Xios Theses
Not a member yet
1062 research outputs found
Sort by
Het bouwen van een waterzuiveringsinstallatie
Genzyme is een biofarmaceutische multinational met een vestiging te Geel. Het bedrijf maakt een enzym om een zeldzame spierziekte te bestrijden. Het Project Stella is een uitbreiding ter waarde van 250.000.000 Euro voor de huidige fabriek.
In deze bachelorproef wordt de verwezenlijking van de put van het WWTP, of Waste Water Treatment Plant, dat een onderdeel uitmaakt van het Project Stella toegelicht.
De waterzuiveringsput heeft een dimensie van 9 op 15 meter en de onderkant van de vloer van de put ligt 6 meter onder het maaiveld. De secanspalenwand die er als grondkering gebruikt wordt, reikt tot op een diepte van 9 meter voor de primaire palen en 13,50 meter voor de secundaire palen.
Ter plaatse is er een doorlatende zanderige grond aanwezig en het grondwater bevindt zich op een meter onder het maaiveld. Aangezien de bouwput droog uitgevoerd moet worden, moet er een adequate droogzuigingsinstallatie voorzien worden.
Alle stappen voor de uitvoering van deze bouwput worden uitbundig besproken met supplementaire uitvoeringsalternatieven en de betrekkelijke kostprijs- of planningsverschillen. Aangezien er vanuit Genzyme zeer veel belang gehecht wordt aan de veiligheid op de werf worden hier ook nog enkele toelichtingen over gegeven.
Het is belangrijk om de plannings- en kostprijsverschillen van bepaalde uitvoeringsmogelijkheden op kaart te brengen om zo de meest verantwoorde keuze te kunnen maken. Dit is één van de voornaamste taken van een project- of werfleider.
Na de verwezenlijking van een project moet men er steeds op terug kunnen kijken, wetend dat het een combinatie van de veiligste, goedkoopste en duurzaamste oplossing is
Studie op de berekeningsmethode volgens richtlijn ATV-M 127-2 bij rioolrenovatie door middel van kousmethode
In onze maatschappij is een goed rioleringsnetwerk niet meer weg te denken. Nochtans zijn vele van de bestaande rioleringen dringend aan vernieuwing toe. Dit betekent niet alleen een aanzienlijke uitgave voor vele steden en gemeenten maar ook grote overlast bij vervanging van de bestaande rioleringen. Om dit aan te pakken is er gestart met inwendige renovatie van bestaande rioolleidingen. Er bestaan verschillende rioolrenovatietechnieken, de kousmethode is daar één van. Deze methode en de berekeningen die daarbij uitgevoerd worden, komen aan bod in deze masterproef.
Voor de berekening van de rioolrenovatietechnieken bij middel van de kousmethode wordt de richtlijn ATV-M 127-2 gebruikt, opgesteld door professor Falter. Deze methode heeft als nadeel dat verschillende parameters ingevoerd dienen te worden.
Het doel van deze masterproef is een studie te verrichten naar de verschillende parameters en na te gaan welke invloed ze hebben op de berekening van de wanddikte van de liner. Met de kennis van deze studie in het achterhoofd, wordt er een voorstel geformuleerd voor worst case grondparameters.
Tijdens de studie worden de invloedsparameters elk apart getoetst en ingevoerd in het softwareprogramma LINERB om na te gaan wat hun rol is bij de berekening van de linerwanddikte. Aan de hand van case studies en rekening houdend met het onderzoek op de invloedsparameters, wordt er nadien een voorstel voor worst case parameters geformuleerd.
Uit de resultaten van de studie op de berekeningsmethode kunnen alvast enkele belangrijke conclusies worden getrokken.
Hoe groter de elasticiteitsmodus en de gronddrukcoëfficient van de grond hoe meer zijdelingse steundruk de buis krijgt door de grond wat gunstig is voor de wanddikte van de liner.
De diepteligging is ook zeer belangrijk, ondiep gelegen buizen zijn moeilijk te relinen, de impact van de verkeerslast is dan zeer groot.
Bij de formulering van een voorstel voor een worst case parameter is rekening gehouden met Standaardbestek 250 daar grondonderzoek bij kleine projecten vaak niet haalbaar is
Groendaken op industriebouw: toepassing en optimalisatie
Sinds enkele jaren verschijnen er steeds meer groendaken of daktuinen. Door de grote belasting op het dakoppervlak hebben deze groendaken maar een beperkt toepassingsgebied. Zo blijven er dus vele duizenden vierkante kilometers onbenut. Het toepassingsgebied van de groendaken zou men kunnen vergroten door de gangbare opbouw te verbeteren. Met dit in gedachte heeft men in deze masterproef getracht deze opportuniteit te benutten. Dit eindwerk bestaat uit twee onderzoeken. De resultaten uit deze onderzoeken worden geïntegreerd in een computermodel van een stalen hal.
