Electronic Archiving System
Not a member yet
    318455 research outputs found

    Proefsleuvenonderzoek Mook diverse Proefsleuvenonderzoek aan de diverse te Mook in de gemeente Mook en Middelaar

    No full text
    Econsultancy heeft in opdracht van de Aannemingscombinatie Vissers Ploegmakers B.V. – F.P.H. Ploegmakers B.V. – Van de Wetering Cultuurtechniek B.V. op 25 september 2017 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor de Prioritaire Dijkversterking – Perceel 1 te Mook in de ge-meente Mook en Middelaar. In het plangebied zal de dijk worden verstevigd door het plaatselijk aan-brengen van een ingegraven kleidek en het plaatsen van damwanden als keermuur. Het archeologisch onderzoek werd noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kans is of archeologische waarden in de ondergrond aanwezig zijn, die door de voorgenomen bodemingrepen verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumen-tenZorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeolo-gische verwachting zoals vermeld in het bureau- en booronderzoek. Het gaat om gebied- of vind-plaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over de verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Dit betreft de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaaf-heid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het resultaat van een proefsleuvenonderzoek is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie-)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) door de Bevoegde Overheid kan worden genomen. Dit betekent dat de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop deze beslissing gefundeerd genomen kan worden, dat wil zeggen dat de archeologische waarden van het terrein in voldoende mate vastgesteld moeten zijn. Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel In het zuidelijke deel van het plangebied vormen de aangetroffen puinlagen een mogelijke aanwijzing om bebouwingsresten van rond 1850 te verwachten. Ten westen daarvan is via boringen een kleine zone vastgesteld waar het oorspronkelijke bodemprofiel nog intact is en waar bewoningssporen vanaf het Mesolithicum verwacht worden. Meer naar het noorden is de bodem deels verstoord als gevolg van de daar aanwezige haven behorend bij het vroegere veer. Gevolgde onderzoeksmethode Tijdens het veldwerk werd er niet van de onderzoeksmethodiek afgeweken zoals deze beschreven is in het PvE2. Enkel de laatste werkput werd 5 meter langer gemaakt dan oorspronkelijk voorzien. In totaal zijn er acht proefsleuven van 4 m bij 10 m en een negende proefsleuf van 4 m bij 15 m gegra-ven hetgeen resulteerde in een oppervlakte van 380 m2. Zo werd uiteindelijk ca. 15,8% van het ge-bied onderzocht. De drie noordelijke proefsleuven zijn tot in de B-horizont aangelegd. De zes zuidelij-ke proefsleuven werden aangelegd tot ca. 20 cm boven de aldaar aangetroffen waterleiding. Resultaten Proefsleuvenonderzoek In de drie noordelijke proefsleuven werden er geen archeologische vondsten en geen sporen aange-troffen. In de zes zuidelijke proefsleuven werd hoofdzakelijk de aanwezigheid van een asbestcement hogedruk waterleiding vastgesteld. De aanleg van deze waterleiding, die parallel aan de dijk loopt, heeft in het recente verleden de bodemarchief ernstig verstoord

    De kerk van Hummelo, opnieuw bezocht: gemeente Bronckhorst; een archeologische begeleiding De kerk van Hummelo, opnieuw bezocht: gemeente Bronckhorst; een archeologische begeleiding

