University of Groningen Digital Archive
Not a member yet
80723 research outputs found
Sort by
On optimization of Generalized Matrix Learning Vector Quantization
De begeleider en/of auteur heeft geen toestemming gegeven tot het openbaar maken van de scriptie.
The supervisor and/or the author did not authorize public publication of the thesis.
Telomeres and life histories : all’s well that ends well?
Optimaliteit theorieën van veroudering voorspellen dat the balans tussen reproductieve inspanning en somatisch onderhoud de snelheid van veroudering bepaalt. In dit proefschrift laat ik zien dat experimenteel verhoogde reproductieve inspanning de snelheid van veroudering verdrievoudigde in vergelijking tot kauwen die verlaagde reproductieve inspanning ervoeren. Deze nieuwe bevinding bevestigt de hypothese dat reproductieve investeringen ten koste gaan van lichamelijk onderhoud. Of het hebben van veel kinderen ook de levensduur bij mensen vermindert is nog onduidelijk. Hoe we verouderen is eveneens grotendeels onbekend, maar oxidatieve schade lijkt bepalend voor de levensduur in ieder geval op cellulair niveau. Telomeren vormen de eindkapjes van chromosomen en verkorten door oxidatieve schade en functioneren dus wellicht als “readout” van de geaccumuleerde schade. Mijn resultaten laten zien dat telomeerverkorting van kauwen nestelingen hun overleving voorspelt tot rekrutering en dit is een aanwijzing dat schade accumulatie ten grondslag ligt aan veroudering. Betrouwbaarheidstheorie van veroudering veronderstelt dat organismen redundantie hebben om biologisch functioneren te garanderen. Schade accumuleert totdat redundantie uitgeput raakt hetgeen sterfte veroorzaakt. In dit proefschrift laat ik zien dat telomeerlengte sterfte voorspelt bij mensen en zich gedraagt als maat voor redundantie, wat suggereert dat het opgebruiken van redundantie veroudering veroorzaakt. Op dit moment ligt de nadruk van onze gezondheidszorg op de behandeling van aan veroudering gerelateerde aandoeningen, maar de behandeling van een aspect van een verouderd lichaam zal niet de redundantie herstellen en dus de levensduur niet veel verlengen. Mijn advies: begin op jonge leeftijd met gezond leven want dit heeft het grootste positieve effect op de resterende redundantie en levensduur.
Optimaliteit theorieën van veroudering voorspellen dat the balans tussen reproductieve inspanning en somatisch onderhoud de snelheid van veroudering bepaalt. In dit proefschrift laat ik zien dat experimenteel verhoogde reproductieve inspanning de snelheid van veroudering verdrievoudigde in vergelijking tot kauwen die verlaagde reproductieve inspanning ervoeren. Deze nieuwe bevinding bevestigt de hypothese dat reproductieve investeringen ten koste gaan van lichamelijk onderhoud. Of het hebben van veel kinderen ook de levensduur bij mensen vermindert is nog onduidelijk. Hoe we verouderen is eveneens grotendeels onbekend, maar oxidatieve schade lijkt bepalend voor de levensduur in ieder geval op cellulair niveau. Telomeren vormen de eindkapjes van chromosomen en verkorten door oxidatieve schade en functioneren dus wellicht als “readout” van de geaccumuleerde schade. Mijn resultaten laten zien dat telomeerverkorting van kauwen nestelingen hun overleving voorspelt tot rekrutering en dit is een aanwijzing dat schade accumulatie ten grondslag ligt aan veroudering. Betrouwbaarheidstheorie van veroudering veronderstelt dat organismen redundantie hebben om biologisch functioneren te garanderen. Schade accumuleert totdat redundantie uitgeput raakt hetgeen sterfte veroorzaakt. In dit proefschrift laat ik zien dat telomeerlengte sterfte voorspelt bij mensen en zich gedraagt als maat voor redundantie, wat suggereert dat het opgebruiken van redundantie veroudering veroorzaakt. Op dit moment ligt de nadruk van onze gezondheidszorg op de behandeling van aan veroudering gerelateerde aandoeningen, maar de behandeling van een aspect van een verouderd lichaam zal niet de redundantie herstellen en dus de levensduur niet veel verlengen. Mijn advies: begin op jonge leeftijd met gezond leven want dit heeft het grootste positieve effect op de resterende redundantie en levensduur.
Learning opportunities in kindergarten classrooms : teacher-child interactions and child developmental outcomes
In dit proefschrift worden de kenmerken van leerkracht-kind interacties in Chileense kleuterklassen die deelnamen aan het VVE-programma Un Buen Comienzo beschreven. Onderzocht is hoe deze interacties samenhangen met de ontwikkeling van kinderen.
Met de eerste twee onderzoeken zijn de interacties tussen kinderen en leerkrachten tijdens voorleessessies in kaart gebracht. We hebben onder andere bekeken of de gesprekken over de voorgelezen verhalen de kinderen uitnodigden complexe, meer abstracte (inferentiële) taal te gebruiken of dat de gesprekken zich beperkten tot het hier en nu en wat er letterlijk in het boek aan de orde kwam (letterlijke taal). Het bleek dat er grote verschillen waren in de manier waarop leerkrachten de voorleessessies aanpakten. We vonden dat kinderen die in klassen zaten met in verhouding meer inferentiële interacties een beter tekstbegrip hadden. Daarnaast vonden we dat kinderen in klassen waar de complexiteit van interacties werd afgewisseld een grotere woordenschat hadden.