In een eerste onderzoek wordt getracht de globale opbouw te verlichten. Een innoverend materiaal dat recent op de markt is gekomen, zou hiervoor een oplossing kunnen bieden. Bij toepassing van dit materiaal beweert de producent groendaken te kunnen construeren die tot de helft lichter zijn dan de traditionele systemen. In dit eindwerk wordt getest of ze aan de beweerde eigenschappen voldoen, zonder te moeten inboeten aan water bufferend vermogen.
Vervolgens kan men de aanleg van het groendak optimaliseren. Dit kan men doen door de zware belasting beredeneerd te verdelen en zo onstabielere gebieden te ontlasten. Het gedrag van het regenwater wordt onderzocht aan de hand van een schaalmodel. Dit gebeurt in verschillende opstellingen.
Uiteindelijk kan door middel van een kosten-batenanalyse duidelijk gemaakt worden of dit inderdaad financieel en praktisch rendabel is voor de opdrachtgevers. Indien deze studie een oplossing zou kunnen bieden, zou dit niet alleen voor de groendaksector een grote (financiële)stap voorwaarts zijn, maar ook voor de industriebouw en natuurlijk voor het milieu. We zouden er dus allemaal beter van worden.
 
Thermische analyse van het Eurosteelframe
Bouwen in metselwerk mag gerust een zware en tijdrovende activiteit genoemd worden. Andere bouwmethoden, zoals systeembouw in hout of staal, zijn alternatieven die langzaam maar zeker een grotere rol op de markt spelen. Zo speelt EUROSTEELframing, dat gebruik maakt van staalbouw, in op de factoren tijd en kostprijs. Maar is het staal wel geschikt als constructiemiddel om tot een woning of een gebouw te komen dat voldoet aan de huidige energienormen en is het ook geschikt om een energiezuinige woning te creëren?
Woningen en gebouwen moeten volgens de huidige normen aan een bepaald E- en K-peil voldoen. Dit kan gecontroleerd worden met de EPB-software van de Vlaamse overheid. Hierin is het echter niet mogelijk de niet-homogene wand van EUROSTEELframing (ESF-wand) in te geven. Om toch een waarde van warmtedoorgang (warmtedoorgangscoëfficiënt of U-waarde) door zulke wand in te kunnen geven, wordt er een thermische analyse uitgevoerd met het eindige elementenprogramma COMSOL. Gebruik makend van AutoCad worden verschillende soorten wanden uitgetekend, uitgerekend en vervolgens geanalyseerd om zo tot een warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) te komen. Deze U-waarde kan ingegeven worden in de EPB-software. Deze berekeningen moeten voldoen aan de eisen opgelegd door de Vlaamse overheid en dienen dus ook goedgekeurd te worden tot gebruik van deze U-waarde als standaardwaarde voor de ESF-wand.
De combinatie van materiaalanalyses, berekeningen, interpretatievermogen, ministeriële besluiten en eisen van de Vlaamse overheid zorgen voor een interessante combinatie van onderzoek, literatuur en zoekwerk. Dit resulteert in eerder verrassende resultaten met een mooi toekomstbeeld voor EUROSTEELframing en hun systeembouw die goed scoort op het vlak van energiezuinigheid
Vergelijking tussen marshallverdichting en gyratorverdichting van asfalt
In deze masterproef wordt onderzoek gedaan naar de verschillen tussen de Marshallverdichting en de Gyratorverdichting, twee methodes om de relatieve dichtheid en het percentage holle ruimtes van asfalt te bepalen. De aanleiding voor deze masterproef zijn twee problemen, één m.b.t. de holle ruimtes en één m.b.t. de relatieve dichtheid.
Als eerste probleem stelt zich het verschil in %HR van asfalt bij gebruik van de Marshallproef t.o.v. de Gyratorproef. Bij de invoering van het nieuwe standaardbestek SB 250 versie 2.2, waarin voor de bepaling van het %HR gebruik gemaakt wordt van de Gyratorproef, zijn de eisen voor het %HR namelijk aangepast t.o.v. het SB 250 versie 2.1. Dit is een goede zaak, maar in de praktijk wordt er echter nog vaak gebruik gemaakt van de Marshallproef, het zou dus handig zijn mocht er een theoretisch en/of praktisch verband bestaan tussen de Marshall- en de Gyratorproef.
Allereerst wordt hiervoor de mogelijkheid van een theoretisch verband tussen het %HRM en het %HRG onderzocht, hieruit blijkt dat dit onbestaande is. Daarna wordt er gezocht naar de mogelijkheid van een praktisch verband, in eerste instantie in de vorm van een lineair verband en nadien m.b.v. meer complexe wiskundige verbanden. Hiervoor worden de volgende asfaltmengsels verdicht en het %HR bepaald met de twee methodes: 3A+50, 3B+40, 4C+40 en AVS+20.