    No full text
    In opdracht van het College van Kerkrentmeesters Protestante Gemeente Hummelo heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in augustus 2012 een archeologische begeleiding uitgevoerd in verband met de voorgenomen bouw van een gemeenschapshuis tegen de kerk van Hummelo in de gemeente Bronckhorst. Het primaire doel van deze begeleiding was het veilig stellen van de wetenschappelijke informatie van deze vindplaats die tijdens eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek is aangetroffen (behoud ex situ). De huidige kerk is in de jaren 1838-1839 gebouwd op de plaats van een middeleeuwse voorganger. De vroegste vermelding van deze kerk dateert uit 1328. Jan de Beijer tekende de kerk in 1743. Uit de vergelijking van deze tekening met de plattegrond van de kerk zoals die op de eerste kadastrale tekening (het kadastrale minuutplan uit 1822) weergegeven is, blijkt dat het oost west georienteerde gebouw opgezet was als een eenvoudige kruiskerk. Op de tekening is alleen het noordelijk transept weergegeven met in de hoek met van koor een kapel. Het zuidelijk transept is mogelijk eerder al gesloopt of nooit gerealiseerd. In 1826 was de kerk zo bouwvallig dat met behulp van financiële bijdragen van koning Willem I en baron van Heeckeren in 1838-1839 een geheel nieuwe kerk is gebouwd. Bij eerder onderzoek was vastgesteld dat deze nieuwe kerk schuin over de fundamenten van het westelijk deel van de oude kerk gebouwd. Op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst staat het kerkterrein als een gebied met een hoge of zeer hoge archeologische waarde met een attentiezone van 50 m om het rijksmonument. Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m -Mv vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Met het voornemen om tegen de noordelijke lange zijde van de kerk een gemeenschapshuis te bouwen, is besloten het graven van de funderingssleuven archeologisch te laten begeleiden. Bij de archeologische begeleiding zijn 47 graven gedocumenteerd. Deze dateren in ieder geval uit de 17e/18e eeuw tot mogelijk de 14e eeuw. De datering is bepaald door het aangetroffen aardewerk. Tevens werd een deel van een oude fundering aangetroffen. Deze bestond uit bekapte brokken ijzeroer. Deze funderingswijze was al bij eerder onderzoek in de kerk vastgesteld. De aangetroffen fundering lag echter buiten het grondplan van de kerk, zoals opgetekend in 1822. Deze waarneming geeft aan dat de kerk oorspronkelijk anders, en mogelijk groter van omvang was. Uit analyse van de kadastrale gegevens is gebleken dat het kerkelijk domein vroeger veel groter is geweest en waarschijnlijk zelfs in verband gebracht kan worden met de vroegmiddeleeuwse oorsprong van Hummelo (opgraving De Woordhof). Hoewel het onderzoek belangrijke gegevens heeft opgeleverd, blijven veel vragen met betrekking van de vroegste kerkfase onbeantwoord en voorlopig verborgen in het Hummelose bodemarchief

    Naast de Oude Kerk te Oosterbeek, gemeente Renkum; archeologisch onderzoek: een opgraving Naast de Oude Kerk te Oosterbeek, gemeente Renkum; archeologisch onderzoek: een opgraving

