dekzand, onder een cultuur- of esdek, twee sloten, twee greppels, vier paalkuilen en een mogelijk natuurstenen stiep gevonden. De greppels kunnen gerelateerd worden aan de ontginning van het gebied vlak voorafgaand aan de vorming van de es (esgreppels). De datering van het ontstaan van het esdek is aan de hand van het onderzoek niet duidelijk en kan zowel in de late middeleeuwen als de nieuwe tijd vallen. Dit geldt ook voor de onder het esdek aanwezige sporen.
De beide sloten zijn niet te koppelen aan de sloten/kavelgrenzen op de kadastrale kaart uit het begin van de 19e eeuw. Paalsporen S3 en S4 en de natuurstenen stiep liggen in aangrenzende werkputten in elkaars verlengde en zouden tot een structuur kunnen hebben behoord. Vanwege het kleine oppervlak dat is onderzocht bij het onderzoek, is niet vast te stellen of dit bijvoorbeeld een lineaire structuur is geweest, zoals bijvoorbeeld een afrastering of hek, of dat het om een (klein) gebouw zou kunnen gaan.
Uit het onderzoek is duidelijk geworden dat het onderzoeksgebied na de laatmiddeleeuwse hoogveenontginningen, als bouwland in gebruik is genomen en dat op het dekzand een esdek is ontstaan. De aangetroffen paalsporen kunnen aangeven dat het terrein vlak na de ontginningsperiode mogelijk (korte tijd?) een andere (woon)functie kan hebben gehad.
Aanleiding tot de hier beschreven opgraving, variant begeleiding is de bouw van een nieuwe opslag op het terrein van het Noorder Caravan Centrum (NCC). De nieuwe opslag wordt gefundeerd op een aantal betonnen poeren, het archeologisch onderzoek beperkte zich tot begeleiding van het uitgraven van 44 kleine werkputten, met een omvang van gemiddeld 2,5 bij 2,5 m, op de locaties van de poeren
Ter Laan 31 Bedum Archeologisch proefsleuvenonderzoek Ter Laan 31 te Bedum, gemeente Het Hogeland (GR)
Het proefsleuvenonderzoek bevestigt dat op de nieuwbouwlocatie binnen een laatmiddeleeuwse wierde ligt. Afgezien van enkele wierdelagen zijn geen archeologische sporen aangetroffen. De recente toplaag bestaat uit een bouwvoor en/of opgebracht pakket met een dikt van circa 0,6 m. Hieronder volgt een wierdelaag uit de nieuwe tijd, die deels recent vergraven is. Daaronder volgen twee wierdelagen uit de late middeleeuwen, waarvan de top op 0,8 m-mv ligt en, ter hoogt van profiel 1.3, op een diepte van 0,6 tot 0,7 m-mv. Het in de laatmiddeleeuwse lagen aangetroffen vondstmateriaal bestaat voornamelijk uit kogelpotaardewerk, met een datering in de 10e tot 14e eeuw. Deze datering komt goed overeen met het bij het vooronderzoek aangetroffen aardewerk, dat gedateerd is in de 11e tot 14e eeuw (Veenstra 2015). De ontgraving voor de bouwkuip van de nieuwe woning reikt tot 0,62 m-mv. Gezien de diepteligging van de lagen zal vrijwel alleen de nieuwetijdse, deels vergraven wierdelaag aangetast worden. De laatmiddeleeuwse lagen worden niet of zo goed als niet geroerd. Er zijn ook geen aanwijzingen aan-getroffen dat na de sloop nog resten van de 19e-eeuwse boerderij in de ondergrond aanwezig zijn. Bij het proef-sleuvenonderzoek is reeds 25% van de te ontgraven bouwput onderzocht. De kans dat bij het uitgraven van de bouwput laatmiddeleeuwse en vroeg-nieuwetijdse bewoningsresten worden verstoord is klein en de eventuele verstoring hiervan zou beperkt van omvang zijn. Alleen de aan te brengen heipalen zullen de wierdelagen verstoren. Deze verstoring is beperkt van omvang.
Bovenstaand advies wordt onderschreven door het bevoegd gezag, gemeente Het Hogeland (de heer W. Dijkstra).