Hieruit kan besloten worden dat alle gevonden formules en coëfficiënten zeer verschillend zijn. Er bestaat dus geen eenduidige formule of coëfficiënt om de omzetting van het %HRM naar het %HRG te kunnen berekenen. Het is echter niet uitgesloten dat er per type wel degelijk een formule bestaat die alle mengsels van dat type omvat. Hiervoor is verder onderzoek noodzakelijk.
Als tweede probleem stelt zich het verschil in relatieve dichtheid bij herverdichting van asfaltkernen m.b.v. de Marshallproef en de Gyratorproef. Bij de invoering van het nieuwe standaardbestek SB 250 versie 2.2, waarin bij de herverdichting gebruik gemaakt wordt van de Gyratorproef, zijn deze eisen voor de relatieve dichtheid letterlijk overgenomen. Er is dus niet nagegaan of deze eisen nog haalbaar en realistisch zijn. Bij VBG nv merkt men uit de praktijk dat deze eisen inderdaad niet meer haalbaar zijn. Er kan dus onderzocht worden of er een merkbaar en aantoonbaar verschil is tussen de twee verdichtingsmethoden en het nieuwe standaardbestek wel degelijk aangepast moet worden.
Allereerst wordt wederom de mogelijkheid van een theoretisch verband onderzocht, dit blijkt onbestaande. Een praktische vergelijking is dus noodzakelijk, hiervoor worden een aantal kernen van de volgende mengsels herverdicht: 3A+50, 3B+40, 4C+40, 4C-Wit en AVS+20. Van elke kern en van elk herverdicht proefstuk wordt de relatieve dichtheid bepaald, dit zowel met de Marshall- en Gyratorproef.
Er blijkt een beduidend verschil te zijn tussen de waarden van de relatieve dichtheid van de herverdichting m.b.v. de Marshallproef en de Gyratorproef. Dit wil zeggen dat het letterlijk overnemen van de grenzen voor de relatieve dichtheid uit het SB250-2.1 naar het SB250-2.2 niet correct is. Er is dus verder onderzoek nodig om eventuele nieuwe grenzen op te stellen
Onderzoek naar energie efficienties bij elektromotoren
De stage werd uitgevoerd bij E-Motion services bvba, gevestigd in Houthalen aan het Europark. E-Motion is een jong bedrijf dat zich sinds 2008 gespecialiseerd heeft in industrieel onderhoud en revisies van elektromotoren. Hierbij wordt het herwikkelen van de motoren voor eigen rekening genomen.
De normen van de Europese Unie zullen verstrengd worden vanaf 1 januari 2015 en dit houdt in dat er nog enkel motoren met een IE3 vermogenklasse mogen verkocht worden. Sinds 16 juni 2011 is het al reeds verplicht om aan de IE2 klasse te voldoen (IEC 60034-30, vermogenklassen voor 3-fase elektromotoren). Het grote vraagteken op dit moment is: In hoeverre klopt de informatie die fabrikanten vermelden op de id-plaat van de motor?
Het eerste deel van de bachelorproef bestaat uit het optimaliseren en aanpassen van een bestaande testinstallatie zodat we metingen kunnen uitvoeren die conform zijn met de IEC 60034-2-1 normering.
De testinstallatie bestaat uit volgende onderdelen:
Een DC-motor die als generator en belasting werkt.
Sturing met ingebouwde terugvoedingsmodule voor het injecteren van de stroom op het net.
Een koppelomvormer voor het uitlezen van het nuttig mechanisch vermogen.
Applicatie PC met MOTORTOP software voor het uitlezen en berekenen van de resultaten.
In hoogte verstelbare tafel waarop de te testen motor op geplaatst wordt.
Het tweede deel van de bachelorproef bestaat eruit om met behulp van deze installatie verschillende motoren van verschillende merken en verschillende IE-klassen te testen. We onderzoeken ook wat de invloed van de reparaties, die E-motion uitvoert, heeft op deze efficiëntie. De testprocedure wordt uitgeschreven in een handleiding zodat later de test door werknemers van E-motion uitgevoerd kan worden
Optimalisatie van een industriële koelinstallatie
Kautex Textron produceert kunststof brandstoftanks voor de automobielsector. Bij het productieproces loopt de temperatuur van enkele onderdelen snel op. Om deze te koelen is er een koelwatercircuit aanwezig. De koeling van dit water gebeurt door 4 koelmachines. Deze zorgen ervoor dat er steeds water met een temperatuur van 6-8°C aanwezig is. De afgelopen jaren waren er een aantal kleine aanpassingen aan dit systeem. Maar de werking verloopt niet meer optimaal. In dit werk wordt het hele koelwatercircuit geanalyseerd. Er wordt onderzocht welke verbeteringen er kunnen aangebracht worden. In de eerste plaats wordt de sturing geanalyseerd. Deze sturing geeft regelmatig foutmeldingen waardoor de werking niet correct verloopt. Daarnaast wordt er ook onderzocht welke mogelijkheden er zijn om een energiebesparing te realiseren. Hierbij wordt in de eerste plaats gedacht aan het voorschakelen van een freecooler
Mechatronische cocktailshaker
Het doel van deze bachelorproef is het ontwerp van een mechatronica-demonstrator. De te bouwen demonstrator bevat FPGA- en Bluetooth 4.0-technologie en heeft als functie het aanmaken van cocktails, vandaar de benaming van de demonstrator "Cocktailshaker". De mechanische constructie die gebruikt wordt is een bestaande deltarobotopstelling.