    No full text
    In opdracht van de bouwcommissie Oude Kerk Oosterbeek heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau een archeologische opgraving en een saneringsbegeleiding uitgevoerd in verband met geplande bouw van nieuwe voorzieningen rond de Oude Kerk te Oosterbeek in de gemeente Renkum. Het veldwerk is uitgevoerd van 17 april t/m 13 juni 2013. De opgravingsstrategie bestond uit het aanleggen en opgraven van diverse bouwputten en -sleuven ten behoeve van de ondergrondse nieuwbouw naast de Oude Kerk. Nadat in de bouwput, onder de totaal geroerde toplaag van circa 1 m dik, een loopgraaf uit de Tweede Wereldoorlog werd aangetroffen, is het onderzoek tijdelijk stil gelegd. De loopgraaf bleek te zijn opgevuld met bouwpuin (waaronder asbest), terwijl in de omliggende grond een niveau van intacte inhumatiegraven werd vastgesteld. Om een zo goed mogelijke inschatting te kunnen maken van de kosten van een bodemsanering en een meer uitgebreide archeologische opgraving, is een twee dagen durende archeologische en milieukundige inventarisatie uitgevoerd. Hierbij is in het kerkhof een proefsleuf gegraven om de begravingsdichtheid (horizontaal) en -diepte (verticaal) van het kerkhof te bepalen. Daarnaast is de loopgraaf onder milieukundige begeleiding gesaneerd. De resultaten van de inventarisatie leidden tot de constatering dat bij een ongewijzigde realisatie van het bouwplan de kosten voor archeologisch onderzoek dusdanig hoog zouden zijn dat uitvoering daarvan onhaalbaar was. Mede op grond hiervan is het liggende plan en de uitvoer daarvan gestaakt. Hiermee is tevens een einde gekomen aan het archeologisch veldonderzoek. Het onderzoek heeft de resten opgeleverd van twee complextypen. In de eerste plaats gaat om resten van het kerkhof en de kerk, die bestaan uit zes begravingen en de funderingen van de kerk en de kerkhofmuur. Daarnaast zijn relicten uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen, die bestaan uit een loopgraaf en diverse militaria Op het kerkhof zijn delen van zes skeletten blootgelegd op vier verschillende niveaus. Een van de graven op het hoogste niveau is op basis van 14C-datering gedateerd tussen 1674 en 1865 na Chr. Op het diepste niveau is een begraving gedateerd tussen circa 1020 en 1155 na Chr. De aangetroffen funderingen zijn van verschillende kerkfasen. De vroegste resten bestaan uit funderingsresten van het tufstenen romaanse koor uit 12e of 13e eeuw met daartegenaan de funderingen van de in de 14e eeuw aangebrachte steunberen in baksteen. Ook van het bakstenen gotische koor uit de 15e eeuw zijn de funderingen gelokaliseerd. Ten slotte zijn resten van het dwarsschip uit 1865 aangetroffen. De aangetroffen kerkhofmuur met steunberen is opgebouwd uit hergebruikt tufsteen en baksteen. De muur is op 16e-eeuwse kaarten afgebeeld, maar kan mogelijk al bij de eerste verbouwingen met baksteen in de 14e eeuw zijn opgebouwd. Een aangetroffen loopgraaf is aangelegd in het begin van 1945 en maakte deel uit van een groter systeem rond de kerk. Het spoor van de loopgraaf bestond uit een puinvulling. Direct na de oorlog werd door de bevolking van Oosterbeek een begin gemaakt met het puinruimen en de wederopbouw van het geruïneerde Oosterbeek. Hierbij werden de loopgraven opgevuld met het puin van vernielde huizen, achtergelaten militaria en ander puin. De aangetroffen militaria uit zowel de loopgraaf als de bovengrond zijn voornamelijk Brits en afkomstig uit de Slag om Arnhem. Ook zijn er artikelen met een Amerikaanse of Duitse herkomst aangetroffen Met deze opgraving is het onderzoek ten behoeve van het uitbreidingsplan voor de Oude Kerk afgesloten. Voor de nieuwe voorzieningen van de kerk is een alternatief plan gekozen. De resultaten van het archeologisch onderzoek wijzen er op dat rondom de kerk met behoudenswaardige resten rekening gehouden moet worden. Dit geldt zowel voor de resten die direct verband houden met de kerk en het kerkhof als om resten uit de Tweede Wereldoorlog. Daarom wordt aanbevolen archeologisch onderzoek uit te voeren indien ontwikkelingsplannen voor aangrenzende gebieden worden voorgenomen

    Proefsleuvenonderzoek Kronenberg Peelstraat (ong.) Proefsleuvenonderzoek aan de Peelstraat (ong.) te Kronenberg in de Gemeente Horst aan de Maas

