Electronic Archiving System
Not a member yet
318455 research outputs found
Sort by
Noordwijkerhout, Kavel 814 Eindrapport
Op 22 december 2021 heeft archeologisch onderzoeksbureau IDDS Archeologie een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, uitgevoerd op Sancta Maria kavel 814 in Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk.
De doelstelling van het onderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Aan de hand van het veldonderzoek wordt informatie verkregen omtrent de aanwezige archeologische waarden (aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit). Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee werkputten aangelegd van 3 m breed en 20 m lang. Op deze wijze is ca. 10% van het onderzoeksgebied onderzocht. Beide werkputten liggen ter plaatse van de toekomstige woning.
In het plangebied is een vindplaats uit vermoedelijk de Late Bronstijd – Vroeg IJzertijd aangetroffen. De vindplaats bestaat uit grondsporen zoals ploegsporen, greppels, paalkuilen en kuilen. Deze sporen geven aan dat het gebied intensief werd gebruikt door de mens. In de directe omgeving van het plangebied zijn vindplaatsen uit dezelfde periode aangetroffen.
Op basis van de bovengemiddelde scores op fysieke en inhoudelijke kwaliteit is de vindplaats als behoudenswaardig gewaardeerd. De vindplaats zal worden verstoord door de nieuwbouwplannen. Voor de geplande ontwikkeling wordt daarom een opgraving geadviseer
Aardgastransportleidingtracé Odiliapeel-Melick (A-665), catalogusnummer 64; gemeente Roerdalen RA2364_G65-64
In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in september 2012 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd in verband met de aanleg van een aardgastransportleiding in de gemeente Roerdalen. Het voornaamste doel van dit onderzoek was het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het onderzochte gebied, waarbij het in eerste instantie ging om het (al dan niet) vaststellen van de aanwezigheid van archeologische grondsporen.
Het plangebied ligt in een gebied met hoge rivierduinen. De hoogteverschillen bedragen soms meer dan 15 m. In het relatief vruchtbare rivierduinzand heeft zich in de loop van het Holoceen een moderpodzol ontwikkeld. Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden enkele kleine aardewerkfragmenten uit de Prehistorie aangetroffen. Grondsporen uit deze periode ontbreken echter. Door de hoge duinen was het plangebied niet erg geschikt voor landbouwkundig gebruik en bewoning. Mogelijk vond bewoning plaats in nabijgelegen vlakke gebieden
Archeologische begeleiding Landgraaf Beethovensingel-Hereweg Archeologische begeleiding aan de Beethovensingel-Hereweg te Landgraaf in de Gemeente Landgraaf
Er zijn geen archeologische resten waargenomen bij de begeleiding van de graafwerkzaamheden. Mogelijk bevinden zich deze nog wel op grotere diepte in het plangebied.
De aangetroffen bodemprofielen zoals die is aangetroffen in een kabel- en leidingensleuf komen in sterke mate overeen met de bodemopbouw, zoals werd verwacht vanuit het bureauonderzoek. Het bodemtype dat in de profielen is aangetroffen is een brikgrond welke plaatselijk is afgedekt door een colluviumdek. Met name bij profiel 1, in het noordelijke deel van het onderzoeksgebied, valt op hoeveel dikker het colluviumdek hier is vergeleken bij de overige profielen. Vermoedelijk heeft hier in het verleden een lokale depressie gelegen welke door het colluvium is opgevuld. Rond profiel 3, in het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied, is de bodem tot in de briklaag verstoord, bij de overige profielen is alleen een verstoring van het bovenliggende colluviumdek waargenomen. Van de rest van het plangebied buiten de kabel- en leidingensleuf in het noordwesten is niet bekend tot hoe diep de bodemverstoringen reiken
Archeologische begeleiding Joppe Eikeboomlaan 2 Archeologische begeleiding aan de Eikeboomlaan 2 te Joppe in de gemeente Lochem