De laatste twee onderzoeken tonen de complexiteit aan van het verband tussen de algemene kwaliteit van leerkracht-kind interacties en de ontwikkeling van kinderen. We hebben verschillende competentieprofielen geïdentificeerd, die laten zien dat binnen kinderen een variëteit aan academische, cognitieve en sociaal-emotionele kenmerken voorkomt. Het bleek dat de kwaliteit van de klasomgeving niet op dezelfde manier samenhangt met alle profielen. Hieruit kan worden afgeleid dat verschillende type kinderen baat zullen hebben bij verschillende type klasomgevingen.
Met dit proefschrift wordt benadrukt dat leerkrachten, om gelegenheid tot leren te creëren, in hun handelen en interacties aan moeten sluiten bij wat kinderen op dat moment nodig hebben.
This dissertation explored the characteristics or teacher-child interaction in Chilean kindergarten classrooms, and its links to child learning and developmental outcomes. These classrooms participated in the Un Buen Comienzo project (A Good Start), a large-scale intervention aimed at providing better early childhood education to children from disadvantaged contexts.
In the first two studies we explored the verbal interaction during whole-class read-alouds in detail. The main distinction was whether the conversation about the story required children to make inferences (inferential, complex language) or to address perceptual information (literal, less complex language). Overall, we found great variability in the way teachers lead these activities. As for the relationship to child outcomes, we saw that children in classrooms with a higher proportion of inferential language had a higher score in a passage comprehension test. But we also found that in those classrooms where there were more switches in the complexity of the conversations, children had higher vocabulary scores.
The next two studies showed that the linkages between the overall quality of teacher-child interactions and child outcomes are complex. We identified profiles of child competence in kindergarten, which revealed that children embody diverse combinations of academic, cognitive and socioemotional competence. Classroom interaction quality did not relate equally to each of these profiles, suggesting that children with different characteristics benefit from different classroom environments.
This dissertation underscores the notion that in order to represent opportunities for learning, teacher-child interaction has to match what the child needs and is ready to seize.
The current organisational approach to exit strategies in humanitarian relief projects: A study on decision-making processes in large humanitarian organisations.
Renal function estimation: the implications for clinical practice
Huisartsen hebben een belangrijke rol in het detecteren van chronische nierschade. Veel beslissingen aangaande het starten van een behandeling om verdere nierschade te voorkomen en beslissingen betreffende de dosering van renaal geklaarde medicatie worden genomen in de eerste lijn. Om chronische nierschade in een vroeg stadium te kunnen herkennen was er een duidelijke definitie en een classificatie systeem nodig. Formules om de nierfunctie te schatten werden een belangrijk onderdeel van dit classificatie systeem. Ondanks dat beslissingen in de dagelijkse praktijk vaak worden genomen op basis van de uitkomsten van deze formules, zitten er aan het gebruik van zulke formules veel haken en ogen, zoals geschetst wordt in dit proefschrift. We zijn tot de conclusie gekomen dat de nauwkeurigheid van de nierfunctieschattende formules voor het individu sterk te wensen overlaat en dat uitkomsten van deze formules moeten worden gebruikt als signaal en niet gezien moeten worden als een absolute waarheid. Bovendien, moet bij ouderen met een stabiel matig verminderde nierfunctie zonder tekenen van nierschade, de nierfunctie gezien worden als een gevolg van het ouderdomsproces en niet een reden zijn tot verwijzing naar de tweedelijn, met aanvullende diagnostiek. Een andere factor om rekening mee te houden bij het gebruik van nierfunctieschattende formules is de methode waarmee het creatinine wordt bepaald, aangezien de nauwkeurigheid van de creatinine bepaling van grote invloed is op deze formules. Een conclusie uit dit proefschrift is dat de Jaffé als methode om creatinine te bepalen niet meer gebruikt dient te worden. Tenslotte, speelt nierfunctie een belangrijke rol bij de medicatieveiligheid. Met name mensen met een verminderde nierfunctie zijn kwetsbaar voor medicatiefouten. Door de apotheker actief te betrekken door nierfunctiedata ter beschikking te stellen leidt tot een effectieve interventie om medicatieveiligheid te verbeteren.
General practitioners have an important task in the detection of Chronic Kidney Disease (CKD). To be able to recognize CKD adequately a clear definition and classification system was needed. Equations to estimate renal function became an important component of this classifications system. Although, decisions in clinical practice are frequently taken based on the outcomes of these equations, the use of these equations has many drawbacks as sketched in this thesis. We have come to the conclusion that the accuracy of the estimated glomerular filtration rate (eGFR) equations for the individual remains doubtful, and outcomes of these equations should be used as an indicator, not as a true value. Moreover, for most elderly people with moderate renal function without signs of renal damage, moderate reductions of eGFR should be seen as part and parcel of their life, instead of extensive follow-up, additional diagnostics and treatment as is recommended in many CKD guidelines. Also, attention should be paid to the method of creatinine measurement that is used, since the accuracy of creatinine measurements will have impact on the accuracy of renal function estimating equations. Based on the results of this thesis the Jaffe method should be abandoned. Finally, subjects with renal failure are vulnerable to adverse drug events. In this group there is an ongoing need to improve medication safety and prevention of adverse drug events. As is shown in this thesis extending the availability of renal function data towards community pharmacists is one of the effective means to achieve this.