    No full text
    In het zuiden van het plangebied zijn op de top van de dekzandrug enkele concentraties vuursteen aangetroffen. Het betreft vuursteenartefacten uit het Midden- of Laat-Mesolithicum, waarvan enkelen met retouche en enkelen met brandsporen. De assemblage doet vermoeden dat het hier om een kampje gaat dat kortstondig bewoond moet zijn geweest. Selectieadvies De dichtheid van de vuursteenvondsten (kleiner dan 1 stuks per m2) en de verstoorde context waarin ze lagen gaf geen aanleiding tot vervolgonderzoek binnen het onderzochte deel van het plangebied, ter plaatse van de proefsleuven. Uit de waardering volgens door de KNA voorgeschreven wijze blijkt dat de vindplaats die is aangetroffen in principe niet behoudenswaardig is, maar gezien de hoge informatiewaarde en het feit dat het niet is uitgesloten dat zich binnen het plangebied toch nog archeologische resten in situ kunnen bevinden, adviseert Econsultancy daarom om de vindplaats in situ te behouden. Aangezien de proefsleuven overeenkomen met de graafwerkzaamheden voor de geplande ontwikkelingen, is verder vervolgonderzoek in het plangebied niet noodzakelijk. Indien het gebied buiten de proefsleuven niet in situ kan worden behouden, moet de vindplaats door middel van een opgraving ex situ worden veilig gesteld. Het definitieve selectiebesluit zal worden genomen door de bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas

    Burg. Smeetsweg 1-6001, Zoeterwoude Eindrapport

    No full text
    IDDS Archeologie heeft op 27 oktober 2022 een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven uitgevoerd aan de Burg. Smeetsweg 1-6001 en 1-6002 in Zoeterwoude, gemeente Zoeterwoude. De aanleiding voor dit onderzoek is de geplande realisatie van een nieuw middenspanningsgebouw en drie transformatoren en het bijbehorende leidingwerk. De doel- en vraagstelling is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Aan de hand van het veldonderzoek wordt informatie verkregen omtrent de aanwezige archeologische waarden (aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit). Vervolgens wordt een waardering van de archeologische waarden in het plangebied opgesteld. Het proefsleuvenonderzoek heeft één niet nader te dateren kuil opgeleverd. Daarnaast is een kleine hoeveelheid aardewerk verzameld uit een mogelijke slootvulling in het noorden. Het aardewerk kan gedateerd worden in de Nieuwe tijd. Vanwege het uitblijven van een vindplaats heeft er geen waardering plaatsgevonden. IDDS Archeologie adviseert om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden

    AB Leuth Pastoor van Tielstraat (projectcode Lc5) 182-Lc5-Past Van Tielstraat

    No full text
    Het gebied ten zuiden van de Steenheuvelsestraat lijkt in vroeger tijden te hebben bestaan uit een terrein met actieve geultjes en geulen met hier en daar snel stromend water. Dit blijkt uit de profielen. Onder in de gegraven rioolsleuf bestaat de bodem uit grof zand met soms ook veel grind. Naar boven toe worden de afzettingen steeds fijner. De bovenste natuurlijke lagen bestaan uit zandige klei. Voordat er sprake was van bedijking stond het gebied bij hoge waterstanden in de rivier nog regelmatig onder water. Na ontginning van het gebied (vanaf de Karolingische periode) en de aanleg van kades en dijken is er in het gebied in toenemende mate sprake van landbouw en veeteelt. Waar geploegd werd, ontstond een akkerlaag bestaande uit een pakket homogene humeuze zandige klei. Een dergelijke akkerlaag is in het plangebied aanwezig in de bodemlagen S5010, S5011, S5020 en S5023. Daarboven bevinden zich de recente bouwvoor en de zand/puinlagen, die onder het wegdek van de Pastoor van Tielstraat lagen.De tussen 0 en 9,5 meter op het meetlint van werkput 2 gesignaleerde donkere laag S5010 is vanaf ca. 12 m op het meetlint geheel verdwenen. Mogelijk is deze laag een restant van de pol waarop thans boerderij de Hoekpol staat. Duidelijk is te zien dat de pol aanvankelijk groter is geweest en met de aanleg van de Pastoor van Tielstraat deels is vergraven.In het midden van werkput 1 zijn op onregelmatige afstand van elkaar (maar in lijn liggend) op ongeveer 1 m -mv de onderkanten van aangepunte houten paaltjes waargenomen. Waarschijnlijk gaat het hier om de restanten van weidepaaltjes en/of een oude perceelgrens.In werkput 1 zijn in laag S5041 en afgedekt door laag S5023 de sporen van twee afzonderlijke sloten of greppels aangetroffen. In de vulling van sloot/greppel S2 werd een kleine hoeveelheid laat- en post-middeleeuws aardewerk en een scherf Romeins aardewerk aangetroffen. Ook in de laag die de sloot afdekte (S5023), werd een hoeveelheid laat- en post-middeleeuws aardewerk aangetroffen. Op grond van het aangetroffen aardewerk kunnen de sloten in de late middeleeuwen of vroege nieuwe tijd worden gedateerd.Gelet op de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd de status van het gebied in de nabijheid van de Pastoor van Tielstraat op de Archeologische Waarden- en Verwachtingskaart van de gemeente Ubbergen ongewijzigd te handhaven, ook al omdat in een rioolsleuf een restant van de pol is aangesneden