Econsultancy heeft in opdracht van dhr. E.J. de Maes Janssens een opgraving – variant begeleiding uitgevoerd in het plangebied aan de Eikeboomlaan 2 te Joppe. In het plangebied zal de oude watergang terug gebracht worden in het landschap, die op de kadastrale kaart van 1730 weergegeven is. Daarnaast zullen in het noord-westen een woning en bijgebouw gerealiseerd worden. De woning wordt volledig onderkelderd tot circa 3,4 m -mv. In het zuidoosten van het plangebied komt een nieuwe schuur. Door de (diepe) graafwerkzaamheden kun-nen aanwezige archeologische resten verloren gaan. Tijdens de opgraving – variant archeologische begeleiding is een nieuwetijdse vindplaats aangetroffen. De vind-plaats bestaat uit een klein deel van een voormalige watergang die tot circa 1912 op historisch kaartmateriaal aangegeven wordt. Tijdens het onderzoek zijn geen vondsten aangetroffen of monsters genomen. De vindplaats ligt in het zuiden van het plangebied, op de locatie van de voormalige schuur met mestkelder. De aanwezigheid van de mestkelder heeft er voor gezorgd dat binnen het onderzoeksgebied de bodem tot diep in de C-horizont verstoord is geraakt. Dit is ook goed terug te zien in de onderzochte bodemprofielen. Het aanwezige verstoringspakket heeft een dikte van 160 cm (oostelijk en zuidelijk deel, p1 en p2) en 120 cm (westelijk deel, p3). Zowel in het westelijk als oostelijk deel van het plangebied was direct onder het verstoringspakket de natuurlijke ondergrond zichtbaar. De natuurlijke ondergrond bestaat uit een grijze tot lichtgrijze laag met afgeronde zandkorrels. Lokaal zijn enkele leem-/kleilaagjes zichtbaar. In het gehele onderzoeksgebied kwam het grondwater snel naar boven, zodra de natuurlijke ondergrond bereikt werd. In het westelijk deel van het onderzoeksgebied zat tussen de verstoringslaag en de natuurlijke ondergrond een 20 – 30 cm dik grijsblauw gekleurd pakket met veel leem/klei laagjes. Het zuidelijke profiel had als enige een venig zandige laag van circa 10 cm direct boven de natuurlijke ondergrond. Het betreft hier de voormalige watergang die op de historische kaarten nog zichtbaar is. De veenlaag is ook deels zichtbaar in het vlak. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek in combinatie met het verkennend booronderzoek is te concluderen dat de historische watergang niet meer of slechts deels aanwezig is in de ondergrond. Door de aanleg van de mestkelder is in het zuiden van het plangebied de ondergrond tot in de C-horizont dusdanig verstoord dat eventuele archeologische lagen niet meer aanwezig zullen zijn. Dit geldt vermoedelijk ook voor het noordelijk deel. Er is geen behoudenswaardige vindplaats aangetroffen
Proefsleuvenonderzoek Ottersum tussen de Goorseweg en de Hoenderweg Proefsleuvenonderzoek en opgraving tussen de Goorseweg en de Hoenderweg te Ottersum in de gemeente Gennep
Econsultancy heeft in opdracht van Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. een proefsleuvenonderzoek en opgraving uitgevoerd voor een perceel tussen de Goorseweg en Hoenderweg in Ottersum te Gennep. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 7 hectare. In vijf fasen zal een nieuwbouwwijk worden gerealiseerd. De eerste drie fasen betreffen de realisatie van 41 woningen en een woonzorgcomplex in het oostelijke deel van het plangebied. De exacte aard van de toekomstige woningen en de diepte van verstoring is nog niet vastgesteld. Er wordt uitgegaan van een volledige verstoring van het bodemarchief waardoor eventuele aanwezige archeologische resten verloren gaan. Binnen het oostelijke deel van het plangebied is een gebied van circa 1,3 hectare geselecteerd door de gemeente voor archeologisch onderzoek.
Ter plaatse van de circumvallatielinie en het legerkamp zijn zeven proefsleuven aangelegd waarna besloten is om een opgraving uit te voeren. De opgraving beslaat 12.532 m2 verspreid in één vlak in 22 werkputten en een tweede vlak in werkput 10 en 11. Het archeologisch leesbare vlak is aangelegd op de overgang van de bouwvoor en de top van de natuurlijke ondergrond, circa 40 tot 50 centimeter onder het maaiveld.