Voor wat betreft het vondstmateriaal wordt aanbevolen om alle vondsten te deponeren bij het Noordelijk Archeologisch Depot te Nuis. Dit voorstel is goedgekeurd door de eigenaar van de vondsten, provincie Groningen (provinciaal archeoloog)
IVO-p Barneveld Harselaar Zuid fase 1B Bewoning van ijzertijd tot Nieuwe tijd in Barneveld
Het hier gepresenteerde onderzoek heeft betrekking op een proefsleuvenonderzoek in vijf deelgebieden (1 t/m 5).Het onderzoek heeft uitgewezen dat de verstoring door de Amaliabeurs in deelgebieden 4 en 5 minimaal is. Alle aangetroffen vindplaatsen zijn behoudenswaardig. De vindplaats in deelgebied 1 is bij het proefsleuvenonderzoek al in zijn geheel blootgelegd, waardoor vervolgonderzoek hier geen meerwaarde heeft. Voor de overige deelgebieden is een advieskaart opgesteld voor het vervolgtraject.
Deelgebied 1: Landweer, datering onbekend. Zal worden gedateerd met monsters. Mogelijk late middeleeuwen.
Deelgebied 2: Paalsporen uit ijzertijd. Hoort vermoedelijk bij vindplaats Barneveld Harselaar Zuid fase 1a.
Deelgebied 3: Erf uit nieuwe tijd (steenbouw) met schaapskooi of houtbouw voorganger.
Deelgebied 4: enkele losse sporen uit ijzertijd. Aard onduidelijk Deelgebied 5: grafstructuur en gebouwstructuur uit ijzertijd
Kantens Bredeweg 25 Opgraven, variant begeleiden uitgraving bouwput melkveestal aan Bredeweg 25 te Kantens, gemeente Het Hogeland (GR)
Uit het archeologische onderzoek blijkt dat binnen de bouwput van de melkveestal resten aanwezig zijn uit drie perioden: uit de periode rond het begin van de jaartelling, uit de (late) middeleeuwen en uit de nieuwe tijd.
De resten uit de periode rond het begin van de jaartelling bestaan uit een geul die zich in de kwelderafzettingen heeft ingesleten. In deze geul is dierlijk botmateriaal gevonden dat dateert uit circa 40 na Chr. Ook is in de directe omgeving van de geul scherven terpaardewerk aangetroffen uit de periode 200 v. Chr. tot 200 na Chr. Deze vondsten geven aan dat het gebied in deze periode, de overgang van de late ijzertijd naar de vroeg-Romeinse tijd, door de mens werd gebruikt. Mogelijk lag hier toen een vlaknederzetting.
Op de kwelderafzettingen is vervolgens in de (late) middeleeuwen een huiswierde ontstaan. Van deze middel-eeuwse bewoning zijn, naast wierdeophogingen, twee plaggenputten, een mestkuil en een aantal paalkuilen gevonden. Deze sporen worden afgedekt door wierdelagen waarin kogelpotaardewerk uit de periode tussen de 12e en de eerste helft van de 14e eeuw is gevonden.
De nieuwetijdse resten hebben betrekking op de boerderijplaats Siewertsmaheerd. Van deze historische boerderij-plaats zijn minimaal drie fasen teruggevonden. De jongste fase betreft funderingen en een waterkelder die dateren uit circa 1873, toen de boerderij is verbouwd en het nieuwe voorhuis op de gedempte gracht die rondom de boerderijplaats lag is gebouwd. Ook kan een aantal funderingen die in de hals van de gesloopte boerderij is gevonden mogelijk worden gerelateerd aan de boerderij zoals deze op de Kadastrale Minuut van 1828 staat aangegeven. De gracht rondom de boerderij staat op de Kadastrale Minuut nog wel aangegeven en moet bij de verbouwing in 1873 zijn gedempt. De gracht is gedempt met bouwmateriaal afkomstig van de sloop van het oude voorhuis in 1873; vondstmateriaal uit de onderste lagen van de gracht geeft aan dat deze tussen de 17e en de 19e eeuw in gebruik moet zijn geweest. Tot slot is er een aantal sporen aangetroffen (funderingen, waterputten en een waterkelder) die buiten zowel de bebouwing op de Kadastrale Minuut als de bebouwing uit 1873 ligt. Deze sporen kunnen behoord hebben tot een voorganger van de boerderij die op de Kadastrale Minuut staat. Op basis van de gebruikte bakstenen zou deze voorganger kunnen dateren uit de 16e of 17e eeuw. Deze oude bebouwings-resten geven aan dat deze voorganger meer ten zuiden van de boerderij op de Kadastrale Minuut lag.