    Waarderend booronderzoek plangebied Uivermeertjes-Zuid te Deest ied Uivermeertjes-Zuid te Deest, gemeente Druten; archeologisch vooron?derzoek: een inventariserend veldonderzoek (waarderend booronderzoek)

    No full text
    In opdracht van Sagrex Holding bv heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in april 2012 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een waarderend booronderzoek inclusief monsterprogramma uitgevoerd in verband met geplande ontgrondingen in het plangebied Uivermeertjes- Zuid te Deest in de gemeente Druten. Het onderzoek vormt een vervolg op een in 2011 uitgevoerd verkennend en karterend booronderzoek. Het onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Doel van het veldonderzoek was een indruk te krijgen van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eerder aangetroffen archeologische resten. Het booronderzoek is opgesplitst in twee fasen. Tijdens de eerste fase van het veldonderzoek zijn 82 boringen verricht in een grid van 10 x 12,5 m. De boringen zijn ingepast in het grid van het eerder uitgevoerde booronderzoek. De boringen in een raai versprongen ten opzichte van die in de naastgelegen raai, waardoor een systeem van gelijkbenige driehoeken ontstond. Tijdens de tweede fase van het veldonderzoek zijn rond enkele boringen aanvullende boringen uitgevoerd, zodat lokaal een boorgrid van 5 x 6,25 m ontstond. Tijdens deze fase zijn acht boringen verricht. Tijdens het veldonderzoek zijn in totaal 114 monsters genomen en gezeefd. In overleg met de provinciaal archeoloog, de regio-archeoloog, de opdrachtgever en diens adviseur (Crevasse Advies) is besloten om de vindplaatsen op dezelfde wijze te waarderen als de vindplaatsen in het noordelijk aangrenzend gebied. Op basis van de resultaten van het waarderend booronderzoek zijn geen harde bewijzen gevonden voor (langdurige) menselijke activiteiten op de drie onderzochte vindplaatsen. Op basis van de lage waardering van de drie vindplaatsen ter plaatse van het plangebied Uivermeertjes- Zuid ten opzichte van andere vindplaatsen in de omgeving, wordt aanbevolen om de vindplaatsen binnen het gebied Uivermeertjes-Zuid niet nader te onderzoeken en archeologisch vrij te geven

    Burgermeester Termeerstraat 8 NO5665_MITER2

    No full text
    Het onderzoeksgebied is onderzocht door middel van twee kleine proefsleuven, met een oppervlakte van 80 m². In het plangebied is sprake van een hoge zwarte enkeerdgrond van ongeveer 1,0 m dik, die is gevormd op een matig ontwaterde dekzandrug. Van nature heeft zich onder het esdek een natte veldpodzol ontwikkeld, die lokaal kenmerken van een beekeerdgrond heeft. Deze bodems zijn onthoofd en niet meer intact. Sporen tekenen zich af aan de basis van het esdek, op een diepte van ca. 1,0 m -Mv

    Aardgastransportleidingtracé Odiliapeel-Melick (A-665), catalogusnummer 48; gemeente Horst aan de Maas RA2356_G65-48