Bij het proefsleuvenonderzoek en opgraving zijn 163 spoornummers uitgegeven. Ze liggen als meerdere clusters verspreid over het opgravingsvlak. De sporen in te delen in meerdere periodes, namelijk de Late-Bronstijd tot en met de Vroege-IJzertijd, de Late-IJzertijd tot en met de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. De sporen van deze periodes betreffen twee houtskoolmeilers en kuilen met natuursteen of een grote hoeveelheid aardewerk. Ook het grote aantal handgevormde scherven uit deze periodes weergeven activiteiten in het onderzoeksgebied. De sporen en vondsten hoeven niet direct aan bewoning gekoppeld te worden, er zijn namelijk geen paalkuilen van huisplattegronden of bijgebouwen waargenomen. Dit kunnen ‘losse’ sporen die in de omgeving of in de randzone van een nederzetting zijn gerealiseerd.
Zoals verwacht op basis van de historische kaarten en het onderzoek uit 2008 ten zuiden van het onderzoeksgebied is de circumvallatielinie rondom het Genneperhuis aangetroffen. De circumvallatielinie in het onderzoeksgebied is over een afstand van 160 meter gevolgd en bestaat uit twee greppels op onderlinge afstand van circa 17 meter. Uit de vullingen blijkt dat de greppels niet waterhoudend zijn geweest en dat ze vanuit de oostelijke zijde in één keer zijn gedicht bij het slechten van de linie. Bij de linie zijn twee hoeken aangetroffen, namelijk de zuidelijke hoek dat aansluit op het gedeelte van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed in 2008 en in het noordelijke deel het begin van een redan. Door deze hoeken kan er met zekerheid worden bepaald waar de linie zich bevindt in Ottersum. Behalve de ligging van de linie kan er ook met zekerheid worden vastgesteld dat in een deel van plangebied, waaronder het onderzoeksgebied, een legerkamp aanwezig is. Dit betreft het legerkamp, ook wel kwartier genoemd, van Overste Ferens dat is gerealiseerd in 1641 onder leiding van Frederik Hendrik. Van het legerkamp zijn meerdere elementen aangetroffen. In de zuidelijke hoek van het legerkamp, dat wordt begrensd door de hoek van de linie, bevindt zich een geschutsbatterij waarop kanonnen waren opgesteld. Deze structuur is zichtbaar op de historische kaarten uit 1641 waarop het legerkamp en de linie is weergeven, maar is nog niet eerder bij een onderzoek van een Staats legerkamp aangetroffen. De geschutsbatterij in het onderzoeksgebied is begrensd geweest door twee driehoekige structuren.
Sporen gerelateerd aan het binnenterrein van het legerkamp zijn minimaal en betreft enkel een waterput met een slecht geconserveerde ton onderin. Op de bodem van de ton is een roodbakkend geglazuurd kannetje aangetroffen. Andere sporen die behoren tot een legerkamp zijn niet aangetroffen. 336 vondsten zijn te relateren aan de circumvallatielinie en het legerkamp van Overste Ferens. Dit betreffen metalen objecten waaronder knopen, gespen en musketkogels, fragmenten van gebruiks Rapport 9567.006 versie 1 voorwerpen waaronder fragmenten van kookpotten, enkele aardewerkfragmenten zoals een geglazuurd kannetje en metaalslakken. De musketkogels en objecten van uniformen bevestigen de aanwezigheid van een legerkamp. In het kamp is een smid werkzaam geweest waarvan de metaalslakken zijn achtergebleven.
Na het slechten van de circumvallatielinie en het legerkamp in 1641 is het gebied in agrarisch gebruik genomen. In het onderzoeksgebied zijn grondverbeteringskuilen en drie dierbegravingen van paarden uit de 18e - 20e eeuw aangetroffen. Door het agrarisch gebied bevond zich vanuit de noordwestelijke hoek richting de zuidoostelijke hoek van het onderzoeksgebied een onverharde weg van 1842 tot 1965. Op de weg hebben karren gereden die meerdere sporen hebben achtergelaten in de modder van de weg. De bundel karrensporen in het zuidelijke deel bevinden zich op een ongeregistreerde landweg die vermoedelijk aansluit op de aangegeven onverharde weg
Tilburg Rugdijk Waterberging Een glimp van bewoning uit de bronstijd en erfinrichting uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd
In 2017 heeft Archol in opdracht van de Gemeente Tilburg achtereenvolgens een proefsleuvenonderzoek en twee opgravingen uitgevoerd op een perceel langs de Rugdijk in de gemeente Tilburg. De Gemeente Tilburg is voornemens een waterberging, kabels en leiding aan te leggen op het terrein. De aanleg van deze voorzieningen zal leiden tot een verstoring van de bodem, waarbij in de ondergrond aanwezige archeologische resten verstoord zullen raken.