Een FPGA (Field Programmable Gate Array) is een geïntegreerde schakeling bestaande uit programmeerbare logische functies. De demo-opstelling voorziet een communicatieplatform tussen de FPGA en de Bluetooth-module. Bluetooth 4.0 wordt ook wel Bluetooth low energy genoemd door zijn zeer lage energieverbruik: een 10-tal mA en in rust een 10-tal nA, waardoor de module het potentieel heeft om jaren mee te gaan op één enkele coin-cellbatterij.
De interface tussen de deltarobot, FPGA en Bluetoothmodule werd ontworpen in het programma Designspark.
Deze print is ontworpen door gebruik te maken van Pmod-standaard zodat hij op vrijwel alle boards aangesloten kan worden. Ook is er gedacht aan uitbreidingsmogelijkheden en zijn er extra I/O voorzien.
Een Android-applicatie wordt gebruikt om de input van een gebruiker te verwerken. Via deze applicatie kan de gebruiker kiezen tussen verschillende cocktails om ze vervolgens te laten maken door de deltarobot.
In de applicatie is het ook mogelijk om nieuwe cocktailrecepten te maken of bestaande cocktailrecepten te veranderen. Deze recepten worden opgeslagen op een online MySQL-database die verbonden is met een RESTful webservice. Deze webservice is opgesteld in Java en wordt gehost op een Tomcat-server. De webservice kan dan de gevraagde recepten uit de database halen en deze vervolgens doorsturen naar de Android-applicatie.
Wanneer de Android-tablet cocktaildata heeft verstuurd naar de FPGA met behulp van Bluetooth-technologie, dan wordt deze eerst in de Bluetooth-module omgezet naar seriële data, om zo doorgegeven te worden aan de FPGA. Hierna wordt de data gedecodeerd binnen de LabVIEW-programmeeromgeving. Ten slotte wordt de verwerkte data doorgegeven aan de motorsturing, waardoor de gewenste cocktail verkregen wordt
Mobiliteitsportefeuille
Met de Mobiliteitsportefeuille is er één oplossing beschikbaar die een groot aantal mobiliteitsdiensten verenigt: tanken, parkeren, openbaar vervoer, betalen, vliegen, hotels boeken, plannen en reserveren. Geen losse declaraties en overzichten, de gebruiker of zijn werkgever krijgt maandelijks één btw-factuur met daarop alle reizen, tankbeurten en overige kosten van de afgelopen periode. Deze factuur kan gebruikt worden voor de btw-opgave en kan direct als één algemene mobiliteitsfactuur opgenomen worden in de administratie.
Mijn stageopdracht bestaat uit twee delen. Enerzijds heb ik een applicatie gemaakt om een betaalkaart van de mobiliteitsportefeuille aan te vragen. Anderzijds heb ik authentificatie bestudeerd en heb ik deze gebruikt in het implementeren van een HTML5-applicatie die via de bestaande parkeermethode 4411 een parkeersessie kan starten en afsluiten waarbij de betaling gebeurt via de bovenstaande betaalkaart.
Voor het gedeelte van de pasaanvraag heb ik gebruik gemaakt van het SpringFramework. Dit framework helpt om snel een applicatie op te zetten met zowel een uitgebreide back-end als een uitgewerkte front-end. Deze applicatie moet een bepaalde XML-file uploaden op een FTP-server. De invoer gebeurt vanuit een webpagina.
De parkeerapplicatie is ontwikkeld in HTML5. De reden hiervoor is de platform-onafhankelijkheid. Zowel op iOS als Android als Windows Phone kan deze applicatie gebruikt worden. De applicatie heeft een simpele lay-out. Het enige dat de gebruiker moet ingeven is de code van de parkeermeter in de buurt en eventueel zijn eigen nummerplaat. Het parkeerbewijs blijft geldig totdat de gebruiker zijn sessie zelf afsluit of de maximale parkeertijd overschreden wordt