De aanleiding voor dit onderzoek is de sloop van een oud woonhuis en stal en de nieuwbouw van een melkveestal op de locatie. Op de archeologische verwachtingskaart en de beleidsadvieskaart van gemeente Het Hogeland heeft het plangebied de aanduidingen ‘wierde’ en ‘historische boerderijplaats’ en heeft het een hoge archeologische verwachting. Het bevoegd gezag, gemeente het Hogeland, besloot hierop de grondwerkzaamheden (sloop onder maaiveld van de huidige bebouwing en graafwerkzaamheden voor de nieuwe melkveestal) archeologisch te laten begeleiden
Noordwijkerhout, Sancta Maria kavel 802 Eindrapport
IDDS Archeologie heeft een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd op kavel 802 op het terrein van Sancta Maria in Noordwijkhout, gemeente Noordwijk. Het doel van het onderzoek is het aanvullen en toetsen van de specificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek, en het vervolgens waarderen van de aangetroffen resten. Tevens wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen over de aangetroffen vindplaats en de bodemopbouw.
Het onderzoek is uitgevoerd op 2 maart 2021 en bestond uit het aanleggen van twee werkputten. In beide werkputten zijn twee vlakken aangelegd en is een profielkolom gedocumenteerd. De resultaten van het veldwerk geven een beeld van een terrein dat lag op de overgang van de lagere strandvlakte naar de hogere strandwal ten noord(west)en van het plangebied. Op het strandzand zijn geen sporen aangetroffen (vlak 2). Over het strandzand is een veenpakket gevormd, welke weer bedekt is door een halve meter duinzand. De top van het duinzand is omgewerkt met humeus materiaal om de grond geschikt te maken voor tuinbouw. Dit vond plaats in de 19e en 20e eeuw, toen het terrein werd ontgonnen. De sporen van de grondbewerking zijn aangetroffen in de vorm van ploegsporen, plantenbedden en drainagesleufjes.
Mede vanwege de recente aard van de sporen wordt deze als niet behoudenswaardig beschouwd en wordt geadviseerd geen nader onderzoek uit te laten voeren in het plangebied. Het advies luidt daarom om het terrein vrij te geven voor wat betreft het aspect archeologie
Sluis, Grote Maagdenstraat - Burg. Van Hootegemstraat-Smeedtoren- Vleeshouwerijstraat- Krepelstraat Sluis, Grote Maagdenstraat -Burg. Van Hootegemstraat-Smeedtoren- Vleeshouwerijstraat- Krepelstraat
In opdracht van de gemeente Sluis werd tussen 3 mei en 21 september een Opgraving – variant Archeologische Begeleiding uitgevoerd in en rondom de Grote Maagdenstraat te Sluis, gemeente Sluis. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de vernieuwing van de riolering waarbij het bestaande enkel stelsel wordt vervangen door een gescheiden stelsel. Het plangebied omvatte de Grote Maagdenstraat, Burg. Van Hootegemstraat en Krepelstraat en een deel van de Vleeshouwerijstraat en Smeedtoren.
In het kader van deze geplande uitbreiding werd voor het plangebied in een eerdere fase vooronderzoek uitgevoerd, waarbij de huidige onderzoekslocatie aangeduid werd als een potentiële vindplaats. De bevoegde overheid heeft, in het kader van de geplande graafwerkzaamheden, gesteld dat een vervolgonderzoek door middel van een Opgraving – variant Archeologische Begeleiding diende te worden uitgevoerd.