Met de resultaten van het onderzoek langs de Rugdijk hebben we een glimp opgevangen van hoe de prehistorische bewoning eruit heeft gezien in dit gebied. De aangetroffen huisplattegronden en vermoedelijke silokuil kunnen we op basis van het vondstmateriaal, de huisplattegronden en het 14C-onderzoek in de midden-bronstijd B dateren. Helaas is geen van de onderzochte monsters geschikt gebleken voor macrobotanisch onderzoek, zodat we weinig kunnen zeggen over de bestaanswijze die de bewoners er op na hielden. Wel is duidelijk dat er te Tilburg Rugdijk braam werd verzameld/gegeten en (spelt)tarwe op het veld en/of het menu stond. Een fragment dat waarschijnlijk afkomstig is van een maalsteen duidt er op dat de bewoners over de gereedschappen beschikten om dit laatste gewas te verwerken. Daarnaast duidt de aanwezigheid van aankoeksel op het aardewerk op kookactiviteiten. Verder biedt de beperkte hoeveelheid vondstmateriaal weinig inzicht in wat zich nog meer afspeelde binnen de nederzetting. Op basis van andere vondsten niet ver buiten het onderzoeksgebied hebben we vermoedelijk te maken hebben met een zeer uitgestrekte bronstijd vindplaats op een lokaal dekzandplateau, waarvan hier slechts een klein deel is aangesneden
Goes De Westerschans, Westhavendijk Goes De Westerschans, Westhavendijk. Gemeente Goes. Een Opgraving - variant Archeologische Begeleiding
RWS Projecten bv heeft aan de Westhavendijk te Goes het projectplan De Westerschans gerealiseerd. In het kader van de vergunningsaanvraag is een vooronderzoek uitgevoerd op basis waarvan voor 4 zones binnen het 3,8 ha grote plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd werd. Om die reden is een Opgraving –variant Archeologische Begeleiding uitgevoerd bij de aanleg van een ondergrondse parkeergarage.
Binnen het onderzoeksgebied zijn archeologische sporen uit de Nieuwe Tijd en Late Middeleeuwen gedocumenteerd. Aan de westelijke putrand zijn direct onder de bouwvoor funderingsresten van de 18de tot 20ste eeuwse meestoof De Zon aangetroffen. Ten oosten daarvan zijn de afgetopte dijkrestanten van de voormalige Westhavendijk uit de Nieuwe Tijd in kaart gebracht. Metersdikke antropogene ophoogpakketten van hoofdzakelijk zelas geven enerzijds een duidelijk beeld van de grootschalige herinrichtingswerken in de periode 1585-1651 in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Tegelijk vormen de enorme hoeveelheden zelas en verbrandingsresten een tastbaar bewijs van de bijna industriële schaal waarop zout in de vele zoutketen werd geproduceerd. Onder de ophooglagen kwamen sporen van landinrichting in de nijverheidszone Westzelke aan het licht
Burgh-Haamstede Ringwalburg Burgh-Haamstede Ringwalburg. Gemeente Schouwen-Duiveland. Archeologisch Bureauonderzoek
De gemeente Schouwen-Duiveland heeft het voornemen om de erfgoedbeleving van de vroegmiddeleeuwse ringwalburg in Burgh te optimaliseren. Een concreet (inrichtings)plan is nog niet uitgewerkt, het plan zit nog in de verkennende fase. In het kader van de monumentenvergunning en als voorbereidende stap heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek naar het plangebied uitgevoerd.
In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd hetgeen geleid heeft tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat binnen het hele plangebied is een archeologische vindplaats aanwezig is, namelijk de ringwalburg van Burgh uit de late 9de en 10de eeuw, bestaande uit een binnenterrein, omwalling en gracht. Het betreft twee archeologische Rijksmonumenten (Rijksmonumentnummers 46167 en 46168) die ruimtelijk samenvallen met AMK-terrein 1546 (zeer hoge archeologische waarde). De ringwalburg is aangelegd ter hoogte van een overgang tussen het duingebied van Schouwen aan de noordwestzijde en een zeekleilandschap aan de zuidoostzijde. Ten oosten van het plangebied liep de kreek de Schelveringe. Het plangebied valt onder te verdelen in drie zones, namelijk waar het binnenterrein, de omwalling en de gracht te verwachten zijn.