    No full text
    In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in mei 2012 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in verband met de aanleg van een aardgastransportleiding in het onderzoeksgebied Sevenum-Gelderdijk in de gemeente Horst aan de Maas. Het voornaamste doel van het onderzoek was het bepalen van de waarde van de archeologische resten. Het onderzoeksgebied ligt in een gebied met stuifzandduinen. Het pakket stuifzand varieert in dikte van 1,3 tot 2,2 m. Onder het stuifzand ligt de moederbodem (C-horizont) van het dekzand. De oorspronkelijke bodem is geheel geërodeerd vóór de afdekking met stuifzand. In het stuifzand kunnen meerdere humeuze lagen onderscheiden worden, die oude oppervlakken representeren. Op de grens van stuifzand en dekzand werden honderden indrukken van dierenpoten aangetroffen. Ook werden enkele menselijke voetafdrukken en karrensporen waargenomen. Deze zijn ontstaan doordat mensen en dieren over het dekzand liepen. De indrukken zijn daarna in zeer korte tijd afgedekt, waardoor ze uiterst goed bewaard gebleven zijn. De indrukken zijn achtergelaten aan het eind van de Vroege Middeleeuwen, Late Middeleeuwen of begin van de Nieuwe tijd, een periode waarin kennelijk hevige verstuivingen in de omgeving plaatsvonden. Naast de indrukken, werden op de grens van stuifzand en dekzand enkele vuurstenen werktuigen uit het Mesolithicum aangetroffen, die wijzen op activiteiten ter plekke. Gezien de lage dichtheid aan vondsten is er waarschijnlijk slechts sprake van kortstondige activiteiten. Het is niet uit te sluiten dat in de naastgelegen werkstrook of op iets grotere afstand een kampement van jager-verzamelaars ligt

    Alphen aan den Rijn, Steekterweg- Gouwestraat Eindrapport

    No full text
    IDDS Archeologie heeft in augustus 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Steekterweg-Gouwestraat in Alphen aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn. De doel- en vraagstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Met het inventariserend veldonderzoek wordt deze verwachting getoetst en zo nodig aangevuld. Net als bij de eerder uitgevoerde onderzoeken ten zuiden van het perceel, ligt het plangebied ter plaatse van de stroomrug van de Oude Rijn, die in het plangebied actief was vanaf het Neolithicum tot aan de 12e eeuw na Christus. Onderin de boringen 2, 5 en 6 zijn de beddingafzettingen aangetroffen die wijzen op een geulbodem. Over de beddingafzettingen zijn de geleidelijk naar boven toe fijner wordende afzettingen van de restgeul aanwezig. Deze afzettingen zijn afgedekt met een dun pakket kleiige oeverafzettingen, waarin een bouwvoor is gevormd. Over deze oude bouwvoor is grond opgebracht. In de top van de opgebrachte grond is lokaal een nieuwe bouwvoor gevormd ( Figuur 13). De zandige bedding- en restgeulafzettingen hebben een lage archeologische verwachting, aangezien deze in stromend water zijn afgezet. In de oeverafzettingen kunnen archeologische resten voorkomen vanaf de Late IJzertijd tot aan de Nieuwe Tijd. Echter, de top van zowel de oude bouwvoor als het oeverpakket is geroerd, gezien de geringe dikte van dit pakket en de aanwezigheid van zandbrokken en baksteenpuin, waardoor archeologische resten zijn verstoord. Ook zijn er verder geen andere archeologische niveaus in de oeverafzettingen waargenomen. Uit het bureauonderzoek is tevens gebleken dat er binnen het plangebied geen historische bebouwing wordt verwacht. Hierdoor krijgen de oeverafzettingen een lage archeologische verwachting voor de perioden vanaf de IJzertijd tot aan de Nieuwe Tijd. Op basis hiervan adviseert IDDS Archeologie om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de Gemeente Alphen aan den Rijn. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. IDDS Archeologie wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen

    1

    full texts

    318,455

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Electronic Archiving System
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