De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd is volledig bevestigd. Ter hoogte van de Smeedtoren/Burgemeester van Hootegemstraat/Vleeshouwerijstraat/noordzijde Grote Maagdenstraat zijn bewoningssporen aangetroffen die dateren vanaf de 14de eeuw tot de 17de eeuw. De sporen die dateren uit de 14de eeuw bevatten verbrande resten. Mogelijk gaat het hier om resten van afgebrande gebouwen. Hiervoor zijn verschillende dateringen mogelijk vanaf de stadsbrand in 1323 of sporen van conflicten aan het prille begin van de 15de eeuw. Op basis van het vondstmateriaal kon geen nauwe datering worden vastgesteld. Daarnaast is ook een erf- of perceelsgreppel aangetroffen. De sporen uit de 15de eeuw sluiten aan bij de woonwijken aangetroffen bij de Smeedtoren in 2011 en die weergegeven worden op de oudste gedetailleerde kaarten die de situatie vanaf het midden van de 16de eeuw weergeven. Het betreffen rijhuizen langs paden geplaveid met balastkeien en fragmenten rode baksteen. Deze structuren zijn tussen het einde van de 16de en 17de eeuw gesloopt. Ter hoogte van de kruising van de Grote Maagdenstraat en Nieuwstraat zijn eveneens resten van bewoning vastgesteld die grenzen aan een oud pad. Het pad betreft hier de oude Zuidkeurestraat met bewoning langs de zuidzijde. Deze woningen worden ook weergegeven op de oudste beschikbare gedetailleerde kaarten. Centraal in de Krepelstraat zijn de oudste sporen aangetroffen, namelijk deze van het kerkhof die bij de voormalige Onze-Lieve-Vrouwekerk horen. Deze sporen omvatten menselijke begravingen, resten van de begrenzing van het kerkhof (kerkhofmuur en greppel) en kleinere gebouwen op het kerkhof. Deze sporen kunnen dateren vanaf het einde van de 13de eeuw. De kleine gebouwen lijken eerder iets jonger te dateren, dit op basis van het gebruikte bouwmateriaal. Net ten zuiden van het kerkhof zijn sporen van ambachtelijke activiteiten vastgesteld. Op deze locatie lijkt vis verwerkt te zijn en is ook mogelijk resten van een molen gevonden. De feitelijke resten van de molen zijn niet vastgesteld, maar mogelijk wel de greppel rondom de molen. Het verwerken van de visresten dateert aan het einde van de late middeleeuwen, rond de 14de – 15de eeuw. De molen is mogelijk iets jonger, namelijk 16de – 17de eeuw. Een tweede locatie met mogelijke sporen van ambachtelijke productie is aangetroffen ter hoogte van de Grote Maagdenstraat/Bagijnestraat. De functie van de sporen en dus het type ambachtelijke productie is niet duidelijk. Mogelijk is hier mossel en kokkel verwerkt, gezien de kuilen in de directe omgeving een grote hoeveelheid mossel- en kokkelschelpen bevatten. Deze sporen dateren uit de late middeleeuwen – begin van de Nieuwe tijd (15de – 16de eeuw). Tot de jongste sporen, uit de 18de en 19de eeuw, behoren perceelsgreppels en kuilen met sloopmateriaal. In deze periode is dit gedeelte van Sluis leeg, wat ook te zien is op de oude kaarten.
De sporen zijn direct onder de recente ophooglaag aangetroffen tussen 0,29 m -mv (1,79 m + NAP) en 1,12 m -mv (0,65 m + NAP).
De archeologische sporen zijn vanaf onderzijde wegcunet in situ bewaard. In bijlage 19 is per werkput een overzicht gegeven vanaf welke diepte de sporen zijn bewaard. Echter zijn deze sporen verstoord bij de aanleg van de riolering. Gezien deze niet aangelegd diende te worden onder archeologische begeleiding, is de verstoring van deze nieuwe riolering niet ingemeten. Verwacht wordt dat een groot deel van de sporen, aangetroffen aan de onderzijde van het wegcunet, grotendeels of volledig vernietigd zijn. Een uitzondering vormt de Krepelstraat. Binnen de grenzen van het oude kerkhof is de aanleg van de riolering onder archeologische begeleiding uitgevoerd