- Ter plaatse van het omwalde binnenterrein zijn bewoningsresten in de vorm van antropogene lagen en grondsporen aan te treffen onder een circa 0,15 - 0,20 m dikke, recentelijk opgebrachte laag en de hieronder gelegen (sub)recente bouwvoor, dus naar schatting vanaf 0,40 m -mv. Een uitzondering hierop geldt voor delen waar sprake is van diepe verstoringen. Vondstmateriaal kan al worden aangetroffen in de (sub)recente bouwvoor, dus vanaf 0,15 m -mv, en plaatselijk al direct vanaf het maaiveld.
- Ter plaatse van de wal zijn resten van deze wal (plaggenlagen, palissade) met eventuele toegangen (openingen, houten poortconstructies) aan te treffen vanaf circa 0,40 m -mv.
- Ter plaatse van de gracht kunnen restanten van in de grachtbodem ingegraven of ingeslagen houten constructies zoals bruggen aanwezig zijn. Vanaf circa 0,60 m -mv/ 1,00 m +NAP is de vroegmiddeleeuwse grachtvulling met hierin vondst- en archeobotanisch materiaal aan te treffen. Deze vulling wordt afgedekt door latere vullingen en/of dempingspakketten. Te verwachten valt dat binnen het plangebied variatie te zien is in de opvullingsgeschiedenis van de gracht, als gevolg van verschillen in landschappelijke ligging.
Eventuele menselijke begravingen op het binnenterrein of onder de wal zijn niet uit te sluiten, al zijn hiervoor in Burgh (nog) geen aanwijzingen gezien. Op grotere, onbekende diepten, tussen naar schatting 3,50 m -mv/ 1,00 m -NAP en 1 m -mv/ 1,50 m +NAP, geldt binnen het hele plangebied een hoge verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen voorafgaand aan de aanleg van de ringwalburg. Te denken valt aan bijvoorbeeld restanten van bewoning, begraving, grondstofwinning, voedselvoorziening, ambachtelijke activiteiten en infrastructuur. Deze kunnen voorkomen op en in de natuurlijke ondergrond van het monument. Deze natuurlijke ondergrond bestaat naar verwachting uit het Laagpakket van Schoorl en/of het Laagpakket van Walcheren, het Hollandveen Laagpakket en de Laagpakketten van Wormer en Zandvoort. Op, dan wel ingegraven in, de vroegmiddeleeuwse vindplaats kunnen tevens archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aanwezig zijn; dit betreft naar verwachting vooral grondsporen die te relateren zijn aan landbouw (vanaf circa 0,40 m -mv) en mogelijke dempingslagen van de vroegmiddeleeuwse gracht (vanaf circa 0,50 m -mv).
Tijdens het bureauonderzoek is nagegaan welke gegevens het onderzoek naar de ringwalburg van Burgh tot dusver heeft opgeleverd. Hieruit blijkt samengevat het volgende: - Het binnenterrein van de ringwalburg had, inclusief omwalling (breedte : 4 – 5 m), een diameter van circa 200 m (uitgaand van een ronde contour). De wal had een lichaam van zand en was bedekt met een kleilaag, en aan de binnenzijde voorzien van een palissade van 0,15 m dikke palen die 0,50 m uit elkaar stonden.
- Op het binnenterrein is van boven naar beneden een opeenvolging waargenomen van een laag duinzand (opgebracht of natuurlijk afgezet) op het Laagpakket van Walcheren op veen op oudere duin- en strandafzettingen.
- Er wordt veelal van een aanlegdatum van omstreeks 880-890 uitgegaan, maar op grond van de 14C-dateringen valt een jongere of oudere datering niet uit te sluiten.
- Er heeft bewoning plaatsgevonden; hierdoor zijn paalsporen, ophoog- en leeflagen (maar ook laagjes binnengewaaid duinzand) en veel vondstmateriaal (aardewerk, dierlijk bot, gebruiksvoorwerpen van natuursteen, metaal, glas, been, hout) aanwezig. De bewoning eindigde vermoedelijk in de tweede helft van de 10de eeuw.
- Het binnenterrein werd in twee helften verdeeld door een recht, noordwest-zuidoost georiënteerd pad, dat die deels dezelfde ligging en loop had (behalve in het noorden) als het tegenwoordige pad Hoge Burgh.
- Al direct onder de bouwvoor kunnen tussen circa 2,2 en 1,7 m +NAP goed bewaarde grondsporen verwacht worden.
- De ondiepe gracht (onderzijde vastgesteld op 0,60 m -NAP) was 50 m breed en bevatte tijdens de gebruiksfase van de ringwalburg waarschijnlijk zoetwater.
Op basis van de eerdere onderzoeken en gegevens van andere ringwalburgen is tevens geïnventariseerd welke kennis nog ontbreekt over de ringwalburg in Burgh: - De thans bekende ligging, vorm en afmetingen van het binnenterrein, de wal en de gracht zijn globaal bekend op basis van de uitgevoerde gravende onderzoeken gecombineerd met een model op basis van gegevens van andere ringwalburgen, maar zijn voor het overgrote deel van het plangebied nog niet in het veld vastgesteld.
- Het is nog niet bekend of het zand op het binnenterrein van natuurlijke oorsprong is of antropogeen is opgebracht. Ook is nog onvoldoende in kaart gebracht hoe het natuurlijke landschap eruitzag waarop de ringwalburg is aangelegd en in hoeverre verspreid over het plangebied variaties zijn waar te nemen in de natuurlijke stratigrafie.
- Het is niet bekend of de gracht overal even diep en even breed was (mede gelet op het natuurlijke landschap waarin de ringwalburg is aangelegd, namelijk een overgang tussen duin- en getijdengebied).
- Ook over de opvullingsgeschiedenis van de gracht bestaat onduidelijkheid. In meerdere onderzoeken wordt gesproken van een demping. Wanneer deze demping plaatsvond, is onbekend. Trimpe Burger trof op de grachtvulling een laag aan die mogelijk afkomstig was van de afgegraven wal, terwijl Van Heeringen een kleilaag aantrof die hij aan mogelijke laatmiddeleeuwse overstromingen relateerde; ook noemde hij de mogelijkheid dat de gracht plaatselijk (aan de noordwestzijde) is dichtgestoven in de late 10de eeuw.
- Het is niet bekend of er op het binnenterrein een pad haaks op het reeds bekende middenpad heeft gestaan en dus ook niet hoeveel ingangen en bruggen de ringwalburg had. Het is niet bekend hoe de toegangsbrug(gen) en/of -poort(en) eruitzag(en) en wat er nog van bewaard is.
- Het is nog niet bekend of er al direct na, of al voorafgaand aan, de aanleg bewoning plaatsvond; een duidelijke fasering is ook nog niet vastgesteld.
- Het is niet bekend hoe dicht de bebouwing was en hoe deze bebouwing eruitzag.
- Het is niet bekend of er overige infrastructuur aanwezig was, zoals drainage (bijvoorbeeld een houten goot of greppels).
- Tot slot bestaat er nog geen onomstotelijke datering van de aanleg van de ringwalburg
Proefsleuvenonderzoek Haelen Speckerweg 5 Archeologisch Proefsleuvenonderzoek aan de Speckerweg 5 te Haelen in de gemeente Leudal
Uit de resultaten van het proefsleuvenonderzoek (karterende/waarderende fase) blijkt dat er in het plangebied sporen uit de Late Bronstijd - Vroege IJzertijd zijn aangetroffen die geïnterpreteerd kunnen worden als een woonerf met gebouwen en bijgebouwen
Proefsleuvenonderzoek Berg en Terblijt Kleinstraat (ong.) Archeologisch Proefsleuvenonderzoek aan de Kleinstraat (ong.) te Berg en Terblijt in de gemeente Valkenburg aan de Geul
Uit de resultaten van het proefsleuvenonderzoek (karterende/waarderende fase) blijkt dat het noordelijke deel van het terrein sterk is verstoord als gevolg van bioturbatie, echter onder de verstoring zijn in proefsleuven 1 en 4 sporen uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd aangetroffen die direct onder de bouwvoor beginnen en doorlopen tot net in het vlak. In de kuilen en bij de aanleg van het vlak is in het noordelijke deel van het plangebied vondstmateriaal uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangetroffen, voornamelijk uit de Late Middeleeuwen. De aangetroffen sporen waren zeer slecht herkenbaar in het vlak en zijn pas op grote diepte, onder het verstoorde pakket, vastgesteld en vervolgens teruggevonden in de profielen. Het vondstmateriaal uit de sporen geeft aan dat ze waarschijnlijk uit de Late Middeleeuwen dateren al is het mogelijk dat we met opspit te maken hebben